Maand: oktober 2016

Zegekruid

In het oude stadscentrum van Amersfoort, om precies te zijn in de Muurhuizen, groeit Zegekruid (Nicandra physalodes). Wandelend door de straat, die in vorige eeuwen de eerste verdedigingsmuur van de stad was, sta je vanzelf even stil bij deze plant. Wat in de maanden juli tot oktober het eerst opvalt, zijn de forse, blauwe, klokvormige bloemen met het witte hart. De plant zelf maakt een rommelige indruk. Eigenlijk verwacht je de plant niet tussen de bolronde keien waar hier en daar een open plekje is waar keien zijn verdwenen. Het is meer een plant van open, omgewerkte grond in bermen of braakliggende terreinen. Om heel eerlijk te zijn hoort Zegekruid meer thuis in de tuin. De plant is ooit uit Zuid-Amerika naar Europa gekomen om onze tuinen te sieren. Van tijd tot tijd ontsnapt de plant en wordt hij in het wild aangetroffen. Waarschijnlijk gebeurt dat vooral door grond te verplaatsen waarmee zaden worden getransporteerd. De plant behoort tot de nachtschadefamilie waartoe ook Bitterzoet, Tomaat en Aardappel behoren. Wat de plant ook fascinerend maakt zijn de vruchten. Het zijn bessen die verscholen zijn in mooie lampionvormige, geaderde kelkbladen. Als de bes openbreekt blijkt de vrucht te bestaan uit verschillende kamertjes, rijkelijk gevuld met zaden.

Zegekruid Muurhuizen Amersfoort 061016 13
Zegekruid tegen de gevel van een huis in het oude centrum van Amersfoort
Zegekruid Muurhuizen Amersfoort 061016 4
Zaaddoos van Zegekruid

 

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

 

De Tapijtbloem

Soms kom ik een plant op straat tegen die er bekend uitziet maar waar ik zo snel even niet de naam van weet. Als ik dan thuis op mijn balkon sta zie ik die plant opeens in de plantenbak staan. Het blijkt de Tapijtbloem of Bacopa te zijn, of wat deftiger Chaenostoma cordatum. Ik vraag me dan af of dit nou een stadsplant is of niet. Na wat googlen blijkt de Tapijtbloem genoemd te worden op de Manual of the Alien Plants of Belgium. “A rare but increasing escape from cultivation” wordt hij genoemd. Zeldzaam terwijl hij in grote getale verkocht wordt in tuincentra en onze balkons verfraait.

Als ik iets verder zoek blijkt hij al sinds 2002 ingeburgerd te zijn in Amsterdam. Dat blijft een stad van Flower Power als je ziet wat Ton Denters daar allemaal vindt. Maar het gaat verder, de Tapijtbloem wordt ook genoemd bij de Verspreidingsatlas, daar heet hij echter “niet ingeburgerd/adventief” en wordt hij vooral bij mij in de buurt gevonden. Ik kan hem ook via waarneming.nl melden wat ik natuurlijk gelijk gedaan heb. Altijd leuk om een zeldzame plant te melden, ja weer zeldzaam, want die melding kreeg ik toen ik de melding wilde opslaan.

Zo zal dat wel vaker gaan met stadsplanten. Een paar weken geleden was ik in Gent. Daar barst het echt van de Vlinderstruiken. Toch zullen die ook ooit als zeldzaam of niet ingeburgerd te boek hebben gestaan. Dus over een paar jaar staan onze stoepen vol met Tapijtbloem, een plant die dan zijn naam dan eer aandoet.

Braakliggende terreinen

 

In Nijmegen wordt momenteel een groot aantal vervallen wijken platgelegd voor nieuwbouw. Nadat de huizen gesloopt zijn, blijft het terrein vaak nog maanden braak liggen. Heel veel langer dan enkele weken hebben de meeste pioniers echter niet nodig, al gauw kan het terrein rood gekleurd zijn van de klaprozen. Pionierssoorten als klaproos, melkdistel, ganzenvoet en nachtschade gedijen goed op verstoorde, nog te koloniseren bodems. Het braakliggende terrein is na de sloop vaak nog enigszins uitgegraven en ligt daardoor lager dan het omliggende terrein. Door de wind wordt het korrelfijne zaad van de klaproos en de met pappusharen bezette vruchten van composieten als de paardenbloem daarom al gauw op dergelijke braakliggende terreinen geblazen.

Nu zijn dergelijke zeer algemene soorten niet bijzonder interessant voor de gemiddelde botanicus, maar gelukkig is er meer aan de hand! Rondom het braakliggende terrein zijn vaak gigantisch veel tuinplanten aan het loeren om ook hun slag te slaan. Eerdere pogingen om de tuin te ontsnappen werden tegengegaan door de heggenschaar en schoffel van de tuineigenaars of door de gifspuit van gemeentelijke werkers die de stoepen brandschoon houden. Op het braakliggende terrein echter, weten allerlei exotische tuinplanten hun intrede te maken. Soorten als grote leeuwenbek, petunia en tuinlobelia mengen zich al gauw in de pioniersvegetatie. Om deze wirwar van soorten nóg iets complexer te maken, is er een derde partij die zijn intrede maakt op het terrein, de partij van de adventieve exoten. Adventief wil zeggen dat de soorten zonder opzet geïntroduceerd zijn, in tegenstelling tot de tuinplanten. De sloopwagens en vrachtwagens die het puin op komen halen, hebben verscheidene exotische zaden in het profiel van hun banden zitten en introduceren daardoor nog meer bijzonderheden.

IMG_8870
gipskruid

Aan de Spreeuwenstraat in Nijmegen liggen momenteel vier van dergelijke braakliggende terreinen. Dit leverde voor Nijmegen leuke waarnemingen op, waaronder de eerste vondst van gipskruid (Gypsophila muralis) en andere tuinplanten als drie-urenbloem (Hibiscus trionum) en boerentabak (Nicotiana rustica). De adventieve exoten werden ook door zeldzame soorten vertegenwoordigd, zo waren beide soorten uit het geslacht Sorghum aanwezig; kafferkoren (Sorghum bicolor) en wilde sorgo (Sorghum halepense). Momenteel worden enkele andere wijken gesloopt, hopelijk leveren die het komende jaar ook weer leuke verrassingen op!

drie-urenbloem

 

IMG_8847
kafferkoren

Net geen Zevenblad

Een bloeiend Zevenblad in oktober? Als je dat ziet een advies; toch even van naderbij bekijken. In Genk bleek het van afstand geschatte Zevenblad een rariteit: Chaerophyllum byzantinum. Eerder werd deze plant Chaerophyllum aromaticum genoemd, maar nadere beschouwing leverde op dat het toch de zeer gelijkende  Chaerophyllum byzantinum moest zijn. Het is moeilijk om het predicaat zeldzaam toe te passen op dergelijke vondsten. Chaerophyllum byzantinum was slechts eenmaal eerder gevonden in België; te Luik. In Nederland is er nog geen melding.  In Genk is de plant waarschijnlijk op een of andere manier geïntroduceerd. Een uitheemse soort dus. De plant groeide in overdaad aan de rand van een tuin, in de aanliggende wegranden en op een omgewoelde plaats van een gesloopt huis. Een echt stads plekje.

DSCN9572

Chaerophyllum byzantinum is een witte schermbloem waar er vele gelijkende van zijn. De plant heeft grotere deelblaadjes en dat is al een goed kenmerk om een groot deel van de schermbloemen uit te sluiten. Veel schermbloemen hebben namelijk fijnslippige bladeren. De vrucht van de gevonden planten bleken langwerpig en dat geeft Chaerophyllum al direct een goede kans. Van deze specifieke soort is verder de geur, iets tussen anijs en selderij in , de vele omwindselblaadjes en de roodachtige gevlekte stengel van belang. Het gelijkende Zevenblad is onbehaard, heeft ronde vruchten, een onbeduidende geur en alle stengels zijn groen.

DSCN9566

Chaerophyllum byzantinum is een soort uit Turkije met enkele voorposten in de Balkan. Ze onderscheid zich van de zeer gelijkende Chaerophyllum aromaticum door de vorm van de blaadjes. Bij Chaerophyllum aromaticum zijn deze lang gepunt en hebben een wigvormige bladvoet. Bij Chaerophyllum byzantinum is de bladvoet afgerond en de bladpunt stomper. Chaerophyllum byzantinum is mogelijk met opzet geïntroduceerd uit Turkije en heeft mogelijk ook een culinaire functie.  Ook in Duitsland (Dortmund) is de soort al vastgesteld en mogelijk betreft een vondst uit Parijs ook deze soort. Op internet staan foto’s van C. aromaticum die toch C. byzantinum lijken.  In de Flora van Turkije wordt vermeld dat beide soorten mogelijk eerder ondersoorten zijn van dezelfde soort, dus de verwarring tussen de soorten is begrijpelijk.

Binnen de familie schermbloemen duiken met regelmaat ook nog nieuwe inheems te noemen soorten op in Nederland en België. Dat heeft veel te maken met het feit dat ook botanisten er makkelijk overheen kunnen kijken. Stel je een berm voor vol met Fluitenkruid en je weet ook direct waarom.

Nieuwe soort in Zoetermeer

Een nieuwe soort ontdekken klinkt ietwat romantisch. Een journalist die ons eens volgde veronderstelde dat wij met enthousiaste kreten op de knieën vielen bij het ontwaren van een ‘nieuwe soort’. De praktijk is ontnuchterend. De nieuwe soort is een onbeduidend plantje zoals Aziatische veldkers, of het is een nieuw soort brandnetel, daar wordt toch bijna niemand enthousiast voor.

Een soort die in 2016 nieuw is voor Zoetermeer is de Oeverbies, Bolboschoenus laticarpus. En deze begon zijn bestaan ook onopgemerkt. Misschien stond hij zelfs al langer in de stad. Deze zomer vond iemand hem langs de Meerpolder aan de noordkant van de stad. De Bolboschoenus laticarpus lijkt heel veel op de Bolboschoenus maritimus (Heen). Een mooie oeverplant waar ik altijd wel een beetje blij van wordt.

De verschillen in het kort: Oeverbies kent een vertakte bloeiwijze, met een centrale groep zittende aartjes en 2-7 gesteelde stralen met aartjes. Deze stralen zijn meer dan 2 maal zo lang als de aartjes. Heen is compacter, heeft ook de zittende aartjes, met maar 1-2 gesteelde stralen met aartjes. Deze stralen zijn minder dan 2 maal zo lang als de aartjes.

Op de plek waar de Oeverbies gevonden was, had ik kortgeleden al hardlopend nog gedacht: ah mooi, Heen! Deze nieuwe look-a-like werd mijn kleine projectje; samen met de hond liep ik langs alle waterkanten in de buurt. We hebben er nogal wat in Zoetermeer. En warempel: overal waar ik vroeger Heen dacht te zien, stond de Oeverbies. Ik heb geen Heen meer gezien sinds deze zomer!