Auteur: Erik van der Hoeven

Ergens in mijn jeugd is het begonnen: het plukken en drogen van 'leuke' plantjes. Het stelde allemaal niet zoveel voor totdat ik in de jaren'60 de colleges van prof. H.C.D. de Wit (hoogleraar algemene plantensystematiek en -geografie) in Wageningen ging volgen. Wat een fantastische wereld opende zich. Vooral tijdens vakanties in verre en minder verre landen genoot ik van de wondere wereld der planten.
Maar pas na het einde van mijn loopbaan als biologiedocent ben ik er wat serieuzer naar gaan kijken.
In mijn woonplaats Breda ben ik actief in de plantenwerkgroep van de KNNV en ik ben mede-auteur van 'Stadsplanten van Breda'.

Probleemviolen

Je zou het niet zeggen, maar voor sommige mensen vormen prachtige plantjes als bosviooltjes toch een probleem.

Ergens op een stoep in een nieuwbouwwijk van Breda zag ik vanaf mijn fiets een blauwe gloed. Dichterbij gekomen bleek het om een ‘monocultuur’ van het bleeksporig bosviooltje (Viola riviniana) te gaan. Toen ik knielde op dat bed violen om er foto’s van te maken kwamen de aanwonenden tevoorschijn. Vindt u dat mooi? Ze vertelden dat ze al jaren probeerden van dat onkruid af te komen. Het stond niet alleen op de oprit maar ook al op de openbare weg. Of ik soms raad wist. “U mag ze allemaal hebben hoor!”.

Het bleke spoor is duidelijk te zien

Hoe komen daar nu zoveel van die planten terecht? Volgens de literatuur vormen Maartse viooltjes enorme tapijten door hun bovengrondse uitlopers, en bosviooltjes kunnen dat niet. Dan is het waarschijnlijk een kwestie van kiemkrachtige zaden.

 

Straatspinazie

In de meimaand kwam ik in Breda op straat een niet-bloeiende plant tegen die ik in de verste verte niet thuis kon brengen. Na een paar weken ontdekte ik dat er iets van bloemetjes te zien waren. Na nog wat gepuzzel kwam ik erachter dat het om spinazie (Spinacia oleracea) ging. Ik ben duidelijk geen moestuinier. Ik ken spinazie uit de supermarkt en had geen idee hoe de bloemen eruitzagen. Nu wel.
De spinazieplant is meestal tweehuizig, dat wil zeggen dat de vrouwelijke en de mannelijke bloemen op verschillende planten te vinden zijn. De mannelijke bloeiwijze is aarvormig en de vrouwelijke bloeiwijzen zijn okselstandig met per bloem 4 of 5 witte stempels (zie foto 2). De bladschijf is eirond tot driehoekig spiesvormig.

Vrouwelijke bloeiwijze van spinazie

Het woord spinazie is afkomstig van het Perzische woord ‘esfenaj. De soortaanduiding ‘oleracea’ betekent ‘als groente gebruikt ‘of ’n moestuinen groeiend’.

Spinacea oleracea behoort tot de familie van de Amaranthaceae. Tot deze familie behoren ook allerlei soorten bieten en ook quinoa. Spinazie is een snelgroeiend, eenjarige bladgroente, die naar het schijnt al heel lang geleden in Perzië werd geteeld. De plant stamt uit West-Azië, maar is niet als wild bekend. De stamvorm is waarschijnlijk Spinacia tetranda, eveneens uit West-Azië. De ‘wilde spinazie”uit de winkel is de gewone spinazie die wat langer doorgegroeid is.

Van spinazie word je sterk. Dat kregen we vroeger vaak te horen. Het verhaal erachter was dat er veel ijzer in spinazie zou zitten en van ijzer word je sterk. Het idee werd nog versterkt door de avonturen van Popeye the sailor man. Hij opende in benarde situaties een blik spinazie, gooide de inhoud naar binnen en loste met de kracht van ijzer de problemen meteen op. De achtergrond hiervan is dat de regering van de Verenigde Staten tijdens de Tweede Wereldoorlog de vleesconsumptie wilde beteugelen en daarom de consumptie van spinazie wilde bevorderen. Popeye bleek de ideale promotor.

Spinazie is iets voor kwekers met weinig geduld. Na ongeveer vier tot zes weken kun je al oogsten. In spinazie zit inderdaad ijzer, 3 tot 4 mg per 100 gram versproduct en dat is niet bijzonder veel. Daarnast zit er allerlei gezonds in: caroteen, vitaminen en anti-oxidanten. Maar er zitten ook lichtgiftige stoffen in, nl. oxaalzuur en nitraat. Je moet er dus niet zoveel van eten als Popeye.

Nog even terug naar de vindplaats. In dezelfde straat en op precies dezelfde plaats werden in 2014 Chia-planten gevonden. Je vraagt je af of er een guerilla-tuinier actief is. Zie website www.stadsplantenbreda.nl.

Straatwalstro rukt op in Breda

Straatwalstro (Galium murale) is van oorsprong een mediterrane soort die de laatste jaren steeds vaker in ons land wordt gesignaleerd. Op de verspreidingskaart van Floron staan nu een twintigtal rode stippen van waarnemingen vanaf 1990. En slechts één van vóór 1990.

Het is een onaanzienlijk plantje dat wellicht regelmatig over het hoofd wordt gezien. Een lid van de plantenwerkgroep van de KNNV Breda ontdekte het plantje vorig jaar in de omgeving van het centrum van de stad. Een maandje geleden trof ik op een andere plek, eveneens in het centrum, een forse populatie aan. Zelfs meer dan 100 exemplaren. Vanaf mijn fiets gezien dacht ik aanvankelijk aan breukkruid. Zoals Grada Menting al opmerkte in haar bijdrage van 24 september 2017 is dit walstro een echte voegenvuller.

Straatwalstro is een voegenvuller

Zonder loep is er niet veel te zien aan straatwalstro. De gelige bloemetjes zijn minuscuul. Met enige moeite zijn er met het blote oog opvallend behaarde vruchtjes te zien.

Buiten haar natuurlijke verspreidingsgebied werd Galium muralis al aangetroffen in België, Engeland, Californië, Argentinië, Chili, Nieuw-Zeeland en Australië. Nog even en het is een wereldburger.

Uit onderzoek van Sipke Gonggrijp (‘de enthousiaste florist’) blijkt dat straatwalstro niet alleen een straatplant is maar ook een campingplant.

 

Een fasci(n)erende Italiaan

De walstroleeuwenbek (Linaria purpurea) wordt met zekere regelmaat in de stad gevonden. Het is een overblijvende plant die tot de weegbreefamilie behoort. Dat laatste is nog steeds even wennen. Vroeger was het namelijk een helmkruidachtige. De soort komt oorspronkelijk uit Italië en is sinds 1990 vooral in de westelijke helft van ons land ingeburgerd. De plant wordt regelmatig aangeboden als tuinplant en omdat hij veel zaad produceert zal hij gemakkelijk ontsnappen. Vooral op matig voedselrijke, stenige en zandige plaatsen kan deze Italiaan uit de voeten. De plant wordt 30 tot 90 cm hoog en heeft blauw-paarse tot roze bloemen in een tros in de maanden juli en augustus.

De Nederlandse naam ‘walstroleeuwenbek’ is te danken aan de bladstand onder aan de stengel. Die groeien in een krans en dat is net als bij walstro (Galium). De wetenschappelijke naam ‘Linaria’ komt van het Latijnse woord ‘linum’ dat vlas betekent. De bladeren doen aan vlas denken.

Maar ook roze bloemen komen voor

De soortaanduiding ‘purpurea’ betekent purperkleurig, maar de bloemen zijn zoals vermeld ook wel eens roze.

In een westelijke wijk van Breda, Princenhage, vonden we een uitzonderlijk exemplaar in de berm: één met een zeer afwijkende dikke steel en bloeiwijze. Dat verschijnsel heet fasciatie of bandvorming. Het kan verschillende oorzaken hebben: een hormonale onbalans in het delende weefsel of genetische veranderingen (mutaties). Ook bacteriële of virale infecties vormen een mogelijke oorzaak.

fasciatie of bandvorming

 

Vioolkrullen op straat

Het jaar begon goed aan de Teteringsedijk in Breda. Een plaatselijke florist ontdekte kleine gele bloemetjes langs een gloednieuwe rotonde. Er zaden waarschijnlijk zaden van dit plantje in de opgebrachte grond. Als je heel goed kijkt naar de bovenstaande foto dan zie je ze. Het is Amsinckia micrantha. De Nederlandse naam is ‘kleinbloemige amsinckia’. De Engelstalige naam van het geslacht klinkt meer als muziek in de oren: ‘fiddleneck’. Deze naam is afgeleid van de bloeiwijze. De stengel draagt een groot aantal kleine bloempjes en buigt aan de bovenzijde iets om op een manier die doet denken aan de hals en krul van een viool. Zo’n bloeiwijze noemen we een schicht, net als die van de kromhals in een vorige bericht.

Duidelijk te zien: een ruwbladige

De kleinbloemige amsinckia behoort tot de familie van de ruwbladige. Van oorsprong komt de plant voor in het westen van Noord-Amerika. In het begin van de vorige eeuw is hij, waarschijnlijk met graantransporten, in ons land terecht gekomen. Je kunt hem vinden op akkers, in bermen, op opengewerkte grond en in de duinen.

De wetenschappelijke naam van het geslacht komt van Wilhelm Amsinck (1752-1831, burgemeester van Hamburg en beschermheer van de botanische tuin aldaar. ‘Micrantha’ betekent ‘kleinbloemig’.

Kleine gele bloemen

Normaal gesproken bloeit deze plant in mei, juni en juli. De exemplaren bij de rotonde waren een beetje dolgedraaid.

Krom in Breda

Kromhals (Anchusa arvensis) is nou niet meteen een typische stadsplant. Toch stond deze plant de afgelopen zomer, ondanks de lichte handicap, fier overeind op een historische plek in het centrum van Breda: bij het Spanjaardsgat. Dit ‘gat’, in feite een waterpoort, wordt vaak in verband gebracht met de list met het Turfschip van Breda in 1590. Door soldaten in het ruim van een turfschip te verstoppen kon Breda door prins Maurits worden heroverd op de Spanjaarden. De bewuste waterpoort is echter pas in 1610 gebouwd. Een voorbeeld van kromme praat dus.

Kromhals behoort tot de familie van de ruwbladigen. Bekende vertegenwoordigers van die familie zijn de gewone smeerwortel, alle soorten vergeet-mij-nietjes en overblijvende ossentong. De laatstgenoemde is een bekende stadsplant. Zoals een goede ruwbladige betaamt is de kromhals stijf behaard (zie foto hieronder). De bloeiwijze is een schicht: de zijassen ontspringen beurtelings links en rechts van de vorige as. De bloemen blijven in dezelfde verticale as en zijn gewoonlijk naar één zijde gebogen. Dat klinkt ingewikkeld en dat is ook zo.

De kromhals is een éénjarige plant die vooral op zonnige plaatsen op omgewerkte, bemeste grond kan worden aangetroffen. Vroeger was het vooral een akkerplant. Vandaar de soortaanduiding ‘arvensis’ in de wetenschappelijke naam Anchusa arvensis. De Nederlandse naam dankt de kromhals aan de kromme kroonbuis. je kunt dit eenvoudig vaststellen als je de kroon voorzichtig van de plant trekt. Vanwege deze kromme buis hebben insecten met een lange tong een voordeel bij het zoeken naar voedsel. Ze worden dan ook vooral door hommels bezocht.

Langparkeerflora

Je vraagt je soms af wat er zal gebeuren wanneer een straat niet meer bereden wordt en ook niet meer geborsteld wordt. Dat kun je mooi zien wanneer een voertuig heel lang op dezelfde plaats blijft staan. Op de foto zie je een prachtige ontwikkeling van straatflora. Er zijn zachte berken te zien, canadese fijnstraal, bleekgele droogbloem, smalle weegbree, grote weegbree, klein streepzaad en kropaar.

Enkele dagen later was alles weg en de auto stond gewoon aan de overkant.

Sieraad van stoep en straat

 

Vooral tussen donkere bestrating zijn de zich voorzichtig uitbreidende geelgroene matjes van kaal breukkruid ( Herniaria glabra) prachtig om te zien. Het is een echte tredplant. Toen we in Breda in 2011 begonnen met stadsplanten was het waarnemen van kaal breukkruid nog iets bijzonders. Door de jaren heen is het steeds gewoner geworden. Gezien de gegevens op de verspreidingsatlas van Floron breidt het plantje zich in het gehele land nogal uit. De toename is dus niet alleen te wijten aan het beter gaan kijken. Aanvankelijk was kaal breukkruid een begeleider van grote en kleine rivieren. Het plantje groeide op  zandige oevers. De omstandigheden langs de rivieren veranderde, o.a. door kanalisatie, waardoor de vindplaatsen daar afnamen. De waarnemingen  verplaatsten  zich naar spoorwegterreinen en later naar het stedelijk gebied.

Kaal breukkruid groeit stervormig

Het natuurlijk verspreidingsgebied van kaal breukkruid omvat een groot deel van Europa met West-Azië en het Atlasgebied, maar ontbreekt grotendeels in Noordwest-Europa.

Kaal breukkruid behoort tot de Anjerfamilie. Daarbinnen is dit plantje nauw verwant aan andere zich over het oppervlak uitbreidende pareltjes als grondster (Illecebrum verticillatum) en riempjes (Corrigiola litoralis). Kaal breukkruid kan 5 tot 15 cm hoog worden en bloeit van juni tot oktober. De erg kleine bloemen groeien in een dichte tros in de oksels van de bladeren. De bloemen hebben witte kroonbladen, maar de groengele kelkbladen domineren, wat het effect van de opvallend gelige kleur van de hele plant versterkt.

de bloemen zijn geelgroen

Tot voor kort, zeg tot in de jaren 80 van de vorige eeuw, werd kaal breukkruid eenvoudigweg ‘breukkruid’ genoemd omdat er eigenlijk maar één soort van dit geslacht in Nederland werd gevonden. Tegenwoordig wordt zijn ‘broertje’, behaard breukkruid (Herniaria hirsuta), ook in ons land aangetroffen. Als zeldzaamheid. Een vondst ervan in Oosterhout in september jl. door de Plantenwerkgroep van de KNNV-afdeling Breda leidde tot een uitbarsting van vreugde onder de deelnemers. Het verschil tussen de twee soorten is niet erg moeilijk te zien. Bij kaal breukkruid moet je heel goed zoeken om haren te vinden en bij die andere zie je het met je blote oog.

Behaard breukkruid is behaard

Blauw op straat

 

Salvia nemorosa (Bossalie) is een populaire tuinplant die zo af en toe genoeg heeft van de border en dan kom je hem op straat tegen.

‘Salvia’ komt van salvus , behouden, ongedeerd, nog in leven, en is dus verwijzing naar de helende werking van de plant, al gaat het in dat geval om een ander lid van het geslacht. ‘Nemus’ is bos en ‘amorosa’ is minnend, dus ‘nemorosa’ wil zeggen dat deze plant zich thuis voelt in het bos.

Bloeiwijze Bossalie

Het natuurlijk verspreidingsgebied is Zuidwest-Azië en Zuidoost-Europa en hier en daar nog verspreid in de zuidelijke Alpen. De plant is ingeburgerd in o.a. Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Noorwegen en Zweden. In Nederland is het een verwilderende plant. De naam ‘Bossalie’ is een beetje misleidend omdat de plant zich voornamelijk op zonnige plaatsen op droge, voedselrijke en kalkrijke grond thuis voelt. De Duitse naam is dan ook ‘Steppen-Salbei’, maar in Frankrijk is het dan toch ‘Sauge des Forêts’.

Bloeiende Veldsalie op straat in Antwerpen

Salie behoort tot de familie van de Lipbloemen. De familie dankt haar naam aan de typische vorm van de kroonbladeren, die samengegroeid zijn tot een boven- en onderlip. Vaak zijn de stengels vierkant, zo ook bij het geslacht Salie.

Een andere soort Salie die je in de stad tegen kunt komen is de Veldsalie (Salvia pratensis), een soort die tot onze wilde flora behoort. Je kunt hem aantreffen in de bermen van dijken en wegen, vooral langs de rivieren. Soms wordt Veldsalie in zaadmengsels gebruikt die in bermen in de bebouwde kom worden uitgestrooid.

De naam ‘salie’ is vooral bekend door Salvia officinalis, de echte salie. Die komt af en toe ook verwilderd voor. Deze plant wordt vooral gebruikt als kruid en is met name bekend uit de mediterrane keuken.

Aan de schrijver Potgieter hebben we het personage ‘Jan Salie’ te danken, een personificatie van de 19de-eeuwse lamlendigheid. Het verband tussen salie en lamlendigheid schijnt te maken te hebben met de rustgevende werking van melk waarin salie is meegekookt.

 

Een ongewenste vreemdeling

 

De naam ‘Alsemambrosia’ klinkt mij sprookjesachtig in de oren. En ook wel lieflijk. ‘Ambrosia’ is het Griekse woord voor voedsel voor de goden, waardoor ze eeuwig leven. In werkelijkheid blijkt het echter een gemene heks te zijn die met het verstrooien van een onschuldig uitziend poeder een deel van de mensheid in het ongeluk stort. Het stuifmeel geeft heftige hooikoortsreacties. De plant produceert ook niet zo’n beetje stuifmeel: tot 1 miljard korrels per plant! De plant scheidt coronopiline uit. Deze stof is de oorzaak van de allergie, maar heeft voor de producent het nuttig effect dat het de groei van andere soorten planten belemmert. Een manier van chemische oorlogsvoering.

Ambrosia artemisiifolia is een eenjarige plant uit de composietenfamilie die afkomstig is uit Noord-Amerika en wordt beschouwd als een invasieve exoot. De plant komt vooral voor op zonnige, open plekken op opengewerkte grond. Je vindt hem vooral op braakliggende grond, open plekken langs bermen, in akkers, op ruderale plaatsen en op industrie- en haventerreinen. Omdat de plant niet vorstbestendig is hij na een jaar meestal weer verdwenen. Voor kieming moet de bodem eerst losgemaakt worden. De zaden blijven  zeker 40 jaar kiemkrachtig.

De plant is in de meeste gevallen in Europa terecht gekomen door de aanvoer van kippen- en vogelvoer. Tuinen met veel vetbollen kunnen zomaar vol gaan staan met Alsemambrosia. Vanaf de eeuwwisseling is het aantal waarnemingen van Alsemambrosia enorm toegenomen. De verwachting is dat de plant zich verder in Nederland zal vestigen en verspreiden. Daarom startte de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, nu vooral bekend van de eierkwestie, in 2011 een campagne voor de bestrijding van Alsemambrosia. Zie www.ambrosiavrij.nu

De gemeente Breda weet ook van aanpakken

In een aantal Europese landen is het inmiddels bij wet verboden voer te importeren indien daaruit niet de zaden van de Alsemambrosia zijn verwijderd. Soms is het zelfs verboden de plant in de tuin te hebben en is het voorgeschreven om deze te verwijderen. Hierbij wordt aangeraden bij het verwijderen handschoenen aan te trekken en het loof niet te deponeren in de gft-container maar in de vuilcontainer, zodat het verbrand wordt.