Maand: april 2017

Stadspark Poelbroekpark: ecologische hotspot Haarlem

Bijenorchis (foto: Niko Buiten)

Mensen die van bijzondere natuur houden moeten beslist naar het Poelbroekpark gaan. Het is één van de rijkste natuurgebieden in de stadsrand van Haarlem. Op plantengebied is het een topper. Het heeft gebiedseigen water (kwel) en een natuurlijk waterpeil. Er groeien drie soorten wilde orchideeën waaronder Bijenorchis en fraaie planten zoals Waterpunge en Rode ogentroost.

De Bijenorchis (zie foto) is één van de mooiste wilde orchideeën die in Nederland voorkomt. De bloemen van deze plant lijken op wilde bijen. De wilde bij speelt bij de bevruchting van de bloem een belangrijke rol door stuifmeel via het lichaam van de ene naar de andere plant over te brengen. De Bijenorchis is een, in het zuiden van Europa meer voorkomende orchidee, die vermoedelijk door klimaatverandering stijgende temperatuur, toeneemt in Nederland. Nu de Bijenorchis in het Poelbroekpark voorkomt moeten we zien hem daar te behouden.

Het verschijnen van deze planten is een fraaie beloning voor het vele werk dat vrijwilligers er in stoppen om het kwetsbare natuurgebied mooi te houden. Wanneer met te zwaar materieel wordt gewerkt raakt de bodem beschadigd. Een natuurwerkgroep van vrijwilligers werkt er daarom met licht materieel. Het is een gezellige groep mensen, die van buiten- werken houdt. Wanneer je mee wilt doen kun je je aanmelden bij coördinator Niko Buiten, nikobuiten@online.nl .

Wil je weten welke planten in het Poelbroekpark groeien? Op zaterdag 3 juni kun je van 10.00 tot 12.00 uur met natuurliefhebber Niko Buiten op plantenexcursie. We verzamelen voor het hek van het Doe-Tuincomplex Poelbroektuin (aan het fietspad naar Vijfhuizen). Graag van tevoren opgeven via nikobuiten@online.nl .

Meer informatie over het Poelbroekpark en het werk van de vrijwilligers vind je op de webpagina van de natuurwerkgroep http://wijkraad-meerwijk.nl/natuurwerkgroep-van-het-poelbroekpark/ .

Poelbroekpark (foto: Peter Mol)
Akkergeelster (Gagea vilosa)

Sterren zoeken

Deventer en geelsterren

Heerlijk om het floraseizoen te beginnen met een rondgang langs bekende groeiplaatsen van geelsterren en hopelijk nog onbekende groeiplaatsen te vinden. De Akkergeelster (Gagea vilosa) met zijn prozaïsche Engelse naam Field star-of-Bethlehem en de weidegeelster (Gagea pratensis) zijn beiden best nog veel te vinden in de IJsselstreek, als “je maar op de juiste plek zoekt” (Flora van Nederland, 4, blz. 277). Het geslacht is vernoemd naar de Engelse botanicus Thomas Gage (1781-1820).

Als je de verspreidingskaartjes van akkergeelster en weidegeelster bekijkt, dan ligt Deventer redelijk in het centrum van het zwaartepunt van de verspreiding. Voor de weidegeelster zijn ook nog de duinen van belang en voor de akkergeelster Limburg.
Bermen, grasland o.a. beschaduwde grasvelden, akkers , tuinen, begraafplaatsen, heggen, aan de voet van rivierdijken, op glooiingen van zandkoppen in uiterwaarden, rivierduinen met rivierduinbosjes en de binnenduinrand zijn volgens de ecologie van de weidegeelster de groeiplaatsen (Flora van Nederland). Gezien deze plaatsen is de weidegeelster in Deventer een zeldzaamheid. Deventer kent echter een aantal zeer oude parken waar de weidegeelster, nou ik kan rustig zeggen, welig tiert, met enige duizenden exemplaren. En veelal in de boomspiegel rondom tot 200 jaar oude Beuken, Eiken en Platanen in de parken. Zelfs vanuit de trein is een groengele boomvoet te zien, zoveel staan er soms.

Een van de Deventer Beuken (Foto G. Hendriksen)
Een van de Deventer Beuken (Foto G. Hendriksen)
Weidegeelster (Gagea pratensis) Foto. G. Hendriksen
Weidegeelster (Gagea pratensis) Foto. G. Hendriksen 2017

Op de rivierduinen zijn hier een daar wat populaties weidegeelsterren te vinden, echter het beheer (‘gedoseerde bodemverstoring’) is niet echt gericht op de instandhouding van die populaties. Wonen op een rivierduin is topprioriteit. Echter dat wat er is, laat in ieder geval zien dat de soort vitaal is, eigenlijk door heel Deventer heen. Naast de parken zijn vooral ook diverse wegbermen van de wat ‘oudere’ wegen van groot belang. Rondom boomvoeten van platanen en eiken staan op tientallen plaatsen groepen van 1 – 50 exemplaren weidegeelsterren.

 

Akkergeelsterren zijn er altijd veel minder gemeld. Tot 2017 maar van twee plekken bekend. Nader onderzoek en wel net na het hoogtepunt van de bloei van de weidegeelsterren laat zien dat er tientallen plaatsen zijn in plaats van enkele en op dezelfde standplaats als de weidegeelsterren. Inclusief een begraafplaats en een van de parken.
Weide- en akkelgeelster zijn uit elkaar houden gaat het meest gemakkelijk door te kijken naar de mate van beharing. Weidegeelsterren hebben alleen aan de bladvoet soms enkele ‘wimpers’, terwijl de akkergeelster ‘donzig’ behaard is. Bij Akkergeelsterren vormen tot 15 bloemstelen een scherm. Bij de weidegeelster is dat tot 4 bloemstelen.

Akkergeelster (Gagea vilosa) Foto. G. Hendriksen
Akkergeelster (Gagea vilosa) Foto. G. Hendriksen

 

Wie het breed heeft …..

Wie het breed heeft laat het breed hangen is een oude uitdrukking. Als dit waar is dan moet de Brede raket (Sisymbrium irio) het breed hebben. Het klopt echter niet met de plekken waar we de plant in Den Haag vinden. Over het algemeen staat hij in wijken waar de minder draagkrachtigen wonen. Zo zie je hem veel in de buurt van het Hollands Spoor en in de wijk Laak-Centraal. Als hij ergens staat dan is hij meestal niet alleen, vaak staan er tientallen planten, sterk variërend in grootte.

Een hele brede Brede raket.

De Brede raket is een kruisbloem: de gele bloemen hebben vier kroonblaadjes die als een kruis tegenover elkaar staan. De familie van de kruisbloemen (Brassicaceae) is voor veel mensen een lastige groep omdat veel planten uit deze groep op elkaar lijken. De Brede raket is goed herkenbaar, maar dan moet hij wel vruchten hebben. De vruchten steken breed boven de bloemen uit. Ook het blad is vrij breed.

De vruchten torenen breeduit boven de bloemen.

De Brede raket staat het liefst tegen de huizen aan maar staat ook wel in boomspiegels waar hij op mij een slankere indruk maakt vanwege minder blad.

De plant is geen inheemse soort maar een adventief. Dat betekent dat het zaad op één of andere wijze door menselijk handelen hier naartoe gekomen is, bij voorbeeld in potten met Olijfbomen. De plant werd voor het eerst gezien in Antwerpen in 1886. Hoewel hij daarna nog wel eens is gezien komt hij in 2001 voorgoed naar Antwerpen om zich van daaruit verder te verspreiden.
Normaal groeit hij in het Middellandse Zeegebied. Hij lijkt het hier toch goed naar z’n zin te hebben hoewel hij nog maar in een paar steden in het westen van ons land voorkomt. Het zal een kwestie van tijd zijn dat hij ook elders te vinden zal zijn. Uiteindelijk zal hij hier inburgeren.

Een hele rij Brede raketten in een straat in Den Haag.

Dan de naam, want waarom heet deze plant Brede raket? Breed is duidelijk, maar een raket zie ik er niet in. Waarschijnlijk is de naam afgeleid van het Franse woord Roquette, een wilde koolsoort. In het Engels heet hij London Rocket. Blijkbaar komt hij veel in Londen voor.

Staat er gekleurd op

In Breda is, ter hoogte van Bavel, een aantal jaren geleden langs de A-27 een zeer hoge, en daardoor ook zeer brede geluidswal aangelegd. Er loopt een wandelroute overheen, er zijn stukken met struiken en bomen uitgerasterd, en er is na de aanleg een uitbundig bloemenzaadmengsel uitgezaaid van Zuid-Franse origine. Een aantal van die soorten is inmiddels verdwenen, maar andere handhaven zich en breiden zich uit en enkele verspreiden zich in de wijdere omgeving. Het km-hok waarin de geluidswal zich bevindt telt mede daardoor 543 soorten. Een soort die het buitengewoon goed doet is verfbrem (Genista tinctoria) die zich alsmaar uitbreidt ondanks de vraat van schapen, die als beheer worden ingezet.

verfbrem bloem

In dit geval is het moeilijk om van van regelrechte floravervalsing te spreken, want er was geen flora. In de stedelijke omgeving is die term toch al lastig omdat er voor het criterium ‘opzettelijke introductie’ vaak alleen maar aannames zijn. Waarschijnlijk kwam verfbrem in de omgeving van Breda vroeger wel voor.  Hoe dan ook, op de wal worden vlinders geteld volgens de systematiek van de Vlinderstichting en hier telt men de meeste soorten en meeste exemplaren in Breda. Verder beginnen zich ook verschillende soorten wilde bijen te vestigen.

verfbrem habitus

De term ‘verf’ in verfbrem slaat inderdaad op het gebruik als verfstof voor geel, maar ook voor bruine en groene tinten.  De knoppen en bloemen worden gebruikt. De betekenis van het het woord ‘brem’ blijkt niet meer te achterhalen. Het is, evenals veel namen van inlandse bomen, een substraatwoord. Een woord uit een taal van de inwoners hier, voor de komst van de Germanen. De wetenschappelijke geslachtsnaam ‘Genista’ komt waarschijnlijk van het Keltische ‘gen’ en betekent  ‘struik’. De soortaanduiding   ‘tinctoriastaat voor ‘verf’.

 

 

Boekje open over boekweit

Bij boekweit (Fagopyrum esculentum) denk je niet meteen aan stadsplanten. Het lijkt meer iets voor heemkundekringen en voor bijenhouders. Toch trof ik in de zomer van 2016 een boekweitplant aan op een stoep in het centrum van Breda. Hoogstwaarschijnlijk daar terecht gekomen door een zaadje uit een pak vogelvoer.

Ooit was boekweit een belangrijk gewas op de arme zand- en veengronden, bijvoorbeeld in de Peel. In Deurne bereikte de teelt van boekweit qua omvang een hoogtepunt in de tweede helft van de negentiende eeuw. Het gewas was, als alles meezat, makkelijk te verbouwen. Het leverde meel op, dat geschikt was om er pap en pannenkoeken van te maken.  Voor de teelt van boekweit op veengrond werd de bovenste laag van de grond, nadat deze in het voorjaar gedroogd was, verbrand waardoor voedingsstoffen vrijkwamen. Dit ‘boekweitbranden’ gaf een enorme rookontwikkeling. In de twintigste eeuw steeg de productie graangewassen als tarwe en rogge enorm door grondverbetering en bemesting. Het rendement van boekweit ging juist achteruit. Na de Tweede Wereldoorlog was het zo goed als afgelopen met de boekweitcultuur.

De in augustus bloeiende boekweit is een goede bijenplant. De voormalige boekweitvelden vormden voor de imkers een ideale plek om hun korven te plaatsen vóórdat de oogst van de heidehoning enkele weken later kon beginnen.  Boekweithoning heeft een specifieke intense smaak en is donker van kleur.

boekweit op de stoep

De laatste decennia wint boekweit weer enigszins aan populariteit. Boekweit wordt toegepast in het agrarisch natuurbeheer bij de aanleg van bloemrijke akkerranden en wildweides.

In de gezondheidsvoedingsbranche wordt boekweit aangeprezen vanwege de aanwezigheid van belangrijke mineralen en van zogeheten fytonutriënten. Daarnaast wordt een afvalproduct van de verwerking van boekweit, de ‘boekweitdoppen’, gebruikt voor de vulling van gezondheidskussens. Zo’n boekweitkussen schijnt therapeutisch te werken.

En dan is er natuurlijk de toepassing van boekweit in vogelvoer en in lokaas in de karpervisserij.

Boekweit (Fagopyrum esculentum) is een plant uit de duizendknoopfamilie. De plant is waarschijnlijk afkomstig uit Centraal- of Oost-Azië. Over de gevolgde route naar Europa bestaan uiteenlopende verklaringen. Uit pollenonderzoek is gebleken dat boekweit al voor het begin van onze jaartelling in ons land voorkwam.

De naam ‘boekweit’ betekent simpelweg ‘beuktarwe’. De vruchten hebben de vorm van beukennootjes. Ook de wetenschappelijk geslachtsnaam ‘Fagopyrum’ betekent ‘beuktarwe’. Fagus is beuk en ‘puros’ tarwe. De soortaanduiding ‘esculentum’ wil zeggen ‘eetbaar’.

 

Gulden sleutelbloem – een plant met een bijzondere eigenschap: heterostylie

De Latijnse naam voor de Sleutelbloem is Primula. Bij ieder tuincentrum en in bijna iedere Nederlandse tuin vind je Primula’s. Het woord ‘primula’ is afgeleid van het woord primus dat ‘eerste’ betekent. De plant kreeg deze naam omdat de bloemen van de Sleutelbloem als een van de eerste in het voorjaar verschijnen.

In het wild komen er in Nederland drie soorten van de Sleutelbloemfamilie voor: De Gulden sleutelbloem, de Stengelloze sleutelbloem en de Slanke sleutelbloem. Bij de afdeling Ecologie van de gemeente Amersfoort was bekend dat er in de omgeving van de Stichtse Rotonde, Sleutelbloemen gezien waren. Het was niet bekend om welke soort het ging. Reden om een onderzoek te doen.
Het gras was nog zeer kort. Daardoor waren op afstand te planten al snel zichtbaar. Net zoals een Paardenbloem op tientallen meters afstand direct opvalt, zo zijn ook de trosjes gele bloemen op hun slanke stengels van de Sleutelbloem makkelijk op afstand te zien. Het was al snel duidelijk dat het om de Gulden sleutelbloem ging. Als de plant een stijve opgaande bloemstengel heeft met aan de top een scherm (trosje) bloemen dan gaat het of om de Gulden sleutelbloem of om de Slanke sleutelbloem. Bij de Stengelloze sleutelbloem – de naam zegt het al – ontbreekt de bloemstengel en rusten de bloemen van het scherm op de wortel van de plant. De planten in het gras bij de Stichtse Rotonde waren eidooiergeel van kleur.

Een bloem van de Gulden sleutelbloem met een korte stijl en hoog geplaatste meeldraden

Een eerste aanwijzing dat het om de Gulden sleutelbloem ging. Een tweede ‘bewijs’ was de korte beharing aan de onderzijde van de bladsteel. Bij de Slanke sleutelbloem zijn dat lange afstaande haren. Een derde aanwijzing waren de oranjegele vlekken op de keel van de bloem. Bij de Slanke sleutelbloem is dat een ring van donkerder vlekken.
Volgens Wikipedia verwijst de naam ‘Sleutelbloem’ naar een oude legende waarbij Petrus zijn mooie sleutelbos met gouden sleutels uit zijn handen liet vallen waardoor deze op aarde terecht kwam. Toen hij de sleutelbos, met de gouden sleutels, opraapte groeide daar een plantje met een stralende tros goudgele bloemen.
Er is iets heel bijzonders aan de hand met de Sleutelboem. Bij alle drie de soorten is vaak sprake van het verschijnsel ‘heterostylie’. Dat betekent dat binnen één en dezelfde plantensoort planten voorkomen met stijlen van verschillende lengte waarbij ook de plaatsing van de meeldraden verschillend is. Er zijn bloemen met een korte stijl en hoger geplaatste meeldraden en er zijn planten met een lange stijl die ver boven de meeldraden uitsteekt. Dat kan per plant verschillen. Wel zijn alle bloemen van één plant van hetzelfde type. Bij de Stichtse Rotonde ging het om ongeveer 40 bloeiende planten. Het was geen enkel probleem exemplaren van beide typen te vinden.

Sleutelbloem met een hoge stijl en laag geplaatste meeldraden

 

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Schitterende onkruiden in het gazon

Draadereprijs, uit de Kaukasus en Klein-Azië, is sinds 1934 in onze gazons thuisgeraakt.

Gazons zien er in de regel egaal groen uit; voor ‘onkruiden’ is geen plaats. Gelukkig zijn er spelbrekers. Iedereen kent madelief en dan is er ook nog draadereprijs. Dit van oorsprong rotsbewonende plantje uit de Kaukasus en Klein-Azië wist in het verleden al tot onze graslakens door te dringen. In 1934 werd zij voor het eerst in verwilderde staat ontdekt. Daarna volgde er een stevige opmars, waarbij ze naam maakte als ‘gazonpest’. Niet iedereen dacht daar zo over. Velen zagen in haar een aanwinst en hielpen dit ereprijs een handje. Draadereprijs is tegenwoordig een vaste en gewaardeerde gazonbewoner.

Na een periode van stilte dringt nu eindelijk weer een nieuweling in de grasmat door; Lobelia pedunculata. Deze ‘graslobelia’ heeft eenzelfde uitstraling als draadereprijs; is net zo rank en liefelijk in haar voorkomen. Met deze nieuweling krijgt het gazon meer pracht en kleur, en dan niet zoals draadereprijs in het voorjaar, maar in de zomer. Dan bloeit dit, tot dan toe verborgen levende plantje, feestelijk op en wordt de grasmat herschapen. Overal ontluiken de intens blauwe, stervormige bloempjes, wiegend op lange, ranke bloemstelen. Graslobelia is een groenblijvende, vorstbestendige, kruipende bodembedekker, met kleine, onregelmatig getande, eivormige blaadjes. De soort komt uit Australië en is als sierplantje naar elders gebracht, vooral om rotstuinen te verrijken. Het plantje gaat echter graag de perken te buiten en zet gemakkelijk de stap naar aangrenzende gazons.

Graslobelia is een nieuw gazonplantje met toekomstperspectief.

Graslobelia is tweehuizig. In het thuisland is zij in volle glorie te zien en produceert zij volop rode, besachtige vruchten. Deze lobelia, wordt vanwege dit kenmerk, ook wel in een apart geslacht Pratia  afgesplitst. Bij ons worden, precies zoals in Groot-Brittannië en België, enkel vrouwelijke planten gevonden en blijft de vruchtvorming bij gebrek aan mannelijke planten achterwege. Een verdere verspreiding van deze soort wordt daardoor geenszins belet. Via een doelmatige vegetatieve vermeerdering maakt deze soort de nodige meters. De tere stengelfragmenten laten bij het minste of geringste los en wortelen snel. Het plantje heeft daarmee toekomstperspectief en alles in zich om gemeengoed te worden. In Nederland is de ‘aftrap’ in Emmen begonnen; daar kwam dit plantje in 2005 aan het licht. België ging ons in 2004 voor, met twee groeiplaatsen in frequent gemaaide gazons. Nederland telt inmiddels 12 vindplaatsen verdeeld over het hele land en er volgen er ongetwijfeld meer. Nu eerst de zomer afwachten en dan maar met een hernieuwde kijk de gazons nalopen. Dat levert vast nieuwe meldingen op.