Home » Archieven voor mei 2019

Maand: mei 2019

Kijk maar, er staat niet wat er staat.

Naamgeving aan planten is soms een lastige zaak. Het vergt veel creativiteit om steeds weer nieuwe namen te verzinnen. En soms lijkt dan de luiheid toe te slaan en worden planten vernoemd naar soorten die er op lijken. Zo lijkt de Schijnpapaver (Meconopsis cambrica) op een Klaproos (Papaver) maar is het niet. En de Schijnaardbei (Potentilla indica) lijkt op een aardbei (Fragaria) maar is het niet. Tenslotte lijkt de Rode schijnspurrie (Spergularia rubra), waar dit stukje over gaat, veel op een Spurrie (Spergula) maar is het dus niet. Hier lijken zelfs de wetenschappelijke  namen op elkaar. De geslachtsnamen komen van het Latijnse ‘spargere’ dat ‘uitstrooien’ betekent. Ze schijnen dus hun zaad gemakkelijk uit te strooien. ‘Rubra’ tenslotte, betekent rood.

De stengels
De stengels

De Rode schijnspurrie groeit in de stad; vooral in de voegen. Veel mensen zullen er overheen lopen zonder hem te zien en ook veel floristen lijken hem niet te zien,  gezien het beperkt aantal meldingen in Den Haag. Toch is het een plant die vrij makkelijk te herkennen is; maar zoals zo vaak moet je hem eerst een keer gezien hebben. Hij valt op door donkergroene liggende stengels met licht gekleurde steunblaadjes op regelmatige afstand van elkaar. De plant heeft donkerroze bloemen, vaak met een lichter gekleurd hart, met vijf kroonbladen en vijf groene kelkbladen. Zelf vind ik het een prachtig bloemetje. Het is een vrij algemene plant; aan de kust komt hij wat minder voor.

De Rode schijnspurrie lijkt dus op een Spurrie.  In ons land zijn dat de Gewone spurrie (Spergula arvensis) en de Heidespurrie (Spergula morisonii). Deze laatste hebben de bladeren in een soort krans staan terwijl de bij de Rode schijnspurrie de bladeren in paren tegenover elkaar staan.

Bloem met stengel
Bloem met stengel

In ons land komen nog twee soorten Schijnspurrie voor die ook weer erg op elkaar lijken: de Gerande schijnspurrie (Spergularia media) en de Zilte schijnspurrie (Spergularia salina). Deze laatste twee Schijnspurries hebben een meer vlezig blad, terwijl de Rode schijnspurrie een stekelpunt heeft aan het blad, iets dat de andere twee soorten niet hebben. De Zilte en Gerande schijnspurrie worden bijna niet gezien in Den Haag, de grootste kans daarop is in Scheveningen en ik ga dan ook proberen de soort op die plek aan te treffen. Anders moet ik hem weer treffen op Texel, maar dat is een schijnoplossing.

Rozetkruidkers in Nijmegen

September vorig jaar schreef ik een bericht over de bijzondere plantensoorten die worden aangetroffen op intensief gemaaide en daardoor schrale grasvelden in Nijmegen. Dergelijke grasveldjes zijn in Nijmegen niet zeldzaam, je kan ze aantreffen op de campus, in het industriegebied en nagenoeg elke berm langs fietspaden en autowegen. Een van de soorten die hier van lijkt te profiteren is Rozetkruidkers (Lepidium heterophyllum). Deze soort bloeit vroeg in het jaar en kan haar bloei- en vruchtstadium net voltooien voordat de grasmaaier de boel weer om zeep helpt.

Het rozet van Rozetkruidkers

Rozetkruidkers is een zeer zeldzame soort die haar naam dankt aan de aanwezigheid van een bladrozet tijdens de bloei. Bij de meeste andere soorten uit het geslacht, is het rozet verdroogd en verschrompeld tegen de tijd dat de plant aan de bloei begint. Rozetkruidkers lijkt het meest op de meer algemene Veldkruidkers (Lepidium campestre), o.a. vanwege de stengelomvattende stengelbladen. Veldkruidkers heeft tegen de bloei echter geen rozet meer en heeft een meer erecte bloeiwijze; bij Rozetkruidkers is de bloeiwijze meer opstijgend. Als er dan nog steeds twijfel is, heb je een loepje nodig. Rozetkruidkers heeft gele helmknoppen en een vrij lange snavel, duidelijke buiten de vruchtvleugels uitstekend. Veldkruidkers heeft paarse helmknoppen en een vrij korte snavel , niet of weinig buiten de vruchtvleugels uitstekend.

Een groot exemplaar van Rozetkruidkers met duidelijk opstijgende bloeiwijzes.

Rozetkruidkers staat op dit moment nog in bloei, maar zal nog enige tijd goed herkenbaar in vrucht staan. De soort staat op een 12-tal locaties in het zuidelijk deel van Nijmegen. Begeleidende soorten zijn Veldkruidkers, Klein vogelpootje, Ruw vergeet-mij-nietje en als je geluk hebt, kan je hem zelfs samen met Stijf vergeet-mij-nietje (Myosotis stricta) treffen.

Paard

Een heel oud geslacht dat bij veel tuinliefhebbers grote irritatie kan oproepen is Heermoes (Equisetum arvense). Dit komt o.a doordat als de wortels van Heermoes stuk worden geschoffeld, deze stukjes weer in staat zijn nieuwe planten te vormen. Eigenlijk gedraagt Heermoes zich precies zoals een agressieve exoot zoals bijvoorbeeld Japanse duizendknoop (Fallopia japonica). Als je bij Google Heermoes in typt is de eerste zoeksuggestie dus ook “heermoes bestrijden” en gaan veel zoekresultaten hier ook over.

Waarom dit stukje ‘Paard’ heet is als volgt. Heermoes is onderdeel van het geslacht van de Paardenstaarten De Equisetaceae. Een geslacht dat al miljoenen jaren bestaat op de wereld. Toen de mensheid er nog lang niet was: namelijk 350 miljoen jaar geleden toen de dinosauriërs nog rondliepen, werden deze planten boomhoog! Het gaat om de gelijkenis. Equisetaceae is afgeleid van Equisetum en komt van Equus (Latijn) en dat betekent “paard”, en Seta (Latijn) en dat betekent “borstel/haren”. 

Deze groep planten behoort tot de sporenplanten. Dus als je denkt aan een stengel met bladeren, een bloem met kroonbladeren, stamper, meeldraden etc. dan lijkt Heermoes hier totaal niet op. Elk voorjaar als de lente echt is begonnen komen eerst bleke bladgroenloze stengels verdeeld in  gelijke stukken (leden). Op elke overgang van twee leden, een zogenaamde knoop, bevindt zich een krans van vergroeide schubben met tanden en aan de top van de stengel een langwerpig-eivormige kop met sporenaren erboven op. Het ziet er eigenlijk niet uit vergeleken met andere opkomende planten en elke beginnende florist denk zoiets van “wat is dat nu weer!”. Enkele weken later als deze merkwaardige stengels verdord zijn, verschijnen er groene stengels met zijtakken in kransen om heen. Pas dan wordt deze plant herkend als een van de Paardenstaarten.

De bladen van Heermoes zijn kransstandig om de knopen geplaatst

De verspreiding vindt in eerste instantie plaats door middel van de sporen. Die in de lente door de wind rond worden geblazen. Maar de grootste verspreiding  vindt onder de grond plaats. Zoals ik al schreef in het begin, de wortels groeien meters onder de grond!

Mosbloempje

‘Mossig steengewas’

‘Mossig steengewas’ is de letterlijke vertaling van de Engelse naam: Mossy stonecrop, van het Mosbloempje (Crassula tillaea). Dit vanwege het vermogen om op schijnbare kale stenen ondergrond te groeien. Een vermogen dat meer leden van de orde van Saxifragales hebben, denk aan Muurpeper.
Van de familie Crassula hebben we er in Nederland twee, de Watercrassula (Crassula helmsii) en het Mosbloempje. Watercrassalula is een ontsnapte soort uit vijvers en aquaria en oorspronkelijk uit Australië, Tasmanië en Nieuw Zeeland. Meer informatie over deze soort is te vinden in de factsheet over Watercrassula van DAISIE en via de Veldgids invasieve waterplanten in Nederland.

Mosbloempje heeft blijkbaar een voorkeur voor bepaalde steden steden in Nederland waar het als voegenvuller wordt gezien, bijvoorbeeld in Vlissingen en volgens de Verspreidingsatlas ook Harderwijk. Nou, in Deventer zou ik het leuk vinden om deze soort als voegenvuller te hebben.  Mosbloempje is in Deventer zeer zeldzaam en is volgens Waarneming.nl maar twee keer eerder gevonden in Deventer en beide keren op één van de begraafplaatsen.

De nieuwste vondst is niet in Deventer gedaan, maar in het nabij gelegen dorpje Diepenveen. Mosbloempje is gevonden op een stoepje naast een bruggetje over de Zandwetering. Samen met Liggend vetmuur, Veldereprijs en ook nog Rivierduinzegge!!

De Verspreidingsatlas laat zien dat de soort vooral in het kustgebied wordt gevonden op voedselarme bodem. Maar ook op begraafplaatsen en in een brede strook in Utrecht en de Veluwe. Dat het redelijk zeldzaam is, en in delen van Nederland helemaal niet wordt gevonden, is opmerkelijk. Want volgens de Oecologische Flora (deel 1: pagina 276) kan elk stukje dat op een geschikte plek blijf liggen uitgroeien tot een nieuwe plant. Dat kennen we maar al te goed van de Watercrassula dat zich zeer gemakkelijk verspreidt. Blijkbaar zijn er weinig geschikte plekken voor het Mosbloempje, of wordt het veel over het hoofd gezien?

Mosbloempje detail met bloeiwijzen
Mosbloempje detail met drie rondachtige kelkbladen en vruchtbeginsels

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik ga er vanuit dat er meer waarnemingen gaan volgen in Deventer. Habitat genoeg die geschikt lijkt. De grootte van het plantje echter zal ervoor zorgen dat het vaak over het hoofd wordt gezien, zeker als het groen is. Ik ga nog beter opletten.