Home » Archieven voor november 2017

Maand: november 2017

Sieraad van stoep en straat

 

Vooral tussen donkere bestrating zijn de zich voorzichtig uitbreidende geelgroene matjes van kaal breukkruid ( Herniaria glabra) prachtig om te zien. Het is een echte tredplant. Toen we in Breda in 2011 begonnen met stadsplanten was het waarnemen van kaal breukkruid nog iets bijzonders. Door de jaren heen is het steeds gewoner geworden. Gezien de gegevens op de verspreidingsatlas van Floron breidt het plantje zich in het gehele land nogal uit. De toename is dus niet alleen te wijten aan het beter gaan kijken. Aanvankelijk was kaal breukkruid een begeleider van grote en kleine rivieren. Het plantje groeide op  zandige oevers. De omstandigheden langs de rivieren veranderde, o.a. door kanalisatie, waardoor de vindplaatsen daar afnamen. De waarnemingen  verplaatsten  zich naar spoorwegterreinen en later naar het stedelijk gebied.

Kaal breukkruid groeit stervormig

Het natuurlijk verspreidingsgebied van kaal breukkruid omvat een groot deel van Europa met West-Azië en het Atlasgebied, maar ontbreekt grotendeels in Noordwest-Europa.

Kaal breukkruid behoort tot de Anjerfamilie. Daarbinnen is dit plantje nauw verwant aan andere zich over het oppervlak uitbreidende pareltjes als grondster (Illecebrum verticillatum) en riempjes (Corrigiola litoralis). Kaal breukkruid kan 5 tot 15 cm hoog worden en bloeit van juni tot oktober. De erg kleine bloemen groeien in een dichte tros in de oksels van de bladeren. De bloemen hebben witte kroonbladen, maar de groengele kelkbladen domineren, wat het effect van de opvallend gelige kleur van de hele plant versterkt.

de bloemen zijn geelgroen

Tot voor kort, zeg tot in de jaren 80 van de vorige eeuw, werd kaal breukkruid eenvoudigweg ‘breukkruid’ genoemd omdat er eigenlijk maar één soort van dit geslacht in Nederland werd gevonden. Tegenwoordig wordt zijn ‘broertje’, behaard breukkruid (Herniaria hirsuta), ook in ons land aangetroffen. Als zeldzaamheid. Een vondst ervan in Oosterhout in september jl. door de Plantenwerkgroep van de KNNV-afdeling Breda leidde tot een uitbarsting van vreugde onder de deelnemers. Het verschil tussen de twee soorten is niet erg moeilijk te zien. Bij kaal breukkruid moet je heel goed zoeken om haren te vinden en bij die andere zie je het met je blote oog.

Behaard breukkruid is behaard

Schubvaren – varens in alle soorten en maten in Amersfoort

Tijdens onderhoudswerkzaamheden aan een kademuur in de wijk Vathorst in Amersfoort heb ik in november 2017 de zeldzame Schubvaren gevonden. Het was mij opgevallen dat in toenemende mate houtgewassen zoals berken, elzen en hazelaars bezit namen van kademuren waar veel muurplanten groeiden. Op een melding naar de stadsecoloog van Amersfoort, Renée van Assema, werd adequaat gereageerd. Er werd een boot georganiseerd en vrijwilligers van IVN Amersfoort verleende medewerking om de houtgewassen te verwijderen. De vaart werd door mij gebruikt om ook de groei van varens op de muren te monitoren. Daarbij viel mijn oog op de Schubvaren.

Nagenoeg alle varens op de kademuren van De Laak – Vathorst groeien in de voeg tussen de dekstenen en de kademuur. Op de foto is de eerste varen te zien die op de muur zelf groeit.

In 2014 en 2015 heeft de Werkgroep Wilde planten van de KNNV Amersfoort e.o. op verzoek van de gemeente een inventarisatie uitgevoerd van varens en specifieke muurplanten op kademuren in de wijk Vathorst in Amersfoort. Het rapport met de resultaten van dit onderzoek is te vinden op: http://www.floron.nl/Portals/1/Plaatjes/Projecten/muurplanten/2015-Muurvarens-Vathorst-Amersfoort.pdf

In de wijk Vathorst is een deelgebied dat De Laak heet. Het is een nieuwbouwwijk met grachtjes, bruggetjes en mooie karakteristieke huizen. Met de bouw werd begonnen in 2004. Er werd bewust gekozen voor kademuren die 5 graden achterover hellen en zijn gemetseld met kalkrijke mortel. De gemeente Amersfoort hoopte dat op die manier op langere termijn een net zo mooie muurbegroeiing zou ontstaan als op de muren van de grachten in de oude binnenstad. Normaal gesproken moet een muur 20 tot 30 jaar oud zijn om voldoende te eroderen om muurplanten een goede habitat te bieden. In De Laak in Vathorst gebeurde dat binnen tien jaar. Hoe kon dat gebeuren?

Het onderzoek heeft uitgewezen dat er een sterk bepalende factor een rol speelt. Alle varens groeien op kademuren waar de straten rechtstreeks aansluiten op de kademuren. Het gevolg is dat het regenwater rijkelijk over de achterover hellende kademuren vloeit waarbij er sprake is van een versneld uitlogings proces. Door Piet Bremer, die promoveerde op het onderzoek naar varens in het Kuinderbos, werd ik gewezen op de opmerkelijke rol die varensporen in de lucht kunnen vervullen als condensatiekernen voor regendruppels. Een regeldruppel kan in de meeste gevallen alleen ontstaan rond een condensatiekern. Doordat de sporen van varens bijzonder licht zijn kunnen zij gemakkelijk vanuit de hele wereld door de wind worden meegevoerd en zijn rijkelijk in de lucht aanwezig. Als condensatiekern worden zij ingevangen in regendruppels en vallen tijdens regen op de grond. In De Laak groeien vrijwel alle varens in de voeg tussen de dekstenen van de kademuur en de muur zelf. In deze diepe voeg zijn schijnbaar optimale groeimogelijkheden voor de varens aanwezig. Wat in zo’n geval noodzakelijk is is de aanvoer van voldoende sporen. Dat gebeurt mede door aanvoer van sporen in de neervallende regen en door sporen die via de wind in de voegen terecht komt.

  • Tot nu toe zijn de volgende varens door mij op de kademuren gevonden:
    Mannetjesvaren (Dryopteris filix-mas), Mannetjesvaren cristata (Dryopteris flix-mas-cristata), Olifantslurfvaren (Dryopteris cycadina), Stijve naaldvaren (Polystichum aculeatum), Zachte naaldvaren (Polystichum setiferum), Glansschildvaren (Polystichum polyphlebarum), Muurvaren (Asplenium ruta-muraria), Steenbreekvaren (Asplenium trichomanes subsp. quadrivalens), Tongvaren (Asplenium scolopendrium + verschillende tuinvarianten), Zwartsteel (Asplenium adiantum-nigrum), Smalle ijzervaren (Cyrtomium fortunei), Geschubde mannetjesvaren (Dryopteris affinis), Gewone eikvaren (Polypodium vulgare).
    Daar komt nu de Schubvaren (Asplenium ceterach) bij. Een onwaarschijnlijk groot aantal soorten voor muren die minder dan vijftien jaar oud zijn.

Dan toch nog even aandacht voor de plant waar het dit keer echt om gaat: de Schubvaren. Hij behoort tot de streepvarenfamilie (Asplenium) waartoe ook de Tongvaren, de Muurvaren, de Zwartsteel, de Steenbreekvaren en de Groensteel behoren. Een gemeenschappelijk kenmerk van deze varens zijn de lijnvormige tot langwerpig ovale sori of sporenhoopjes op de onderzijde van de bladeren. De sporenhoopjes liggen zijdelings langs de vrije zijnerven; ze bezitten een aan de nerf vastzittend dekvliesje (indusium).

Sporenhoopjes van schubvaren

De Schubvaren heeft altijd op de Rode Lijst gestaan en was wettelijk beschermd. De plant heeft een goede verdedigingstechniek tegen verdroging. Het rolt de bladeren op om verdamping van vocht te beperken. De linker en de rechter bladslippen krommen naar elkaar toe en passen bijna als een ritssluiting in elkaar en vormen dan een kokertje. Verdamping is dan beperkt, maar koolzuurassimilatie is dan ook vrijwel onmogelijk. Dat moet in vochtiger perioden worden ingehaald.

De schubvaren is zeldzaam en in grote delen van het land zeer zeldzaam. De verspreidingsatlas laat zien dat de plant vooral in het westen van het land voorkomt. Nederland ligt aan de noordrand van het verspreidingsgebied in Europa. In het verleden kende de varensoort ook medische toepassingen. De Schubvaren werd gebruikt bij miltkwalen en voor mensen die zich vaak inbeelden allerlei ziekten te hebben (hypochondrie).

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde

Boompjes en boompjes

Ik werk in het hart van Rotterdam aan de Scheepmakershaven. Op de fiets naar huis spot mijn oog dan natuurlijk wel eens wat stadse flora waar ik voor afstap omdat ik het niet (her)ken of omdat het er bijzonder fraai bij staat.

Boompje langs de Boompjes: Uitgebloeid staketsel van Dichtbloemige kruidkers – Lepidium densiflorum

Zo fiets ik regelmatig een klein stukje langs De Boompjes, een drukke weg langs de Noordoever van de Maas. In de tegelvoegen langs het fietspad schoten in juni een heleboel dezelfde plantjes op. Beneden aan de plant zitten wat grotere getande bladeren, op een hoogte van zo’n tien tot twintig centimeter vertakten de planten zich en de takken dragen wat smallere blaadjes en daarboven een enorm lang uitgroeiende tros met bloemetjes en vruchtjes zoals dat bij veel kruisbloemigen voorkomt. Het is inderdaad een kruisbloemige, maar dat is lastig te zien aan de kroonbladeren want die heeft de Dichtbloemige kruidkers (Lepidium densiflorum) niet. De vruchten verraden wel dat hij bij deze familie hoort. Ze lijken een kleine versie is van de vruchten van Witte krodde en nog veel meer op de vruchten van de andere Kruidkersen (Lepidiums).

Steenkruidkers is zijn nauwverwante broertje die je in en buiten Rotterdam veel vaker tegenkomt. Meest opvallende verschillen zijn dat die alleen maar ongetande bladeren heeft en een muizenlucht verspreid terwijl de geur van de Dichtbloemige kruidkers niet opvallend is. Dichtbloemige kruidkers stamt oorspronkelijk uit Noord-Amerika en is, tussen 1975 en 1999, ingeburgerd in stedelijk gebied in Nederland. Hij is in Nederland nog steeds vrij zeldzaam, maar is in Rotterdam soms massaal aanwezig.

Na mijn vakantie fietste ik weer langs de plek. Alle exemplaren waren nu uitgebloeid en er restte niets dan een woud van skeletten: prachtige miniboompjes langs de Boompjes.

Net uitlopende bloeiwijze van de Dichtbloemige kruidkers – Lepidium densiflorum. foto: Bas Kers tijdens excursie van de Rotterdamse Florawerkgroep
Dichtbloemige kruidkers – Lepidium densiflorum, al flink in vrucht en met bovenaan nog wat bloemen (zonder kroonbladeren).

De Ruige fijnstraal komt er aan!

In dit blog schreef Joop de Wilde onlangs een informatief verhaal over de Fijnstralen en dan met name de Hoge fijnstraal. Voor algemene informatie over de Fijnstralen verwijs ik dan ook naar zijn artikel.
In Nederland groeien vier soorten Fijnstraal van het geslacht Conyza: de Canadese, de Hoge, de Gevlamde en de Ruige fijnstraal. De eerste drie komen veel voor in Den Haag en omstreken. In iedere straat zijn ze wel te vinden. Alleen de Ruige fijnstraal (Conyza bilbaoana) komt nog maar op beperkte schaal voor. Ook in Nederland als geheel wordt hij als zeldzaam beschouwd (https://www.verspreidingsatlas.nl/5395).

De eerste Ruige fijnstraal werd gemeld door Remko Andeweg, nota bene van het bureau Stadsnatuur van Rotterdam. Hij vond de fijnstraal langs het Hertenkamp bij de Koekamp in Den Haag. Vanaf die tijd ben ik op zoek gegaan naar Ruige fijnstralen in Den Haag. Gelukkig duurde het niet lang alvorens ik de Ruige fijnstraal vond op een andere plek in Den Haag: de Petroleumhaven. Daarna werd de plant ook nog op een enkele andere plek gevonden in Den Haag en groot was mijn blijdschap toen ik dit jaar de Ruige fijnstraal vlak bij mijn woning in Rijswijk vond.

De hoofdjes met de donkerbruine omwindselbladen.

Waar herken je de Ruige fijnstraal nu aan? Eén van de meest onderscheidende kenmerken zijn de donkerbruine, teruggeslagen omwindselbladen. De plant valt dus het meeste op als hij min of meer uitgebloeid is. Maar er zijn meer kenmerken: de hoofdjes zijn klein en kaal of schaars behaard, de stengel is “rommelig behaard”. De Hoge fijnstraal is bijvoorbeeld heel dicht behaard.

De beharing van de stengel.

De  buisbloemen hebben vijf lobben. Dit laatste kenmerk, wat hem onderscheidt van de Canadese fijnstraal, is lastig op de foto te krijgen omdat de buisbloemen heel klein zijn.

Vijf lobben van de buisbloem (moeilijk te zien).

Wat mij verder opvalt is dat de rozetbladeren én de onderste stengelbladeren  vaak “vingers” hebben (veerlobbig of veerspletig). Ik ben er nog niet uit of dat een exclusief kenmerk van de Ruige fijnstraal is, ook rozetbladeren van de Hoge fijnstraal gaat soms die richting op.

De bladeren.

De vraag is nu wat de Ruige fijnstraal gaat doen. Ik heb het vermoeden dat de Ruige fijnstraal bezig is aan een flinke opmars maar dat kan ik nog niet hardmaken. Wat lastig is dat de Ruige fijnstraal pas laat bloeit en veel gemeentes aan het eind van de herfst de stad “winterklaar” gaan maken door nog één keer al het onkruid te verwijderen. Zo ben ik al verschillende mogelijke Ruige fijnstralen verloren. Komende tijd zal ik nog regelmatig door Den Haag en Rijswijk fietsen op zoek naar de Ruige fijnstraal.

Hokjespeul

Hokjespeul (Astragalus glycyphyllos) is een zeldzame soort die voorkomt in ruige vegetaties waar verstoring een grote rol kan spelen. Zoals bij alle Vlinderbloemige worden de vruchten peulen genoemd, maar in tegenstelling tot andere Vlinderbloemigen bestaan de peulen bij Hokjespeul uit twee compartimenten: twee hokjes. De zaden liggen dus niet in één rij, maar in twee rijen en zijn gescheiden door een tussenschot. De soort is gemakkelijk herkenbaar door witgroene tot algeheel lichtgele bloemtrossen. Ondanks dat de vruchten onopvallend groen zijn, springen zij toch al gauw in het oog vanwege de grote, rechtopstaande tros aan vruchten, vergelijkbaar met een omgekeerde bananentros. Ook de bladen zijn vrij karakteristiek, het blad bestaat uit 9 tot 13 deelblaadjes die volledig rond kunnen zijn bij de rozetbladen, tot ovaal of eivormig bij de stengelbladen.

Hokjespeul houdt van ruigtevegetaties, zoals in bosranden, op dijken, langs spoorwegen en in akkers. De soort is in Zuid-Limburg en langs de grote rivieren in het oosten van Gelderland aan te treffen. Elders in het land wordt de soort adventief aangetroffen, wat betekent dat de soort hier onopzettelijk aangevoerd is en zich heeft weten te vestigen. Vaak zijn deze adventieve vestigingen niet permanent, maar de soort kan lang standhouden.

Twee jaar geleden trof ik Hokjespeul voor het eerst aan in het stedelijk milieu, langs een recent aangelegd parkeerplein in Nijmegen. Dit jaar kwam ik de soort nogmaals tegen, deze maal waar bouwwerkzaamheden verricht werden langs de haven. Hierna werd ik nieuwsgierig en ging ik kijken waar de soort nog meer in Nijmegen gevonden was. Bij het nieuwe Goffertstation was de soort recent aangetroffen en ook op het industrieterrein waar recent graafwerkzaamheden verricht waren. Zo waren er nog enkele vergelijkbare situaties te vinden, verspreid over acht verschillende locaties, waarvan de meesten in nabijheid van de Waal. Direct buiten Nijmegen wordt de soort ook in ruigtevegetaties aangetroffen langs de Waal en is hiermee in bijna elk km-hok in en rondom Nijmegen aan te treffen, waardoor de soort haar naam dubbel waar maakt. Mogelijk komt de soort al heel lang voor in het meer dan 2000 jaar oude Nijmegen en duikt hij op zodra de langlevende zaadbank weer eens blootgelegd wordt. Dit is een van de redenen om bij bouwwerkzaamheden in de stad altijd even een kijkje te nemen, wie weet wat er allemaal nog meer verstopt ligt in de zadenbank!