Home » Archieven voor april 2018

Maand: april 2018

De stad staat vol pestomateriaal

Afgelopen week verzamelde ik wat planten voor de floracursus die ik dit jaar in Rotterdam  geef. Ik blijf daarvoor meestal dichtbij huis, daar is al voldoende variatie te vinden om de belangrijke families: zoals lipbloemen, kruisbloemen en planten uit de Anjerfamilie, met levend materiaal te kunnen illustreren. Als ik planten pluk wordt ik nogal eens aangesproken, zo ook deze keer. Negen van de tien keer wil degene die me aanspreekt dan weten of wat ik net geplukt heb eetbaar/gezond is, of ik op zoek ben naar eetbare planten.

Nou ben ik zelf niet zo’n actieve wildplukker, al kauw ik onderweg zeker wel eens op een blaadje Klaverzuring of een stengel Reukgras, ik geniet meer van het uiterlijk van de wilde planten dan van de smaak. Van heel veel planten heb ik dan ook geen idee of ze lekker zijn en/of gezond zijn. Maar, gelukkig zijn juist enkele van de in de stad algemeen voorkomende wilde planten prima eetbaar zodat ik meestal wel een voorbeeld kan aanwijzen waarvan ik zeker weet dat die soort prima eetbaar is zoals Brandnetel, Vogelmuur, Grote zandkool, ook wel aangeduid als wilde Rucola. Verder Smalle weegbree – in kleine hoeveelheden, want is wel bitter!- Veldzuring, Paardenbloem of Zevenblad.

Kleine veldkers (Cardamine hirsuta) doet het prima in een salade: licht peperig zoals veel kruisbloemigen. foto: Peter Hegi

Zo kon ik ook afgelopen week de dame die me aansprak wijzen op de Grote brandnetel en de Kleine veldkers. En daarna ook nog wat vertellen over het plezier van het zoeken naar wilde planten in het algemeen. Na afloop heb ik nog wel even opgezocht of Hondsdraf die ik in mijn hand had toen ze me aansprak ook goed verteer baar is. En ja hoor, ook Hondsdraf is met mate eetbaar: wat bloemetjes en blaadjes in de salade of soep; een andere website adviseert om er thee van te trekken.

Zo leer ik langzamerhand de eetbaarheid van de Wilde planten in mijn omgeving kennen en blijkt de hele stad vol te staan met materiaal voor pesto, soep, salade of kruidenthee. Het is leuk om daarmee nieuwsgierige buurtbewoners te kunnen prikkelen om met hongerige ogen naar het ‘onkruid’ tussen de stoeptegels en in de plantsoenen te kijken.

PS: Ze zeggen dat Japanse duizendknoop ook eetbaar is, dat gekookte jonge spruiten lijken op rabarber. Omdat ik van Rabarber houd en de Japanse duizendknoop langs ons achterpaadje graag kwijt wil heb ik het een keer geprobeerd; maar de stengels bleken al zo stevig te zijn dat het nauwelijks tot moes kookte en geen eetbaar resultaat opleverde. Blijkbaar moet je er nog eerder bij zijn, misschien komende week nog eens proberen.

Mislukte poging om van Japanse duizendknoop (Fallopia japonica) een moes te maken zoals gekookte rabarber. Waarschijnlijk zijn alleen de echt jonge scheuten eetbaar.

Stinkende gouwe – tegen wratten en oog- en galziekten

Stinkende gouwe is bepaald niet zeldzaam te noemen. Het is een plant die van verre al opvalt door de helder gele, bijna goudkleurige bloemen. De Nederlandse naam is eenvoudig te verklaren. De plant ruikt onaangenaam en “gouwe” is afkomstig van het woord “gouden” en duidt op de kleur van de bloemen en het oranje-gele sap van de plant. Het is ook terug te vinden in volksnamen als Gele Gou, Goude, Goudkruid, Goudwortel en Stjonkende Gouwe. Stinkende gouwe wordt ook wel Zwaluwenkruid of Wrattenkruid genoemd.

De naam “Zwaluwenkruid” is te verklaren uit de Latijnse naam Chelidonium. In het begin van de jaartelling leefde de Griekse arts Pedanius Dioscorides in Rome als chirurg in het leger van keizer Nero. Hij onderzocht in het hele keizerrijk planten die een geneeskundige werking hadden. Hij schreef een vijfdelige encyclopedie over kruidengeneeskunde. Stinkende gouwe werd door hem Chelidonion genoemd en dat betekent ‘Zwaluwenkruid’. De naam wordt verklaard doordat de bloeiperiode van Stinkende gouwe zou samenvallen met de aankomst in het voorjaar en het vertrek in het najaar van de zwaluwen. Ook zouden, volgens Dioscorides zwaluwen het sap van de plant gebruiken om hun blind geboren jongen de ogen te openen. Over de geneeskrachtige werking straks meer.

De plant behoort tot de Papaverfamilie maar lijkt totaal niet op andere papaverfamilieleden zoals de klaproos en de helmbloemen. De bladeren zijn aan de onderkant blauwgroen van kleur, diep veerdelig, bijna geveerd. De eindslip van elk blad is in drieën gespleten. De heldergele tot goudkleurige kroonbladen zijn in een kruis geplaatst waardoor je in eerste instantie denkt misschien met een kruisbloemige te maken te hebben. Maar al snel blijkt dat de specifieke kenmerken van de kruisbloemige zoals zes meeldraden waarvan 2 korte en 4 lange, uitzonderingen daar gelaten, niet aanwezig zijn. Er zijn wel tegen de 20 meeldraden aanwezig waarbij de helmdraden naar boven toe breder wordt. Bij de Stinkende gouwe kunnen ook gevulde bloemen voorkomen. Bij de meeste planten van de Stinkende gouw is sprake van een enkele krans bestaande uit vier kroonbladen. Bij gevulde bloemen is sprake van twee of meer kransen kroonbladen.

Stinkende gouwe met gevulde bloemen

De stengel is verspreid behaard en met het blote oog duidelijk zichtbaar afstaande haren.

De afstaande beharing op de stelen van Stinkende gouwe

De voortplanting kan bevorderd worden door mieren. Op het vruchtbeginsel zijn twee stempels aanwezig. De vrucht wordt wel een paar centimeter lang en bestaat uit twee kleppen. De vrucht lijkt daardoor op een hauw maar is dat niet omdat een tussenschot ontbreekt. De mieren zijn geïnteresseerd door een olierijk aanhangsel aan de zaden. Het zogenaamde mierenbroodje. Mieren zijn er verzot op en slepen de zaden mee hun nest in. Op die manier dragen ze bij aan de verspreiding van de soort.

We komen nog even terug op de toegeschreven geneeskrachtige eigenschappen van Stinkende gouwe. In de plant komen giftige alkaloïden, etherische oliën en saponine voor. De laatste stof wordt door de plant gebruikt als bescherming tegen insectenvraat en tegen schimmels en bacteriën. De giftige uitwerking van de  stoffen van de plant wordt omschreven als een morfinevergiftiging. Zijn grootste bekendheid, in de reeks medische toepassingen, is als middel tegen wratten. Als wratten gedurende enige tijd frequent aangestipt worden met het oranje-gele sap van de plant dan zouden wratten verdwijnen. In het verleden werd het sap van de Stinkende gouwe ook gebruikt bij oogkwalen, behandeling van geelzucht en andere galproblemen, tandbederf en overmatige lichaamsbeharing.

Kenmerkend voor Stinkende gouwe is het oranje-gele melksap

Stinkende gouwe groeit graag in een stedelijke omgeving, maar kan ook gevonden worden in loofbossen of op muren. De plant heeft een voorkeur voor vestiging onder struikgewassen en heggen. Door de heldergele bloemen en de lange bloeitijd is het ook een plant die graag in tuinen wordt toegepast.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Die witte dingetjes daar

Eind vorig jaar heb ik met het management van Shell Rijswijk afgesproken dat een deel van het grote grasveld voor hun  gebouw niet gemaaid gaat worden. We gaan dan eens kijken wat er zoal op gaat komen. In dit kader loop ik af en toe even langs om te kijken hoe de zaken er voor staan.

Pasgeleden liep ik er weer eens rond toen er een bewaker op me af kwam. Hij stelde me de gebruikelijk vraag wat ik aan het doen was. Dat viel nog niet mee om uit te leggen, vooral dat niet maaien was moeilijk te begrijpen voor hem. Ik dacht toen aan  de hand van de daar veel bloeiende Madeliefjes het één en ander uit te leggen. Ik wees hem op de bloemetjes en er verscheen een rimpel op zijn voorhoofd. “Oh, die witte dingetjes daar bedoel je!” Ik was even perplex. De meeste Nederlanders zijn opgegroeid met het Madeliefje. Deze meneer had een andere achtergrond en mogelijk ook weinig affiniteit met planten en bloemen.

Het Madeliefje (Bellis perennis) is misschien niet een echte stadsplant, toch zie ik haar in ieder geval het meest in een bebouwde omgeving. Op zich niet zo gek want het Madeliefje is een tredplant. Zij vindt het dus heerlijk als er over haar gelopen wordt en ook van maaien lijkt ze profijt te hebben. Toen ik nog in de heemtuin werkte was er een Parnassiaveldje met een graspaadje er om heen. Als dat gemaaid was en het onderscheid tussen graspad en veldje verdwenen was kon je nog steeds goed blijven zien hoe het graspad liep, er stonden daar heel veel Madeliefjes.

Het Madeliefje is een duidelijk voorbeeld van een composiet. Feitelijk is hier geen sprake van één bloem maar van een bloemhoofdje met witte, aan de rand soms rode, lintbloemen en gele buisbloemen.

rode randen
Soms met rood aan de randen

Het bloemhoofdje sluit zich als het donker wordt of als het regent. Het blad van het Madeliefje vind je als rozet op de grond, niet aan de stengel waaraan één bloemhoofdje zit. Veel mensen, ook beginnende floristen, kennen eigenlijk alleen het bloemhoofdje. Ze herkennen dan ook vaak het blad niet als de plant niet bloeit. Zo ging het tenminste bij mij ook.

blad
Het blad.

De latijnse naam, Bellis perennis, betekent mooie, overblijvende schoonheid. Dat klinkt mooi maar ik ben bang dat in de praktijk deze schoonheid door weinig floristen wordt bewonderd. Ook vraag ik me af hoeveel kinderen hun moeder nog een bosje verlepte madeliefjes geven of een krans ermee vlechten om in hun haar te doen. Eén troost is er voor ons Madeliefje, ze is weer nummer één geworden in de Eindejaars Plantenjacht 2017.

En je moet er toch niet aan denken dat er geen Madeliefjes meer groeien in die toch al saaie grasvelden om ons heen.

Verwilderde narcissen, we kunnen ze niet langer negeren

In Nederland komt slechts één inheemse Narcis voor, Wilde narcis (Narcissus pseudonarcissus subsp. pseudonarcissus). Deze is op enkele plekken in Zuid-Limburg, het zuiden van Drenthe en het noordoosten van Overijssel nog te vinden. Deze wilde vorm is behoorlijk lastig te onderscheiden van verwante cultuurvariëteiten. Door het oprukken van dergelijke cultivars en het mengen van wilde en niet-wilde populaties, wordt het steeds lastiger om Wilde narcis met zekerheid vast te stellen. Dit vraagt om bescherming van de wilde populaties, maar hoe interessant en belangrijk dit ook is, dat is niet de boodschap die ik wil overbrengen.

 

Verwilderde tuinplanten zijn in de meeste gevallen beperkt tot het stedelijk gebied en hebben weinig ecologische waarde voor de Nederlandse natuur. Voor Narcissen is dit echter al lang het geval niet meer. Narcissen zijn overal, in het stedelijk gebied  vind je ze op begraafplaatsen, stinsenplaatsen, tuinen en groenstroken. In natuurgebieden zie je de soort echter ook steeds vaker opdagen. Het is bijna knap om in het voorjaar een km-hok te inventariseren zonder een Narcis tegen te komen. Zo is ze aan te treffen langs slootkanten, in bosranden en langs paden in lichte bossen. In de meeste gevallen is de soort hier terecht gekomen door stort van tuinafval. Sommige soorten houden niet van gedumpt worden en gaan dood, andere soorten vinden dit prima en blijven nog jaren rondhangen. Rotsooievaarsbek is hier een perfect voorbeeld van. Narcis vindt het niet alleen prima om gedumpt te worden, maar kan vervolgens gigantische populaties gaan vormen. Inmiddels zijn Narcissen in dusdanige hoeveelheid verwilderd aan te treffen, dat we deze niet langer als een van de zoveel tuinplanten moeten zien, maar als een tuinplant die zeer sterk ingeburgerd is en mogelijk ook een grote ecologische rol kan spelen in de Nederlandse natuur.

 

Maar goed, dan komt het op naam brengen om de hoek kijken. Er zijn wereldwijd tussen de 66 en 85 soorten te vinden. Ga je hier echter het aantal cultivars bij op tellen, dan kom je al gauw op duizenden variëteiten! Gelukkig zijn de Engelsen ons voor en hebben een determinatiesleutel gemaakt van de in Engeland verwilderde cultivars. Schrik niet, in deze sleutel staan bijna 150 verschillende cultivars opgenomen. De determinatiesleutel is echter niet complex, je loopt er vrij gemakkelijk doorheen en komt al gauw uit bij het gewenste resultaat. Bovendien zijn de verwilderde cultivars in Nederland beperkt zijn tot een klein deel van deze 150 opgenomen taxa. Ten slotte zijn deze cultivars ingedeeld in 12 verschillende Divisions, waardoor je in enkele determinatiestappen al honderd mogelijkheden uitgesloten hebt.

 

Het lijkt mij enorm interessant om te kijken welke cultivars we nu het meeste aantreffen in de Nederlandse natuur. Lijkt jou dit ook een leuke uitdaging voor het voorjaar, dan kan dat nog tot ongeveer eind mei. Daarna eindigt de bloei voor de meeste Narcissen. Wil je ook een poging wagen, let dan vooral op kleur, vorm, lengte en breedte van de trompet en van de kroonbladen. Stel deze in het veld vast en verzamel eventueel een bloem, zodat je vervolgens thuis op je gemak uit kan sleutelen waar je mee te maken hebt.

 

Tussen Scilla en Chionodoxa

 Zo gevaarlijk als het varen tussen Scylla en Charybdis was het determineren van Scilla’s nog net niet, maar ik kreeg ze op Waarneming. nl  niet gevalideerd. Tot voor kort. Er blijkt door Leni Duistermaat en met aanvullingen van onze collega-auteur Niels Eimers in 2017 een zeer werkzame sleutel gemaakt te zijn. Zie daarvoor de soorttekst bij Scilla spec.  https://waarneming.nl/soort/info/196987.
Oosterse sterhyacint (Scilla siberica)
Opnieuw ben ik de stad ingetrokken en binnen anderhalve week heb ik vier van de vijf gangbare soorten Scilla gevonden. Die vier zijn gevalideerd. Allemaal nieuwe soorten voor de gemeente Breda.
Het onderscheid tussen de soorten blijkt niet zo moeilijk. Ook hier geldt: je gaat het pas zien als je het door hebt.
Om te beginnen moet je kijken of de bloemdekbladen vergroeid zijn of niet. Heukels heeft daar helemaal niet over. Daarna is van belang om te kijken of de bloemen rechtop staan of knikkend zijn. Tenslotte is van belang te letten op de aanwezigheid van wit aan de voet van de bloemdekbladen. Dat mag wel wat duidelijker in de sleutel.
kleine sneeuwroem (Scilla sardensis)
Verder wordt in de boven gemelde tekst ook gezegd dat er niet meer tussen Chionodoxa en Scilla heen weer gevaren hoeft te worden: alle soorten sneeuwroem worden tot het geslacht Scilla gerekend.
 De naam ‘scilla’ is uit het Grieks en afkomstig van een verwante plant en betekent ‘gevaarlijk’, ‘giftig’. ‘Chionodoxa’ is eveneens Grieks en komt van ‘chion’ = ‘sneeuw’ en ‘doxa’ = ‘roem’.
 Men heeft duidelijk de verkeerde keuze gemaakt met de geslachtsnaam.
Scilla luciliae , nog geen Nederlandse naam.
lichtblauwe sneeuwroem ?

‘Amelanders’ op straat

3kleinewittebloempjes
Drie van die kleine witte bloempjes op een rij.(vlnr. Kandelaartje, Kleine veldkers, Kandelaartje en Vroegeling)

Het voorjaar is de tijd van kleine witte bloempjes tussen de straatstenen welke je met een beetje geluk tegelijk kunt zien, zoals op de foto hierboven. Die kleine witte bloempjes zijn veelal Vroegeling, Kleine Veldkers, Zandraket en het Kandelaartje.  De links zijn bijdragen zoals eerder verschenen in deze blog.

Kandelaartjes roepen bij mij associaties op met de duinen, wat zeer logisch is als je kijkt naar het verspreidingskaartje. De naam Kandelaartje schijnt afkomstig te zijn van Ameland, waar het plantje vroeger talrijk was. De naam heeft betrekking op zowel groeiwijze als bladvorm (Nederlandse Oecologische Flora 1, 280). De wetenschappelijke naam Saxifraga tridactylites verwijst vooral naar de bladvorm die uit drie lobben bestaat: ‘tridactylites’ betekent ‘drievingerig’.

Kandelaartjes
Kandelaartjes

Kandelaartje is gebonden aan kalkrijke plaatsen en is naast de duinen te vinden op akkers en op open plekken in grasland op droge kalkhoudende grond, begraasde kalkgraslandhellingen, en op bovenkanten van oude stadsmuren, vooral in oude vestingsteden. Deventer heeft hier een daar nog een stukje muur, maar zonder kandelaartjes bij mijn weten. Die muren zijn erg arm aan muurflora, op wat muurvoeten na, met Klein glaskruid en Muurleeuwenbek. Er zijn echter behoorlijke wat plaatsen die voldoen aan de groeiplaats van Kandelaartje, te weten zonnige, open en stenige plaatsen met kalk in de bodem.
In Deventer zijn er bij mij weten zeker vier groeiplaatsen met redelijke aantallen, te weten op een industrieterrein, met mosvegetatie van Tortula spec., op twee plekken met basaltbestrating langs gebouwen, zie hieronder, en een, met betonstenen bestraat heuveltje bij een tankstation.

Een van de groeiplekken met tussen de basaltblokken mossen, Kandelaartjes en Vroegeling
Kandelaartje is geheel beklierd.

Kandelaartjes zijn niet heel erg groot (2-15 cm) en opvallend. Maar als er behoorlijke aantallen staan, valt vooral de rode kleur op. Zie de detaillfoto. Van dichtbij is te zien dat de hele plant is bedekt met klierharen zoals eveneens op de detailfoto goed is te zien.

Kijk eens goed naar stoepjes, bestraatte heuveltjes, o.a. verkeersheuveltjes, op warme droge plekken zoals zuidkanten van gebouwen waar niet al te veel betreding en ‘onderhoud’ is, en meld de Kandelaartjes op waarneming.nl want ze staan op de Rode Lijst Vaatplanten (2012) met de status ‘thans niet bedreigd’.

 

Het eten ligt op straat

Een aparte groep planten die je in de stad kunt onderkennen wordt gevormd door voedselgewassen. Als voorbeeld heb ik nu het meest Nederlandse volksvoedsel: de aardappel, gekozen, maar er zijn er veel meer in de stad aan te wijzen. Wie de leek wil interesseren voor stadsnatuur vormen deze ‘dwalingen’ een mooi aangrijppunt. Ze zijn vaak een wonderlijke brug tussen bord en asfalt. Zoals melk al lang niet meer uit de fabriek komt, maar van AH, weet de burger niet van de tomatenplant, de rucolaplant, de veldslaplant, de goudbesplant, noch van haver en gort.

Overigens was het de eerste Europeanen, die in Europa met de aardappel in aanraking kwamen, ook niet direct duidelijk dat de knol eetbaar was. De geschiedenis wil dat in het begin van de zeventiende eeuw de eerste aardappelknollen het Franse hof bereikten. De knollen werden in de grond gezet en enkele maanden later werd er een feestmaal gehouden, gemaakt van de groene vruchtjes. Alle disgenoten werden prompt ziek. Pas veel later zou de aardappel volksvoedsel worden in Noord-West Europa. Al met al zit er  300 jaar tussen ontdekking van de knol en acceptatie als voedsel, terwijl de Inca’s het gewas al honderden jaren aten.

voedselplant op straat

De plant komt oorspronkelijk uit de Andes. De wetenschappelijke naam is Solanum tuberosum. De geslachtsnaam ‘Solanum’ is afgeleid van het Latijnse ‘solari’ dat ‘troosten’ of ‘verzachten’ betekent; denk aan het Nederlandse woord ‘soelaas’. De soortaanduiding ‘tuberosum’ betekent ‘knol’.

Als solitaire plant in de stad is de bloem leuk, en opvallend afstekend tegen het donkere matte groen van de bladen.