Home » Archieven voor mei 2017

Maand: mei 2017

Een blok steen

Een rechthoekig blok steen net ten noorden van het centrum van Utrecht. Als je er langs loopt, lijkt de voorkant kaal en niet interessant. Maar schijn bedriegt.

Want de ene kant is de andere niet. Kijkend naar de achterkant, die van af de straatkant niet te zien is, gaat het floristenhart ineens een stuk harder kloppen.

Het blok steen blijkt namelijk bijna in zijn geheel bezet te zijn met vele muur begroeiende plantensoorten.

Denk hierbij aan diverse exemplaren Klein glaskruid, 1 Gewone eikvaren, 1 Mannetjesvaren, een paar Tongvarens, 10-tallen Steenbreek – en Muurvarens en 1 Polystichum. Een naaldvaren.

Kijk maar eens aan de andere kant

Deze naaldvaren heeft behoorlijk wat jaren voor hoofdbrekens gezorgd. Ongeveer 10 jaar terug werd de plant voor het eerst gevonden. We konden de soort niet op naam krijgen, want het exemplaar was piepklein. Vele jaren bleef het exemplaren uiterst klein en wilde het nog steeds niet lukken om er een naam op te plakken tot ineens vorig jaar het kwartje viel.

De zeldzame naaldvaren Polystichum luctuosum

De plant had inmiddels meer en grotere veren wat de naamgeving toch een stuk makkelijker maakte. Het bleek om Polystichum tsus-simense te gaan. Een zeldzame tuinvaren die mondjesmaat in Nederland aan het verwilderen is.

Maar niets is wat het lijkt. De naamgeving  van de plant is blijkbaar recent veranderd. De plant heet dan ook niet meer P. tsus-simense, maar schijnt nu P. luctuosum te heten. Wat het waarom hier nu weer van is, is mij niet bekend.

Afijn, zo zie je maar, dat je ook hierin voor verrassingen komt te staan.

Net als het soortenrijkste blok steen van Utrecht!

 

Bedrijventerrein vol zilveren boeketjes

“Zwenkdravik is de mooiste plant van de avond” zei ik toen we de avond van 2 mei met zeven leden van de Rotterdamse Florawerkgroep een stuk van bedrijventerrein Spaanse Polder hadden geïnventariseerd. We stonden nog wat ervaringen uit te wisselen en puzzeltjes op te lossen. De anderen waren het eens met mijn keuze: de mooie zilverige boeketjes die op diverse plekken tegen de muren van bedrijfspanden of bij lantaarnpalen waren iedereen opgevallen.

Zwenkdravik (Anisantha tectorum) is een nauwe verwant van de algemenere IJle dravik (Anisantha sterilis). Zwenkdravik blijft kleiner en heeft een compactere bloeiwijze die naar één kant overhangt: een stoffer zonder blik. Beide soorten houden van warme, stikstofrijke, kalkhoudende zandgrond. Omdat het eenjarigen zijn, moet er genoeg verstoring zijn zodat ze een plekje hebben om te kiemen. Zwenkdravik staat nog iets warmer en droger dan IJle dravik en komt daarom vooral in de duinen en de steden voor. De bodem in Rotterdam is van oorsprong meestal niet kalkhoudend, maar door het aanvoeren van zand bij het bouwen en bestraten is op heel veel plekken de bodem wel kalkhoudend.

Wat betreft determineren: dit jaar ontdekte ik dat Zwenkdravik aan de voet van de stengel een pyamastreepje heeft, net als de bekende Gestreepte witbol (Holcus lanatus). We vonden een vegetatief (=niet bloeiend) gras op een oud spoorwegemplacement en probeerden het op naam te brengen. We zagen pyamastreepjes en zachte beharing, maar we hadden ook het gevoel: “Dit is geen Gestreepte witbol”. Waarschijnlijk hadden we hem wel met de vegetatieve sleutel uit de flora op naam kunnen brengen, maar dat bleek niet nodig omdat we wat verderop een pol vonden die verder was uitgegroeid en duidelijk maakte dat het Zwenkdravik was. Maar, voordat je bij ieder pyamagras in de stad denkt dat het Zwenkdravik is: ook IJle dravik blijkt een gestreepte voet te hebben.

Als Zwenkdravik wat verder in zijn bloei is verliest hij zijn zilverige charme van dit moment en wordt het een warriger pluim, maar het blijft een leuk gras om te vinden.

Zwenkdravik – (Anisantha tectorum) op bedrijventerrein Spaanse Polder in Rotterdam

 

Zwenkdravik – (Anisantha tectorum): in de zomer, als hij uitgebloeid is. De naalden van de kafjes hebben weerhaakjes waarmee ze in vachten van dieren of kleding van mensen kunnen blijven hangen.

Een Raket met de hakken in het zand

Al in het vroege voorjaar worden de stoepen en straten versierd met kleine plantjes met witte bloempjes. Ze hebben mooie namen als Vroegeling, Kleine Veldkers en Herderstasje. Een klein plantje met witte bloempjes met een iets minder poëtische naam is de Zandraket (Arabidopsis thaliana). In mijn ervaring gaat dit plantje iets later bloeien dan de eerstgenoemde planten.

Voor niet-kenners zijn deze plantjes soms moeilijk uit elkaar te houden. Meestal is dat het makkelijkst als ze vruchten hebben, dan verschillen ze nogal van elkaar. Toch heeft de Zandraket wel een duidelijk herkenbaar detail, al heb je wel een loep nodig om dat te zien. Op de bladeren van de rozet zitten zogenaamde gaffelharen, haren in de vorm van een Griekse Y. Ze vallen vooral op aan de rand van het blad. Als je die ziet heb je met de Zandraket te maken.

Het rozet met de gaffelharen

De Zandraket is een eenjarige plant uit de Kruisbloemenfamilie (Brassicaceae). Dat betekent dat de vier witte kroonblaadjes van de bloem in de vorm van een kruis staan. Na de bloei ontwikkelen zich dunne, lijnvormige vruchten, ook wel hauwen genoemd, die schuin afstaan. In de vruchttijd krijgt de plant vaak wat rode bladeren.

De Zandraket plant zich meestal voort door middel van zelfbestuiving. Dat betekent dat de nieuwe plantjes genetisch identiek zijn aan de ouderplanten. En omdat het plantje ook wat genen betreft simpel is, z’n hele DNA is in kaart gebracht, wordt dit plantje veel gebruikt in erfelijkheidsonderzoek.

Wat z’n voorkomen betreft, de Zandraket is een echte stadsplant. Oorspronkelijk komt hij uit de landen langs de Middellandse Zee maar hij is hier, met name in de steden, goed ingeburgerd. Zoals zijn naam al zegt, houdt hij wel van een beetje zanderige grond.

Zandraket houdt ook wel van een beetje gezelligheid

Tenslotte begrijp ik niet goed waarom hij Raket genoemd wordt. Dat woord zou teruggaan naar het Franse woord voor kool. Meer planten uit de Kruisbloemenfamilie hebben het woord Raket in hun naam. Nu is de kool die wij als groente kennen ook lid van de Kruisbloemenfamilie, maar daar houdt de overeenkomst dan ook op. Ik vraag het me verder maar niet af en kijk ieder jaar weer reikhalzend uit naar de bloei van de Zandraket.

Baby’s in een slaapzakje

Geel monnikskruid (Nonea lutea), een prachtige naam, maar tevens een prachtige plant! De soort behoort tot de Ruwbladigenfamilie (Boraginaceae) en heeft lichtgele bloemen met een donkergeel hart. De bladeren en stengel zijn zeer ruw en zitten vol met stekelharen, borstelharen en klierharen. De deels paarsbruin aangelopen kelk zwelt bolvormig op na de bloeitijd en draagt dan vier kleine vruchten. In tegenstelling tot de meeste soorten, vallen deze vruchten al uit voordat zij volledig gerijpt zijn; ze zijn dan nog groen. Als je een beetje zoekt op de blad, zul je enkele tussen de bladharen gevallen vruchten kunnen vinden die niet langer groen zijn, maar reeds bruin verkleurd. Wanneer je de vruchten met een loepje bekijkt, lijken die – met een beetje fantasie – op baby’s in een slaapzakje.

Geel monnikskruid is inheems in Rusland, de Kaukasus en West-Azië en is door Rutger Barendse in 1995 voor het eerst in Nederland aangetroffen, maar hij kreeg hem niet op naam gebracht. Pas toen Gerard Dirkse de soort in 1998 bloeiend aantrof, zijn ze er m.b.v. een Roemeens plantenboek in geslaagd de soortnaam te achterhalen. Ze stond , en staat nog steeds, op een vrij open en droge grindhelling langs het spoor in Nijmegen. Gezien de grootte van de populatie, was de soort hier al een tijdje aanwezig en verblijft dus waarschijnlijk al zo’n 25 jaar in Nederland. In Nijmegen staat ze samen met Veldsla, Kromhals en IJle dravik. De soort is sinds 2011 ook in Rotterdam te vinden en is daar inmiddels op drie locaties aangetroffen. Twee weken geleden werd de soort op een tweede plek in Nijmegen aangetroffen, al was deze vondst snel te herleiden tot een tuinverwildering, de bewoner had de soort in zijn tuin gezet. Vorige maand is er ook nog een vondst gedaan in het platteland nabij Hengelo, buiten de bebouwing deze maal. In onze buurlanden wordt de soort ook adventief gevonden, al blijven deze waarnemingen ook daar zeer zeldzaam. Ze wordt vooralsnog niet aangeboden in tuincentra en blijft dus waarschijnlijk voorlopig nog een zeldzame soort, maar gevaar ligt op de loer!

De soort bloeit erg vroeg: vanaf maart tot en met mei, en gedijt op open, verstoorde en droge terreinen. Na een droog voorjaar weet de soort, door de vroege zaadzetting, zich vaak sterker uit te breiden dan in andere jaren. Wanneer de soort niet in toom gehouden wordt door regelmatig maaien, fysieke grenzen als wegen en muren of door onkruidbeheer langs de spoorwegen, zal zij zich sterk uit kunnen breiden. Elders in Europa is de soort zelfs als invasief bestempeld. Het is niet goed bekend hoe de soort zich gedraagt in haar wilde verspreidingsgebied, maar in Nederland lijkt zij zich te beperken tot het urbane gebied en vooral langs spoorwegen. In België is de soort ook succesvol in een akkerrand. Beide biotopen kenmerken zich door een verstoord milieu dat zich in een constant pioniersstadium bevindt. Wie weet gaan klimaatveranderingen er voor zorgen dat de soort ook in ons land invasief wordt, maar voorlopig is het gewoon een bijzonder mooie plant!