Maand: januari 2018

Parietaria lusitanica, een nieuwe soort voor Nederland

Vorige week werd mij door Nijmeegs florist Gerard Dirkse verteld dat hij een nieuwe soort ontdekt had in Nijmegen. Met behulp van zijn instructies, heb ik een bezoek gebracht aan de locatie. Ik vreesde dat het plantje verdwenen was, want toen ik van de fiets afstapte, kon ik zo gauw geen plantje ontdekken. Bij beter zoeken, bleek ik er echter al naast te staan. Het formaat van het plantje is dusdanig klein dat ik het een wonder vind dat Gerard Dirkse de plant überhaupt gezien heeft, laat staan het herkend heeft als een andere soort. De soort blijkt Parietaria lusitanica te heten en is niet alleen nieuw voor Nijmegen, maar nieuw voor heel Nederland. Binnen het geslacht Parietaria worden in Nederland ook Groot glaskruid en Klein glaskruid gevonden. Als we de Nederlandse naamgeving aanhouden van Egelskop en Lisdodde zou deze soort Kleinste glaskruid gaan heten. Ik ben echter meer een voorstander van de vertaling van de wetenschappelijke naam, Portugees glaskruid.

 

Parietaria lusitanica lijkt het sterkste op Klein glaskruid, maar is in alle aspecten kleiner. Het eerste dat opvalt is dat de soort eenjarig is in tegenstelling tot de overblijvende soort Klein glaskruid. De plant is een stuk kleiner dan Klein glaskruid en heeft door haar eenjarigheid geen houtige stengelrestanten van het vorige jaar. Verder zijn de blaadjes tot 1.5 cm lang, waar de blaadjes bij Klein glaskruid tot 5 cm lang zijn. De bloemen zijn kleiner dan de schutbladen, bij Klein glaskruid steken de bloemen buiten de schutbladen. De bloeiwijze is ook een stuk armbloemiger (3-7 bloemig), bij Klein glaskruid is de bloeiwijze 5-25 bloemig. Ook de takken doen mee aan het “kleiner dan” verhaal, de takken zijn maximaal 1,5 mm dik. Bij Klein glaskruid zijn deze minstens 1,5 mm dik, maar kunnen gemakkelijk de 5 mm dikte bereiken. Een ander opvallend verschil is de beharing op de de takken, bij Parietaria lusitanica is deze met het blote oog nauwelijks zichtbaar, je hebt een loep of een goede macrolens nodig om deze goed te kunnen zijn. Ze zijn licht van kleur, erg kort (0,1 mm) en staan niet dicht op elkaar. Naast de grootte, breedte en lengtekenmerken, is de soort ook herkenbaar door de vorm van de blaadjes, het blad heeft een stompe bladtop. Bij Klein glaskruid is de bladtop spits tot toegespitst. Ten slotte zijn de zaden olijfgroen bij Parietaria lusitanica en zwart bij Klein glaskruid.

Verspreiding:
Het is mogelijk dat de soort al langer in Nederland voorkomt. Ze is immers gemakkelijk aan te zien voor Klein glaskruid. De soort is te verwachten op ruderale, stenige terreinen waar veel aanvoer is van goederen vanuit het buitenland. Ik verwacht de soort bijvoorbeeld langs en op oude muren op haventerreinen in de grotere steden. Volgens Gerard Dirkse behoren de Nijmeegse exemplaren tot de ondersoort subsp. lusitanica die in Spanje, Portugal,Italië,Griekenland en het Zuiden van Frankrijk voorkomt.

in Bulgarije blijkt de ondersoort  subsp. serbica voor te komen.

De ondersoort subsp. lusitanica heeft blad tot 2 cm en een bladsteel korter dan het blad. De ondersoort subsp. serbica heeft blad van 2-4 cm en een bladsteel langer dan het blad.

Eindejaarsplantenjacht en kransmuur

Elk jaar organiseert Floron de eindejaarsplantenjacht. De opdracht is: maak een wandeling van een uur, tussen 25 december en 3 januari, en vind zoveel mogelijk plantensoorten; maar alleen die met bloemen. Bloeiende planten in de winter? Ja, dat is nu precies de uitdaging. Dus ik deed mee! Gemakzuchtig kies ik mijn huis als startpunt, en ga ik op 27 december een uurtje dwalen door de naburige Rivierenwijk in Utrecht. 

Rivierenwijk in Utrecht, mijn eindejaarsplantenjachtgebied afgelopen oud-en-nieuw.

En inderdaad, als je maar goed kijkt, zijn er duizenden bloeiende bloemen. De opvallende, bijna eeuwigbloeiende tuinvlieder Kruipklokje (Campanula poscharskyana). Madeliefje en Paardenbloem natuurlijk. Maar ook straatgras, die bloeit het hele jaar door, je zou hem bijna vergeten. Kort samengevat, ik trof verrassend genoeg liefst 19 verschillende bloeiende soorten in de wijk aan. En de interessantse was: Kransmuur. Niet voor niets in het rood aangeduid in mijn waarneming.nl-lijstje.

De 19 bloeiende soorten van mijn persoonlijke eindejaarsplantenjacht in Rivierenwijk, Utrecht.

Kransmuur is interessant omdat deze soort volgens de laatste Heukels’ Flora een zeer zeldzame is (KFK 003 voor de liefhebber). Dat lijkt me verouderde informatie, want ik kom Kransmuur, ondanks zijn onopvallende uiterlijk, toch geregeld tegen. Een blik op de, overigens erg informatieve, Floron Verspreidingsatlas laat in een oogopslag zien hoe dat komt: Kransmuur is een recente nieuwkomer is. 30 jaar geleden was de soort niet bekend in Nederland, en nu bijna overal. Dat is toch bijzonder! Zeker als je in ogenschouw neemt dat niemand deze soort bewust hierheen heeft meegenomen, zoals je bij veel andere ,problematische, nieuwkomers wel ziet: Japanse duizendknoop (Fallopia japonica); Reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum); Kruipklokje (Campanula poscharskyana; …). Waarom zou je dat immers doen met zo’n voor tuinen onooglijk plantje. Dit heeft hij geheel op eigen kracht gedaan.

Nagenoeg alle waarnemingen van Kransmuur zijn recenter dan 1990. Een echte nieuwkomer dus. En op eigen kracht.

In Nederland kom je Kransmuur vooral in stedelijke omgeving tegen, vaak tussen tegels en in muurnaden. De soort is eigenlijk helemaal geen muur, althans niet zoals die andere muren die we kennen. Geen Veldmuur (Minuartia), Muur (Stellaria), Watermuur (Myosoton), Vetmuur (Sagina), Drienerfmuur (Moerhingia) of Zandmuur (Arenaria). De soort vertegenwoordigt in Nederland een geheel eigen geslacht, Polycarpon, maar wel binnen de Anjerfamilie, Caryophyllaceae; de enige met deels kransstandige bladeren, voor zover ik weet.

Kransmuur stamt oorspronkelijk uit het westelijke deel van het Middellandse Zeegebied, maar groeit tegenwoordig in alle werelddelen. De soort groeit in Zuidwest Europa van nature tussen kale, zonrijke rotsen. Laat de stad met al zijn stenen hier prima op lijken! Geen wonder dat Kransmuur in Nederland een echte stadsplant is.  De stad Groningen is naar verluid de meest noordelijke vindplaats in ons land en mogelijk zelfs in Europa. Maar op het atlaskaartje zie ik ook een waarneming op Terschelling, toch een stukje noordelijker.

Zo ziet Kransmuur, Polycarpon tetraphyllum, er vanaf afstand dus uit.

 

 

Hier kan je de kransstandige bladstand goed zien, en tevens de sterk vertakte bloeiwijze 

Maar hoe herken je Kransmuur als stadsflorist? De harde kenmerken zijn: de meeste bladeren in kransen van vier; de vele bloemen (Polycarpon = veelvruchtig) van 2 mm (!) staan in sterk vertakte bloeiwijze; de kroonbladen hebben een groene middennerf, schitterend onder een loep.  Maar dit zie je pas als je minstens 10 cm van het plantje afstaat, en de kans is groot dat je er dan al voorbij bent gelopen. Ik herken Kransmuur daarom in eerste instantie vooral van afstand, aan zijn bollige, sterk vertakte, wat rommelige habitus (zie bovenstaande foto van de geparkeerde auto). Zie je tussen de zonnige stoeptegels, straatstenen en tegen muren een wat onaantrekkelijk groenig bolletje van 5 – 10 cm, kijk dan even dichterbij naar de harde kenmerken. En ontdek de onverwachte schoonheid van mijn nieuwe vriend:  Kransmuur.  

 

PS Tip: Bekijk, voordat je de zonnige stoeptegels in je stad betreedt, eerst wat plaatjes op internet : verspreidingatlas.nl, waarneming.nl, wilde-planten.nl. ,voor een goed zoekbeeld. 

 

Habitus Amerikaanse kruidkers

Een spoorwegterreinen en een Amerikaan

Diverse auteurs (1,2,3,4,5 en meer) hebben in hun blogs hebben al melding gemaakt van vondsten op spoorwegterreinen, parkeerterreinen en fabrieksterreinen. Daar gebeurt altijd wat en zeker niet datgene wat die terreinen zo interessant maakt, zoals de hoekjes opruimen. Ook ik kijk gedurende het jaar diverse keren op van die verlaten hoekjes, waarvan je er, als je de stad eenmaal goed kent, enkele tientallen hebt. Favoriet is toch wel het parkeerterrein midden in de stad vlakbij het station en dan de verste hoek (zie link naar Google Maps). Het aardige van dit stuk is dat het nog een stuk oude spoorrails bevat met alle elementen (ballastbed, dwarsbalken en rails). Tussen die dwarsbalken is een stuk waar het blauwgroen staat van het plat beemdgras (Poa compressus), een soort die het blijkbaar op het ballastbed erg goed doet.

Bloemen Amerikaanse kruidkers
Bloemen Amerikaanse kruidkers

Echter daar in die verre hoek waar ook niet heel veel geparkeerd wordt en nauwelijks betreding is kwam ik daar een voor mij vreemde kruidkers tegen. Veel ijler dan de Steenkruidkers (Lepidium ruderale) met zijn struikvormige habitus. De afbeelding van de habitus van de Amerikaanse kruidkers (Lepidium virginicum) laat een wat ijlere versie zien. Vooral de witte bloemen die duidelijk buiten de kelk uitsteken zijn een kenmerk dat je niet met de Steenkruidkers van doen hebt; zie de foto van de bloemen. De bladeren zijn bovenin lijnvormig en scherp gezaagd en onderaan de plant liervormig en kroezig ingesneden. Kijk vooral ook naar het zaad. De hauwtjes zijn rond (2½-4 mm breed) met een hartvormige top-insnijding. De zaden (1,5 bij 1,1 mm) zijn duidelijk gevleugeld. De buitenomtrek van de rand is doorschijnend. (Verspreidingsatlas, René van Moorsel en Edwin Dijkhuis, 2017), rechts onderin de foto is zo’n zaadje te zien.

Hauwtjes Amerikaanse kruidkers
Hauwtjes Amerikaanse kruidkers

Verder nogal opvallend zijn de hauwtjes die in het verloop van de zomer wat rood aanlopen waardoor frisgroen en rood aangelopen hauwtjes een wonderlijke combinatie vormen.

 

overzicht_habitus
Overzicht van diverse planten met rood aangelopen hauwtjes.

Er zullen zeker meer bijdragen komen waarbij spoorwegterreinen, fabrieksterreinen en parkeerplaatsen een rol spelen.

 

Mahonia en mahonie

Al vroeg in de winter, vaak al in november, begint de mahonia geel te kleuren en de hele winter door blijft hij tussentijds ‘gas geven’. Uiteindelijk zal de struik in het vroege voorjaar volop gaan bloeien en vrucht zetten. Er zijn maar weinig struiken die zo een lange bloeitijd kennen. Mahonia is matig vertakt maar dichtbebladerd. De bladen zijn geveerd met vijf tot negen blaadjes. Alleen het topblaadje is gesteeld. De blaadjes zijn taai, leerachtig, glanzen en hebben scherpe stekelpuntige bladtanden. Hoewel mahonia groenblijvend is, verkleuren de bladeren toch in de herfst: van dofpurper tot dieprood. Dat maakt de struik te meer aantrekkelijk als tuinstruik.

De bladen vallen niet af maar verkleuren wel

De bloemen zijn goudgeel, aangenaam geurend en talrijk. Ze staan in trossen. In het voorjaar vormen ze een waardevolle voedselbron voor insecten; vooral voor de diverse soorten hommelkoninginnen. De meeldraden zijn tactiel: ze klappen bij aanraking plotseling naar binnen. Daardoor raken de bezoekende insecten met stuifmeel overladen.

De bloemen zijn aantrekkelijk voor vroege bijen zoals hommels

De vruchten zijn blauwzwarte bessen die door vogels worden gegeten. Die poepen de zaden weer uit en zo kan de struik overal verschijnen. Omdat de struik ook door de gemeente nogal eens wordt aangeplant, zijn ‘tuinplant’ en ‘verwildering’ in de plantsoenen, niet meer uit elkaar te houden. De plant is oorspronkelijk afkomstig uit het Westen van Noord-Amerika, maar is inmiddels in West-Europa plaatselijk ingeburgerd. Dat wil zeggen dat hij niet algemeen is.

Mahonia behoort tot de berberisfamilie. Dit is in Nederland een kleine familie met maar één inheemse soort; de zuurbes (Berberis vulgaris). De wetenschappelijke naam van mahonia is Berberis aquifolium. ‘Berberis’ en is afgeleid van ‘barbaris’, een Arabisch woord voor de plant. ‘Aquifolium’ betekent ‘met scherp blad’.

De Nederlandse naam ‘mahonia’ komt van Bernard MacMahon, Iers-Amerikaanse kweker (1775 – 1846). Deze naam heeft niets te maken met de houtsoort en de diverse boomsoorten ‘mahonie’. Al de mahoniesoorten behoren tot Meliaceae, de mahoniefamilie, die uitsluitend in de tropen en subtropen voorkomt.

De naam van de boom ‘mahonie’ is afgeleid van ‘mahagoni’. Dat woord is indiaans, mogelijk van de eiland-Arowakken van Puerto Rico en heeft dus een heel andere etymologie dan van onze struik ‘mahonia’.

een andere mahonia met meer deelblaadjes

Mahonia komt in Breda algemeen voor. Dat weten we omdat de aanwezigheid makkelijk is vast te stellen door het zeer speciale blad, dat in de winter nog meer opvalt, want de struik is groenblijvend. In de meeste gevallen staat het struikje er niet fraai bij, want moet hij genoegen nemen met een klein plekje in een ligusterhaag of onder andere struiken in het plantsoen. Krijgt hij wel een plek in de zon, dan staat hij schitterend geel te stralen in het vroege voorjaarslicht.

 

Naschrift

Rutger Barendse schreef me dat ik een plaatje van een ander soort mahonia had opgevoerd in mijn oorspronkelijke versie. Dat is de foto waar nu ‘andere mahonia’ bij staat. In mijn onschuld was ik er vanuit gegaan dat er maar een soort was. Volgens Rutger kan het  Berberis x media of B. japonica zijn.  Deze verwilderen nauwelijks volgens hem. Als je het eenmaal weet, is het verschil niet moeilijk. Deze tuinplant heeft veel meer deelblaadjes. De punten van dit blad zijn vlijmscherp, zoals ik inmiddels weet uit ondervinding. Rutger heeft het goed gezien, het is de Berberis x media.

Het blad met de vlijmscherpe punten van Berberis x media

 

 

Krom in Breda

Kromhals (Anchusa arvensis) is nou niet meteen een typische stadsplant. Toch stond deze plant de afgelopen zomer, ondanks de lichte handicap, fier overeind op een historische plek in het centrum van Breda: bij het Spanjaardsgat. Dit ‘gat’, in feite een waterpoort, wordt vaak in verband gebracht met de list met het Turfschip van Breda in 1590. Door soldaten in het ruim van een turfschip te verstoppen kon Breda door prins Maurits worden heroverd op de Spanjaarden. De bewuste waterpoort is echter pas in 1610 gebouwd. Een voorbeeld van kromme praat dus.

Kromhals behoort tot de familie van de ruwbladigen. Bekende vertegenwoordigers van die familie zijn de gewone smeerwortel, alle soorten vergeet-mij-nietjes en overblijvende ossentong. De laatstgenoemde is een bekende stadsplant. Zoals een goede ruwbladige betaamt is de kromhals stijf behaard (zie foto hieronder). De bloeiwijze is een schicht: de zijassen ontspringen beurtelings links en rechts van de vorige as. De bloemen blijven in dezelfde verticale as en zijn gewoonlijk naar één zijde gebogen. Dat klinkt ingewikkeld en dat is ook zo.

De kromhals is een éénjarige plant die vooral op zonnige plaatsen op omgewerkte, bemeste grond kan worden aangetroffen. Vroeger was het vooral een akkerplant. Vandaar de soortaanduiding ‘arvensis’ in de wetenschappelijke naam Anchusa arvensis. De Nederlandse naam dankt de kromhals aan de kromme kroonbuis. je kunt dit eenvoudig vaststellen als je de kroon voorzichtig van de plant trekt. Vanwege deze kromme buis hebben insecten met een lange tong een voordeel bij het zoeken naar voedsel. Ze worden dan ook vooral door hommels bezocht.

Friet en muurvaren

Ik mag dan wel bekend staan als natuurliefhebber, ik blijf een stadsbewoner. En stadbewoners hebben ongezonde gewoontes. Zoals alsmaar druk met zichzelf en hun werk bezig zijn, en af en toe bij de snackbar een frietje halen. Voor het gemak. Zo ook vorige week, een wandelingetje van zes minuutjes van mijn huis naar de Balijelaan, een grijze racebaan zonder kraak of smaak. Afgezien van het lichtpuntje dan: de Snackbar Balije Big Snack met hun aardige Chinese uitbaters.

Na mijn friet met en een Mexicano besteld te hebben, liep ik naar buiten om mijn kleren niet deelgenoot te hoeven laten zijn van de vette dampen die de wasemkappen onvoldoende wegfilteren. Doelloos op straat staand, viel mijn oog op de goedkope gevelreclame, en toen iets hoger op het raam van de bovenburen, en toen nog maar iets hoger. Daar, op 5 meter hoog, was de beloning: een enorme bos muurvarens, Asplenium ruta-muraria.

Snackbar Big Snack Balije en interessante alternatieven in de omgeving in Utrecht

Muurvaren staat bekend als algemene soort, maar ik vind hem toch altijd weer bijzonder als ik hem aantref. Opvallend als de tongvaren is hij niet, en zelfs de steenbreekvaren, toch ongeveer even groot, steelt eerder de show. Maar de muurvaren is wel een van de weinige varens die je  ook op droge op het zuiden gerichte muren aantreft. Mijn eerste bewuste waarneming van een muurvaren was in een spleet van een betonnen waterkering van een inmiddels opgedoekt militair terrein bij de Europalaan. Ik dacht dat ik de ontdekking van de eeuw gedaan had. Dat bleek mee te vallen. En op oudere tuinmuurtjes in de buitenwijken moet je gewoon je ogen openhouden, daar is hij een graag geziene gast. Muurvaren, mijn bescheiden, betrouwbare vriend.

Muurvaren naast de vlaggenhouder, op fotografenvriendelijke hoogte van 2,50 meter.

PS

Van mijn kinderen begrijp ik dat een bezoek aan een snackbar sneu is. Niet omdat de jeugd van tegenwoordig opeens voor gezond gaat. Maar je laat je frietje tegenwoordig comfortabel thuis bezorgen met een electrische scooter of een slechtbetaalde fietser met een vierkante rugzak. Floristen aller steden: blijf uw gang naar afhaalchinezen, pizzeria’s en snackbars gewoon maken. Of begin ermee. Kijk daarbij dan wel even om u heen, een bijzonder ontdekking ligt immers op de loer.