Maand: maart 2018

Een fasci(n)erende Italiaan

De walstroleeuwenbek (Linaria purpurea) wordt met zekere regelmaat in de stad gevonden. Het is een overblijvende plant die tot de weegbreefamilie behoort. Dat laatste is nog steeds even wennen. Vroeger was het namelijk een helmkruidachtige. De soort komt oorspronkelijk uit Italië en is sinds 1990 vooral in de westelijke helft van ons land ingeburgerd. De plant wordt regelmatig aangeboden als tuinplant en omdat hij veel zaad produceert zal hij gemakkelijk ontsnappen. Vooral op matig voedselrijke, stenige en zandige plaatsen kan deze Italiaan uit de voeten. De plant wordt 30 tot 90 cm hoog en heeft blauw-paarse tot roze bloemen in een tros in de maanden juli en augustus.

De Nederlandse naam ‘walstroleeuwenbek’ is te danken aan de bladstand onder aan de stengel. Die groeien in een krans en dat is net als bij walstro (Galium). De wetenschappelijke naam ‘Linaria’ komt van het Latijnse woord ‘linum’ dat vlas betekent. De bladeren doen aan vlas denken.

Maar ook roze bloemen komen voor

De soortaanduiding ‘purpurea’ betekent purperkleurig, maar de bloemen zijn zoals vermeld ook wel eens roze.

In een westelijke wijk van Breda, Princenhage, vonden we een uitzonderlijk exemplaar in de berm: één met een zeer afwijkende dikke steel en bloeiwijze. Dat verschijnsel heet fasciatie of bandvorming. Het kan verschillende oorzaken hebben: een hormonale onbalans in het delende weefsel of genetische veranderingen (mutaties). Ook bacteriële of virale infecties vormen een mogelijke oorzaak.

fasciatie of bandvorming

 

Planten op bomen: epifyten of terrestrisch? – Plantenbakken op hoogte

Gewone eikvaren op de stam van een Esdoorn in Soest.

Begin maart publiceerde Ton Denters een artikel op Stadsplanten – De urbane flora van Nederland met de kop: “Eikvarens op stadsbomen; een nieuw fenomeen!”. In het zeer lezenswaardige artikel doet hij verslag van een onderzoek naar eikvarens op bomen in Amsterdam dat is uitgevoerd door Valentijn ten Hoopen. Ton Denters legt op een duidelijke manier uit dat deze eikvarens epifyten zijn: “Epifyten zijn planten die zich hechten aan andere plantensoorten zonder daar voedsel aan te onttrekken; ze gebruiken de ander alleen als groeiplaats. In veel gevallen is de waardplant een boom. Epifyten leven van de lucht, halen daaruit vocht en voedingsstoffen. In de tropen is deze groep goed vertegenwoordigd, maar in ons land is dit specialisme aan weinig soorten voorbehouden. Merendeels zijn dat blad- en levermossen en een enkele hogere plant, waaronder Eikvaren”.

Deze publicatie zette mij aan het denken. De afgelopen tijd zie ik regelmatig artikelen voorbij komen waarin gesproken wordt over de opkomst en het verschijnsel “epifytische planten”. Maar bij een aantal publicaties moet je na kritisch lezen tot de conclusie komen dat het niet gaat om epifytische planten maar terrestrische planten; planten die op/in een opeenhoping van een vaak karige, normale bodem in een boomholte groeien.

Om een plant epifytisch te mogen noemen moet er sprake zijn van vestiging op een andere plant of boom zonder dat er sprake is van parasiteren.

Het gaat bijna altijd om planten die worden aangetroffen op knotwilgen. Nog zeer recent kwam ik een lijst tegen van planten die op knotwilgen waren aangetroffen en als epifytisch werden benoemd. In de lijst kwamen meer dan twintig soorten voor waaronder: Kleefkruid, Fluitenkruid, Kruisbes, Robertskruid en Look zonder Look. Allemaal planten die niet bepaald bekend staan als planten die je op bomen aan kunt treffen. Het gaat mijns inziens in deze gevallen dan ook niet om epifyten, maar om terrestrische planten die door omstandigheden een groeiplek gevonden hebben op enige hoogte IN een boom en niet OP een boom.

Met name knotwilgen staan er om bekend dat er bij het ouder worden van de boom, door rotting, allerlei holtes in de boom kunnen ontstaan. Op een dergelijke plek verzamelt zich houtmolm, zand, bladresten en ingewaaide zaden. Er ontstaat dus een minihabitat bestaande uit humusrijk materiaal. Een dergelijke voedingsbodem is uiteraard een ideale vestigingsplaats voor een grote verscheidenheid aan planten. Maar volgens mij mag je dergelijke planten geen epifyten noemen. Om het oneerbiedig te zeggen: ze groeien in “plantenbakken” op hoogte.

Deze bijdrage aan “Stadsplanten – De urbane flora van Nederland” is tot stand gekomen in overleg met Ton Denters.

Speenkruid – Vijgen of aambeien?

Zolang als mijn interesse uitgaat naar de plantenwereld, de flora, de bloemen – of hoe je het maar wilt noemen – is er een plant die zolang als ik mij kan heugen, onverbrekelijk verbonden is aan de eerste voorjaarszonnestralen. En dat is Gewoon speenkruid. Als je de sneeuwklokjes en krokussen even vergeet en tot de tuinplanten rekent, scoort Speenkruid absoluut het allerhoogst. Zodra de winterse temperaturen verdwijnen en de eerste lentegevoelens ontwaken, verschijnen ineens de fel gekleurde bloemetjes van het Speenkruid. Als je niet beter weet denk je niet onmiddellijk aan een boterbloem. Toch behoren ze tot dezelfde familie: de Ranonkelfamilie.

Gemeenschappelijke kenmerken van de familie zijn niet zo duidelijk als bijvoorbeeld bij de kruisbloemige. Daar is het duidelijk: vier kroonbladen, vier kelkbladen, zes meeldraden waarvan vier lang en twee kort, vruchtbeginsel bovenstandig en een hauwvrucht. Bij de Ranonkelfamilie gaat het om een grote vormenrijkdom die vooral tot uiting komt bij de bouw van de verschillende bloemen. Tot de Ranonkelfamilie behoren soorten als Speenkruid, Akelei, Winterakoniet, Dotterbloem, Monnikskap, Ridderspoor, Anemoon, Clematis, Bosrank, Waterranonkel en de boterbloemsoorten. Als je puur naar de bloemen kijkt verwacht je niet dat al die soorten tot één familie behoren.

De bloemen van Gewoon speenkruid lijken niet op boterbloemen maar behoren wel tot dezelfde familie: de Ranonkelfamilie

Het herkennen van Gewoon speenkruid levert weinig problemen op. Om te beginnen heeft de plant weinig concurrenten op het moment dat zij begint te bloeien. Er zijn weinig andere planten die in dat jaargetijde op Gewoon speenkruid lijken. Klein- en Groot hoefblad bloeien al wel maar lijken in geen velden of wegen op Gewoon  speenkruid. Het is een laagblijvende plant die in alle opzichten als een bodembedekker kan worden aangeduid. Het vormt vele kleine pollen die gezamenlijk een tapijt vormen. De plant stelt daarbij niet al te hoge eisen aan de habitat. Gewoon speenkruid is vooral bekend van de bovenzijde van greppel- en slootranden maar komt ook voor op andere vochtige plekken waar voedselrijke, vochtige grond aanwezig is zoals loofbossen, langs rivieren, beekdalen en uiterwaarden.

Bovengronds vormt de plant glimmende, donkergroene, gesteelde bladeren met aan de voet een brede bladschede. De bloemen zijn helder, goudgeel en groeien aan een onvertakte bloemsteel. Onder de grond vormt de plant langwerpige knolletjes. Aan het einde van de bloei worden ook in de oksels van de bladeren knolletjes gevormd. Het komt zelden tot vruchtvorming. De voortplanting vindt vooral plaats door de gevormde knolletjes. Dat is anders dan bij de ondersoort Vreemd speenkruid die meestal wel goed ontwikkelde vruchten heeft maar waarbij de knolletjes in de oksels van de bladen ontbreken. Speenkruid sterft al snel na de bloei – eind mei – bovengronds af. Om te overleven teert de plant ondergronds tijdens de zomer, de herfst en de winter op de voedselvoorraad van de gevormde knolletjes.

De ondergrondse knolletjes lijken wel wat op speentjes maar er zijn meer verklaringen voor de naam “Speenkruid”.

Er zijn redelijk wat verklaringen van de naam speenkruid in omloop. Aambeien worden ook wel speen genoemd en speenkruid werd gebruikt bij de behandeling van aambeien. Een andere verklaring van de naam komt voort uit de vorm van de ondergrondse knolletjes die wel wat weg hebben van spenen. De bladeren bladeren van speenkruid zijn zeer rijk aan vitamine C. In het Duits wordt de plant daarom Scharbockkraut genoemd. Door het hoge vitaminegehalte was het een probaat middel tegen scheurbuik. De wetenschappelijke geslachtsnaam “Ficaria” is afkomstig van het Latijnse “Ficus” dat vijg betekent. Niet vreemd als je naar de vorm van de knolletjes kijkt. Wie het echt weet mag het zeggen.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Eikvarens op stadsbomen; een nieuw fenomeen!

Dat Eikvarens op bomen groeien is bekend, maar in steden werden ze zelden gezien. De laatste vijftien jaar waait er echter een nieuwe wind door de stad; Eikvarens hebben hun entree gemaakt op stadsbomen. Ze leven hier als epifyt.

Epifyten zijn planten die zich hechten aan andere plantensoorten zonder daar voedsel aan te onttrekken; ze gebruiken de ander alleen als groeiplaats. In veel gevallen is de waardplant een boom. Epifyten leven van de lucht, halen daaruit vocht en voedingsstoffen. In de tropen is deze groep goed vertegenwoordigd, maar in ons land is dit specialisme aan weinig soorten voorbehouden. Merendeels zijn dat blad- en levermossen en een enkele hogere plant, waaronder Eikvaren.

Het leven van een epifyt kent tal van kritische kanten. Dat start al bij de kieming. Veel mossen en ook eikvarens laten het bij te zure omstandigheden afweten; de ontkieming blijft dan uit. Door ‘zure regen’ met droge en natte neerslag (depositie) van zwaveldioxide ontstonden er in Nederland epifytenwoestijnen.

Epifytenwoestijnen in de jaren zestig.

Sinds de jaren tachtig tachtig is de uitstoot van zwaveldioxide flink verminderd en de terugkeer van epifyten in gang gezet, een proces wat nog altijd gaande is. Eikvarens zijn daar deel van. Deze varens profiteren daar bovenop van de toename van stikstof in de atmosfeer. Dat is een zorg van ons milieu, maar voor Eikvarens levert dit extra voedingsstoffen op. Ook de verhoogde luchtvochtigheid draagt bij aan het welzijn. Door meer neerslag en verdamping ,vooral in de warmste maanden, is de vochtigheidsgraad van de atmosfeer, met name in onze steden duidelijk hoger dan voorheen. Vocht brengt epifyten tot leven, nadat ze droge periodes hebben doorstaan. Bij Eikvarens is dat goed te zien. Na droogte staan de varens er dor bij, met opkrullend, bruin verkleurend blad. De planten lijken het einde nabij, maar dat is dan schijn; na regenval is het blad na korte tijd weer volledig gehydrateerd en frisgroen.

Valentijn te Hoopen heeft de aangroei van eikvaren op stadsbomen zien voltrekken. Al jaren maakt hij studie van dit verschijnsel. Hij traceert en analyseert: “Het moet in het voorjaar van 2004 zijn geweest dat mijn aandacht voor het eerst werd getrokken door een Eikvaren op een iep aan de Korte Prinsengracht in Amsterdam. Meestal is mijn blik omlaag gericht, speurend naar muurplanten. Nu en dan wordt mijn aandacht getrokken door een fietser, een auto, een meerkoet in het grachtenwater. Deze keer merkte ik een boomkruiper op, die langs de bast van de Iep zijn gang maakte op zoek naar iets eetbaars. Op dat moment ontwaarde ik mijn eerste Eikvaren, die daar hoog in de Iep zat. In de jaren die volgden, ontdekte ik steeds meer boombewonende Eikvarens. In 2010 startte ik een systematisch onderzoek. Ik fietste alle grachten in de binnenstad af, waarbij ik iedere boom bekeek, daarna ging ik de 20de-eeuwse wijken in.”

Eikvarens op bomen in de binnenstad van Amsterdam. De stand van zaken in 2017! Illustratie: Valentijn ten Hoopen

De rondgang langs bomen, 2500 in getal, is een terugkerende bezigheid. Ieder jaar levert dat meer bomen met eikvarens op, bij de start 124 stuks en oplopend tot 314 in 2017. De grachtengordel is hofleverancier, daarbuiten zijn ze veel minder te zien. Duidelijk is dat de leeftijd van bomen bepalend is; alleen bomen die voor 1965 zijn aangeplant zijn door hun omvang en meer gegroefde bast geschikt voor eikvarens. De oudere bomen leveren meer beschutting met een rijker mosdek waarin meer vocht- en voedingsstoffen neerslaan. Iepen blijken de perfecte boom, daarop huizen de meeste exemplaren maar ook Platanen en Schietwilg zijn geschikt.

Een bosplant in de stad

Geschiedenis lezen aan planten. Dat was de titel van een lezing op de FLORONdag in december 2017, door Piet Bremer. Nu houd ik best wel van geschiedenis èn van planten, dus was ik meteen geïnteresseerd. Bovendien deed de titel me onmiddellijk denken aan een gras in het centrum van Zoetermeer. Piet Bremer vertelde dat de flora in een gebied gerelateerd kan zijn aan gebeurtenissen uit het verleden. Bekend voorbeeld is natuurlijk de stinsenflora. Ik kijk niet gek op als ik sneeuwklokjes vind in het jonge Balijbos, net buiten Zoetermeer. Daar stonden vroeger boerderijen.

Midden in de stad, aan de ene kant de oude Dorpsstraat en aan de andere kant het nieuwe stadshart, staat aan de rand van een parkeerterrein, in het groen, een flinke hoeveelheid Reuzenzwenkgras (Festuca gigantea).

Als je denkt de grassen in Zoetermeer een beetje te kennen, kijk je heel raar op bij deze soort.

Reuzenzwenkgras is een behoorlijk fors gras, tot wel 1,5 m hoog, de bladschijven kunnen 50 cm lang zijn. Tijdens de bloei hangen de grote pluimen sterk over naar één kant. De glanzende bladeren draaien  een halve slag zodat halverwege het blad de onderkant juist de bovenkant wordt.

De bladschijf draait zich om zodat de onderkant boven komt.

Het is een bosplant die je in onze regio niet snel zult aantreffen.

De plek waar het Reuzenzwenkgras staat, heet in Zoetermeer: het Pastoorsbos. Het ‘bos’ ligt achter de katholieke kerk aan de Dorpsstraat, met een heel klein kerkhofje er aan vast. En dit gras is het bewijs dat hier al heel lang een bos is! Het leuke aan deze plek is dat de grond daar eeuwenoud is. Vanwege de bijzondere situatie is het veen hier nooit afgegraven, en is deze plek godzijdank ontsnapt aan de nieuwbouw. Dit soort plekken hebben we maar weinig in Zoetermeer, maar je vindt er de leukste planten.

Waar het Pastoorsbos ook helemaal vol mee stond: Sneeuwklokjes. Helaas moest het bosje vorig jaar worden ’aangepakt’, en is het inmiddels omgevormd tot een modern parkje. De Sneeuwklokjes zijn helaas flink in aantal achteruit gegaan. Hopelijk herstellen ze zich snel.

Tja, de plant waar het hier om gaat is dus eigenlijk helemaal geen stadsplant. Maar wel een leuke vondst in een historisch stukje van de stad. En zulke historische plekjes horen er toch ook bij?

De bloeiwijze.