Maand: juli 2018

Sorghum, Sorgo

Sommige grassen spreken qua naam al tot te verbeelding.  Sorgo.  Waar komt die naam vandaan?  C.A. Backer weet het niet.  Google ook niet, dus dan klopt dat.  In België en Nederland groeien er twee soorten. De één is een graangewas uit Afrika en heeft als officiële Nederlandse naam Kafferkoren (S. bicolor).  Ik ga die links laten liggen. De ander is een mysterieus overblijvende: Wilde sorgo. Dat mysterieus komt vanwege haar verspreiding. Ik ken het uit tuinen, langs snelwegen, op een dijkje, bij graantransport en recent van opgebrachte grond.  Hoe komt die plant daar?

Ik zette het in mijn eigen tuin omdat ik er een jonge plant van vond op opgebrachte grond te Genk die ik niet direct herkende.  Ik vermoed dat ik de enige ben met deze afwijking, dus in andermans tuinen is de oorsprong vast anders. Zou men het hebben gekocht? Of zit het stiekem tussen de mezenzaadjes?  De plant kan wel decoratief zijn, maar ik vermoed niet voor lang als ze flink gaat uitbreiden. In een tuincentrum zag ik hem nog nooit aangeboden.

Nu het zo droog is, is het de enige plant die vrolijk blijft in mijn tuin. Hij viel me ook al op op een inmiddels oude groeiplaats in de haven van Gent. Alles was vrijwel verdord, behalve de Wilde sorgo (Sorghum halepense).   Het is ook geen kleine plant en heeft relatief breed blad dus petje af voor deze droogteresistentie.  De plant moet ook nog even, want normaal komt ze pas in augustus en september in bloei.  In Gent was ze dit jaar begin juli al bezig.

Wat zoekwerk naar de plant leidt gedeeltelijk naar een antwoord op de vraag naar haar voorkomen. De plant komt oorspronkelijk uit het mediterrane gebied, maar is ook hier voornamelijk een onkruid die reageert op menselijke activiteit.  Ook daar staat ze in wegbermen en op omgewerkte plaatsen. Zo is ze dus, eenmaal aangevoerd, redelijk gemakkelijk ook in ander werelddelen gevestigd en zal ze ook niet zo maar weer verdwijnen.

De opmars van Bleek cypergras

Vorig jaar juni verschenen er in ons achterpaadje een heleboel groene rozetjes tussen de tegels. Ze waren me eerst niet opgevallen, maar toen ze wat groter werden kon ik er niet meer omheen: ik fietste een deel van de groene rozetten plat. Toen ze nog wat verder uitgroeiden realiseerde ik me dat het Bleek cypergras (Cyperus eragrostis) was.

Bleek cypergras in ons achterpaadje; eind juni zijn het sprieten van zo’n twintig centimeter maar nog geen bloeiwijze te zien. De bladeren vormen schijnstengels, dat wil zeggen dat alle bladeren direct bij de wortels beginnen en niet op een stengel zijn ingeplant. De bladloze stengel komt daarna uit die koker van bladeren (schijnstengel) tevoorschijn.
De bladeren van Bleek cypergras hebben mooi groen gestreepte bladvoeten met langs de rand brede vliezige randen.

Hoewel ik niet weet hoe de soort hier terecht is gekomen verbaasde het me niet echt dat deze soort hier opdook. De afgelopen twee jaar was ik hem al een paar keer in de stad tegen gekomen, zowel op plekjes met een vochtige bodem, als in een verwaarloosde voortuin die er voor een kwart mee was gevuld. Daarnaast was het me als FLORON-districtscoördinator opgevallen dat er sinds 2015 behoorlijk wat hokken waren bijgekomen waar deze soort niet eerder was gevonden, zowel binnen als buiten de stad. Het kaartje van de verspreidingsatlas laat goed zien hoe deze soort zich recent enorm heeft uitgebreid. Alle rode stippen zijn van 2015-2017 en een paar van 2018. In 2003-2013 werden er bij kilometerhokinventarisaties minder dan tien waarnemingen per jaar gedaan. In zowel 2016 als 2017 waren dat meer dan veertig waarnemingen per jaar.

Waarom de soort zo is toegenomen weet ik niet zeker; maar voor ons achterpaadje geldt wel dat de grond vochtig is en daar steeds vaker een tijdlang water blijft staan door het toegenomen aantal hoosbuien. Dat past bij zijn voorkeur voor vochtige grond die ‘s-winters onder water staat. Bleek cypergras heeft zijn natuurlijke verspreiding in de moerasgebieden van het westen en zuid-westen van de V.S. en delen van Zuid-Amerika.

De rozetjes zijn ook dit jaar in ons achterompaadje verschenen en in augustus zullen de bloeiwijzen wel weer voor een mooie vergroening zorgen. Want Bleek cypergras heeft een prachtige bloeiwijze die wat lijkt op die van Papyrus, en is daarmee een sieraaad voor ons achterpaadje. Ik hoop dat hij niet zo invasief blijkt te zijn dat ik een hekel aan hem krijg.

Bleek cypergras- Cyperus eragrostis

bronnen: FLORON nieuws nummer 9 (dec 2008) en Verspreidingsatlas.

Plant(en)namen

 

Tijdens een van die vele KNNV-excursies met de plantenwerkgroep wist iemand bij veel planten leuke anekdotes te vertellen. Soms religieus soms mythologisch maar altijd om de naam van een plant te verklaren.

Een nieuwe interesse was geboren. Want hoe zit dat nu met die naamgeving. Waarom heet een plant zo als hij heet en waarom die dubbele wetenschappelijke naamgeving. Daarvoor moet je terug in de tijd. Carl Linnaeus (1707-1778) bedacht een systeem waarin hij de natuur in drie rijken verdeelde: stenen-, planten- en dierenrijk. Daarna deelde hij deze rijken in klassen, ordes, geslachten en soorten. Er ontstonden wetenschappelijke namen. Elke botanicus of plantenliefhebber heeft hier nu nog profijt van.

Het probleem was namelijk dat veel planten per regio/streek een andere naam hadden. Denk maar aan bijv. Pispotje, Heelblaadjes of Heksenkruid etc. Welke soort werd dan bedoeld: Haagwinde, Akkerwinde, een willekeurige medicinale plant? Carl Linnaeus bracht structuur in deze onoverzichtelijke situatie. Bijvoorbeeld de Haagwinde kreeg twee namen. Een geslachtsnaam Convolvulus en een soortnaam sepium. Een duidelijke naam voor iedereen in Nederland en…….in de rest van de wereld. Als Nederlandse naam werd de meest gebruikte naam toegepast.

Nu komt het thema van deze site, Stadsplanten, om de hoek kijken. Tijdens mijn werk als postbode ben ik het gehele jaar buiten en zie in mijn stadsdeel de plantengroei in elk seizoen. Wat mij o.a. opviel was een plant die in sommige delen van het land niet zo vaak te zien is maar waar je hier in Gouda bijna over struikelt, de Grote ratelaar (Rhinanthus angustifolius).

De verklaring voor de Nederlandse naam is als volgt. Groot omdat er ook een minder vaak voorkomende Kleine ratelaar bestaat en als de zaden van deze plant rijp zijn rammelen ze in hun opgedroogde zaaddoos als een soort ratelaar. Al heel leuk om te weten. Maar de wetenschappelijke naam zegt weer iets heet anders over deze plant. “Rinanthus” is afgeleid van rhinos (Grieks) en betekent “neus”, en ‘Anthos’ (Grieks) dat “bloem” betekent. Dit omdat de bovenlip van de bloem neusvormig is. “Angustifolius” komt van “angustus” (Latijn) en betekent “smal”, en van “folia” (Latijn) en betekent “blad”, verwijzend naar de lancetvormige bladeren. Dus twee verklaringen voor een dezelfde plant die helpen deze soort beter te duiden. Nu geldt dit niet voor elke soort. Soms is de Nederlandse naam hetzelfde als de wetenschappelijke naam. Maar vaak niet.

De zaaddozen van de Grote Ratelaar
  • Ook in andere landen hebben planten vaak weer een andere naam. Het is niet,  zoals Louis van Gaal doet, dat je de Nederlandse naam letterlijk  kan vertalen in elke willekeurige taal. Soms wel maar vaak niet. Een goed voorbeeld is Muurleeuwenbek (Cymbalaria muralis/ Linaria cymbalaria). Een soort die ik tegenwoordig bijna overal tegen kom en dus niet meer alleen op kademuren e.d.. De Noorse naam voor deze plant is Torksemunn. “Torskemunn” betekent “kabeljouwmond”. Kennelijk vinden de Noren een vis beter passen bij het uiterlijk van deze bloem dan een leeuw: de Nederlandse naam voor Muurleeuwenbek of een pad: de Engelse naam.
Muurleeuwenbek (Cymbalaria muralis/ Linaria cymbalaria)

Zo heb ik tijdens mijn zoektocht naar naam verklaringen heel veel geleerd. Al deze en vele honderden andere zijn te vinden op mijn website  www.plantennamen.info Ik heb lang niet elke wetenschappelijke of soortnaam kunnen achterhalen. Er staan nog veel vragen open. Maar dat is het leuke! 

Rolling Stones?

Stel je voor: je hebt een leuk huis, mooie tuin ervoor met een leuk oud muurtje daar om heen. Op dat muurtje groeien wat plantjes en dat vind je best leuk. Als je lekker aan het werk bent in de tuin komt er een florist langs die tegen je zegt: wat een mooie Steenbreekvaren heeft u daar op uw muurtje staan. Dan schrik je je toch een hoedje. Steenbreekvaren! Je ziet je mooie muurtje al volledig instorten …

Nu weten wij floristen wel dat dat zo’n vaart niet zal lopen. De tere wortels van de Steenbreekvaren (Asplenium trichomanes) maken gebruik van de reeds bestaande verwering van de muur en hebben in de verste verte niet de kracht om die muur te beschadigen. Maar hoe komt die varen dan aan die naam?

Volgens de website Stadsplanten van Breda heeft de naam te maken met het feit dat deze varen vaak in scheuren van de muur groeit. Een weinig spectaculaire verklaring dus. Als dat zo is dan zijn eigenlijk al die muurvarens steenbreekvarens.
Veel buitenlandse namen van deze varen hebben het woord “haar” in de naam: Maagdenhaar, English maidenhair of trichomanes, Duitse Jungfrauenhaar, Frans capillaire en trichomane. Die naam heeft het te danken aan de vele zwart glanzende steeltjes als fijne haartjes.

De Steenbreekvaren is vrij gemakkelijk te herkennen. De varen heeft vrij lange smalle bladeren met veel kleine helder lichtgroene deelblaadjes. Hij blijft ’s winters groen en heeft in de zomer rijpe sporen die zich in langwerpige hoopjes in strepen onder de deelblaadjes bevinden.

Floristen zouden geen floristen zijn als ze niet enkele ondersoorten zouden vinden. Zo groeit er in ons land ook de IJle steenbreekvaren (Asplenium trichomanes subsp. trichomanes). Zonder hier verder op in te gaan kan je er van uit gaan dat de plant een ijlere indruk maakt, de deelblaadjes staan wat verder van elkaar af. Voor de volledigheid, de Gewone steenbreekvaren heet in het Latijn Asplenium trichomanes subsp. quadrivalens. Maar dat mag je van mij best in je pet gooien. Ga eerst maar eens genieten van die prachtige, subtiele Steenbreekvarens die onze muren verlevendigen.

Steenbreekvarens op een kademuur.

Waar vind je ze? Steenbreekvarens groeien op vochtige muren en rotsen. Je vindt ze dus op kademuren maar ook op oude tuinmuurtjes en zelfs in brandgangen op stenen tuinhuisjes. De varen kan echter ook op de grond groeien en soms op zelfs op boomstronken. Dat vind ik geen echte Steenbreekvarens.  Dat zijn gewoon mietjes. De echte Steenbreekvaren staat natuurlijk met zijn wortels in de mortel.

Dat is pas schraal

Begin mei verscheen vanuit Rutger Barendse een bericht over hooiland in de stad. Samengevat komt het er op neer dat wanneer grasstroken in de stad niet bemest worden, met enige regelmaat gemaaid worden en het maaisel afgevoerd wordt, dat je dan toch wel behoorlijk bloemrijke graslanden creëert. Wanneer je te weinig maait, domineren grassen en ruigtesoorten en winnen deze de competitie van de bloemrijke soorten. Wanneer je te veel maait, komen de bloemrijke soorten niet tot vruchtzetting en zullen uiteindelijk verdwijnen. Maar het kan nóg extremer en deze maal leidt dat niet tot verder verlies van soorten, maar juist weer voor een toename!

Rondom het terrein van de Radboud Universiteit wordt krankzinnig vaak gemaaid. Jaar in jaar uit komt de grasmaaier voorbij, talloze keren per jaar. Maaisel wordt afgevoerd en elk jaar wordt het gazon schraler en schraler. Op een gegeven moment kom je bij het punt dat de bodem dusdanig verschraald is dat het gras niet snel meer groeit. Dit betekent dat de grasmaaier minder vaak langs hoeft te komen en dat betekent dat bloemrijke soorten weer de kans krijgen om hun zaadzetting te voltooien. Het zijn echter deze keer geen Madeliefjes en Pinksterbloemen die het gazon van leven voorzien, maar schraalland soorten als Hazenpootje, Zilverhaver, Muurpeper, Muizenoor en Klein vogelpootje. Vorige week trof ik een prachtige nieuwkomer op het terrein. Langs het fietspad stonden een 20 tal exemplaren van Grijs havikskruid in bloei. Helaas hebben maar enkele planten hun zaadzetting voltooid, want twee dagen later kwam de grasmaaier weer langs om mijn nieuwe ontdekking te onthoofden. Gelukkig is de plant meerjarig en zal dus niet zonder slag of stoot weer verdwijnen. Andere leuke schraalland soorten op het terrein zijn Lathyruswikke, Torenkruid en Duits viltkruid. Ik heb mij verteld gekregen dat hier enkele jaren geleden ook Gestreepte klaver heeft gestaan, maar die heb ik niet meer terug kunnen vinden. Die zal de strijd met de grasmaaier verloren hebben.

Grijs havikskruid

Deze prachtige graslanden zijn een feest voor het oog en voor de insecten, maar niet voor het visitekaartje van de universiteit. Om de zoveel jaar wordt het gazon te droog, geel en kaal bevonden door degenen die de grasmaaier op pad sturen. Dan wordt er voedselrijke grond opgebracht, nog eens bijgemest en nieuw graszaad gestrooid. En waarom? Zodat de grasmaaier weer vaker op bezoek mag komen!

Duits viltkruid met Zilverhaver
Hazenpootje