Home » Archieven voor januari 2017

Maand: januari 2017

Nieuwkomers in de stad

Aarpluim Kransgras (Polypogon viridis) foto: Tilly Kester

Dit artikel is geschreven door Johan Vos, die 31 jaar stadsecoloog van Zoetermeer was.

Hierbij wil ik uw aandacht vragen voor de gestage opmars van Kransgras in Zoetermeer. Samen met een aantal andere, typisch stedelijke soorten als Gehoornde klaverzuring, Straatliefdegras, Groene en/of Geelrode naaldaar en Harig vingergras, is Kransgras tegenwoordig een vaste bewoner van de verharding in bijna alle Zoetermeerse wijken. Hoe snel deze inburgering is gegaan blijkt o.a. uit de tekst uit de meest recente Heukels’ flora (2005) die over deze soort meldt: ‘recent op een aantal plaatsen in het urbane gebied ingeburgerd’. In ‘Stadsplanten, veldgids voor de stad’ uit 2004 noemt Ton Denters Kransgras nog niet.
In Zoetermeer is Kransgras voor het eerst in 2008 waargenomen. Hoewel we nooit gericht gezocht hebben naar Kransgras kunnen we melden dat de soort zeven jaar later 22 keer in 13 Zoetermeerse km-hokken is waargenomen.
Kransgras is een vrij onopvallend éénjarig grasje dat, als zoveel andere stedelijke soorten, afkomstig is uit het Middellandse Zeegebied. Op het eerste gezicht heeft het wel wat weg van Fioringras. Toch kan voor de herkenning de Heukels’ flora meestal wel in de rugzak blijven: als je er oog voor hebt herken je ze al op afstand hoor ik vaak om me heen.
Ook deze soort behoort tot de steeds groeiende groep stedelijke grassen, van zuidelijke herkomst, die na de langste dag in bloei komt.
Qua voorkomen gaat het om warme, vochtige en stenige groeiplaatsen, waaronder verwaarloosde stadstuinen met veel verharding; op de overgang van horizontale en verticale verharding, tegelpaadjes tussen achtertuinen, e.d.
Ik maak me sterk dat Zoetermeer niet de enige stad is waar deze ontwikkeling plaatsvindt en ben dan ook nieuwsgierig naar ervaringen uit andere steden.

Kransgras tussen gewassen grindtegels in een verwaarloosde voortuin. foto: Johan Vos

Een nieuwe varen voor Deventer

Zo nu en dan gebeurd het dat ineens iets opvalt. Jarenlang ben ik er al langs gelopen en opeens een paar glanzende donkergroene blaadjes op een tuinmuurtje op het noorden begroeid met mos. Het blijkt een varentje te zijn, niet heel groot, maar anders dan de andere varens die ik ken. Een uitdaging, soorten in deze groep, moet ik zeggen. Deze kwam me zelfs niet bekend voor. Altijd is de camera beschikbaar, hetzij van de telefoon – want waarnemingen voor waarneming.nl moeten altijd gedaan kunnen worden, nietwaar?- hetzij mijn spiegelreflexcamera voor het betere werk. Foto gemaakt en op zoek naar de naam. Na vruchteloos zoeken op de vertrouwde bronnen (verspreidingsatlas.nl, wilde-planten en nederlandsesoorten) niet direct een hit. Of toch wel, het lijkt op een schildvaren van het geslacht Polystichum, maar eeeh, deze staat er niet bij.
Een post op het forum van waarneming.nl levert op dat dit een atypische , nogal kleine versie van een soort is die nog niet lang in Nederland voorkomt , te weten Polystichum polyblepharum, de soort heeft nog geen officiële Nederlandse naam, zie het voorkomen zoals verspreidingsatlas dat laat zien.

Bijgaande foto is de originele post op waarneming.nl. Het is een aanvulling van de lijst van soorten voor Deventer.

 

Wintertroost

Voor de botanist zijn groenblijvende planten in de winter een kleine troost. Er is dan tenminste iets om naar om te zien. Is dit een nieuwe plant in de stad? Vaak zijn die groenblijvende planten struiken of bomen. Zo ook de buxuskamferfoelie (Lonicera nitida). Tot mijn verrassing vond ik dat Baudewijn Odé al in 2009 al een artikel in Nature Today heeft gewijd aan de verwildering van dit struikje.  Op zoek naar dwergmispelsoorten (Cotoneaster ss) zag ik zelf het struikje eerst ten onrechte aan voor buxus. Dank aan  Koos Ballintijn van Waarneming .nl. Niet voor niets heeft Baudewijn Odé, neem ik aan, het struikje buxuskamperfoelie genoemd. De blaadjes zijn net als bij buxus glimmend en tegenoverstaand, maar niet leerachtig.

De blaadjes zijn glimmend
Takken staan boogvormig

Een ander verschil is dat bij buxus wel merg in de stengel is en bij deze kamperfoelie niet. Het struikje is afkomstig uit China en komt door het hele land verwilderd voor, zij het vooral in het stedelijk milieu. Voor Breda is hij nieuw voor de lijst. Rutger Barendse wijst erop in een reactie, dat er een sterk gelijkende soort bestaat, Lonicera pileata. De bladeren van L. pileata zijn wat frisser groen en staan lichtjes naar voren ten opzichte van de stengel.

De geslachtsnaam ‘Lonicera’ is genoemd naar A. Lonitzer (1528-1586) schrijver van een groot werk over natuurlijke historie. De soortaanduiding ‘nitida’ betekent ‘glanzend’.

Van de rotstuin naar de stoep

In een woonwijk aan de rand van het dorp Dorst , gemeente Oosterhout, trof ik in mei 2016 een opmerkelijke wolfsmelksoort aan. Mijn eerste indruk was dat iemand hem daar had geplant.  In onze stadsplantenwerkgroep tellen we een plant pas mee wanneer het aannemelijk is dat de plant daar uit zichzelf terecht gekomen is. Nader onderzoek leerde dat de plant in een kiertje tussen de muur en de stoep stond, een kiertje waar wel een zaadje inpast, maar geen kluit. In een rotstuin in de naaste omgeving bleek ook zo’n plant te staan. Een geval van spontane uitzaaiing dus.

Voor het vinden van de juiste naam bracht ‘Toutes fleures de Mediterranée’ van Blamey & Grey-Wilson uitkomst: Euphorbia myrsinites. Zijn natuurlijke verspreidingsgebied loopt van de Balearen en Corsica naar het oosten tot Turkije. De Franse naam is ‘Euphorde de Corse’. We zouden hem dus ‘Corsicaanse wolfsmelk’ kunnen noemen.

 zaailingen
zaailingen

Een kleine speurtocht op het internet leverde iets opmerkelijks op: in de staat Utah (VS) mag de plant niet meer verkocht worden. En dat niet alleen: ‘landowners and land managers are legally responsible to contain, control, or eradicate the species on their property’. Dat klinkt serieus. Ook in de staten Colorado en Oregon is de plant ongewenst.

In Dorst blijkt de plant zich intussen ook uit te breiden. Begin november was de oorspronkelijke plant verdwenen, maar in de naaste omgeving vond ik een tiental zaailingen.  In de gaten houden dus.

Muurleeuwenbek: van exoot tot stedelijke kleinood

 

Muurleeuwenbek is misschien wel hét boegbeeld van de stedelijke flora. Er is geen stad waar dit plantje ontbreekt. Gelukkig maar, het is een schoonheid. Klein wat betreft formaat, maar met veel uiterlijk vertoon. Opvallend is de weelderig groei met kruipende stengels en klimopvormige, glimmende blaadjes. Vrijwel het hele jaar bloeit het rijkelijk met talloze, paarslila, zacht geel gekleurde bloempjes. De soort is onmiskenbaar, zelfs als het witte bloemen voortbrengt, wat zo nu en dan het geval is.

Muurleeuwenbek is niet oorspronkelijk inheems in ons land. Het plantje is in de 17e eeuw als decoratief rotsplantje vanuit het Middellandse Zeegebied naar elders gebracht, waaronder Nederland. In het vermaarde ‘Cruydt-Boeck’ van Dodonaeus (1644) is de introductie in Nederland opgetekend: “De neerstigheydt van de Cruydtbeminners heeft dit cruydt hier te lande seer vermeninghvuldigt ende naementlijck te Delft in Hollandt is ’t soo ghemeyn ghemaeckt, datter nauws brugghe oft eenigh stadtghebouw oft oude moeragie en is, ten is daer mede cierlijck bekleedt. Dies het metter tijdt voor een inlandtsch ghewas sal moghen ghehouden worden.” Verspreiding is niet alleen mensenwerk, ook mieren dragen hun steentje bij. Zij verslepen de zaden van het plantje naar hun nest, waarbij onderweg het nodige wordt gemorst. De mieren is het alleen te doen om het ‘mierenbroodje’, een oliehoudend en koolhydraatrijk aanhangsel op het zaad, waarmee de larven worden gevoed.

Muurleeuwenbek is een warmte- en lichtminnende soort, die gevoelig is voor uitdroging. De soort is gebonden aan een vochtige atmosfeer. Als dit in orde is, kan het zelfs de nodige zon verdragen. Naast vochtig, moet het milieu ook stenig zijn. De ideale mix is het meest te vinden in binnensteden. Oude, beschaduwde muren zijn favoriet, met name tuinmuurtjes, muurtjes van oude gebouwen en kerken of vochtige gevelmuren bij lekkende dakgoten en regenpijpen. In nauwe straatjes en stegen schittert het plantje het langs gevelmuren. Verder staat het in hofjes, in stenige stadstuinen, op en rond trapportalen, op steenglooiingen en op begraafplaatsen op en rond oude graven. Maar ook buiten het stadshart is Muurleeuwenbek op vochtige, stenige plekken te zien, tot in nieuwbouwwijken toe.

Kortom, overal kan er naar deze soort worden uitgekeken. Het vinden is altijd een traktatie, met wie weet de zeldzamere witte variant. Heb dan ook oog voor de details, onlangs leverde een kritische blik een donzig muurleeuwenbek op (Cymbalaria muralis subsp. visianii); een voor Nederland nieuwe ‘bekje’.

Nieuw voor Nederland; een donzig muurleeuwenbek. Een Italiaans ‘bekje’ dat in Amsterdam werd gevonden.

Harig knopkruid – een plantje voor soep en salades

Harig knopkruid

De klimaatveranderingen zijn ontegenzeggelijk van invloed op onze flora en fauna. Een klein voorbeeld uit de binnenstad van Amersfoort. Het is de tweede helft van december en de eerste week met nachtvorst, tot min zeven graden, is al geweest. De kou verdwijnt en ineens zie je daar in de bescherming van een gebouw Knopkruid in bloei staan. Volgens de flora zou deze plantensoort eind oktober al uitgebloeid moeten zijn. Met de loep blijkt al snel dat we te maken hebben met Harig knopkruid.

Een snelle blik op de plant leert dat we duidelijk te maken hebben met een vertegenwoordiger van de familie van de composieten: bloemen met in het hart alleen buisbloemen of alleen lintbloemen of in het hart buisbloemen en aan de rand lintbloemen. Bij het geslacht Knopkruid wordt het hart van de bloem gevormd door buisbloemen en zien we aan de rand van de bloem vijf lintbloemen. Niet aaneengesloten zoals bij Margriet of Madeliefje maar met tussenruimten.

Het geslacht knopkruid bestaat in Nederland uit twee soorten: Kaal knopkruid en Harig knopkruid. Voor een snelle determinatie in het veld kun je het beste kijken naar de beharing van de stengels. Bij Kaal knopkruid is sprake van spaarzame beharing waarbij de haren aanliggend zijn. Bij Harig knopkruid is sprake van behaarde stengels waarbij de haren afstaand zijn. Er zijn zowel gewone haren als klierharen aanwezig.

De knopkruidplanten hebben rond het midden van de vorige eeuw hun weg naar Europa gevonden vanuit Midden- en Zuid-Amerika. In 1863 werd Kaal knopkruid voor het eerst in Nederland gevonden. Harig knopkruid volgde in 1920. Beide soorten zijn nu zeer algemeen en zijn niet kieskeurig in de groeiplekken. Je vind de planten vaak op omgewerkte grond, moestuinen, akkers en braakliggende grond. Het is duidelijk een pionier plant die door landbouwers en moestuinliefhebbers als onkruid wordt beschouwd. De planten zijn eetbaar en worden in andere landen wel gedroogd om als soepkruid te gebruiken of worden in salades gegeten.

De bloem van zowel Kaal als Harig knopkruid hebben een hart van gele buisbloemen en aan de rand vijf witte lintbloemen.
Harig knopkruid heeft een stengel met afstaande haren. Er zijn zowel haren als klierharen aanwezig.
Knopkruid heeft een voorkeur voor omgewerkte grond zoals bv.. akkers, moestuinen en braakliggende grond. Maar voelt zich ook prima thuis in voegen op de rand van de bestrating zoals hier tegen de gevel van een oud pand in de binnenstad van Amersfoort

 

 

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.