Maand: februari 2018

Glanzend sneeuwklokje of glanzende sneeuwklokjes?

Het begint stilaan al weer te kriebelen onder de botanisten, ook al hebben we nog geen echte winter achter de rug. Dat de prilste inluiders van het plantenseizoen de sneeuwklokjes zijn, kan niemand ontkennen dus laten eens bij stilstaan bij deze prachtige planten.  Zelfs bij het Gewoon sneeuwklokje is al heel wat op te merken qua variatie in uiterlijk, al was het maar omdat er veel mee gekweekt wordt en kleine verschillen in uiterlijk een commercieel succes kunnen worden.  Er zijn ook redelijk wat boeken over sneeuwklokjes geschreven en zelfs over illustere verzamelaars van sneeuwklokjes; de galanthofielen.

Gewoon sneeuwklokje verwilderd op een begraafplaats te Herzogenrath (D.) in 2018

Een aantal variaties van het Gewoon sneeuwklokje weten zich succesvol ook buiten tuinen te vestigen waaronder de prachtige variatie Scharlockii met tweetoppige schutbladeren en groene vlekken op de buitenste bloembladen.  Ook de gevulde sneeuwklokjes, te vatten onder de groep Plenus, vind je met enige regelmaat in bosjes rond huizen.

Galanthus nivalis var. Scharlockii in de oever van de Ourthe (B.) in 2015

Dat er zelfs diverse echte soorten verwilderen is minder bekend en dat zijn ook zeldzamere gebeurtenissen. Waarschijnlijk vermeerderen die andere soorten zich ook veel moeilijker dan het Gewoon sneeuwklokje. Zo is er het Groot sneeuwklokje met blauwig ingerold breed blad en ook een mooi glanzend sneeuwklokje. Het heeft breed donkergroen blad dat glimt. Het woord glanzend schreef ik wel expres met een kleine letter. In het standaardwerk ‘Stinzenplanten’, een boek uit 1985 dat handelt over flora op buitenplaatsen langs de Vecht bij Utrecht, staat namelijk een sneeuwklokje afgebeeld met als naam Glanzend sneeuwklokje Galanthus ikariae, maar dit bleek niet juistVoor wie zich interesseerde, in het Nederlandstalig gebied, in verwilderde bolgewassen was het boek ‘Stinzenplanten’ dé referentie en nadien noemde iedereen dergelijke planten 25 jaar lang Glanzend sneeuwklokje.  Daar kwam een eind aan toen in 2011 in België ook zo’n plant werd aangetroffen te Lommel (B). Het stond er in een rommelig bosje ingeklemd door bebouwing. Het was de eerste vondst ooit in België en dus werd er ook een plant verzameld en gedroogd voor de collectie van de Plantentuin te Meise.

Galanthus woronowii bij Lommel (B.) in rommelig bosje in 2011

De determinatie door de Plantentuin kwam zonder twijfel op Galanthus woronowii uit vanwege de dunnere groene streep op het binnenste bloemblad.  Maar wat bleek daarna? Ook het plaatje in ‘Stinzenplanten’ toonde dit dunne streepje. Vanaf dat moment begon de zoektocht naar een echte Galanthus ikarae ,ook in Nederland, en die bleek alleen in de botanische tuin, met een bordje ernaast, van Wageningen overtuigend aanwezig.  Verwilderd is deze soort niet aangetroffen. Kortom; De mooie Nederlandse naam Glanzend sneeuwklokje was eigenlijk bedoeld voor Galanthus woronowii.  Toen ik op 25 januari 2018 te Genk een mooie pol van Galanthus woronowii vond, herinnerde ik me deze geschiedenis weer en kreeg ik het verlangen de naam Glanzend sneeuwklokje gewoonweg te verplaatsen naar de andere wetenschappelijke naam. De taxonomen zullen dat niet pikken dus laat ik het erop houden dat het glanzende sneeuwklokjes waren..

Klein kruiskruid – een kier tussen de stenen is genoeg

Als we zware winterse omstandigheden even vergeten is er eigenlijk geen moment in het jaar te bedenken waarop je Klein kruiskruid niet bloeiend aan kan treffen. De plant stelt heel weinig eisen aan zijn leefomgeving en is zeker in de stedelijke omgeving een zeer algemene plant. Het geslacht kruiskruid (Senecio) is een van de grootste geslachten in het plantenrijk. De schattingen wereldwijd variëren tussen de 1500 en 2000 soorten. Drie vrij bekende kruiskruidsoorten in Amersfoort en omgeving zijn Bezemkruiskruid, Jacobskruiskruid en Klein kruiskruid. Zij behoren tot de familie van de composieten.

 

Klein kruiskruid is eenvoudig te herkennen. Een lage plant met bloemtrosjes waarvan de omwindselbladen eindigen in een spitse top met zwarte punt

Qua uiterlijk ziet Klein kruiskruid er voor ons mensen wat minder aantrekkelijk uit dan de familieleden Bezemkruiskruid en Jacobskruiskruid. De laatste twee soorten ogen veel fraaier en uitbundiger doordat de bloemen zowel buis- als lintbloemen hebben. Klein kruiskruid moet het doen met alleen buisbloemen die dicht op elkaar gepakt opgesloten blijven tot een door omwindselbladeren gevormd kokertje. Daardoor lijkt het er op dat de bloem nog tot volledige bloei moet komen. Maar wie blijft wachten tot de bloem zich volledig zal openen, zoals de andere kruiskruiden, komt bedrogen uit.

Door het verschil in samenstelling en bloeiwijze van de bloemen is er ook verschil in de wijze van voortplanting. Bezemkruiskruid en Jacobskruiskruid, hebben buis- en straalbloemen en zijn daardoor veel aantrekkelijker voor insecten dan Klein kruidkruid dat het zonder straalbloemen moet doen. Ook al vanwege het feit dat de eerst genoemde twee soorten rijkelijk nectar produceren. Die aantrekkingskracht op insecten is maar goed ook want de planten zijn aangewezen op kruisbestuiving. De min of meer opgesloten buisbloemen van Klein kruiskruid zijn veel minder toegankelijk en aantrekkelijk voor insecten. Dat is geen probleem omdat Klein kruiskruid zich nagenoeg volledig kan redden met zelfbestuiving. Alle kruiskruiden in Nederland bevatten alkaloïden die giftig zijn voor zoogdieren. Jacobskruiskruid kan dodelijk zijn voor paarden. Een aantal insecten heeft deze giftige stoffen juist nodig in het voedselpakket. Een bekend voorbeeld is de rups van de Jacobsvlinder die leeft op Jacobskruiskruid.

De omwindselbladen houden de buisbloemen strak bij elkaar. De vele stampers steken boven het bloemhoofdje uit.

Klein kruiskruid blijft over het algemeen vrij laag. De plant doet wat vlezig aan. De bladeren zijn langwerpig, veervormig gespleten en niet gesteeld. De plant is niet kieskeurig in zijn verschijningsvorm. Er kunnen redelijk wat variaties voorkomen in beharing. Meestal zijn de stengel en de bladeren glad en onbehaard maar er zijn ook planten waarvan de bladeren en de stengel bedekt zijn door spinnenwebachtige, viltige, grijze haren. De omwindselbladen, die de buisbloemen omhullen zijn groen met een puntige top en zwarte stippen aan de uiteinden. Als Klein kruiskruid is uitgebloeid vormt zich een uitbundig grijs vruchtpluis bolletje, gevormd uit de pappus die aan de zaden gehecht zijn.

Meestal zijn stengel en blad glad en onbehaard. Maar er zijn ook planten met spinnenwebachtige, viltige beharing

Klein kruiskruid stelt weinig eisen aan de groeiplaats. De planten zijn vooral op ruige terreinen, tussen stenen en omgewerkte grond te vinden. Zij verdragen hoge concentraties zout en lood en kunnen zich dus ook makkelijk langs snelwegen vestigen. Doordat de plant zich via zelfbestuiving voortplant is hij niet afhankelijk van insecten. Daardoor kan de plant het hele jaar bloeien, zaden vormen en zich verder verspreiden. Menig tuinliefhebber beschouwt Klein kruiskruid dan ook als lastig te bestrijden onkruid. Hoewel? Je trekt de plant heel eenvoudig met wortel en al uit de grond.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Hazelaar met

Eigenlijk is de tijd van de bloeiende hazelaar al weer bijna om. Valt het u ook zo op dat je hazelaar steeds vroeger ziet bloeien ? Op sommige plekken staat de hazelaar nog wel in bloei in februari, maar in Breda heb ik hem ook al in december zien bloeien. Ik meen ergens gelezen te hebben, dat die vroegbloeiende hazelaars van vreemde origine zijn.

Mannelijke bloem van hazelaar

Hazelaars hebben twee soorten bloemen: mannelijke en vrouwelijke. De vrouwelijke stampers zitten op een aparte bloem, en de mannelijke meeldraden hangen in aparte bloemen, die katjes worden genoemd. In die katjes kun je soms vreemde vergroeiingen tegenkomen. Die wordt veroorzaakt door een gal, Contarinia coryli , de springende hazelaarmug. Althans, dat dacht ik op basis van mijn oude gallenboek. Op internet evenwel wordt gesteld dat:  ‘alleen door de katjes te openen en te zoeken naar larven of mijten is de gal te onderscheiden van die van Phyllocoptruta coryli.’ , de hazelaarkatjesmijt. Op een Engelse site wordt zelfs gesteld dat het nogal eens voorkomt dat dat beide beesten huizen in hetzelfde katje. Beide galveroorzakers zijn algemeen, en ik heb de gallen niet opengemaakt, en dan nog….? Waar moet ik naar kijken ?

Hazelaarkatje met gal

De hazelaar is door de mijt of de mug gebeten of door allebei.

Veel gallen

Ondergrondse flora in Utrecht

Een kamer huren in Utrecht is crimineel duur, en het resultaat ongewis. En ik ben vader van twee in Utrecht studerende kinderen. We vonden een oplossing: we kochten afgelopen zomer een appartement aan het Tolsteegplantsoen. Wel een die volledig opgeknapt moest worden, want anders konden we het ons niet veroorloven. Mijn handige broer monteerde CV, nieuwe electriciteit, verplaatste waterleiding en stucte alsof het zijn lieve lust was. Het vele afvalwater van het stucen gooide hij, bij tijdelijke ontstentenis van een werkende afvoer, in de straatput voor ons huis. Over die straatput wil ik het hebben.

 

Tolsteegplantsoen van meer afstand.

Ik kluste er ook flink op los en hielp mijn broer met het verwijderen van zijn afvalwater. Omdat de kalkdrab witte sporen achterlaat op het metaal van de put opende ik het deksel. Ik wist toevallig hoe dat moest. Bij oude putten zit namelijk onder het deksel een met de hand beweegbaar palletjes, dat je opzijschuift om de deksel te lichten. Als bij een motorkap. Wat ik toen aantrof was geen afvoerput voor overtollig stucwater maar een donker, vochtig biotoop van 30 x 30 x 30 cm, met een heuse ondergrondse florajungle. Veel jonge varens, daarom niet eenvoudig te determineren, althans door mij. Dit zijn de soorten die ik aantrof.

  • Tongvaren, Asplenium scolopendrium (zeker)
  • Muurleeuwenbek, Cymbalaria muralis (zeker)
  • Mannetjesvaren, Dryopteris filix-mas (zeker)
  • Steenbreekvaren, Asplenium trichomanes (waarschijnlijk)
  • Brede stekelvaren, Dryopteris dilatata (waarschijnlijk)
Ondergrondse varenjungle. Foto genomen rond oud-en-nieuw, met minder soorten dan in de zomer.

Opgewonden liep ik naar de dichtstbijzijnde andere put: opnieuw groen leven, hoewel wat minder dan in onze put. Dat smaakte naar meer. Ik vergat het klussen, en negeerde de meewarige blikken van mijn broer. Al snel had ik alle putten in onze omgeving uitgekamd. En hebben de buurtbewoners kennis mogen maken met een wel erg weirde, met de blik naar beneden gerichte kersverse medebewoner van de wijk. Maar wat kon het schelen, ik had een fantastische ontdekking gedaan! Onder onze voeten speelt zich in het halfduister een onbekend ander leven af. Als iets spannende stadsnatuur is, is dit het wel.

Ben ik dan de enige die dit weet? Natuurlijk niet. Onze stadsflorist Wim Vuik, van wie ik veel heb geleerd, en nog leer, heeft ooit eens een project gedaan waarbij hij 10.000 putten heeft geinventariseerd. Hij haalde hiermee in een ver verleden de televisie mee, hetgeen hem de wat dubieuze reputatie van puttenman heeft opgeleverd. Iets dat hem nog steeds achtervolgt. En waar ik met deze blog ook weer aan meewerk. Maar ik denk dat hij is er stiekem ook wel trots op is. En terecht.  Dankzij hem weet ik nu van de diverse modellen putten. De oudere vierkante gemetselde zijn de beste. Vanuit floristisch oogpunt dan, want de gemeente heeft gekozen voor nieuwe onderhoudsarme, ronde kunststof  prefab-kolken waar zelfs mos en alg het moeilijk hebben. Fijn voor het onderhoud, jammer voor de ondergrondse flora.

Utrechtse florist Wim Vuik bij een Utrechse put (in Overvecht) in 2013. Met een foto van hemzelf in de Flora Stadsplanten van Ton Denters.

PS De amfibieënliefhebbers hebben ook de iets met putten en kolken, heb ik me laten vertellen. Zij kregen het voor elkaar er een ontwerp door te krijgen met een trappetje aan de binnenwand, waarmee in de put gevallen kikkers zichzelf kunnen bevrijden. Dat is pas echt natuurbescherming op de vierkante centimeter. Maar ook een heel ander onderwerp.

De overeenkomst tussen eendenkooi en achterpad

Enkele jaren geleden inventariseerden we het terrein van de Eendenkooi Bakkerswaal bij Krimpen aan den Lek. Rond de plas en de vangpijpen van de eendenkooi ligt een flink stuk vochtig bos. Een van de planten die we in het bos aantroffen was Muursla (Mycelis muralis), een plant met prachtig ingesneden bladeren; de bladtop doet me altijd denken aan de bastions in onze vestingsteden hetgeen dan weer een makkelijk ezelsbruggetje is naar de ‘muur’ in de naam van de plant. De vertakte bloeiwijze met kleine hoofdjes met steeds vijf gele lintbloemetjes is wel elegant, maar niet erg opvallend.

Verspreidingskaartje van Muursla – Mycelis muralis

Ik was verrast over Muursla in het Eendenkooibos want ik kende Muursla uit achterpaadjes en brandgangen in de stad. Maar, voor een van mijn medefloristen was zo’n vochtig bos juist het bekende biotoop van Muursla en was hij juist verrast door mijn ervaring uit de stad. Kortom de biotopen zijn verwant en Muursla voelt zich thuis op vochtige beschaduwde plekken van niet al te zure en schrale grond, liefst met wat goed verteerde humus. Het verspreidingskaartje van Muursla laat dit dubbele verspreidingspatroon duidelijk zien: Rotterdam, Den Haag, Amsterdam, Groningen, Nijmegen maar ook Dordrecht, Tilburg en Eindhoven zijn op de kaart te herkennen als een opeenhoping van zwarte stipjes, daarnaast zijn er enkele streken waar hij ook buiten de steden veel voorkomt zoals Zuid-Limburg, Oost-Gelderland, Twente, Utrecht en de Hollandse duinstreek.

De vertakte bloeiwijze van Muursla – Mycelis muralis met kleine bloemhoofdjes met maar vijf lintbloemen.

Dat de biotopen van Vochtige bossen en achterpaadjes verwant zijn blijkt ook uit andere soorten die ik vooral op deze twee plekken tegenkom zoals Bosveldkers, Groot heksenkruid en Bergbasterdwederik. Vorig jaar trof ik zelfs Reuzenzwenkgras (Festuca gigantea) aan in een brandgang in Dordrecht, een soort die ik in de buurt van Rotterdam ken uit de grienden en andere vochtige bosjes langs de oevers van de rivier.

 

Vioolkrullen op straat

Het jaar begon goed aan de Teteringsedijk in Breda. Een plaatselijke florist ontdekte kleine gele bloemetjes langs een gloednieuwe rotonde. Er zaden waarschijnlijk zaden van dit plantje in de opgebrachte grond. Als je heel goed kijkt naar de bovenstaande foto dan zie je ze. Het is Amsinckia micrantha. De Nederlandse naam is ‘kleinbloemige amsinckia’. De Engelstalige naam van het geslacht klinkt meer als muziek in de oren: ‘fiddleneck’. Deze naam is afgeleid van de bloeiwijze. De stengel draagt een groot aantal kleine bloempjes en buigt aan de bovenzijde iets om op een manier die doet denken aan de hals en krul van een viool. Zo’n bloeiwijze noemen we een schicht, net als die van de kromhals in een vorige bericht.

Duidelijk te zien: een ruwbladige

De kleinbloemige amsinckia behoort tot de familie van de ruwbladige. Van oorsprong komt de plant voor in het westen van Noord-Amerika. In het begin van de vorige eeuw is hij, waarschijnlijk met graantransporten, in ons land terecht gekomen. Je kunt hem vinden op akkers, in bermen, op opengewerkte grond en in de duinen.

De wetenschappelijke naam van het geslacht komt van Wilhelm Amsinck (1752-1831, burgemeester van Hamburg en beschermheer van de botanische tuin aldaar. ‘Micrantha’ betekent ‘kleinbloemig’.

Kleine gele bloemen

Normaal gesproken bloeit deze plant in mei, juni en juli. De exemplaren bij de rotonde waren een beetje dolgedraaid.

eenzaam wachten

Een eenzame stationsplant op de foto.

Iedere familie heeft vast wel een beetje aparte oom. Een oom die opvalt door zijn gedrag wat vaak afwijkt van wat veel mensen normaal vinden. Zo’n oom hadden wij ook. Oom Joop was treinfanaat. Hij was dan ook veel op stations te vinden, altijd met de camera in de aanslag. Ik denk dat hij toendertijd alle treinen in Nederland wel op de foto heeft gezet.

Zelf mag ik ook graag op stations komen. Ik heb echter een wat andere hobby dan mijn oom. Net zoals hij fotografeer ik daar maar geen treinen maar planten. Er bestaan  namelijk stationsplanten. Eén van de meest voorkomende stationsplanten is de Kleine leeuwenbek (Chaenorhinum minus). Deze plant ben ik al op veel stations tegengekomen.

kleine leeuwenbek
Kleine leeuwenbek, hele plant.

De Kleine leeuwenbek maakt deel uit van de Weegbreefamilie. Als soort is de plant een Kierleeuwenbek (Chaenorhinum) en heeft in Nederland als soortgenoot  het Marjoleinbekje. De laatste heb ik nog nooit op een station gezien. Kierleeuwenbekken zijn eenjarige of overblijvende planten. De bladeren zijn lijnvormig tot eirond, aan de basis tegenoverstaand. De bloemen staan in de bladoksels en lijken op die van Leeuwenbek (Antirrhinum). Dat verklaart dus één deel van de naam. De kier bevindt zich in de bloem tussen de kroon en de lip, populair gezegd tussen het bovenste en onderste gedeelte van de bloem.

 

bloeiwijze
De bloeiwijze.

Volgens onze plantenbijbel Heukel’s Flora van Nederland komt de Kleine leeuwenbek  algemeen voor langs spoorwegen. Verder komt hij voor op open, vochtige, voedselrijke, vaak kalkhoudende, omgewerkte grond in akkers en moestuinen. Ook wordt hij een stadsplant genoemd.

De vraag is nu: waarom staat deze plant zo graag langs het spoor en dus ook op stations? Volgens Ton Denters (Stadsplanten, veldgids voor de stad)  kan de Kleine leeuwenbek met weinig toe en heeft hij alleen een sterke behoefte aan licht en warmte. En daar is bij het spoor geen gebrek.

Op de stations is er echter één grote vijand: de man of vrouw met de bosmaaier of ander dodelijk apparaat. De perrons moeten natuurlijk wel schoon blijven. Gelukkig heeft de Kleine leeuwenbek over het algemeen genoeg tijd om ons zijn bloemenpracht te tonen. Jammer dat zo weinig treinreizigers belangstelling voor hem hebben.