Auteur: Aad van Diemen

Biografie

Na een studie Sociale wetenschappen enige tijd werkzaam geweest als onderzoeker en docent.
Daarna tot het pensioen als beleidsmedewerker Sociale Zaken bij de gemeente Rotterdam. Van jongs af aan met de verrekijker op stap voor vogels. Daarna ook planten, paddenstoelen en bijen, wespen en dagvlinders. Een dag in de week werk ik als conservator bijen en wespen in het Natuurmuseum Brabant. Ben bestuurslid IVN en natuurgids bij die club en bij SBB. Verder was ik eindredacteur, medeauteur en medefotograaf van het boek ‘Stadsplanten van Breda’ dat een paar jaar geleden is uitgebracht.

Pruimen zoeken

De sleedoorn (Prunus spinosa) is een van de vroegst bloeiende struiken. Begin maart kon je hem dit jaar al in bloei aantreffen. Het is daarom een waardevolle plant voor de vroege wilde bijen zoals allerlei hommelkoninginnen en diverse zandbijsoorten. De bloemen verschijnen in grote aantallen en eerder dan de bladeren, waardoor je prachtig wit oplichtende bloemenwolken ziet in de berm of aan de bosrand. Het effect is zo mooi omdat de takken van de sleedoorn zelf zwartachtig zijn en de naaststaande bomen nog geen blad hebben. De sleedoorn wordt tot drie meter hoog.

De sleedoornstruik maakt een bossige indruk

Hij  behoort tot het geslacht Prunus, waartoe ook de zoete kers (Prunus avium), de kerspruim (Prunus cerasifera) en de pruim (Prunus domestica) toe behoren. De sleedoorn vormt gemakkelijk bastaarden met de gewone pruim. Men vermoedt dat er ook spontane bastaarden zijn met de kerspruim. De hybriden zijn vruchtbaar en variabel meldt Heukels’ flora. Ook in Breda daarvan zijn daarvan voorbeelden te vinden o.a. bij het viaduct bij Bavel. Daar staan op het moment van schrijven van dit stuk, 10 maart 2019, een tiental struikachtige bomen te bloeien in wit maar ook in roze en gegarandeerd zaailing. Zelf ben ik verleden jaar begonnen met het fotograferen van de bloei van een paar bomen en daarna met het fotograferen van het blad. Vervolgens vergeten naar de vruchten te kijken.. Bij het vergelijken van blad en bloem onlangs sloegen de twijfels toe. Zou er geen sprake kunnen zijn van meer soorten hybriden?

Alle oude foto’s opgeruimd en opnieuw begonnen met de registratie: nu per boom en later beslist ook de vruchten. Meer nieuws over hybriden moet even wachten.

De naam komt van de blauwe kleur

De wetenschappelijke geslachtsnaam naam ‘Prunus’ is afkomstig van het Griekse ‘prune’ en betekent ‘pruim’. De soortaanduiding ‘spinosa’ betekent doornig. In de Nederlandse naam ‘sleedoorn’ heeft ‘slee’ de oerbetekenis ‘blauw’. Het woord ‘slee’ is verwant aan het Slavische ‘sliva’ dat pruim betekent. Denk aan ‘slivowitz’ = pruimenjenever.

Proost!

 

Explosieve exoot

Midden in oude binnenstad van Breda ligt het Begijnhof. Daar wordt een prachtige kruidentuin onderhouden. Vanwege de de bezoekers worden de paden rond de tuin schoongehouden van wilde planten en ontsnapte planten uit de perken. Heel soms ontkomt een zaadje aan het smoren in de wieg. In dit geval waarschijnlijk omdat het net binnen een privédomein terecht was gekomen, al blijft zoiets in een begijnhof, moeilijk af te bakenen.

veilig op privéterrein ?

De plant in kwestie is de springkommer (Ecballium elaterium). Hij behoort tot de komkommerfamilie, hetgeen ook aan de bloem is te zien.

komkommerachtiige bloem

De plant is thuis in het gehele gebied rond de Middellandse Zee. Wie daar wel eens is geweest, weet dat springkomkommer daar groeit als onkruid. Liefst op ruderale plekken, naast de weg, parkeerplaatsjes met steenslag, e.d.

De plant ontleent zijn naam aan het feit dat als de rijpe vrucht neerploft, de zaden explosief worden weggeslingerd. Veel leuker is, als de rijpe vrucht nog hangt, een kind te vragen in de vrucht te knijpen. Pang!

De vrucht is giftig, dus het kind moet wel gereinigd worden en een aai over de bol voor de schrik.

harige bladeren met hartvormige voet

De wetenschappelijke naam Ecballium elaterium betekent tweemaal ‘uitwerpen’ . Eenmaal in het Grieks en eenmaal in het Latijn.

 

 

Varens onder de trampoline

Enige tijd geleden kreeg ik een bericht van Kell Eradus uit Reek over varens onder trampolines. Zijn foto’s en tekst volgen hieronder.  Aad van Diemen

Mijn naam is Kell Eradus, ben plantenliefhebber en geniet veelvuldig van de leuke stukjes op Stadsplanten!

Ik ben zeker geen superflorist, maar geniet van alle mooie planten hier in Noordoost-Brabant. Planten in mijn leefomgeving hebben wel mijn voorkeur ; ook mijn werk als hovenier helpt daarbij.

Vaak mannetjesvarens

Als hovenier is het mij het afgelopen jaar opgevallen dat in bijna elke achtertuin tegenwoordig een trampoline staat. Het leuke van trampoline’s is dat dit een beste plek is om varens te vinden! Tot nu toe heb ik bij bijna alle trampoline’s die ik bekeken varens gevonden: voornamelijk mannetjesvarens. Ook wijfjesvarens heb ik ondertussen gevonden en ik denk dat het wachten is op het moment dat ik een zeldzamere soort vindt…..

goed kijken

Wie weet is dit fenomeen het waard om op www.stadsplanten.nl   geplaatst te worden?

Zilverschildzaad: een nieuwe Diemenaar

Deze bijdrage is van de hand van Peter Wetzels (Districtscoördinator Floron-afdeling Groot-Amsterdam). Hij vervangt Ton Denters op diens verzoek. Ton heeft het druk met een bijdrage aan de ‘Nieuwe Heukels’.

 

Zilverschildzaad is een vaak gebruikte tuinplant die in de stad regelmatig verwildert. De algemene opvatting is dat de soort niet winterhard is, en zich elk jaar opnieuw uitzaait uit vers aangeschafte tuinplanten.

Straatbeeld

In mijn directe omgeving in Diemen komt de soort veel op straat voor en ik had het idee dat de soort jaarrond voorkwam: een paar honderd exemplaren verspreid over een tiental groeiplekken, alle binnen een straal van 300 meter. Ik kreeg het idee dat de soort in Diemen niet meer verwildert maar stevig was ingeburgerd. Het criterium voor inburgering is dat de soort een aantal jaren op eigen kracht een populatie vormt. Tijd om mijn idee om te zetten in een aangetoond feit. Het boek ‘Planten tellen’ van Eelke Jongejans over monitoring en demografisch onderzoek aan plantenpopulaties gaf mij het zetje om te onderzoeken of er sprake was van een ingeburgerde populatie.

Door consequent, van 2013 tot 2015, elke maand de aantallen van verschillende groeiplekken te tellen kreeg ik een goede indruk van de ontwikkelingen: geboorte, groei en sterfte.

Na het wieden toch niet weg

In geef hier de belangrijkste conclusies.

Dat deze soort niet winterhard is te nuanceren. Ik heb de groeiplekken drie jaar gevolgd en het werd duidelijk dat de planten met hun wortels de winter kunnen overleven. Een vorstperiode doet alle planten bovengronds afsterven, maar binnen twee maanden staan ze alweer te bloeien. In een zachte winter bloeit de soort gewoon door zoals de Eindejaarsplantenjacht aantoont.

Gek genoeg is zilverschildzaad wel erg gevoelig is voor borstelen. Na een borstelbeurt blijft de straat vrij lang kaal. Snelle hergroei vanuit de wortels treedt dan niet op. Wellicht is het seizoen van belang en hebben de wortels van de straatexemplaren in de zomer weinig reserves. In de tuinen is een keer wieden niet effectief. Een week of wat later komen de eerste groeischeuten weer boven het maaiveld uit.

Zilverschildzaad bloeit lang en rijk en produceert vermoedelijk veel zaden. De kieming is nooit massaal en verspreid over het zomerhalfjaar. De originele groeiplaatsen van de soort zijn te vinden langs de mediterrane kusten net buiten de zeereep. Een verspreide kieming is een strategie van risicospreiding die bij een dynamische omgeving past.

De zaden komen op straat niet ver. Kiemplanten vond ik bijna altijd binnen 20 meter van een populatie.

Tuinbeeld

Zilverschildzaad komt ook in een aantal tuinen voor en uit navraag bleek dat ze daar al vele jaren voorkomen zonder aanplant of uitzaai. Menige tuin werd heringericht met meestal een overgroot aandeel bestrating en zelfs dat deed de soort niet verdwijnen.

De groeiplaatsen wandelen een beetje heen en weer tussen de straat en de naastgelegen bestrate tuinen, afhankelijk van de onkruidbestrijding in tuin of op straat. Zelden vond die onkruidbestrijding gelijktijdig plaats.

Meeste planten staan in de goot

De grootste herinrichting in de wijk is de periodieke ophoging. De wijk verzakt elk jaar met twee centimeter. Dus elke vijftien jaar wordt er in de hele wijk dertig centimeter zand gestort. In 2016 na mijn telling was het weer zover en ik verwachtte een complete verdwijning. Tot mijn verbazing bleef de grootste groeiplaats bestaan en floreert tot op heden. Her en der heb ik ook nog wel losse exemplaren gevonden maar die bleken niet bestendig. In twee ook opgehoogde tuinen komt de soort ook nog steeds massaal voor. Ik vind dit ook wel inburgering, maar laat dat andere floristen maar niet weten.

 

Oranje boven

Voor iemand uit de gemeente Breda is het leuk een nieuwe plant tegen te komen die ‘Oranjeboompje’ heet. Breda noemt zich immers ‘Oranjestad’ omdat het huis van Oranje-Nassau zijn oorsprong heeft in Breda. De voormalige bierbrouwerij ‘Oranjeboom’ in Breda, heeft met die naam niets te maken, al wordt dat door sommigen wel kwaadsappig gesuggereerd.

Met een duidelijk herkenbare nachtschadebloem

Tijdens een planteninventarisatie in Wagenberg, een dorp ten noorden van Breda, kwamen we midden in dorp de plant tegen. Ingeklemd tussen een muur, een lantaarnpaal en een soort elektriciteitskastje; goed beschermd tegen branders en borstels. Je moet wat, als stadsplant. In Nederland is het een zeldzame stadsplant met ongeveer 20 vindplaatsen.

Het struikje is afkomstig uit de bergen van Ecuador en Peru en door de Portugezen als vroeg naar Europa gebracht. Daar was het allereerst een exclusieve sierplant voor de betere kringen. Nu is het boompje voor een breed publiek verkrijgbaar en worden er ook diverse cultuurvariëteiten aangeboden.

Heel veel vruchten

De wetenschappelijke naam is Solanum pseudocapsicum. De geslachtsnaam ‘Solanum’ betekent zoveel als ‘verlichtend’ vanwege de pijnstillend werking van een aantal soorten uit dit geslacht, o.a. doornappel. Denk ook aan het woord ‘soelaas’. De soortaanduiding ‘pseudocapsicum’ betekent letterlijk ‘neppeper’, van pseudo = schijn, en capsicum = Spaanse peper.

 

Ere die ere toekomt

Ereprijs heeft zijn ere zonder twijfel te danken aan de blauwe kleur van de bloemen van de meeste ereprijssoorten. Blauw is al een kleur die bij bloemen niet veel voorkomt en het blauw van sommige ereprijssoorten is wel heel opvallend hemels helder.

Dat laatste geldt zeker voor de soort die ik begin september aantrof in Bavel op de stoep. Ik noemde hem na enig dubben, aarereprijs (Veronica spicata). Voor de zekerheid heb ik hem toch maar op waarneming gezet. Na wat heen en weer gepraat, zei Niels Eimers dat ik deze plant , op grond van de dubbel gezaagde bladeren, gerust lange ereprijs (Veronica longifolia) mocht noemen. Daar houden we het dus maar op. Aarereprijs en lange ereprijs worden beide als tuinplant gezet en verwilderen beide. In Heukels 23ste druk wordt gezegd dat de vondsten buiten het rivierengebied, meestal kruisingen zijn. Stiekum denk ik dat nog steeds van mijn vondst, maar ja Niels he?

Het blad van ereprijs zou onderscheidend zijn

De betekenis van de geslachtsnaam ‘Veronica’ is niet duidelijk. Een aantal auteurs houdt het erop dat de bloemen zijn vernoemd naar de heilige Veronica. Redenen daarvoor worden niet verstrekt en de verklaring lijkt mij daarom dubieus. Een andere lijn is dat de naam verwijst naar het uiterlijk van de plant, dat , mooi’, ‘waar’ of ‘uniek’ zou zijn. Dat lijkt meer plausibel, maar hoeft daarom nog niet waar te zijn. Een mooie naam voor een mooi geslacht planten, maar met een naam in geheimen gehuld, wat het nog mooier maakt.

De soortaanduidingen zijn simpeler. ‘Spicata’ betekent aar, en ‘longifolia’ betekent langbladig.

Ereprijs op straat

Palmlelie

Vaak zijn nieuwe stadsplanten onopvallend. Dat kan niet worden gezegd van de palmlelie (Yucca gloriosa). In oktober 2018 staat de plant hier volop te bloeien. Het zou kunnen dat dit aan de warme zomer ligt, maar een paar jaar geleden bloeide dezelfde plant half mei. Op internet geeft de ene kweker als bloeitijd juli en augustus aan, de andere september en oktober. Kortom, de palmlelie trekt zich niet veel aan van door ons bedachte tijdstippen.

roomwit en appelrood

De palmlelie komt uit het Zuidoosten van de Verenigde Staten, en is inmiddels ingeburgerd in Frankrijk, Italië, Turkije en in België in de duinen. De plant kan zich niet geslachtelijk voortplanten door het ontbreken van de yuccamot hier. Toch kan hij hele haarden vormen in de duinen van o.a Belgie. Filip Verloove schrijft: ‘Een veel voorkomende tuinplant, die in toenemende mate wordt gezien als een tuinuitwerping in ruderale gebieden of op stortplaatsen. Min of meer duidelijk te onderscheiden populaties zijn vanaf 2001 vanaf een aantal locaties in kustduinen bekend, vaak in of nabij natuurgebieden (bijvoorbeeld Houtsaegherduinen tussen De Panne en Sint-Idesbald, Fonteintjes tussen Blankenberge en Zeebrugge, Ter Yde in Oostduinkerke, etc.)’. http://alienplantsbelgium.be/content/yucca

Deze plant heeft een dubbelganger: de Yucca flaccida die sprekend lijkt op de Yucca gloriosa. Toch zijn de twee makkelijk uit elkaar te houden: de bladeren van de Y. gloriosa zijn kaal en stijf. Die van de Y. flaccida hebben dunne, lange draden en de bladen zijn slapper.

blad stijf en kaal

Ook deze soort verwildert, maar minder vaak.

De geslachtsnaam ´Yucca´ is de Spaanse en van oorsprong West-Indische, indiaanse naam voor cassave of maniok. Linnaeus heeft per vergissing de verkeerde naam aan deze plant gegeven. De soortaanduiding ‘gloriosa’ betekent ‘stralend’. ‘Flaccida’ betekent ‘slap’ en heeft betrekking op de bladen die slapper zijn dan die van Yucca gloriosa.

 

Bosliefje

Als je zo een mooie Nederlandse naam hebt als Nemophila menziesii, namelijk: bosliefje, dan schept dat verplichtingen qua uiterlijk.

Oordeelt u zelf. Ik vindt het een schatje. De plant is eenjarig en afkomstig uit de staten Californië en Oregon. Hij wordt inmiddels op meer dan 20 plaatsen over heel Nederland gesignaleerd volgens de verspreidingsatlas van Floron.

uitgezaaide bosliefjes

Op de begraafplaats Zuylen waar ik hem aantrof is hij ongetwijfeld terecht gekomen uit een zaadmengsel voor wilde bijen en vlinders. Toch heeft hij zich daar 1 of 2 maal zelfstandig uitgezaaid.

Gelet op de opvallend blauwe kleur zal het niet verbazen dat deze plant tot de ruwbladige wordt gerekend, waartoe vergeet-mij-nietjes, ossentong en nog veel meer planten met blauwe bloemen in allerlei kleurvariaties.

De geslachtsnaam ‘nemophila’ betekent ‘liefhebber van weiden’. De plant groeit op beschaduwde weiden. De geslachtsaanduiding ‘menziesii’ komt van Archibald Menzies, een 19de-eeuwse Schotse plantenverzamelaar.

Struikrook

Sinds een half jaar kom ik regelmatig op een grote begraafplaats in Breda, Zuylen genaamd, voor de inventarisatie van wilde bijen. De directie van de begraafplaats is met het beheer een andere weg ingeslagen. Het terrein moet een grotere biodiversiteit krijgen. Men heeft zelfs de naam al veranderd in ‘Park Zuylen’, om deze ambitie aan te geven. Het terrein is behoorlijk groot,10 voetbalvelden minstens. Spuiten tegen onkruid wordt niet meer gedaan; op een gedeelte van het terrein is verleden jaar een mengsel ingezaaid van eenjarige bloemplanten. Op weer een ander deel zijn dit jaar heel veel vast planten van een soort neer gezet: grijs kattenkruid en een soort kleine anjer. Vooral het kattenkruid trekt bijen.

bovenzijde blad pruikenboom

Het oudste gedeelte is het meest romantisch met oude graven, wat verzakt, de gebeitelde teksten goed meer leesbaar, en vooral: er wordt al een paar jaar niet meer geschoffeld. Daar verschijnen dus de leukste planten. Omdat het terrein midden in de stedelijke omgeving ligt, duiken vreemde kostgangers op, zoals een zaailing van de pruikenboom (Cotinus coggyria).  Op de verspreidingsatlas zijn een negental plekken te zien waar in Nederland de pruikenboom ook is waargenomen. Hij is afkomstig uit Zuid-Europa en de Kaukasus en is met regelmaat in tuinen te zien. Het is meer een struik dan een boom en valt vooral in de nazomer op door nevelachtige sluiers boven de struik. Dat zijn de de verlengde en harige bloemstelen. Vanwege dit fenomeen, waardoor het wel lijkt of de struik door rook is omgeven, wordt de plant in het Engels ‘smoke tree’ genoemd, en in het Nederlands ‘pruikenboom’. Dat is wat minder beeldend.

onderzijde blad pruikenboom

Al in de oudheid werden de wortels gebruikt voor het bereiden van een rode verfstof. Blad en bast vonden toepassing bij het leerlooien.

De wetenschappelijke geslachtsnaam ‘Cotinus’ komt uit het Grieks en betekent  ‘olijf’; vanwege een zekere gelijkenis ? De soortaanduiding ‘coggyria komt eveneens uit het Grieks en was daar de lokale naam voor de boom. Kortom, we weten eigenlijk niets over de betekenis van beide namen.

Die is in nevelen gehuld, zoals de struik zelf.

Pruikenboom met bloemen

 

 

Kling klokje klingelingeling

Toen Erik van der Hoeven en ik zo tien jaar geleden serieus naar stadsplanten begonnen te kijken, als een soort subgroepje binnen de plantenwerkgroep in Breda, kwamen we hier en daar het kruipklokje (Campanula poscharskyana) tegen. Van jaar tot jaar zagen wij het aantal planten toenemen en zich verspreiden over over de stad en het buitengebied. Dit tot onze vreugde en wij hieven dan het lied aan met de tekst zoals die in de titel van dit stukje staat. Meer tekst hebben we niet. Het betere is de vijand van het goede, moet u maar denken.

Er blijkt in de verspreiding van het kruipklokje wel een voorkeur voor een stenige, warme omgeving. Je ziet dit klokje nauwelijks verwilderd in natuurgebieden.

Kruipklokje goed voor diverse soorten bijen

Ik houd me ook bezig met het inventariseren van wilde bijen, en was benieuwd of dit klokje ook aantrekkelijk was voor bijen. Recent ontdekte ik op diverse plaatsen op de begraafplaats Zuylen in Breda flink uitgegroeide kruipklokjes op diverse plaatsen. Deze werden behoorlijk bezocht door een diversiteit aan wilde bijen: diverse hommels, groefbijen, zandbijen en klokjesbijen. De lange bloeitijd van het kruipklokje maakt hem des te waardevoller.

Kortom, een reden te meer te zingen over dit klokje.