Home » Archieven voor oktober 2017

Maand: oktober 2017

Honingklaver – een visnet of lamellen?

De Honingklaver is een algemeen voorkomende plantenfamilie. In Nederland kennen we vier soorten: de Kleine honingklaver, de Witte honingklaver, de Goudgele honingklaver en de Citroengele Honingklaver. Als je in oudere flora’s bladert kom je de Goudgele- en Citroengele niet tegen. Zij werden toen Akkerhoningklaver en Gele honingklaver genoemd. Je vind in die oude flora wel andere soorten die je nu niet meer in de Heukels vind. In de Heimans, Heinsius en Thijsse van 1956 vind je ook nog Rutheense honingklaver, Kleinbloemige honingklaver, Getande honingklaver en Gegroefde honingklaver.

Hoewel we al later in het jaar zijn, kunnen er nog steeds bloeiende planten gevonden worden. De reden waarom we pas in de herfst over de Honingklaver schrijven is dat voor een goede determinatie van twee van de drie meest bekende soorten het najaar bijzonder geschikt is. Als de planten volop in bloei staan is het onderscheid tussen de Goudgele Honingklaver en de Citroengele honing niet altijd eenvoudig. De witte Honingklaver kan niet met een andere soort verward worden. De plant heeft witte bloemtrossen en dubbelgangers zijn er niet. Bij de Goudgele en de Citroengele is het aanzienlijk lastiger. Of een bloem goudgeel of lichtgeel is is vaak moeilijk vast te stellen als je ze niet naast elkaar ziet om te kunnen vergelijken. Een ander determinatiekenmerk dat door Heukels wordt gegeven is de lengte van de zwaarden. Bij de Goudgele honingklaver zijn de zwaarden van de bloemen even lang als de kiel en bij de Citroengele honingklaver zijn de zwaarden langer dan de kiel.

Later in het seizoen, als de vruchten goed ontwikkeld zijn, wordt het eenvoudiger. Met een loepje even goed kijken naar het oppervlak van de vruchtjes. Zie je een netvormig patroon of zie je evenwijdig aan elkaar lopende streepjes: lamellen als het ware.

De netvormige structuur en de behaarde vrucht van de Goudgele honingklaver

Bij een netwerkpatroon hebben we te maken met de Goudgele honingklaver. Bij een lamellenpatroon gaat het om de Citroengele honingklaver. Een tweede, ondersteunend, kenmerk is dat de vruchtjes van de Goudgele honingklaver behaard zijn en die van de Citroengele honingklaver kaal.

Bij de Citroengele honingklaver lopen de strepen op de onbehaarde vrucht parallel

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Hard gras

Jarenlang ben ik langs de plek gelopen zonder dat het me direct was opgevallen. Het was de route die ik wel eens liep als ik de kinderen naar de basisschool bracht en haalde. Een keer was ik wat te vroeg bij het ophalen en keek ik eens goed in de hoeken en gaten van wat straten. Wat ik zag was rood aangelopen gras zo in de nazomer. Raar zag dat eruit zeg. Stukje gepakt, voelde stug aan. In mijn zak gedaan om thuis te determineren. Niet een heel lastig gras om te determineren, bleek al snel. Het bleek om Stijf hardgras (Catapodium rigidum) te gaan. Achteraf, verschrikkelijk veel op geslapen, op de camping in Zuid-Frankrijk.

Best wel trots met deze melding van een gras dat vooral in de Zuid-Limburg van nature voorkomt en verder nogal eens wordt gemeld in het westen van het land, waar het zich, naar het schijnt uitbreidt. Het lijkt een echte urbane soort te gaan worden.

Stijf hardgras langs een muurtje

Het plekje heeft sindsdien mijn warme belangstelling en ook mijn waakzame blik. Op een zaterdag, onderweg naar de supermarkt, zag ik dat de bewoners van het huis waar het grootste deel van de populatie staat, ‘onkruid’ aan het weghalen waren. Alvast excuses voor de stereotypering. Een man met ontbloot bovenlijf en vol met tatoeages was daar naast de ‘wilde rozenstruik’ en de hogere kruiden ook de complete populatie Stijf hardgras aan het verwijderen. Gelukkig was ie net begonnen met de ‘makkelijk’ te verwijderen soorten: Canadese fijnstraal en de hogere grassen. Ik knoopte een praatje aan en wees hem op het gras. Tot mijn verbazing -nooit oordelen is het devies- was hij heel geïnteresseerd en vond het leuk dat er een bijzondere soort stond en zou het zeker laten staan. Eigenlijk was hij best wel trots en blij dat ik hem erop  had gewezen.

Daarmee was de bedreiging nog niet geweken, bleek even later. Ik werd namelijk via via benaderd door een ecoloog die een ‘quickscan’ in mijn wijk aan het uitvoeren was. Delen van de bestrating in de wijk zouden namelijk ‘gerenoveerd’ worden en hij vroeg mij of ik bijzondere elementen kon aanwijzen. Nou dat kon ik wel en dan met name deze populatie Stijf hardgras.

Een paar weken later kreeg ik van de stadsecoloog een schrijven met daarin het plan voor het gebied waar het hardgras staat. Het plan was de tegels te verwijderen, de toplaag en vooral het zand tussen de voegen apart te houden en er na bestrating weer overheen te strooien. Dit alles, ruim na de zaadzetting te realiseren.
Dit is inmiddels alweer ruim jaar een geleden, én het staat er weer, bijna net zoveel als voor de ingreep.
Tegenover deze bewuste plek bleek nog veel meer Stijf hardgras staan. Altijd stond daar namelijk een auto; althans als ik er langs kwam. Toen deze eens weg was zag ik nog eens honderden planten staan. En verderop in een onbeduidend gangetje nog meer, een voor mij nieuw onderdeel van de populatie.

Het mooie aan dit verhaal is dat ‘wetenschap van het volk’ , citizen science zoals dat zo mooi heet, ten goede en tevens zichtbaar gebruikt wordt voor het behoud van bijzondere elementen.

Weer een nieuwe ooievaarsbek

In Breda zijn in 2017 twee nieuwe ooievaarsbekken gevonden voor Nederland.  De ene is een vroege, Geranium malviflorum. Daarover heb ik op 14 juni al bericht.

De andere is juist een late bloeier, Geranium wallichianum .

Het blad is voor meer dan 2/3 ingesneden

G. malviflorum is een zogenaamde knolooievaarsbek. Door geraniumkenners wordt hij tot de tuberosumgroep gerekend. Een Nederlandse naam zou Atlas knolooievaarsbek kunnen zijn.  De determinatie is inmiddels bevestigd door Naturalis Leiden. Het is geen opvallende ooievaarsbek. Oppervlakkig kun je hem aanzien voor een bermooievaarsbek.

Heel anders is dat met de G. wallichianum. Toen ik eind september langs een braakliggend terreintje in Bavel fietsen, sprong een helblauwe bloem tussen het gras direct in het oog. Het was een prachtige blauwe bloem met een wit hart en rode aders. Een schoonheid. Withartooievaarsbek als Nederlandse naam? Deze ooievaarsbek is afkomstig uit de Himalaya en China.

De plant wurmt zich door het gras door middel van ‘ellebogen’

De validator van Waarneming.nl, Niels Eimers, had met deze determinatie minder moeite. Ook deze is nieuw voor Nederland en gaat naar Naturalis.  In oude waarnemingen wist Niels er nog drie te vinden die aanvankelijk als beemdooievaarsbek waren gedetermineerd.

Bij mij in de buurt woont Rein ten Klooster, oud-collectiehouder Gerariums. Hij heeft me ook met deze tweede vondst vriendelijk, maar gedecideerd, op het juiste pad gezet.

De soortnaam ´wallachianum´ eert Nathaniel Wallich (1786 -1854), een Deense botanist, die zijn belangrijkste werk in Engelse dienst verrichtte in Calcutta. Er zijn een 40-tal planten en een fazant naar hem vernoemd.

Door de  Nederlandse Pelargonium en Geranium Vereniging is het Geraniumboekje uitgebracht. Daarin worden 601 tuingeraniums beschreven. Een aantal daarvan zal ontsnappen en wellicht inburgeren. Een waarnemer verzuchtte: ‘De lijst met verwilderende ooievaarsbekken wordt alsmaar langer’.  Inderdaad, mea culpa.

De bloemen staan paarsgewijs

 

Blauw op straat

 

Salvia nemorosa (Bossalie) is een populaire tuinplant die zo af en toe genoeg heeft van de border en dan kom je hem op straat tegen.

‘Salvia’ komt van salvus , behouden, ongedeerd, nog in leven, en is dus verwijzing naar de helende werking van de plant, al gaat het in dat geval om een ander lid van het geslacht. ‘Nemus’ is bos en ‘amorosa’ is minnend, dus ‘nemorosa’ wil zeggen dat deze plant zich thuis voelt in het bos.

Bloeiwijze Bossalie

Het natuurlijk verspreidingsgebied is Zuidwest-Azië en Zuidoost-Europa en hier en daar nog verspreid in de zuidelijke Alpen. De plant is ingeburgerd in o.a. Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Noorwegen en Zweden. In Nederland is het een verwilderende plant. De naam ‘Bossalie’ is een beetje misleidend omdat de plant zich voornamelijk op zonnige plaatsen op droge, voedselrijke en kalkrijke grond thuis voelt. De Duitse naam is dan ook ‘Steppen-Salbei’, maar in Frankrijk is het dan toch ‘Sauge des Forêts’.

Bloeiende Veldsalie op straat in Antwerpen

Salie behoort tot de familie van de Lipbloemen. De familie dankt haar naam aan de typische vorm van de kroonbladeren, die samengegroeid zijn tot een boven- en onderlip. Vaak zijn de stengels vierkant, zo ook bij het geslacht Salie.

Een andere soort Salie die je in de stad tegen kunt komen is de Veldsalie (Salvia pratensis), een soort die tot onze wilde flora behoort. Je kunt hem aantreffen in de bermen van dijken en wegen, vooral langs de rivieren. Soms wordt Veldsalie in zaadmengsels gebruikt die in bermen in de bebouwde kom worden uitgestrooid.

De naam ‘salie’ is vooral bekend door Salvia officinalis, de echte salie. Die komt af en toe ook verwilderd voor. Deze plant wordt vooral gebruikt als kruid en is met name bekend uit de mediterrane keuken.

Aan de schrijver Potgieter hebben we het personage ‘Jan Salie’ te danken, een personificatie van de 19de-eeuwse lamlendigheid. Het verband tussen salie en lamlendigheid schijnt te maken te hebben met de rustgevende werking van melk waarin salie is meegekookt.

 

Een spoorbloem op een brug

Een spoorbloem op een brug lijkt tegenstrijdig. Een bloem die verdwaald is en terecht is gekomen op een brug in plaats van langs het spoor. De verklaring is eenvoudig. Het gaat om de Rode spoorbloem. De naam kreeg de plant vanwege de gespoorde bloemkroon. De kroonbladen zijn vergroeid tot een kroonbuis. Aan de onderzijde daarvan hebben de bloemen een spoor – een hol, conisch uitsteeksel. Een ander bekende bloem met een spoor is Vlasbekje. Vaak is een spoor een rijke verzamelplaats van nectar. Dat is ook het geval bij de Rode spoorbloem. De plant is daarom geliefd bij bijen, hommels en vlinders.

De kroonbladen zijn vergroeid tot een kroonbuis. Aan de onderzijde van de kroonbuis vind je het spoor.

De Rode spoorbloem behoort tot de valeriaanfamilie waarvan in Nederland de verschillende soorten veldsla en valeriaansoorten behoren. Omdat de plant tot de valeriaanfamilie behoort wordt hij ook wel Rode valeriaan genoemd. In Nederland komt de plant slechts sporadisch in het wild voor. Het is een veel gekweekte sierplant die af en toe uit tuinen ontsnapt. In Frankrijk en op de Britse eilanden wordt de plant vaak gevonden op muren. De Rode spoorbloem waar we het nu over hebben is een verwilderd exemplaar dat een plekje heeft gevonden op een van de muren van de stadsgrachten in Amersfoort. Het is een fors exemplaar dat al maandenlang veel bloemtrossen draagt. Zelfs nog in oktober.

De Spoorbloem heeft slechts één meeldraad en één stempel. Beiden steken ver boven de bloemkroon uit

De stengel en de bladeren ogen blauwgroen berijpt. De bloemen hebben één meeldraad en één stempel die beide ver uitsteken boven de bloemkroon. De vruchtjes hebben een mooi vertakt kroontje van veertjes. De bloemen zijn meestal rozerood maar er komen ook planten met witte bloemen voor. Omdat de plant zowel rozerode als witte bloemen kan hebben wordt in publikaties soms gesproken over de Spoorbloem en niet over de Rode spoorbloem.

De Rode spoorbloem groeit in Amersfoort op een brug die deel uit maakt van kademuur van één van de grachten. Het gaat om een forse plant.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Een uitzonderlijk onkruid in heemtuinen

 

Nederland telt veel heemtuinen, meer dan 150. Thijsse gaf de aanzet; hij kwam met het idee van een educatief plantsoen dicht bij de mens. De nadruk moest niet liggen op de soorten. Het tonen van plantengemeenschappen, daar ging het hem om. Zo ontstond Thijsse’s Hof in Bloemendaal (1925) en De Braak/Thijsse Park in Amstelveen (1939/1950). Een heemtuin oogt heel natuurlijk, maar niets is toeval. De regie is strak, alles wordt er nauwkeurig gearrangeerd. Dat ziet er voor de bezoeker spannend uit, maar verrassende ontdekkingen levert een heemtuin niet op. Het levert ook een paradox op: overal staan wilde planten, maar echt wild zijn ze niet. Slecht sporadisch verschijnt er iets wat er niet thuishoort en een enkele keer zorgt dat voor opwindend nieuws. Uitzonderlijk is Kruipende basterdwederik Epilobium komarovianum (syn. Epilobium inornatum). Deze soort gaat al decennia schuil in heemtuinen en is steeds zijn eigen weg gegaan. Het was eertijds fameus, nu vergeten, maar het verhaal is nog altijd speciaal. Amstelveen herbergt een historische populatie.

Kruipende basterdwederik is een sierlijk plantje, met fijne, bleekroze alleenstaande bloempjes en ranke vruchten op lange stelen. Bloeitijd juni-juli.

Kruipende basterdwederik is een ‘ver-van-mijn-bed soort’; ze komt uit Nieuw-Zeeland. Als rotsplantje is het naar Europa gehaald. Vanuit cultuur volgde de verwildering; in Engeland werd de eerste ‘escape’ in 1908 opgetekend, daarna in Schotland, Wales en Ierland. In 1932 was het raak in Nederland. In verwilderde staat pikte een florist haar op in het Cantonspark in Baarn. In de jaren vijftig volgen er in ons land meer vondsten, met Amstelveen in het middelpunt. In het heemgroen floreerde het plantje op open, vochtige tot natte, venige grond. In het botanisch vakblad Gorteria (1963: pg. 93-95) komt de geschiedenis tot leven. Directeur Broerse van de Dienst der plantsoenen verhaalt “hoe deze basterdwederik twintig jaar eerder, ergens rond 1930, ongewild in het heempark moet zijn aangevoerd, hoe het zich handhaafde en explosief uitbreidde.” Bij het uitruilen van plantgoed tussen de heemtuinen heeft het plantje zijn verdere rondgang gemaakt, in Thijsse’s Hof en in de heemtuinen in Westzeedijk-Rotterdam, Kethel-Schiedam en Leeuwarden. Buiten het heemgroen is ze nooit doorgedrongen en zo een exclusiviteit voor heemtuinen gebleven. Als zodanig staat ze ook te boek in de Heukels’ flora van Nederland.

pentekening Kruipende basterdwederik

Na de energieke start, ruim driekwart eeuw geleden, is het stil geworden rond kruipende basterdwederik. Buiten het heemgroen van Amstelveen is ze waarschijnlijk nergens meer bestendig aanwezig. In de laatste editie van de Nederlandse flora is ze in de kleine lettertjes terug te vinden; het voorland van een exit. Maar dat laatste lijkt vooralsnog niet aan de orde. In Amstelveen is het plantje veiliggesteld; de beheerders geven het onkruid gedoseerd de ruimte. Ze hebben haar omarmd als botanisch erfgoed. Kruipende basterdwederik is misschien wel het meest speciale plantje binnen het Amstelveense groen.