Maand: december 2017

De stad als natuurgebied … ‘code rood’ voor Wolfskers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De stad een natuurgebied? Tja … zo zou je het kunnen zien, of niet natuurlijk. Hoe je het ook bekijkt het stedelijk gebied biedt meer dan menigeen denkt ‘onderdak’ aan speciale inheemse soorten. Naast opportunisten, zeg hardcore stadsplanten, die overal opbloeien, is de stad evenzeer het domein van opmerkelijke specialisten. Daartoe behoren muurplanten, van origine rotsplanten, die bij ons in het laagland hun heenkomen vinden op bouwwerken. Maar steden herbergen meer ongewone plantengemeenschappen.

Een vergeten groep omvat zeldzame ruigtekruiden die aan historische grond hechten. Daarin huizen planten die verrommelde, verstoorde, stikstofrijke stenige plekken verkiezen. Waar de oude stad in rust is én waar wildgroei de ruimte krijgt kunnen zij opbloeien. Deze plekken zijn schaars, en soms voorhanden rond kerken en kloosters, aan de voet van oude stadsmuren, ruïnes en fortificaties. Daar komt de rijkdom in beeld. Stinkende ballote is min of meer vaste waarde en karakteristiek. Daarbij voegen zich Stinkende gouwe, Moederkruid, Gewone klit en een keur aan incidenteel optredende bezienwaardigheden als: Absintalsem, Bilzekruid, Gifsla, Groot glaskruid, Hartgespan en Wolfskers.

Het is een imposant gezelschap, waarbij Wolfskers er het meest uitspringt. Van nature is Wolfskers een bosplant, die open plekken in loofbossen inneemt. Nederland ligt aan de rand van het areaal, met in Zuid-Limburg enkele voorposten. Maar buiten dit bereik is Wolfskers ook al eeuwen lang een vertrouwde gast in onze steden. De plant raakte hier in de middeleeuwen verzeild; als artsenijgewas maakte hij de gang naar kruidentuinen. Op enkele kweekplaatsen van het eerste uur – in hofjes, in kloostertuinen, nabij botanische tuinen – duikt Wolfskers nu nog altijd op. Zo zijn er meldingen uit Maastricht, Breda, Amsterdam, Leeuwarden en bovenal Utrecht. In de Domstad zijn er op wisselende en vaste locaties jaarlijks vondsten, maar zelfs in dit hoofdkwartier is de soort een zeldzaamheid en kwetsbaar. Voor heel Nederland geldt voor Wolfskers ‘code rood’; op alle standplaatsen is ze sterk bedreigd. Om die reden is Wolfskers als nieuw te beschermen plant aan de Wet Natuurbescherming toegevoegd. Dit is de nieuwe natuurwet, die sinds januari 2017 van kracht is, waarin veel andere bijzonderheden, waaronder Tongvaren, Zwartsteel, Steenbreekvaren juist hun bescherming verloren.

In onze steden is Wolfskers een zeldzaamheid. Soms duikt ze op in oude stadskernen, hier in Amsterdam nabij de Hortus.

 

Wolfskers met gele bloemen (varieteit lutea) in de Willem Merkxtuin, een kleine groene oase in de binnenstad van Breda. Foto Aad van Diemen

Wolfskers, met de wetenschappelijke naam Atropa bella-donna, is een vaste plant uit de nachtschadefamilie. De hele plant bevat giftige alkaloïden. Uiterst gevaarlijk zijn de bessen, die het bekende alkaloïd atropine bevatten. De benaming bella-donna, schone vrouw, verwijst naar de werking van atropine. Het druppelen van sap in de ogen laat ogen glanzen en zorgt voor wijde pupillen. Wolfskers draagt klokvormige, paarse, incidenteel gele bloemen. De bloei is van juni tot augustus, daarna ontwikkelen zich de bessen die tot in de winter zichtbaar zijn. Ga eens op zoek in Utrecht.

Boombewonertjes

Wat doet een stadsflorist als er wat planten betreft even niet zoveel te beleven valt? De één gaat zich richten op groenblijvende struiken. De ander gaat op vakantie de tropische flora bekijken. En weer een ander bekijkt nou eindelijk eens z’n fotoverzameling van dit jaar waar planten op staan die nog geen naam hebben. Ikzelf kijk nu vooral naar bomen.

Bomen zijn natuurlijk meer dan een stuk hout. Het zijn hele levensgemeenschappen. Op zo’n boom groeien mossen en korstmossen, er kruipen insecten over en onder de schors en op de takken maken de Goudhaantjes hun piepgeluidjes.

Wat de meeste mensen niet zien zijn de hele kleine paddenstoeltjes die groeien tussen het mos op de boom. Meestal zijn dat Mycena’s. Zo groeien er op een boom in een straat vlak bij mij huis twee soorten schorsmycena op een zwaar bemoste boom. Het gaat hier om de Blauwgrijze schorsmycena (Mycena pseudocorticola) en de Lilabruine schorsmycena (Mycena meliigena).

De Blauwgrijze schorsmycena is vrij algemeen volgens het boekje Naam & faam, een nuttig boekje waarin alle paddenstoelen van Nederland staan. Het is een sapotroof op hout, dat betekent dat het recyclers zijn van dood organisch materiaal. Ze ruimen als het ware rommel op en zijn dus niet schadelijk voor de boom.

Blauwgrijze schorsmycena
Blauwgrijze schorsmycena

De Lilabruine schorsmycena, ook een sapotroof;  is veel midder algemeen dan de Blauwgrijze. Volgens Naam & faam is hij zeldzaam en zelfs bedreigd. Hij staat dus op de rode lijst. Toch schijnt hij regelmatig voor te komen samen met de Blauwgrijze schorsmycena. Ik mag de Lilabruine eigenlijk niet determineren op het oog want er staat in Naam & faam de beruchte letter M achter. Dat betekent dat de microscoop moet worden gebruikt en die heb ik niet. Toch werd mijn waarneming op waarneming.nl gevalideerd.

Lilabruine schorsmycena
Lilabruine schorsmycena

Mij ziet men dezer dagen dus veel naar bomen kijken en dat levert weer de nodige vreemde blikken op. “Wat doet u daar meneer”? Als ik dan zeg dat ik kijk naar mossen en paddenstoelen dan vindt men dat in het algemeen leuk. Een enkeling echter kijkt je aan met een blik van: op welke planeet leef jij?

Mycena
Een nog onbekende Mycena

Hulst – een stekelige kerstplant met vuurrode bessen

Laten we beginnen met een aardig raadseltje. Wat onderscheidt Hulst van de Larix? Het antwoord: Hulst is de enige boom die van nature voorkomt in Nederland en ’s winters groen blijft. De Larix is de enige naaldboom die van nature in Nederland voorkomt en ’s winters zijn naalden verliest.

Hulst en het kerstfeest zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden. Daarom is de decembermaand een ideaal moment om de aandacht te richten op Hulst. De Romeinen gebruikten al hulst bij de viering van Saturnalia. Het feest van de zonnewende. Het moment dat de zon in december de zuidelijke keerkring bereikt. De Romeinen vierden dat op 21 december in onze kalender.

Ook in de christelijke traditie is sprake van het gebruik van Hulst. Volgens een oude christelijke legende ontkiemde een hulst onder de voetstappen van Jezus. Zijn stekelige bladeren (de doornenkroon) en oranjerode bessen (bloed) voorspelden het lijden van de heilige man. In verschillende Europese landen noemt men hulst ‘Christusdoorn’. In oude Engelse kerkkalenders wordt de kerstavond beschreven als de avond van de ‘templa exornantur’ wat zoveel betekent als “met hulsttakken versierde kerken”. Dit gebruik bestaat nog steeds (bron:http://www.stemderbomen.nl/ pages/mainpages//Beschermende-hulst.htm

Als we struiken en bomen op deze website niet echt tot de stadsplanten rekenen zou ik niet stil mogen staan bij deze bijzondere plant/struik/boom. Maar omdat Hulst zoveel verschijningsvormen kent ben ik zelf van mening dat deze vertegenwoordiger van de flora hier goed op zijn plaats is. Zoals al opgemerkt kent de plant vele verschijningsvormen. De meeste mensen kennen Hulst als klein houtachtig gewas of als struik. Maar Hulst kan uitgroeien tot een forse boom met een hoogte van wel tien meter. Het verspreidingsgebied strekt zich uit van het noordwesten van Afrika, het zuidwesten van Azië tot en met Zuid- en West-Europa. In deze bijdrage zullen we Hulst verder als plant betitelen.

Als de plant niet bij het tuincentrum vandaan komt en zijn eigen vestigingsplekje mag uitzoeken dan voelt Hulst zich uitstekend thuis in loofbossen zoals eiken- en beukenbossen, op vochtige, matig voedselrijke zand- en leemgrond en op oude houtwallen. De plant verdraagt uitstekend zure grond. Hulst heeft een zinkerwortelstelsel. Een dergelijk wortelstelsel bestaat uit horizontaal lopende hoofdwortels (vlak wortelstelsel), die dicht onder het maaiveld liggen. Aan deze hoofdwortels ontstaan wortels die verticaal, de diepte in groeien (zinkers). Alleen als er voldoende ruimte is voor een goede ontwikkeling van een oppervlakkig hoofdwortelstel en zich daardoor zich voldoende zinkers kunnen vormen, kan Hulst uitgroeien tot een boom. De stam van de Hulst heeft een dunne en gladde bast. Het hout is hard en ivoorwit van kleur.

Aan één en hetzelfde Hulsttakje kunnen bladeren met scherpe stekels en bladeren met een gave bladrand voorkomen.

Ook het blad van de Hulst is interessant. Bij Hulst denken wij allemaal aan bladeren die scherp getand zijn met scherpe stekels. Maar aan één en dezelfde struik – zelfs binnen één en hetzelfde takje – kunnen bladeren voorkomen die scherp getand zijn en bladeren die een volledig gave bladrand hebben. Zeker als de plant ouder wordt neemt het aantal bladeren met een gave bladrand sterk toe. Daar is nog geen verklaring voor gevonden. Hulst kan zeer oud worden. Honderd tot driehonderd jaar is geen uitzondering.

De hele winter draagt Hulst veel mooie, dieprode bessen. De rode steenvruchten zijn voor de mens giftig. Voor vogels geldt dat gelukkig niet. Toch zijn de bessen niet super populair bij vogels. Zij zijn het meest geliefd bij Appelvinken. Lijsters beginnen er pas aan als tegen het eind van de winter de andere bessen zijn weggevreten. Hulst is een geliefde struik of boom om te nestelen. De stekelige bladeren, die bescherming bieden, zullen ongetwijfeld daar een bijdrage aan leveren.

Afrondend: Hulst hoort bij de kerst. Niet alleen vanwege een eeuwenlange traditie maar ook omdat veel mensen de takken met mooie diepgroene bladeren en de vuurrode bessen graag met de donkeren dagen rond Kerst in huis willen hebben. Het betekent wel dat elke tak met bessen, die gezelligheid in ons huis brengt, de kans op een potentiële Hulstboom om zeep brengt. De soort is echter totaal niet bedreigd. Dus geniet er van.

De bloemtrossen van de Hulst bevinden zich in de oksels van de bladeren. De plant is tweehuizig. Daarom vind je planten zonder en met bessen.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Langparkeerflora

Je vraagt je soms af wat er zal gebeuren wanneer een straat niet meer bereden wordt en ook niet meer geborsteld wordt. Dat kun je mooi zien wanneer een voertuig heel lang op dezelfde plaats blijft staan. Op de foto zie je een prachtige ontwikkeling van straatflora. Er zijn zachte berken te zien, canadese fijnstraal, bleekgele droogbloem, smalle weegbree, grote weegbree, klein streepzaad en kropaar.

Enkele dagen later was alles weg en de auto stond gewoon aan de overkant.

Een woekerende exoot in parken en jonge bossen

Gastschrijver is Johan Vos, voormalig stadsecoloog in Zoetermeer, die oneindig veel kan vertellen over de herkomst van het groen in onze stad.

Graag uw aandacht voor een struik die in het verleden nogal populair was bij gemeentelijke groendiensten. In de jaren ’70 van de vorige eeuw was het aanplanten van snelgroeiende inheemse bomen en struiken, het zogenaamde bosplantsoen, een middel om de vele nieuwbouwwijken te vergroenen. Dat sortiment werd hier en daar verrijkt met exoten waarvan men vond dat ze extra sierwaarde toevoegden. Een van die soorten was een kornoelje met fel rode takken en blauw-witte bessen.
Begin jaren ’80 werd deze soort in het snel groeiende Zoetermeer veelvuldig toegepast in parken en wijkgroen. Ook al in die tijd vond ik, vooral aan oevers van sloten en singels, regelmatig verwilderde exemplaren.
Wat ik me uit die tijd herinner is dat er toen veel Cornus alba werd besteld, een soort waarvan het natuurlijk areaal zich uitstrekte van Noord-Europa en Noord-Azië tot aan de Bering Straat.
Een er sterk op lijkende en nauw verwante soort is de Canadese kornoelje (Cornus sericea), een uit Noord-Amerika afkomstige sierstruik. Deze soort kan zich in korte tijd agressief uitbreiden doordat de takken gaan liggen en wortel schieten. Dat ook deze kornoeljesoort in Zoetermeer is aangeplant lijkt aannemelijk, maar wat we nu aan spontaan optredende kornoeljes met witte bessen tegenkomen is nauwelijks nog te herleiden tot een van beide soorten.
Feit is dat het ge-extensiveerde beheer van jonge bossen en parken in en om Zoetermeer gedurende de laatste decennia heeft bijgedragen aan de verspreiding van deze invasieve exoot.

Spontane Cornus sericea sl. in de oeverzone van een talud

Zo maakt de Cornus sericea sl. in het Balijbos ten westen van Zoetermeer tegenwoordig een belangrijk deel uit van de zich daar spontaan ontwikkelende struwelen. Ik eindig dit artikel dan ook graag met een citaat van Eddy Weeda uit de Ecologische Flora dl 2: “het is raadzaam dit gewas vooral niet in de buurt van natuurterreinen aan te planten”.

Ipomoea op transport

In Genk (B) vonden we op een met baggerspecie uit de Schelde opgehoogd terrein een hele lading bijzondere uitheemse planten.  Sommige planten duidden erop dat ze meegekomen zijn met sojatransport, andere leken te zijn verwilderd uit tuinen en nog weer anderen kwamen uit semitropische delen van de aarde en zelfs een, een kruidachtige Pelargonium, had een reis overleefd vanuit Zuid-Afrika.  Opvallend genoeg waren de meeste vreemdelingen beperkt tot enkele families. Dit duidt ook op onkruidvervuiling bij zaadtransporten.  Het meest in het oog springend bleken de Ipomoea’s.  Het zijn klimplanten met opvallende bloemen uit de windefamilie (Convolvulaceae)Ipomoea’s houden van een warm klimaat en komen dus alleen in bloei als ze langere tijd flink wat warmte hebben gehad. Dat kan dus duren tot de late zomer.  De vijf gevonden Ipomoea’s te Genk kwamen allen in bloei in september en oktober. Geen van hen zal de winter overleven.

 

De Dagbloem (Ipomoea purpurea)

De Dagbloem (Ipomoea purpurea) werd buiten het genoemde terrein in Genk in verwilderde toestand gevonden. Het is een populaire tuinplant met grote bloemen die soms verwildert na te zijn weggegooid.

 

Scharlakenwinde (Ipomoea coccinea)

De mooiste Ipomoea op de baggerspecie bleek toch wel Ipomoea coccinea. Ze heeft voorlopig de Nederlandse naam Scharlakenwinde. Het blad heeft opvallende extra punten op de bladrand en is dan dus zonder bloei ook te herkennen. De bloemen zijn prachtig mooi rood en door hun langere kelkbuis extra delicaat.

 

Klimopwinde (Ipomoea hederacea)

We vonden er ook redelijk wat Ipomoea hederacea. Heel belangrijk is te kijken naar de kelkbladen bij de als Klimopwinde bekend staande plant. Als deze flink behaard zijn én omgekruld dan heb je waarschijnlijk steeds met deze soort te maken. Er zijn twee variaties van Ipomoea hederacea. De een heeft een klimopachtig ingesneden behaard blad, de ander een meer driehoekig gelobd en behaard blad.

 

‘Wit ochtendgloren’ (Ipomoea lacunosa)

Een wat minder opvallende was Ipomoea lacunosa. Deze heeft kleinere witte bloemen. Het blad is veel kaler en de bladrand is mooi donkerrood gelijnd.  De kelktanden zijn meer aanliggend. Als we de Engelse naam vertalen zou de plant Wit ochtendgloren gaan heten.

 

‘Roze ochtendgloren’ (Ipomoea x leucantha)

Voor de echte kenners bleek er ook een kruising te vinden zijn die we voorlopig als Ipomoea x leucantha determineerden. Dat is een kruising tussen I. lacunosa en I. trichocarpa. Ook hier zijn de kelktanden aanliggend, de bloemkleur is roze/lichtpaars en de bladeren kunnen aan een plant zowel klimopachtig als bijna rond zijn.  Mocht men een naam mogen verzinnen: Roze ochtendgloren.