Home » Archieven voor april 2019

Maand: april 2019

Rankende duivenkervel

Vanwege het nieuwe boek van Ton Denters over stadsplanten in Nederland en Vlaanderen, moet er ook in Breda een route worden uitgezet, en zo verkenden wij eind maart de wijk Belcrum. Tot onze verrassing troffen wij daar rankende duivenkervel aan (Fumaria capreolata). De verrassing was dubbel: over tijd en plaats. Duivenkervel verwacht je te bloeien in de zomer. Niettemin lees ik bij zijn foto in de Verspreidingsatlas, dat Koen van Soest de plant ook al in maart bloeiend heeft aangetroffen. Verder is rankende duivenkervel wel eens waargenomen in Breda, maar niet daar en maar op een enkele plaats. Brabant is in de verspreiding toch al een uitzondering. Het rivierengebied en de duinen lijken favoriete plekken. De soort wordt als uitbreidend beschreven. In Breda staat hij als echte stadsplant in de voeg van tuinmuur en stoep.

Als echte stadsplant op de stoep

Het een eenjarige plant die oorspronkelijk uit Midden- en Zuidwest-Europa afkomstig is. Hij is makkelijk te herkennen door de typische kleuren van de bloem in combinatie met het kleinere en minder geveerde blad dan dat van de gewone duivenkervel (Fumaria officinalis)

Het blad van rankende duivenkervel is diep ingesneden.

Er zijn nogal wat zuidelijke soorten duivenkervel die door het opwarmende klimaat zouden kunnen opschuiven. Twee zijn er al gesignaleerd: kleine duivenkervel (Fumaria parviflora) en roze duivenkervel (Fumaria vaillantii). Dus het blijft oppassen met de determinatie.

De geslachtsnaam ‘fumaria’ betekent ‘damp of rook’. De verklaring daarvan is niet eenduidig. Men meende dat de plant ontstond uit dampende aarde, anderen menen dat het gebruik als gezichtscherpend middel, evenals rook, de ogen doet tranen. De soortaanduiding ‘capreolata’ betekent ‘rankend’.

Rankende duivenkervel blijkt ook een voorjaarsbloeier.

 

 

Nieuwe muurbloem in Heukels’ Flora 2020

De nieuwe Flora van Nederland, het standaardwerk de ‘Heukels’, zit eraan te komen! De laatste editie uit 2005, hangt ­-bij mij-­ van tape aan elkaar. Tegelijk toont de inhoud slijtage, ontbreken de vele nieuwe soorten die het laatste decennium bracht. Dit veldseizoen moeten we het nog zonder de update doen, maar in april 2020 is het zover. Je kunt een mooie verfrissing tegemoet zien; de hernieuwde Flora presenteert 220 extra soorten. Een aanzienlijk deel, 120 soorten, is van het predicaat ingeburgerd voorzien. Dat houdt in dat ze al meteen als vast deel van onze flora worden beschouwd. Dat is een hele stap. De stadsflora is met maar liefst 75 soorten hofleverancier.

Kleine muurbloem op inburgeringsplek in Amsterdamse Pijp.

Aan de Heukels’ Flora is ook een moeilijke muurbloem toegevoegd. Tot aan de deadline van de Flora is er druk aan soorten gesleuteld en op de valreep kwam de ware identiteit van de Kleine muurbloem Erysimum aureum aan het licht …. Een opluchting, want al jaren vormde het plantje een onoplosbaar mysterie. Muurbloemen zijn complex van aard, met in Europa en aangrenzend Azië vele soorten waarvan de taxonomie nog deels onopgehelderd is.

De kleine bloemen en wijduitstaande vruchten (hauwen) zijn kenmerkend.

Met Kleine muurbloem heeft Muurbloem Erysimum cheiri er een compagnon bij gekregen. Onze ‘klassieke’ Muurbloem heeft een roemruchte geschiedenis. Het is een vroege cultuurplant, gekweekt door de Romeinen. Zij brachten twee verwante muurbloemen uit de Grieks-Egeïsche regio samen in een kruising; de huidige Muurbloem. In de Middeleeuwen werd deze naar onze contreien gebracht. Dodoens maakt gewaag van deze ‘muurviolier’ in zijn vermaarde Cruijdeboeck (1554). Muurbloem is sindsdien als zeldzame, bedreigde muurplant deel van oude, monumentale gebouwen; vestingwerken, ommuringen, stadspoorten, ruïnes en forten.

Kleine muurbloem kan minieme afmetingen hebben.

De moderne tijd brengt ons nu een tweede muurbloem. Het is evenzo een nieuwe introducé, ditmaal uit Oost-Europa/West-Azië. Kleine muurbloem is in recente tijd aangeplant in tuinborders en geveltuinen. Opvallend is het gemak waarmee deze soort van plek ruilt, en daarbij de aanplantplaats verlaat en de straat verkiest. Op zonnige plaveisels leven ze op, zaaien daar uit en keren jaar op jaar terug. Daarmee zijn ze deel geworden van de wilde stedelijke straatflora. Kleine muurbloem werd in 2010 allereerst in Amsterdam opgemerkt en daarna op 10 locaties elders in de hoofdstad. Ook daarbuiten kwam de soort in het viezer, in Haarlem, Utrecht, Nijmegen en recent in Grevenbicht. Het verschil met ‘gewone’ Muurbloem zit hem in de vruchtsnavel, die is ongedeeld, terwijl die van Muurbloem duidelijk tweetoppig is met naar buiten geboden stempellobben. Kleine, staat voor kleinbloemig, duidend op de geringe afmetingen van de kroonbladen. De plant is twee- of meerjarig, wordt circa 45 cm hoog, maar kan ook minieme maten hebben. Verwar Kleine muurbloem niet met Steenraket, een eenjarige Erysimum-soort.

Zo ziet de determinatiesleutel er in de komende Heukels’ Flora uit!
Links: Kleine muurbloem met ongedeelde snavel Rechts: de tweetoppige snavel van ‘Gewone’ muurbloem.

 

Kleine muurbloem is straks voor een ieder met de nieuwe Flora te determineren, dat is mooi. Maar de primeur is voorbehouden aan deze weblog. Ik zou zeggen speur komend seizoen al naar deze muurbloem, met deze sleutel in de hand.

Klein hoefblad – een van de weinige naaktbloeiers

Klein hoefblad is samen met Speenkruid en van de eerste gele composieten die in het vroege voorjaar in bloei staan. Speenkruid heeft daarbij de neiging zich als bodembedekker te ontwikkelen. Grote tapijten bladeren van het Speenkruid kleuren de vroege winter- en voorjaarsbodem groen en in februari/maart is er een explosie van de felgele bloempjes. Het plantje behoort tot de ranonkelfamilie en is dus verwant aan de boterbloem.

Min of meer tegelijkertijd verschijnen de helgele bloemetjes van het Klein hoefblad. Bij deze plant is er absoluut geen sprake van bodembedekkend gedrag. Klein hoefblad behoort tot de naaktbloeiers. Planten waarvan eerst de bloemen verschijnen en in een later stadium pas de bladeren. Samen met Herfststijlloos en Groot hoefblad vormt het onder de kruidachtige planten een categorie waarvan de bloemen en bladeren gescheiden verschijnen. Bij de sporenplanten zie je hetzelfde verschijnsel bij Heermoes. Eerst verschijnen daar de sporenaren en daarna pas het blad.

De bladeren van Klein hoefblad verschijnen pas na de bloeiperiode

De stelen van Klein hoefblad zijn ook het bekijken waard. Er is geen sprake van bladeren aan de bloeistengel maar van een soort schubben.

In de bloeifase ontbreken de bladeren van Klein hoefblad. Het is een naaktbloeier. De bloemstengels zijn bezet met schubben

De bloemen komen niet vanuit één centraal punt. Klein hoefblad vormt lange wortelstokken waaruit op enige afstand van elkaar de bloemstengels ontspringen. De plant is een pionierplant en een echte liefhebber van kale, braakliggende grond die zelfs zwak brak (zouthoudend) mag zijn.

Klein hoefblad is een composiet en heeft een hart van mannelijke buisbloemen en daaromheen een ring van honderden vrouwelijke lintbloemen. Normaal verwacht je bij puur mannelijke bloemen geen stijl met een stempel, maar meeldraden met helmknoppen die stuifmeel produceren. Bij puur vrouwelijke bloemen is sprake van de aanwezigheid van één of meer stijlen en stempels om het stuifmeel op te vangen. Bij Klein hoefblad is dat iets anders. De vrouwelijke lintbloemen bevatten inderdaad alleen een stijl met stempels. Bij de mannelijke buisbloemen zie je behalve de meeldraden ook iets aanwezig dat op een stempel lijkt. Deze “schijnstempel” is niet verbonden met een vruchtbeginsel waaruit zaden kunnen ontstaan. Het fungeert meer als veegmechanisme dat stuifmeel verzamelt voor insecten die de bloemen bezoeken.

Klein hoefblad is een composiet. Op deze foto de mannelijke buisbloemen in het hart van de bloem en daaromheen zijn de stempels zichtbaar van de vrouwelijke lintbloemen

Omdat Klein hoefblad al heel vroeg in het jaar bloeit zijn er nog weinig insecten. De plant moet het daarom vooral hebben van kruisbestuiving binnen de bloem door de wind. Dat kan op twee manieren: of de wind neemt het stuifmeel mee en deponeert het op de stempels van de vrouwelijke lintbloemen; of de zeer flexibele stengels staan zo in de wind heen en weer te schudden, waardoor het stuifmeel uit de mannelijke bloemen in het hart van de bloem, op de stempels van de vrouwelijke lintbloemen wordt geschud. Deze techniek is zeer succesvol.

De plant vormt bijzonder veel zaadjes. Net als bij bv. de Paardenbloem en Biggenkruid zijn de zaadjes (nootjes) omgeven door pappus (haren) en ontstaan de bekende pluizenbollen.

Net zoals bij andere composieten zoals Paardenbloem en Biggenkruid, worden de zaden, zwevend onder de pappus pluisjes, door de wind verspreid

Er is overigens in de bloeiwijze van Klein hoefblad nog een merkwaardig verschijnsel: als de plant bloeit staan de bloemstengels fier overeind. Als de plant uitgebloeid is knikken de hoofdjes en hangen triest naar beneden. Maar als de zaden rijp zijn en de pappus de bekende pluizenbol vormt, richten de hoofdjes zich weer op en staan de bloemhoofdjes fier in de wind overeind wachtend op het moment dat de wind de zaadjes meeneemt.

 

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde