Home » Archieven voor maart 2017

Maand: maart 2017

Sleedoorn – Een overdaad aan bloemen in het vroege voorjaar

Halverwege maart zijn er een aantal bomen en struiken die als het ware lijken te ontploffen. Nog geen blad te zien maar een overdaad aan prachtige witte bloemen, Er zijn geen stam, takken of twijgen meer te onderscheiden. Wat het oog ziet is een blikvullende overdaad aan witte bloemen. Het gaat om bomen en struiken uit de rozenfamilie: Prunus, Vogelkers, Amerikaanse vogelkers, Zoete kers en Sleedoorn.

De struiken van de Sleedoorn bieden een overdaad aan bloemen terwijl het blad nog niet ontwikkeld is.

Het gaat om bomen en struiken die vruchten hebben die wij vaak pruimen noemen. In deze bijdrage van Stadsplanten in Nederland (Amersfoort) aandacht voor de Sleedoorn.
De sleedoornstruik kan wel zes meter hoog worden. “Slee” is een oud woord voor pruim, Zoals Wikipedia aangeeft is het woord terug te vinden in het sterk alcoholische drankje slivovitsj (pruimenjenever). De toevoeging “doorn” duidt op de oudere zijtakken die uitlopen in een doorn.

De Sleedoorn is de eerste “witbloeiende” struik na de winter. De struik voelt zich vooral thuis aan de rand van bossen, en hagen. De rijke bloei, zo vroeg in het voorjaar, is bijzonder aantrekkelijk voor de honingbij. Vooral op windstille dagen vangt het menselijk oor rond de Sleedoorn een overdaad van gezoem op. Veroorzaakt door de honderden honingbijen die zo vroeg in het voorjaar in de bloemen van de Sleedoorn een rijke voedselbron vinden.

De vruchtzetting van de Sleedoorn resulteert in de zomer tot kleine, blauwe pruimpjes. Het gaat om zure, wrange vruchten met een hoog vitamine-C-gehalte die zijn pas eetbaar zijn na lang koken en toevoeging van veel suiker. Een andere methode is om de natuur zijn werk te laten doen. De pruimpjes worden genietbaar als in de winter de vorst over de vruchten is gegaan. Hoe meer vorst hoe eetbaarder de vrucht wordt.

Er bestaat een hechte relatie tussen de Sleedoorn en een bepaalde vlindersoort: de Sleedoornpage. De Sleedoorn is een zogenaamde waardplant voor de Sleedoornpage. Een waardplant is de ideale, of noodzakelijke gastheer voor een bepaald insect. De in Nederland zeldzame Sleedoornpage  zet zijn eitjes bij voorkeur af op de Sleedoorn. Door de afdeling Ecologie van de gemeente Amersfoort is over een reeks van jaren onderzoek gedaan naar de afzettingen van eitjes van de Sleedoornpage op sleedoornstruiken. In 2014 werden vijf eitjes gevonden. In de navolgende jaren geen.

De plaats waar de Sleedoornpage bij voorkeur haar eitjes afzet

 

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Ontsnapte klokjes

In het stedelijk gebied zijn een aantal Campanula-soorten allang geen bezienswaardigheid meer. Het kruipklokje (C. poscharskyana) woekert langs gevels, op muren en in brandgangen en zowel het akkerklokje (C. rapunculoides) als het prachtklokje (C. persicifolia) kom je met grote regelmaat tegen in de stad.

Maar intussen beginnen ook enkele andere soorten klokjes te ontsnappen uit tuinen en uit plantenbakken. Een eerste voorbeeld is het breed klokje (C. latifolia). in Nederland wordt deze soort beschouwd als een stinsenplant. Het natuurlijk verspreidingsgebied bestaat uit West-Azië en grote delen van Noordwest-, Midden- en Oost-Europa. De meest noordwestelijke vindplaatsen zijn de Eifel en het Sauerland. Het is een populaire tuinplant die het goed doet in de halfschaduw op vochthoudende grond. In Breda was de plant er in geslaagd om vanuit een tuin onder de stoep door naar de straat te kruipen.

Campanula latifolia
breed klokje

Een tweede  voorbeeld is het karpatenklokje (C. carpatica). Dit prachtige plantje komt van oorsprong, de naam zegt het al, uit een berggebied en is dan ook geschikt voor de rotstuin als ‘voegenvuller’ in de stapelmuur of tussen de stenen. Een plant voor zonnige plekjes met een goed doorlatende bodem. Plaatsen waar een muur grenst aan de stoep voldoet aan deze voorwaarden. In Breda vond ik er ééntje tussen de stenen tegen een  garagemuur en in Antwerpen (Deurne) enkele exemplaren op de stoep langs gevels.

Campanula carpatica in Breda
Karpatenklokje in Breda

Het laatste voorbeeld is het kluwenklokje (C. glomerata). In een rustige villawijk van Breda stond een beetje zielig ogend exemplaar midden op de stoep. Het is niet duidelijk hoe hij daar terecht is gekomen. Van de als tuinplant verkochte cultivar ‘Superba’, en daar leek deze op, is bekend dat hij door zijn worteluitlopers enorm kan gaan woekeren. Een klein stukje verderop in dezelfde straat stond nog een forse pol in de spiegel van een laanboom. Die pol zou daar weleens door een liefhebber geplant kunnen zijn.

 

Campanula glomerata in boomspiegel
kluwenklokje in boomspiegel

 

Vroegeling – klein, opvallend en verrassend

Het is niet zo verbazingwekkend dat het eenjarig plantje “Vroegeling”, Vroegeling heet. Daar zijn twee goede verklaringen voor. De eerste is dat het plantje als één van de eerste vroeg in het voorjaar in bloei staat. Een tweede reden kan zijn dat de ontwikkeling van het plantje al in de herfst van het voorgaande jaar plaats vindt. Het is een éénjarige plant waarvan de zaden al in het najaar ontkiemen en waaruit een plat op de grond liggende rozet ontstaat. Pas na de winter, in het vroege voorjaar, verschijnen er bloemstengels.

De eerste bloeiende plantjes worden al begin februari gevonden. Je moet wel even bukken want de bloemstengel is vaak niet groter dan zo’n anderhalve centimeter. Maar omdat er nauwelijks andere plantjes in bloei staan en de Vroegeling massaal aanwezig is, valt je oog wel onmiddellijk op de rijkelijk aanwezige kleine witte bloempjes. Als het gaat om aandacht is de grootste concurrent in die tijd van het jaar de Kleine veldkers. Als je van anderhalve meter hoogte op het plantje neer kijkt is het moeilijk onmiddellijk vast te stellen of je te maken hebt met de Kleine veldkers of Vroegeling. Het is echter vrij eenvoudig het verschil vast te stellen. Het is een kwestie van diep bukken en te kijken naar de bladvorm en vooral naar de rozet van waaruit de bloeistengel opstijgt.

Vroegeling stelt geen hoge eisen. De plantjes zijn massaal te vinden op zonnige, droge, open plaatsen, op zanderige grond, langs de randen van plantsoenen en grasperkjes.

Bij de Vroegeling zien we een rozet die bestaat uit platliggende ovale blaadjes. Bij de kleine veldkers is er ook sprake van een rozet maar die bestaat uit meerder stengels waaraan vele kleine blaadjes die tegenover elkaar aan de stengel groeien. Wie goed naar de bloempjes kijkt ziet ook grote verschillen als ze open zijn. Bij de Vroegeling lijkt het om acht witte kroonblaadjes te gaan. Als je echter goed kijkt zie je dat het om vier kroonbladeren gaat die diep ingesneden zijn. Bij de Kleine veldkers gaat het duidelijk om vier, niet ingesneden witte kroonblaadjes. Ze behoren beiden tot de kruisbloemenfamilie.

De vruchten van Vroegeling zijn houwtjes waarbij de zaden gescheiden worden door een tussenschot in de vrucht. Als de vruchten open zijn gesprongen en de zaden er uit zijn gevallen blijven de witte tussenschotjes over. Daardoor valt het plantje ook in die periode onmiddellijk op.

Met een goede loep zijn de opvallende sterharen langs de bladrand van Vroegeling te zien.

Het is ook zeer de moeite waard met een goede loep te kijken naar de haartjes op het blad van de Vroegeling. Zulke mooie sterharen zie je niet iedere dag.

 

Op de pagina’s stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Verrassende Vlissingse achterpaden

Sinds 1 november 2011 zijn zogenaamde achterpaden ook mijn geliefd domein. Achterpaden liggen tussen huizenblokken, geven toegang tot achtertuinen en worden meestal begrensd door schuurtjes, schuttingen en hagen.

Vlissingen, achterpaden

Op die dag zag ik een walhalla aan varens in een wijk in Vlissingen. Op muren van schuurtjes groeiden behalve bekende soorten zoals: Mannetjesvaren, Muurvaren,Steenbreekvaren, Tongvaren, Eikvaren ook een vreemd varentje. Eentje die ik in Limburg in Eckelrade was gaan bekijken. De Schubvaren met zijn zigzaggend uitziend blad. Ik telde vijf exemplaren. Dit zijn voor zover bekend de eerste en enige Schubvarens van Zeeland.

Schubvaren (Asplenium ceterach) foto: Grada Menting

De zeldzame en tot voor kort beschermde, Schubvaren is van nature een rotsplant. Bij gebrek aan rotsen zijn muren een goed alternatief.

Tot mijn schrik zag ik in augustus 2016 deze Schubvarens er verlept bijhangen. Er was al een tijd geen drup regen gevallen en dit hield nog een tijd aan. Zo af en toe ben ik deze, toch wel erg zeldzame varens, water gaan geven. Totdat ik het volgende las.

Schubvarens in droge periode foto: Grada Menting

Schubvaren groeit op zonnige plekken en wortelt in de spleten van kalkhoudende rotsen en muren. Op zulke plekken heeft zij regelmatig gebrek aan vocht. Bij vochtgebrek krullen de bladranden naar binnen en zien de planten er bruin en verschrompeld uit. Men vreest dan het ergste voor de overlevingskans van zulke planten, maar ze zijn goed aangepast aan extreme standplaatsen en na een regenbuitje staan ze er weer fris en groen bij. Bron: Nature today Bericht uitgegeven door FLORON (@ Egbert de Boer en Bart Hendrikx

 

Nu maar hopen dat ze bijtrekken!

Maarts viooltje, een heerlijke geur in de lente

 

Een van mijn lievelingsplanten is het Maarts viooltje (Viola odorata). Dat komt omdat ik erg van het voorjaar hou en dit plantje een echte lentebode is. De naam zegt het al, maart, hoewel in een zachte winter dit ook een januari’s viooltje zou kunnen heten. Ik heb hem zelfs al eens vóór de kerst zien bloeien.
Maar wat hem zo leuk maakt, is de verrassend lekkere geur. Je verwacht zoiets niet bij zo’n eenvoudig klein bloempje. Het Latijnse ‘odorata’ betekent ‘welriekend’. Ik kan er nooit genoeg van krijgen de geur op te snuiven. Dat heeft waarschijnlijk ook te maken met het feit dat de geur niet lang blijft hangen in je neus. Je moet telkens opnieuw ruiken. Het Maarts viooltje bevat een stof die de geurreceptoren in je neus voor korte tijd verdooft.

Maarts viooltje komt vrij algemeen voor in Zoetermeer, maar omdat het een klein plantje is moet je er toch een beetje naar zoeken. Kijk onder de heg, en in boomgroepen. Hij houdt van schaduw maar dat moet je ook weer niet overdrijven. Buiten de bloeitijd valt hij eigenlijk niet erg op, en wordt het ook moeilijk om hem te determineren. Zo haalde ik jaren geleden Maartse viooltjes mijn tuin in. Helaas bleken het, toen ik wat meer leerde over blauwe viooltjes, Bleeksporige bosviooltjes te zijn. Zónder die lekkere geur. Nu weet ik dat je op de kelkbladeren moet letten, en op de spoor. Je moet eigenlijk de achterkant van de bloemetje bekijken dus.

De bloem: stompe kelkbladeren en rechte spoor.

Al sinds vele eeuwen wordt het Maarts viooltje geroemd om zijn verleidelijke geur. En het is ook al lang bekend als geneeskrachtig plantje, evenals het Driekleurig viooltje. Viooltjes doen het vooral goed bij huidproblemen.
Je kunt de bloemetjes ook eten, in de sla bijvoorbeeld. Of, eventueel versuikerd, op een dessert. Ik zou dat zelf alleen doen als het plantje een plaag is geworden in je tuin. Voorlopig is het bij mij nog niet zover.

 

Steenhoornbloem; voorjaar tussen de stenen

Steenhoornbloem te Geel (België) langs het spoor

Hoornbloemen hebben na de bloei een bruinvliezige ‘tuit’ uit de kelk steken. Het is de vrucht in de vorm van een hoorn. Dat is ook het geval bij één van de meer tot de verbeelding sprekende hoornbloemen; de Steenhoornbloem (Cerastium pumilum). In Nederland is dit een heel zeldzame plant en voornamelijk bekend uit Limburg, maar vermoedelijk wordt hij, door onbekendheid met de plant, ook over het hoofd gezien. Net over de grens in België, en dan over de gehele lengte van die grens, wordt de Steenhoornbloem al meer gezien en in sommige regio’s daar is ze zelfs niet echt zeldzaam. Op stenige plaatsen, zoals ballastbedden van sporen, maar ook langs kanalen, op terrils en op plekken waar puin is verwerkt, bijvoorbeeld bij opritten, is deze plant geregeld te vinden.

Steenhoornbloemen op stenig materiaal langs het Albertkanaal te Eindhout (België)

Om de plant goed te herkennen is bloei nodig en moet je ook redelijk vroeg in het seizoen op pad. Begin april komen de eerste planten al tot bloei. De bloei valt tegelijk met die van Zandhoornbloem en er is ook enige gelijkenis. Over het algemeen is de bloem van Steenhoornbloem veel regelmatiger ingesneden, zijn de bloemen groter, zijn er minder klieren aanwezig en maken de bloem- en vruchtstelen een boogje ten opzichte van de stengel. Ze zijn dus niet teruggeslagen zoals bij Zandhoornbloem. Steenhoornbloem is eenjarig. Dat is een belangrijk verschil met de wel wat gelijkende Gewone hoornbloem. Eenjarigheid is te controleren door de afwezigheid van nietbloeiende spruiten en de los- en rechtopstaande habitus en het vrij los in de grond zittende kleine wortelstelsel.

Steenhoornbloem aan de voet van de terril te Genk (België)

Steenhoornbloem is een heel mooie plant want de bloemen zijn, eenmaal open, relatief groot. Het is altijd weer een genoegen deze sterretjes waar te nemen. Natuurlijk moet de plant ook in dit opzicht niet verward worden met die andere sterretjes, als Sterrenmuur, te weten de volksnaam voor Gewone vogelmuur.