Maand: oktober 2018

Krossknapp

We zullen er met z’n allen weer een paar maanden op moeten wachten. Want pas in april gaat Hondsdraf weer bloeien. En dan mag april niet te koud zijn. Als de lente al lang en breed is begonnen is dit plantje weer te zien. Bij de eerste keer denk je: “Wat is dat nou?” en dan: “oh ja, Hondsdraf”. Pas in mei is het hoogtepunt van bloei van Hondsdraf. Volgens de verspreidingsatlas van Floron wordt Hondsdraf overal waargenomen, maar in de praktijk zie ik hem het meest langs de waterkant. Behalve dat ik het persoonlijk een erg mooi plantje vind, was het eerste dat mij opviel de naam. Zowel de Nederlandse als de wetenschappelijke naam zijn het bespreken waard. Ook de Noorse/Deense naam is zeer leuk, maar daarover straks meer.

Er zijn minstens twee verklaringen voor de naam Hondsdraf:

  1. In de middeleeuwen heette deze plant “wondrav”. Dit werd later wondrank. De plant was vroeger een handzaam middel om wonden mee te behandelen en het hielp tegen zweren, jeuken en zwellingen. Ook komt de naam van het Gotische woord gunderaba dat ook weer wondrank betekent.
  2. Een andere verklaring is dat de plant zijn naam dankt aan het feit dat deze na de bloei, d.m.v. bovengrondse stengeluitlopers, snel een groot oppervlak kan innemen. Deze woekerende eigenschap zou “honds” genoemd kunnen worden.

Honden waren, in tegenstelling tot nu, vroeger niet veel waard. Een plant die niet nuttig was, kreeg al snel het predikaat “honds”opgespeld. Denk maar aan Hondspeterselie of Hondsviooltje. De wetenschappelijke naam is Glechoma hederacae. Met name het woord Hederacae is interessant. Dit betekent “klimop”. Dit vanwege de gelijkenis van sommige stengelbladeren met die van Klimop (Hedera helix). Ook heel veel planten hebben het woord Klimop in zich. Denk maar aan Klimopereprijs, Klimopbremraap, etc.

Het kruis is duidelijk te zien

Nu de meest interessante naam, Krossknapp (Kruisknop). Dit is de Noors/Deense naam. Eerst dacht ik “wat moet ik daar nu mee!”. Maar als je volgroeide exemplaren beter bekijkt. Van heel dichtbij, en een beetje op z’n kop, snap je het. Het uiteinde van het vruchtbeginsel is kruisvormig. Dus u weet wat u te doen staat komend voorjaar!

 

Muurfijnstraal – het madeliefje van een rotsige ondergrond

Een blik op de bloemen van Muurfijnstraal (Erigeron karvinskianus) en het is overduidelijk dat we te maken hebben met een composiet. Een hart van heldergele buisbloemen, omringd met een krans van witte of lichtpaarse lintbloemen. De plant is oorspronkelijk afkomstig uit Mexico, kwam als tuinplant naar Europa en ontsnapte, zoals zoveel tuinplanten, naar de wereld buiten de tuin. In het bos, in wegbermen of akkers zal je hem niet vinden. In de naam Muurfijnstraal staat niet voor niets het woord “muur”. De plant houdt van een stenige ondergrond. Dat kunnen rotspartijen zijn, bestaande uit zwerfkeien, tussen straatstenen maar vooral op oude muren. Die rotsige ondergrond is overigens geen vereiste. In een border met goed doorlatende grond gedijt de plant ook uitstekend.

Muurfijnstraal houdt niet alleen van een stenige ondergrond maar ook van vocht. De plant kan daarom tot dicht op de waterlijn gevonden worden.

We kennen in Nederland verschillende plantensoorten die we fijnstraal noemen: Canadese fijnstraal, Hoge fijnstraal, Gevlamde fijnstraal, Ruige fijnstraal, Scherpe fijnstraal, Muurfijnstraal en Zomerfijnstraal. Je zou denken dat al deze soorten tot het zelfde geslacht behoren maar dat is niet waar. Het zijn allemaal composieten die zowel buisbloemen als lintbloemen hebben. De aanduiding fijnstraal heeft betrekking op de breedte van de lintbloemen. Deze vrouwelijke straalbloemen (lintbloemen) zijn hoogstens een millimeter breed en veel smaller dan lintbloemen van andere composieten. Dat Muurfijnstraal in een ander geslacht is ingedeeld (Erigeron) dan de Canadese-, de Hoge-, de Ruige- en de Gevlamde fijnstraal (Conyza) komt doordat er verschillen zijn in de lengte van de plaat van de lintbloemen en de verhouding tussen het aantal lintbloemen in vergelijking met de buisbloemen. Bij Erigeron is de plaat van de buisbloemen 2-10 mm lang en zijn er meer centrale buisbloemen dan lintbloemen. Bij Conyza is de plaat van de lintbloemen hoogstens 1 mm en zijn de lintbloemen talrijker dan de centrale buisbloemen.

Om tot de fijnstralen te kunnen moet de breedte van de lintbloemen beduidend minder breed zijn dan die van van andere composieten.

De plant heeft drie methoden om zich voort te planten. De meest voor de hand liggende methode is uiteraard de vorming en verspreiding van zaden. De tweede methode via de wortelstok is ook veel voorkomend. De derde methode heeft te maken met de stengels die vaak deels op de grond liggen om daarna op te stijgen. De op de ondergrond liggende stengels wortelen gemakkelijk en leiden op die manier tot de vorming van een nieuwe, zelfstandige plant. De eerste meldingen in Nederland van verwilderde Muurfijnstraal dateren uit eind negentiger jaren van de vorige eeuw. Nu is de plant bepaald geen zeldzaamheid meer. Vooral op oude muren en grachtenmuren wordt de plant steeds vaker gevonden.

De bloemen van Muurfijnstraal kunnen in kleur variëren van helder wit tot paars/roze.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde

groen is gras….

Groen is gras, groen is gras, onder mijne voeten……. zo ging een kinderliedje vroeger. De zomer van 2018 was het gras niet meer zo groen. Zelfs bij de buren niet. Gelukkig staat er in een grasveld meestal heel wat meer dan alleen gras. Ik durf bijna niet te bekennen dat ik in een grijs verleden, ik kan het me ook bijna niet meer voorstellen, wel eens een onkruidverdelger over ons nieuwe gazonnetje heb gesproeid. Daar had ik al snel spijt van. In de jaren daarna heb ik getracht het weer goed te maken: ik zaaide Madeliefjes, strooide stukjes Draadereprijs; Paardenbloemen en Weegbree kwamen vanzelf. Wat ik ook nog wel zou willen hebben is het Klein kaasjeskruid (Malva neglecta).

Op een grasveldje bij mij in de buurt, zag ik tot mijn genoegen dat het Klein kaasjeskruid zich dit jaar flink aan het uitbreiden was, misschien bij gebrek aan gras. Het probeert nu de stoep ook te veroveren.

Klein kaasjeskruid is een kruiper.

Klein kaasjeskruid is de kruiper onder de kaasjeskruiden. De stengels liggen plat op de grond, soms stijgen ze wat op. Zijn naaste familieleden zijn een stuk hoger opgaande planten, met grotere en meestal ook meer gekleurde bloemen. Malva neglecta houdt het bij licht gekleurde bloemen, bloeiend in de zomer/herfst.
De naam kaasjeskruid is te begrijpen als je naar de vruchtjes kijkt, die op kleine ronde kaasjes lijken. De zaden liggen daar prachtig strak tegen elkaar in een cirkel.

Het ‘kaasje’ bestaat uit een cirkel zaden.

De bladeren van het Klein kaasjeskruid zijn niet zo ver ingesneden als die van de andere kaasjeskruidsoorten, maar gelobd.

Het grasveldje is een plek waar het Klein kaasjeskruid zich thuis voelt, vooral langs de randen en in de hoeken, waar het wordt bemest en bevochtigd door de honden. Als de grasmat beschadigd is ziet de plant zijn kans schoon, zoals deze zomer dus.

Oorspronkelijk uit zuidelijker streken komend, heeft dit kaasjeskruid het best naar zijn zin in Nederland. In Zoetermeer is het geen plant waar je over struikelt, maar in de loop der jaren is hij in bijna elk kilometerhok wel gestreept.

Nu maar eens wat zaad in mijn tuin strooien!

 

Palmlelie

Vaak zijn nieuwe stadsplanten onopvallend. Dat kan niet worden gezegd van de palmlelie (Yucca gloriosa). In oktober 2018 staat de plant hier volop te bloeien. Het zou kunnen dat dit aan de warme zomer ligt, maar een paar jaar geleden bloeide dezelfde plant half mei. Op internet geeft de ene kweker als bloeitijd juli en augustus aan, de andere september en oktober. Kortom, de palmlelie trekt zich niet veel aan van door ons bedachte tijdstippen.

roomwit en appelrood

De palmlelie komt uit het Zuidoosten van de Verenigde Staten, en is inmiddels ingeburgerd in Frankrijk, Italië, Turkije en in België in de duinen. De plant kan zich niet geslachtelijk voortplanten door het ontbreken van de yuccamot hier. Toch kan hij hele haarden vormen in de duinen van o.a Belgie. Filip Verloove schrijft: ‘Een veel voorkomende tuinplant, die in toenemende mate wordt gezien als een tuinuitwerping in ruderale gebieden of op stortplaatsen. Min of meer duidelijk te onderscheiden populaties zijn vanaf 2001 vanaf een aantal locaties in kustduinen bekend, vaak in of nabij natuurgebieden (bijvoorbeeld Houtsaegherduinen tussen De Panne en Sint-Idesbald, Fonteintjes tussen Blankenberge en Zeebrugge, Ter Yde in Oostduinkerke, etc.)’. http://alienplantsbelgium.be/content/yucca

Deze plant heeft een dubbelganger: de Yucca flaccida die sprekend lijkt op de Yucca gloriosa. Toch zijn de twee makkelijk uit elkaar te houden: de bladeren van de Y. gloriosa zijn kaal en stijf. Die van de Y. flaccida hebben dunne, lange draden en de bladen zijn slapper.

blad stijf en kaal

Ook deze soort verwildert, maar minder vaak.

De geslachtsnaam ´Yucca´ is de Spaanse en van oorsprong West-Indische, indiaanse naam voor cassave of maniok. Linnaeus heeft per vergissing de verkeerde naam aan deze plant gegeven. De soortaanduiding ‘gloriosa’ betekent ‘stralend’. ‘Flaccida’ betekent ‘slap’ en heeft betrekking op de bladen die slapper zijn dan die van Yucca gloriosa.

 

Doornappel

Het is al even geleden dat ik een krantenbericht las over Doornappel (Datura stramonium).  Mensen kennen de vrij algemene  plant ondertussen ook wel en weten ook wat van zijn giftigheid. Toch was het niet zo lang geleden dat er verontrustende berichten te lezen waren over zeldzame Mexicaanse gifplanten die zomaar waren opgedoken in de tuin van een onschuldige burger. Ook zijn de ziekenhuisopnames van mensen, voornamelijk jongeren, die met Doornappel een ‘trip’ probeerden te maken, ofwel niet meer nieuwswaardig, ofwel  tot nul gereduceerd.  Het nieuws gaat mogelijk ook snel de ronde dat de plant hiervoor ook niet geschikt is.  De plant is gewoon verdomd giftig en onberekenbaar.

Doornappel heeft grote gedoornde zaaddozen met talrijke grote zwarte zaden

Doornappel komt oorspronkelijk niet voor in Europa, maar werd uit Amerika ernaartoe gebracht, aanvankelijk expres, en kon zich gemakkelijk uitbreiden. In de grote zaaddozen zitten talrijke grote zwarte zaden die lang kiemkrachtig blijven.

In een dichte grasmat ontkiemen Doornappels moeilijker

Doornappel staat voornamelijk op verstoorde grond, bijvoorbeeld in opgebrachte grond in tuinen, langs wegen met nieuwe bermen en in bredere zin op allerlei braakliggende gronden. De zaden vallen op de grond uit de langzaam opengaande vruchten en kunnen bij hernieuwde omwerking van de grond (en verplaatsing!), ook dus pas jaren later, vervolgens ontkiemen. In een dichte grasmat gaat dit moeilijker.

Een ongestekelde forma van Doornappel.

De naam van de plant komt van de stekelige vruchten. Die zijn nagenoeg rond en met dikke stekels bezet. Ze lijken wel wat op de bolsters van Paardenkastanje. De bloemen zijn meestal wit, trechtervormig en vaak wel 10 cm lang.  De planten bloeien voornamelijk ’s nachts. Vandaar dat je overdag vaak alleen maar verwelkte bloemen aantreft.  Er zit wel wat variatie in de uiterlijke kenmerken van de plant. Zo heb je planten die paarsig-roze bloeien genaamd var. tatula. Bij zowel de witbloeiende (var. stramonium) als de paarsige variatie kunnen de vruchten ongestekeld zijn.  Dit zijn de forma’s inermis.  Zo heeft een ongestekelde paarsig bloeiende Doornappel de volgende lange naam: Datura stramonium var. tatula f. inermis.

Datura ferox, een andere soort doornappel, heeft nog grotere stekels op de vruchten

Er zijn een aantal andere soorten Datura, Doornappels, die nog geen vaste voet aan wal hebben gezet in Nederland en België.  De ene soort onderscheidt zich voornamelijk door nog grotere stekels op de vruchten.  Het is Datura ferox.  Het is een adventief die mogelijk alleen voorkomt door verwildering uit vervuild geïmporteerd vogelzaad.

Door de geknikte vruchtsteel hangt de vrucht naar beneden bij Datura innoxia.

De andere soort onderscheidt zich voornamelijk door de geknikte vruchtsteel.  Die heet Datura innoxia. Mogelijk komt ook de gelijkende Datura wrightii nog voor. Die onderscheidt zich van de geknikte innoxia door aanliggende klierloze haren. Altijd dus even de loep bovenhalen bij Datura innoxi. En daarna natuurlijk heel goed je handen wassen.

Bleekgele droogbloem

Eigenlijk is dit een reactie op een vorige publicist. Ik woon en werk in een zogenaamde vinexwijk. Ook hier zijn veel half-leegstaande bedrijfsgebouwen. Bij een van die gebouwen staat ons Postnldepot om de post voor deze wijk op te slaan. Als postbode zie ik dus veel stadsplanten. Laat nou naast dit depot de Bleekgele droogbloem (Gnaphalium luteoalbum) bloeien. Wel ongeveer 30 exemplaren. Volgens de vele beschrijvingen is dit plantje een echte pionierssoort die ook nog eens op natte en kalkrijke bodem groeit. Niks van dat dus. Joke de Ridder schreef dit in september 2017 ook al op deze site.

Wat eigenlijk jammer is dat veel mensen de Bleekgele droogbloem niet zien. Vaak zien ze alleen een “uitgebloeide” bloem. En omdat deze op een bedrijventerrein staat moet hij zo snel mogelijk weg om toekomstige bezoekers een opgeruimde frisse blik te geven. Jammer want oh, oh wat is hij mooi van dichtbij. En wat een mooie bladeren met lange haren heeft dit plantje. Eigenlijk gewoon laten staan. Want als je de schoonheid van die details ziet ben je pas echt goed bezig als ondernemer.

Het mooie harige blad

Uiteraard heb ik ook gekeken naar de namen. De naam Bleekgele droogbloem behoeft natuurlijk geen uitleg. De wetenschappelijke naam Gnaphalium is des te bijzonderder. Zo vaak komt de lettercombinatie GN niet voor. “Gnaphalium” is afgeleid van het Oudgriekse γνάφαλον, Gnaphalon, dat “wolstreng” betekent. Dit verwijst naar het harige karakter van de plant o.a. de stengelbladeren. “Luteo”komt van het Latijnse luteum. Dit betekent “geel”. Album is ook Latijn en betekent “wit”. Dus een witviltige plant met gele “bloemen”. De Engels naam is Jersey Cudweed. Hiervoor heb ik nog geen verklaring. Wie het weet mag het zeggen.

Adelaarsvaren – een bijzondere overlevingsstrategie

Iemand zei ooit tegen mij: “Als je mij een Adelaarsvaren kunt tonen die sporen draagt krijg je van mij een mooie fles wijn!” U begrijpt het. De afgelopen jaren heb ik eindeloos veel blaadjes van de Adelaarsvaren omgedraaid in de hoop sporen te vinden. Tot vorige week was dat zonder resultaat. Tot vorige week! Erik Eliveld, waarmee ik samen binnen de werkgroep varens van de KNNV Amersfoort e.o., varenonderzoek doe, belde mij op en zei dat hij op een heideveld in Den Treek Adelaarsvarens had gevonden met sporen. Nog die zelfde middag zijn we er samen heen gegaan. En ja! Ik kon mijn ogen niet geloven. Adelaarsvarens met sporen. Wij zijn direct doorgereden naar een paar plekken waar ook de Adelaarsvaren rijkelijk aanwezig is en ook daar vonden wij planten met sporen. Navraag bij Naturalis leerde dat er uit meer plaatsen in Nederland meldingen komen van adelaarsvarens met sporenvorming. Hoe kan dat verklaard worden: jaren, jaren lang niets en nu ineens op diverse vindplaatsen rijkelijk aanwezig en op veel verschillende planten.

De sporenhoopjes liggen onder de omgekrulde bladrand van de Adelaarsvaren

In het Duitse boek “Die farn – und blütenpflanzen Baden – Wütenbergs” uitgegeven in 1993 wordt verwezen naar een wetenschappelijke publicatie “Kirchner und Eichler, 1882: pag 336” waarin staat: “Sporen werden nur “in guten Weinjahren ausgebilded”. De kans op sporenvorming bij adelaarsvarens is dus groot in goede wijnjaren. Belangrijk hierbij is het antwoord op de vraag of het weer van invloed is op de groei van de druiven en de kwaliteit van de wijn. Het antwoord daarop moet wel “ja” zijn. Zou dus het natte voorjaar, de extreem warme zomer en daarna weer een periode met voldoende vocht de oorzaak kunnen zijn? En is dit jaar inderdaad sprake van weersomstandigheden die kunnen leiden tot een bijzonder goed Nederlands wijnjaar.

Vruchtbare bladeren met sporen zijn te herkennen aan de omgekrulde bladrand

Er is een tweede theorie die ook zou kunnen verklaren waarom er dit jaar zoveel sporenvorming bij adelaarsvarens plaatsvindt. Die gaat uit van de gedachte dat planten onder invloed van extreme weersomstandigheden, in dit geval langdurige droogte, hoge temperaturen en gebrek aan vocht, een aantal beschermende maatregelen nemen. Eén daarvan is het laten vallen van de bladeren en alle aandacht te richten op het behoud van het wortelstelsel. Planten raken onder extreme omstandigheden gestrest en richten zich op het voortbestaan. In ieder geval het in leven houden van het wortelstelsel. Als er betere tijden aanbreken, doorat er weer vocht beschikbaar komt, richt de “aandacht van de plant” zich vooral op het zeker stellen van nageslacht. Zorgen dat de soort in stand blijft en er sprake is van opvolging. Dat gebeurt in dit geval bij de adelaarsvaren door de vorming van sporen. Bij andere planten door overmatige vruchtzetting.

Een paar maanden geleden spraken jachtopzieners op de Hoge Veluwe de vrees uit dat de wilde zwijnen een moeilijke winter tegemoet zouden gaan omdat door de extreme droogte de eiken en beuken te kleine of te weinig vruchten vormden. En zie wat er gebeurde: de regens kwamen en de productie van eikels en beukennootjes is momenteel massaal!

Onvruchtbare bladeren zijn te herkennen door de vlakke deelblaadjes. De randen zijn niet omgekruld.

Een bijdrage aan deze website kan natuurlijk niet bestaan zonder meer informatie te geven over de plant waar we het over hebben. De adelaarsvarenfamilie kent in Nederland slechts één soort. Namelijk de Adelaarsvaren. Wereldwijd zijn er ongeveer honderd vertegenwoordigers van de familie. Zij groeien op één uitzondering na allemaal in de tropen. De enige uitzondering is de Adelaarsvaren die wij kennen en die in heel Europa voorkomt.

Kenmerkend voor de plant is dat alle bladeren, op enige afstand van elkaar, ontspringen uit een uitgebreid ondergronds wortelstelsel. De bladeren vormen dus geen pol of stoel waarbij alle bladeren vanuit één centraal punt groeien. Elke bladsteel staat op “enige afstand” van de andere bladstelen.

Alle bladeren van de Adelaarsvaren ontspringen op enige afstand van elkaar, uit de wortelstok.

Als een bladsteel aan de onderkant schuin wordt doorgesneden vormen de vaatbundels een patroon dat doet denken aan het dubbele vliegbeeld van een adelaar.

Om tot volle wasdom te komen heeft de plant licht nodig. Reden dat grote populaties vaak aan de bosrand en open stukken grond te vinden zijn. De grote bladeren schermen het licht volkomen af waardoor er geen of nauwelijks ondergroei kan plaatsvinden. De bladeren worden meestal tot 1,80 m hoog maar uitzonderingen tot over 3,5 m zijn bekend. De Adelaarsvaren bevat giftige stoffen waardoor de humus die ontstaat door afgestorven bladeren, voor veel planten giftig is. Ook daardoor krijgen planten en jonge boompjes geen kans te ontkiemen en de strijd aan te gaan met de Adelaarsvaren. De giftige stoffen kunnen ook bij de mens leiden tot tumoren die tot kanker kunnen leiden. Desondanks worden in verschillende landen jonge loten als groente gegeten.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde