Home » Archieven voor augustus 2017

Maand: augustus 2017

Een ongewenste vreemdeling

 

De naam ‘Alsemambrosia’ klinkt mij sprookjesachtig in de oren. En ook wel lieflijk. ‘Ambrosia’ is het Griekse woord voor voedsel voor de goden, waardoor ze eeuwig leven. In werkelijkheid blijkt het echter een gemene heks te zijn die met het verstrooien van een onschuldig uitziend poeder een deel van de mensheid in het ongeluk stort. Het stuifmeel geeft heftige hooikoortsreacties. De plant produceert ook niet zo’n beetje stuifmeel: tot 1 miljard korrels per plant! De plant scheidt coronopiline uit. Deze stof is de oorzaak van de allergie, maar heeft voor de producent het nuttig effect dat het de groei van andere soorten planten belemmert. Een manier van chemische oorlogsvoering.

Ambrosia artemisiifolia is een eenjarige plant uit de composietenfamilie die afkomstig is uit Noord-Amerika en wordt beschouwd als een invasieve exoot. De plant komt vooral voor op zonnige, open plekken op opengewerkte grond. Je vindt hem vooral op braakliggende grond, open plekken langs bermen, in akkers, op ruderale plaatsen en op industrie- en haventerreinen. Omdat de plant niet vorstbestendig is hij na een jaar meestal weer verdwenen. Voor kieming moet de bodem eerst losgemaakt worden. De zaden blijven  zeker 40 jaar kiemkrachtig.

De plant is in de meeste gevallen in Europa terecht gekomen door de aanvoer van kippen- en vogelvoer. Tuinen met veel vetbollen kunnen zomaar vol gaan staan met Alsemambrosia. Vanaf de eeuwwisseling is het aantal waarnemingen van Alsemambrosia enorm toegenomen. De verwachting is dat de plant zich verder in Nederland zal vestigen en verspreiden. Daarom startte de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, nu vooral bekend van de eierkwestie, in 2011 een campagne voor de bestrijding van Alsemambrosia. Zie www.ambrosiavrij.nu

De gemeente Breda weet ook van aanpakken

In een aantal Europese landen is het inmiddels bij wet verboden voer te importeren indien daaruit niet de zaden van de Alsemambrosia zijn verwijderd. Soms is het zelfs verboden de plant in de tuin te hebben en is het voorgeschreven om deze te verwijderen. Hierbij wordt aangeraden bij het verwijderen handschoenen aan te trekken en het loof niet te deponeren in de gft-container maar in de vuilcontainer, zodat het verbrand wordt.

Hoge fijnstraal – een composiet die je boven het hoofd groeit

 

 

De Hoge fijnstraal is geen plant die je elke dag tegen komt. Dat in tegenstelling met de Canadse fijnstraal die zo ongeveer in elke kier tussen straat- of stoeptegels zich naar boven wurmt. De vondst van Hoge fijnstraal in Amersfoort is daarom zeker de moeite waard.

Vaak melden wij op “Stadsplanten – De urbane flora van Nederland” vondsten die vanuit tuinen en parken hun weg hebben gevonden naar de “vrije natuur”. Stinsenplanten zijn daar een goed voorbeeld van. Het zijn planten die ooit naar Nederland zijn gehaald om kasteeltuinen en parken op te fleuren en die vanuit die “geregelde natuur” van onze tuinen een vaste plek in de Nederlandse flora hebben veroverd. Er zijn ook planten die vanuit de vrije natuur opduiken in onze tuinen. Door de meeste mensen worden die planten al snel als onkruid bestempeld en zo snel mogelijk verwijderd. Een enkele keer worden zij herkend en als bijzonder of waardevol beoordeeld en mogen ze blijven staan. Zo ging het ook met de Hoge fijnstraal die opdook in de tuin van Renée van Assema, stadsecoloog van de gemeente Amersfoort.

Ook de bladeren en de stengels van de Hoge fijnstraal zijn dicht behaard

We kennen in Nederland verschillende plantensoorten die we fijnstraal noemen: Canadese fijnstraal, Hoge fijnstraal, Gevlamde fijnstraal, Ruige fijnstraal, Scherpe fijnstraal, Muurfijnstraal en Zomerfijnstraal. Je zou denken dat al deze soorten tot het zelfde geslacht behoren maar dat is niet waar. Het zijn allemaal composieten die zowel buisbloemen als lintbloemen hebben. De aanduiding fijnstraal heeft betrekking op de breedte van de lintbloemen. Deze vrouwelijke straalbloemen zijn hoogstens een millimeter breed en veel smaller dan lintbloemen van andere composieten. Dat de Canadese-, de Hoge-, de Ruige- en de Gevlamde fijnstraal in een ander geslacht zijn ingedeeld (Conyza) dan de andere fijnstraalplanten (Erigeron) komt doordat er verschillen zijn in de lengte van de plaat van de lintbloemen en de verhouding tussen het aantal lintbloemen in vergelijking met de buisbloemen. Bij Conyza is de plaat van de lintbloemen hoogstens 1 mm en zijn de lintbloemen talrijker dan de centrale buisbloemen. Bij Erigeron is de plaat van de buisbloemen 2-10 mm lang en zijn er meer centrale buisbloemen dan lintbloemen.
De Hoge fijnstraal is ingedeeld in het geslacht Conyza. De plant wint het van alle andere fijnstralen in lengte en kan meer dan twee meter hoog worden.

Pas in 1975 werd de plant voor de eerste keer in Nederland gevonden. De plant is afkomstig uit Zuid-Amerika en moet dus eigenlijk als een exoot worden beschouwd. Hoge fijnstraal houdt van warme droge plekken en wordt vaak gevonden op braakliggende terreinen. De plant voelt zich ook uitstekend thuis in een stenige omgeving; Tussen stenen, op stenige hellingen en tegen op het zuiden gerichte gevelmuren. De gevelmuur in Amersfoort was inderdaad naar het zuiden gericht.
Renée van Assema heeft als regel dat ze iets pas uit haar tuin verwijdert als ze weet wat voor plant het is. Eind vorig jaar stond er al een rozet van fijnstraal. Maar welke soort was haar nog niet duidelijk. Dat werd dus wachten op een bloeiwijze. Dat duurde en duurde maar! Eind juni groeide de plant al boven haar hoofd, echter nog geen bloemen! Begin augustus kwamen dan eindelijk de bloemen. Voor de juiste naam maakte zij gebruik van determinatiehulp van Remco Andeweg en Ton Denters: https://www.verspreidingsatlas.nl/determinatie/ehbd/view.aspx?id=11

De eerste vraag was of de bloemhoofdjes dicht behaard waren of vrijwel kaal. Die dichte beharing was goed te zien en daarmee bleven er eigenlijk maar twee keuzes over; de hoge fijnstraal (Conyza sumatrensis) of de gevlamde fijnstraal (Conyza bonariensis). Het onderscheid tussen deze twee soorten zit in de bloemhoofdjes. Waar de bloemhoofdjes van de hoge fijnstraal smal, urnvormig, 2 tot 6 (-8) mm breed zijn, zijn de bloemhoofdjes van de ruige fijnstraal bol, eivormig, 6 tot 8 (-10) mm breed. Renée stelde vast dat het om smalle urnvormige bloemhoofdjes ging; Hoge fijnstraal dus. Ook andere kenmerken uit de tabel bleken te kloppen.

De plant was meer dan twee meter hoog en versperde geruime tijd de toegang naar het terras

In alle eerlijkheid moet gezegd worden dat de plant niet meer te zien is. Nu Renée van Assema de naam weet is de plant verwijderd en kan de achterdeur naar het terras weer normaal open.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

 

Al tien jaar ligt hij aan de voet van de kerk

Verspreidingskaart Liggende Ganeznvoet 2017 – overgenomen van de Verspreidingsatlas

Ganzenvoeten (Chenopodium) vind ik een leuk geslacht en kan er altijd van genieten als er weer ergens gerommeld is, wat zand is aangevoerd en er daarna een heel scala tevoorschijn komt zoals Stippel- Korrel-, Rode-, Mel- en soms Zeegroene ganzenvoet. Zelfs Welriekende ganzenvoet heb ik nu twee keer op zo’n plek gevonden. Maar niet alle ganzenvoeten komen daar naar boven. Ik had verwacht dat ik Liggende ganzenvoet (Chenopodium pumilio) wel ooit eens bij een excursie langs de grote rivieren tegen zou komen. Het verspreidingskaartje van deze soort laat namelijk zien dat dat een belangrijk verspreidingsgebied is en als je per kilometer kijkt zie je nog duidelijker dat hij echt veel langs de rivier opduikt.

Maar dat liep anders; mijn eerste kennismaking was in 2015 in het hart van Rotterdam, in de buurt van de Laurenskerk. Omdat hij zo goed kan liggen overleeft hij in de bredere voegen van de straat zelfs autobanden en ander plettend verkeer en valt hij daar niet erg op. Maar, langs de randen van de straat vind je wat mooiere exemplaren. Liggende ganzenvoet doet denken aan Zeegroene ganzenvoet met ovale gelobde blaadjes. Maar de blaadjes zijn doffer, gemiddeld kleiner en van onderen bezaaid met gele klieren die een lekker geurende stof uitscheiden. Bij zeegroene ganzenvoet zijn de blaadjes blauwgroener van kleur en wit van onderen.

 

Het voorkomen van Liggende ganzenvoet nabij de Laurenskerk was voor mij een verrassing, maar toen ik ernaar zocht bleek hij zeker niet nieuw en de eerste waarneming van deze vindplaats is in 2006 doorgegeven door Remko Andeweg, stadsecoloog van Rotterdam. De plant komt ook op andere plaatsen in Rotterdam voor. Zo heb ik hem zelf in juli 2017 nog gevonden op een bedrijventerrein op Heijplaat en in 2015 vond ik hem in de wijk Feijenoord aan de rand van de straat. Iedere keer weer een aangename en geurende verrassing.

Liggende ganzenvoet  (Chenopodium pumilio) tussen de klinkers in het centrum van Rotterdam
Ter vergelijking met de Liggende ganzenvoet hier een afbeelding van Zeegroene ganzenvoet (Chenopodium glaucum). De witte onderkant van het blad is hier en daar zichtbaar.
Liggende ganzenvoet (Chenopodium pumilio) met mooie ‘eikenblaadjes’-vormige blaadjes. De lekkere geur ontbreekt op de foto.

 

Canadese guldenroede – De beharing verraadt de soort

 

Het is in deze tijd van het jaar bepaald niet moeilijk om Guldenroede te vinden. In tuinen, wegbermen, braakliggende stukjes land,…. overal zie je de wuivende, goudgele bloemtrossen van de Guldenroede. In 99 procent van de gevallen gaat het om de Late guldenroede. Een enkele keer gaat het om de Canadese guldenroede. En nog minder vaak gaat het om de Echte guldenroede. In Amersfoort ken ik maar één vindplaats van de Canadese guldenroede. Het is een bijzondere vindplaats want de plant groeit op één van de kademuren van een stadsgracht. Deze bijdrage aan “Stadsplanten van Nederland” is dus opgedragen aan de Canadese guldenroede maar de andere twee soorten komen ook ruim aan bod.

Alle drie de soorten Guldenroede hebben zowel buis- als lintbloemen. De soort behoort dus tot de composieten. De echte guldenroede is de enige van de drie soorten die hier echt thuis hoort. De Canadese- en de Late guldenroede zijn al lang geleden ingevoerd als tuinplant en als een plant die bijzonder in trek is bij honingbijen en andere insecten. Behalve dat de planten veel nectar bevatten, bloeien de planten later in het jaar. Veel andere planten zijn dan al uitgebloeid. Zij moeten wel tot de invasieve exoten gerekend worden. Vooral de Late guldenroede verdringt op veel plaatsen inheemse planten en is vaak moeilijk uit te roeien. Zowel de Late guldenroede als de Canadese guldenroede kunnen lange uitlopers aan de wortels vormen. Op deze worteluitlopers ontstaan nieuwe plantstengels. De twee soorten kunnen daardoor een redelijk oppervlak bedekken. Verwijderen van de planten is niet eenvoudig. Uit elk achtergebleven wortelrestant kan weer een nieuwe plant ontstaan.

De Echte guldenroede heeft een weinig vertakt wortelstelsel Daardoor vormt de plant geen “haarden” en is dus niet invasief. De Echte guldenroede is een vrij zeldzame plant die vrijwel alleen voorkomt in de hoger gelegen zand- en leemgronden in de oostelijke helft van het land en in het zuiden. Ook het uiterlijk van de plant wijkt af van de andere twee soorten. Terwijl de andere Guldenroedes bladeren hebben die vrijwel gelijk van vorm zijn, heeft de Echte guldenroede ruitvormige bladeren aan de onderkant van de stengel en lancetvormige bladeren hoger aan de stengel. Ook de bloeiwijze is duidelijk anders. De Canadese- en de Late guldenroede hebben een horizontaal afhangende, pluimvormige bloeiwijze. Bij de echte guldenroede is sprake van een veel meer open bloeiwijze langs schuin opstijgende bloeistengels.

De bladnerf van de Canadese guldenroede is sterk behaard

De Guldenroedesoorten hebben een goede reputatie als het gaat om geneeskrachtige stoffen. De planten werden in het verleden veel toegepast voor het helen van wonden, mede door de ontsmettende eigenschappen die de plant zou hebben.

Terug naar de kademuur van de Amersfoortse stadsgracht. Daar staat dus als een zeldzame muurplant een fraaie Canadese guldenroede. De laatste jaren heb ik uit nieuwsgierigheid ongeveer bij elke Guldenroede die ik tegenkwam naar de onderkant van de bladeren gekeken en naar de beharing van de stengel. Zonder één uitzondering allemaal Late guldenroede. Ook van andere floristen hoor ik dat ook zij vrijwel alleen maar Late guldenroede vinden. De vraag mag gesteld worden of de verspreidingsatlassen van de Canadese guldenroede niet een te optimistisch beeld tonen misschien doordat Canadese- en Late guldenroede met elkaar zijn verward.

De bladnerf van de Late guldenroede is (vrijwel) onbehaard

Er zijn een aantal veldkenmerken waarmee de twee soorten relatief eenvoudig van elkaar zijn te onderscheiden. Beharing is daarbij van belang. De Late guldenroede is kaal te noemen in vergelijking met de Canadese guldenroede. Alleen bij de bloeiwijze kan enige beharing aanwezig zijn. De stengel is kaal en ook op de bladeren is weinig haar te ontdekken. Soms zijn de bladeren gewimperd – dunne haartjes op de rand van het blad en soms wat kleine beharing op de bladnerf. Dat is bij de Canadese guldenroede wel anders. De stengel is over de volle lengte behaard en de onderzijde van de bladeren zijn volledig behaard.

De Canadese guldenroede als muurplant is nieuw voor mij maar zal ongetwijfeld vaker voorkomen.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde

“Echte” wegdistel, een stuk zeldzamer dan we dachten!

Twee maanden geleden kwam ik in Nijmegen op twee verschillende locaties enkele Wegdistels tegen, altijd een leuke vondst, maar natuurlijk niet nieuwswaardig. Wat mij opviel was dat er wel erg veel variatie in kleur zat tussen exemplaren van beide locaties. Ik besloot om eens te kijken of er sprake kon zijn van verschillende soorten en kwam er vrij snel achter dat we in Nederland inderdaad meer dan één soort Wegdistel hebben! De inheemse soort, Onopordum acanthium, hebben we Echte wegdistel genoemd. Wegdistels die vanuit tuinen verwilderd zijn, betreffen een kruising tussen onze inheemse Echte wegdistel en de uitheemse soort Onopordum illyricum. Deze kruising (Onopordum x beckianum) hebben we Tuinwegdistel  genoemd.

Echte wegdistel onderscheidt zich van Tuinwegdistel doordat de plant algeheel een stuk groener is, terwijl Tuinwegdistel witgrijs van kleur is.  Op basis van kleur is het niet altijd even gemakkelijk om de soorten te onderscheiden, omdat de beharing bij het ouder worden van de plant langzaam aan verdwijnt. Zodra je het omwindsel bekijkt, is er echter geen twijfel meer mogelijk! Tuinwegdistel heeft een extreem witwollig behaard omwindsel, zeker ten opzichte van Echte wegdistel die geringe beharing in het omwindsel heeft.

Na het opnieuw beoordelen van 1500 foto’s op waarneming.nl, zijn zo veel mogelijk waarnemingen opgesplitst naar een van beide taxons. De waarnemingen waarbij het niet duidelijk is tot welk taxon zij behoren, noemen we gewoon Wegdistel (Onopordum acanthium agg.). Deze exemplaren zullen opnieuw bezocht moeten worden om de soort met zekerheid vast te stellen. Gebaseerd op de waarnemingen die wel opgesplitst zijn, lijkt ongeveer de helft Echte wegdistel te betreffen en de andere helft Tuinwegdistel. Echte wegdistel komt voornamelijk voor in de duinen, maar komt ook zeldzaam voor in het binnenland. Tuinwegdistel is in het binnenland een stuk algemener, aangezien de soort overal in het land vanuit tuinen kan verwilderen. Wil je helpen de verspreiding beter in beeld te krijgen? Bezoek dan je oude waarnemingen opnieuw en kijk goed naar de beharing van het omwindsel!

Tuinwegdistel met wollig omwindsel
Echte wegdistel met groenig blad