Home » Archieven voor september 2019

Maand: september 2019

Een raar gras

Deze bijdrage is van de hand van Peter Wetzels (Districtscoördinator Floron-afdeling Groot-Amsterdam). Hij vervangt Ton Denters op diens verzoek. Ton heeft het druk met het nieuwe boek ‘Stadsplanten van Nederland en Vlaanderen’.

 

Soorten die nieuw verschijnen in Nederland worden nogal eens niet herkend. Vooral als ze enigszins lijken op een andere soort die vrij vaak gevonden wordt. Het kan jaren duren voordat duidelijk wordt dat een vondst een nieuwkomer betreft.

Zo werd een nieuwe naaldaarsoort jarenlang niet werd opgemerkt. Er kwamen tot dan in Nederland een half dozijn soorten naaldaren voor. Het zijn eenjarige grassen met de aartjes in een dichte bloeiaar. Op de aarstelen staan stijve borstelharen, de ‘naalden’, die langer zijn dan het aartje en dus uit de bloeiaar steken. Vandaar de naam van het geslacht: naaldaar. In Nederland komen in de stad groene naaldaar (Setaria viridis) en geelrode naaldaar (Setaria pumila) als stadsplant voor waarbij de laatste soort beduidend zeldzamer is. Er zijn daarnaast nog drie andere naaldaren bekend, zeldzamer en voornamelijk akkeronkruiden. Tenslotte wordt teff of trosgierst (Setaria italica) regelmatig verwilderd gevonden.

Slanke (rechts) met groene (links) naaldaar KNSM-eiland 2016

De nieuwe niet herkende naaldaarsoort heeft in het Oostelijk Havengebied van Amsterdam een grote groeiplek. Het gaat om smalle naaldaar (Setaria parviflora); een soort die inheems is in het grootste deel van de Verenigde Staten. Deze soort werd eerst jarenlang aangezien voor geelrode naaldaar. Dat is niet zo vreemd want ook in de Verenigde Staten worden deze soorten soms met elkaar verward omdat beide soorten geelrode naalden hebben. Wat wel duidelijk verschilt zijn de aartjes van smalle naaldaar die de helft smaller zijn dan die van geelrode naaldaar. Maar er zijn meer kenmerken waarin ze verschillen. Smalle naaldaar is de enige naaldaar in Nederland die niet eenjarig is. De plant heeft ondergrondse uitlopers (stolonen) die op de op het KNSM eiland in het Oostelijk Havengebied langs een gevel tientallen meters aan spruiten vormt.

Smalle naaldaar met stolonen

Deze stolonen kruipen ook onder de bestrating door en in allerlei voegen komen de bladeren tevoorschijn. Ook de stoepranden en allerlei straatmeubilair zijn voorzien van een groen randje. Dus een stuk straat van 60 bij 20 meter wordt goeddeels gedomineerd door deze plant die eigenlijk één individu is.

Dat het geen eenjarige soort is, is eenvoudig te testen door een spruit uit de grond te trekken. Komen alle fijne wortels mee zonder veel kracht nodig te hebben dan is de plant eenjarig. Is de plant meerjarig dan kost het veel kracht en breekt de plant meestal bij de wortel af of er komt een stevig stuk afgebroken wortel mee. Bij slanke naaldaar breken de bladspruiten  meestal bij de wortels af. Tussen de straatstenen is de smalle naaldaar er niet uit te krijgen en alleen een vasthoudende florist is het een keer gelukt. Al met al lijkt de soort in zijn groeiwijze op een verkleinde versie van duinriet (Calamagrostis epigejos)

Omdat slanke naaldaar een vaste plant is bloeit hij ook vroeger dan de ander naaldaren. Al in juni zijn de aren met paarsrode helmhokjes te vinden. De ander soorten bloeien veel later in het seizoen vanaf eind juli. De donkerpaarse helmhokken zijn zeer opvallend en al voldoende om de soort op meters afstand te herkennen.

Smalle naaldaar heeft paars-rode helmhokken

Maar deze kennis is wijsheid achteraf. Daarom is de soort niet eerder herkend door verschillende waarnemers. Het was wel opgevallen dat de bloei vroeg was en dat de aren raar smal waren. Bij gebrek aan een alternatief werd het als geelrode naaldaar benoemd. Maar echt bevredigend was dit niet. Dit gevoel werd weggeredeneerd als zijnde een plant met een virus.

Afijn, dit had zo lang kunnen blijven als niet twee jaar later tijdens een Floron-excursie in 2016 door een deelnemer geopperd werd dat het raar was dat smalle naaldaar nog niet was gevonden in Nederland en bij een ander deelnemer het kwartje viel toen hij een beschrijving van de soort hoorde. Binnen een paar dagen was de groeiplaats bezocht en de nieuwe soort bevestigd. Tot groot enthousiasme van beiden. De één omdat hij eindelijk de langverwachte soort had gevonden en de ander omdat die eindelijk wist waarom dat gras zo raar oogde.

 

Geel walstro – geschikt voor de bereiding van kaas of gebruik in de wieg

Normaal is Geel walstro geen plant die je snel in de stedelijke omgeving zult vinden. Het is een plant die gevonden kan worden in de duinen, in de bermen van wegen, weilanden, dijkhellingen en droge zandgronden. De laatste jaren wordt Geel walstro echter vaak in de stad aangetroffen. Dat komt omdat in toenemende mate wegbermen in steden worden ingezaaid met zaadmengsels die voor kleurrijke, bloemrijke wegbermen moeten zorgen. In veel van die zaadmengsels is Geel walstro opgenomen. Het blijkt dat Geel walstro zich vaak goed handhaaft in bermen waarin niet langer ieder jaar gezaaid wordt maar wel aan het eind van het jaar gemaaid wordt. Daarmee wordt het op sommige plekken toch een stadsplant.

De meest bekende walstrosoorten zijn Glad walstro, Ruw walstro, Geel walstro en Moeraswalstro. Zij behoren tot de “walstro- of sterbladigenfamilie”. Deze plantensoorten hebben als belangrijkste veldkenmerk dat de smalle bladeren in een krans om de stengel zijn ingepland. Die van Glad walstro en Geel walstro eindigen in een puntje. De stengels zijn rond en voorzien van vier fijne ribben.

Bij de walstrofamilie zijn de smalle bladeren in kransen rond de stengel ingepland

Bekende andere plantensoorten die wel behoren tot de walstrofamilie maar niet de naam “walstro” dragen zijn Kleefkruid en Lievevrouwebedstro.

Vanuit de berm zoekt Geel walstro zijn weg naar de straat

Geel walstro bevat een stremsel dat gebruikt kan worden bij de bereiding van kaas. Maar niet alleen het stremsel uit de plant wordt gebruikt bij het maken van kaas. Uit de bloemen worden kleurstoffen gewonnen die ook worden gebruikt in de kaasmakerij. In het Engelse graafschap Gloucestershire wordt een middelharde kaas gemaakt met de naam “Double Gloucester”. Deze kaas wordt gekleurd met kleurstoffen uit de bloemen van Geel walstro.

De naam ‘walstro’ is te herleiden tot het gebruik van walstro in het verleden in wiegen. Wal heeft dezelfde betekenis als wieg.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde

Mensenvriend

In een beetje ruig hoekje in de stad kom je het steevast tegen. Op zo’n plek waar je ook Brandnetels vindt, en Fluitenkruid: voedselrijke plekken. In praktisch elk kilometerhok in Nederland is het te vinden, en het is over de hele wereld verspreid, extreme omstandigheden uitgezonderd: Kleefkruid.

Je zou denken: iedereen kent het wel. Toch zijn er altijd wel weer mensen verrast als je demonstreert hoe Kleefkruid aan zijn naam komt. Hier hoef ik dat niet uit te leggen toch?

De wetenschappelijke naam is Galium aparine. Galium komt van het Griekse ‘gala’ en betekent ‘melk’. De planten van het geslacht Galium schijnen vroeger gebruikt te zijn om melk te stremmen. Kleefkruid werd vroeger ook wel door de verse melk gehaald om daar ongerechtigheden uit te vissen: alles blijft er immers aan vastzitten. Aparine komt ook uit het Grieks ‘apairo’ en betekent grijpen. Eigenlijk zou grijpkruid een betere naam zijn dan kleefkruid: er zit immers niets kleverigs aan de plant!

Kleefkruid behoort tot de Sterbladigenfamilie, evenals Lievevrouwebedstro en de walstrosoorten. De bladeren staan in kransen rond de stengel, meestal een krans van zes.

De bloemen zijn klein, ze worden hooguit twee mm. Iets opvallender zijn de ronde vruchtjes, met als bijnaam: hanenklootjes. Als je een vruchtje pelt, komen er ronde zaden als harde witte pareltjes tevoorschijn. Deze worden later zwart.

De vruchtjes met haakjes om zich te verspreiden door mee te liften met wie of wat dan ook.

Met zijn weerhaakjes die netjes één kant uit gericht zijn kan Kleefkruid vrij hoog klimmen, tussen struiken door bijvoorbeeld. Vindt hij geen steun om omhoog te klimmen, dan blijven de stengels laag en vormen zo een soort tapijt over de lage planten.

De stengels zijn gemakkelijk te breken en los te trekken, maar ik verbaas me er altijd over hoe vast de wortel in de grond zit. In het najaar zie je al jonge planten verschijnen, die in de winter prima overleven om het volgend jaar weer bloemetjes te geven.

Het zou goed kunnen dat klittenband uitgevonden is door naar deze plant te kijken maar daar zou je ook de vruchten van Geel nagelkruid, Groot heksenkruid of Klitten voor kunnen bekijken.

Ik hoor vaak dat mensen een hekel hebben aan Kleefkruid, maar ik las dat Dodonaeus, een 16e-eeuwse plantkundige en arts, schreef: men noemt deze plant een mensenvriend, omdat hij aan iedereen blijft vastkleven. Tja, zo kun je het ook bekijken!

De bloem heeft puntige kroonbladen. De bladeren staan in kransen. Alles voorzien van weerhaakjes.

 

 

Kleine liefde

Wie in deze tijd naar buiten gaat en in de voegen van de straat naar planten speurt, zal het al snel opvallen, zeker in de stad, dat daar allerlei grasjes groeien die er in het begin van het jaar nog niet te vinden waren. Het zijn profiteurs van warm weer en komen vaak overgewaaid uit moestuinen en ander kweekgedoe, oorspronkelijk zelfs waarschijnlijk uit de landbouw of graanoverslag.  Deze kleine grassen worden platgelopen, afgebrand, afgeborsteld en doodgespoten, maar veel tijd hebben ze niet nodig om zich in groot aantal voort te planten. Ook liefdegrassen zijn hier meester in.

 

2400 vruchtjes per plant is bij Klein liefdegras geen uitzondering

Klein liefdegras Eragrostis minor met haar aren, die uit 8-20 bloemen, en dus vruchtjes bestaan, is een van de twee algemenere liefdegrassen in Nederland en België. De andere is Straatliefdegras. De aren van Klein liefdegras vallen makkelijk uiteen en profiteren van elke beweging die wij ze geven.  Aangezien elke tak van de plant al snel meer dan 30 aartjes heeft en elke plant als snel vier takken heeft, zijn 2400 vruchtjes per plant geen uitzondering.

Klein liefdegras blijft in verspreiding beperkt tot stenige habitats

Daarmee lijkt Klein liefdegras al snel niet meer zo lief en klein, maar ook met deze overweldigende hoeveelheid zaad is de verspreiding van de plant nog altijd relatief beperkt. Ze blijft redelijk beperkt tot straatrandjes en andere stenige habitats zoals spoorbeddingen. In moestuinen is het waarschijnlijk vaak te rijk.  In wegbermen en gazons is waarschijnlijk te veel concurrentie.

Wie met een loep de plant bekijkt zal de aartjes van klein liefdegras zeker waarderen. Als er op een schoolplaat een mooi compleet aartje getoond moet worden dan zou ik Klein liefdegras kiezen. Als men toch een loep ter hand neemt is het ook aan te raden de bladrand, aan de basis, af te speuren op de merkwaardige klierknobbels. Een soort zwarte punten. Wie dat ziet weet ook meteen zeker dat het geen Straatliefdegras is. Die heeft trouwens nog kleinere aartjes.

Wauw het is wouw

Niet ver van mijn woning ligt langs de A-27 bij Bavel een zeer hoge geluidswal. Bijna 2 km lang en 15 m hoog. De zijde aan de snelweg is stijl, de andere zijde is glooiend, zodat er een behoorlijk oppervlak voor begroeiing is. Ongeveer 10 jaar geleden heeft de toenmalige stadsecoloog van de gemeente Breda een tamelijk uitzinnig mengsel van ongeveer 80 soorten van Zuid-Franse origine doen uitzaaien.

Wilde reseda, meer bossig

Het resultaat was en is ernaar. Natuurlijk zijn er een aantal soorten verdwenen, maar een groot aantal floreert en enkele trekken zelfs de omgeving in. Het omgekeerde gebeurt natuurlijk ook. Wat helpt is de zuidwestelijke projectie van de glooiende kant, de warme zomers en het feit dat aan de schanskorven bovenin, kalksteen is toegevoegd.

Blad wilde reseda gegolfd in Bavel

Al jaren meen ik daar alleen wilde reseda (Reseda lutea) te zien, totdat tijdens een inventarisatie elders, iemand bij de melding ‘reseda’ vroeg naar het blad te kijken. Het bleek wouw (Reseda luteola) te zijn. Terug naar mijn geluidswal bleek daar dat de helft van de ‘reseda’ , wouw te zijn. Ja, je ziet het pas als je het door hebt.

Goed, dan nu de verschillen. Het meest zekere kenmerk om op te letten is de vrucht. Bij wilde reseda is dit een vierkantig kokertje op een duidelijke steel. Bij wouw is dit een propje met geprononceerde, uitspringende hoeken en kort gesteeld.

Blad wouw zwak gegolfd in Bavel

De stengelbladen bij wilde reseda zijn diep ingesneden. Bij wouw is het stengelblad ongedeeld, maar heeft wel tandjes aan de voet. Bij de voet zit soms ook de aanzet van andere stengelbladen. Dat maakt het lastig om te zien of je met een of meer bladen hebt te maken. Daar komt bij dat zowel in Heukels 2005 als in de oecologische Flora staat dat alleen bij wouw het blad sterk gegolfd is. Op de geluidswal golft juist het blad van wilde reseda sterk. Vergeten dus dit kenmerk als onderscheidend.

Vrucht van wouw
Vrucht wilde reseda

Verder is er een habitusverschil. Wouw is hoger, slanker. Reseda is korter, bossiger, meer vertakt.

Wouw is vanouds een verfplant voor gele kleurstof. De verklaring voor de Nederlandse naam is niet zeker. Als meest waarschijnlijke wordt genoemd ‘hoog opschietend’. Vergelijk ‘woud’. Gelet op de habitus is die betekenis niet onlogisch.

De wetenschappelijke naam ‘reseda’ betekent ‘weer stillen” , ‘weer helen’. De plant werd gebruikt als geneesmiddel tegen gezwellen en ontstekingen. De soortaanduiding ‘lutea’ voor wilde reseda, betekent ‘geel’. De soortaanduiding ‘luteola’ voor wouw, betekent ‘geelachtig’.

Die soortaanduidingen horen dus eigenlijk gewisseld te worden. Helaas, gaat niet meer. Voor eeuwig verkeerd.

Bloem wouw
Bloem wilde reseda