Auteur: Gerrit Hendriksen

Vanaf de jaren 90 ben ik wisselend fanatiek bezig met floristisch onderzoek. De laatste jaren houd ik mij o.a. in en rond Deventer bezig met flora in zowel stad als landelijk gebied. Vooral de herinrichtingen van de diverse beken rondom de stad en het dynamische van zowel stad als de uiterwaarden van de rivier de IJssel leveren altijd leuke vondsten op. Verder houd ik me bezig met natuurfotografie, wat goed te verenigen is met deze hobby.

Liggende ganzevoet

Het najaar is de tijd van de ganzenvoeten. Graag ga ik dan met de plantenwerkgroep lekker langs de uiterwaarden struinen en kom je al die leuke ganzenvoeten tegen. Maar ook in de stad zie je regelmatig diverse soorten ganzenvoeten, zoals ook deze Liggende ganzenvoet.

Al een aantal jaar staat op een bepaald deel van een straat in Deventer diverse planten van de Liggende ganzenvoet (Chenopodium pumilio). Nou ja, liggend, niet direct, op die paar planten na waaroverheen gelopen wordt. Deze soort behoort samen met Druifkruid en Welriekende ganzenvoet tot het (sub)genus Dysphania, de beklierde ganzenvoeten.

Habitus liggende ganzenvoet

Liggende ganzenvoet is van oorsprong afkomstig uit Australië en Nieuw-Zeeland en wordt ook tot de wol-/graanadventieven gerekend. Volgens de website alienplantsbelgium , waar de soort overigens Dysphania pumilio wordt genoemd, wordt de soort veel waargenomen in havens, op spoorwegemplacementen en in de buurt van graanverwerkingsbedrijven. Blijkens de genoemde site is het een soort die efemeer is, ofwel kan zichzelf maar zeer kort handhaven. Nou …. dat valt te bezien, mijn eerste waarneming op dezelfde plek is zeker al 5 jaar geleden. Bovendien is aan de titel van de blog op deze site met de naam “al tien jaar liggend aan de voet van de kerk” op te maken dat 10 jaar toch best al een tijdje is. Binnen het stedelijk gebied handhaaft de soort zich echter prima en kan het als een ingeburgerde soort worden beschouwd.

In Nederland is de soort vooral te vinden op de zandstrandjes langs de grote rivieren. Het is een uitgesproken warmteminnende pionier van stikstofrijke verstoorde bodems. Even verderop in de straat is in verband met bouwwerkzaamheden ‘gerommeld’. Daar zijn ze dan ook niet 15 cm hoog, maar zomaar een halve meter. Het effect van de standplaats is vrij duidelijk. In het verrommelde deel hebben de planten alle ruimte en liggen ze zeker niet, zijn de planten zelfs groot te noemen, met een mooie driehoekige vorm.

Dé verschillen tussen zijn directe verwant, waar de soort erg op lijkt, Druifkruid (Chenopodium botrys), zijn de compacte ronde kluwens met bloemen in de bladoksel en de gele klierharen op de onderkant van het blad. De vaak liggende habitus is bij deze populatie bepaald niet het meest opvallende kenmerk.

Een echte stadsplant

 

Wolf op straat

Nederland is weer in de ban van de wolf als ik op straat een plantje tegenkom die ik vanuit mijn ooghoek direct classificeer als Gewoon varkensgras (Polygonum aviculare). Kan goed natuurlijk, want dat is zo ongeveer de meest voorkomende plant van Nederland. Iets doet mij toch even goed kijken, iets klopt er namelijk niet. Veel te rood van een afstandje en de donkere vlekken op de bladen. Stukje van de plant afgetrokken en dan valt gelijk een druppeltje melk op. Aha, een Wolfsmelk (Euphorbia), deze had ik in Deventer niet eerder gezien. Op deze blog is de soort regelmatig genoemd als een van de soorten tussen de voegen van straten, bijvoorbeeld in plantjes die gemakkelijk over het hoofd worden gezien. Wat wel vaker gebeurd is dat soorten vanuit het Zuiden/Westen of een combinatie van beiden migreren naar de overige delen van Nederland. Kransmuur bijvoorbeeld kende ik al uit Utrecht voordat deze acht jaar later in Deventer voor het eerst werd gevonden. Voor Straatwolfsmelk (Euphorbia maculata)  geldt hetzelfde, voor 2000 maar op een aantal plekken in Nederland, daarna vanuit het Zuidwesten naar het Noorden. Dat is aardig te visualiseren met de datum ‘slider’ op verspreidingsatlas.

Het beste kenmerk ten opzichte van andere liggende wolfsmelken is de behaarde vrucht,

Detail Straatwolfsmelk, vruchten zijn behaard

 

gecombineerd met het gevlekte blad en de wat rode habitus. Of beter grijzige habitus zoals op de foto is te zien met het paaltje.

Habitus straatwolfsmelk

Diverse zoektochten en enkele honderden Gewone varkensgrassen verder blijkt er tot nog toe maar 1 plekje in Deventer te zijn.  Verder kijken, vooral ook naar die andere Euphorbia’s die te verwachten zijn.

 

Poetsmiddel voor glas

Wie bedenkt dat nu, een plant gebruiken als poetsmiddel voor glas? Nota bene nog een soort die familie is van de brandnetel. Blijkbaar moet het een in ieder geval in Friesland in gebruik zijn geweest, daar heet het namelijk Lytse glêspoetser, beter bekend als Klein glaskruid (Parietaria judaica).

In Deventer, met op een aantal plaatsen oude muren is het een redelijk veel voorkomende soort. In heel Nederland wel, althans in het stedelijk gebied, daarbuiten zeer zeldzaam.

Goed, bij die oude muren is Klein glaskruid eigenlijk overal te vinden. Zelfs al zijn die ‘behoorlijk goed gerestaureerd’ en er nauwelijks sprake is van een weelderige begroeiing.
Verder is in zowel de oude als de nieuwe delen van Deventer wel Klein glaskruid te vinden, maar toch het meest bij de oude muren. Hier een enkel exemplaar in een oud steegje in Deventer, Manhuissteeg.

Klein glaskruid in een oud steegje van Deventer

Aan het einde van de Manhuissteeg is de Welle, de kade aan de IJssel, met een stukje van de oude buitenmuur. Daar staat het massaal aan de voet van de muur.

Klein glaskruid aan de Welle

De planten zijn polygaam, ofwel hebben bloemen met mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen en bloemen met alleen mannelijke of alleen vrouwelijke geslachtsorganen. Klein glaskruid is een lid van de brandnetelfamilie.

Klein glaskruid kan zich goed handhaven op plaatsen waar geen betreding is. Aardig is dat op plaatsen waar fietsen langere tijd staan de soort gemakkelijk tegen de 50 cm hoog kan worden.

Het geslacht Parietaria had tot voor kort twee soorten in Nederland, Klein glaskruid en Groot glaskruid. Onlangs is op deze blog geschreven over een derde vertegenwoordiger van het geslacht, te weten Parietaria lusitanica, die nog geen Nederlandse naam heeft.

Bloeiwijze Grote brandnetel

Vooral in het westen van Nederland is het mogelijk om Klein en Groot glaskruid samen tegen te komen. De kenmerken hebben een zekere overlap waardoor verwarring kan ontstaan. Bij Groot glaskruid zijn de stengels recht opstaand en hol, terwijl Klein glaskruid liggende tot rechtopstaande gevulde stengels heeft die vaak dieprood van kleur zijn. De bladen van Groot glaskruid zijn langwerpig eirond en heldergroen met een grootte van 3-12 cm; in tegenstelling tot Klein glaskruid met verspreid staande stevige donkergroene en eironde bladeren van 2-5 cm.

Glaskruid is waarschijnlijk sinds de Romeinse tijd in Nederland. Naast poetsmiddel was het veelvuldig in gebruik als medicinale plant, vooral als diureticum maar ook bij de behandeling van ‘wild vuur’. Lees meer hierover in Kruidwis.

‘Amelanders’ op straat

3kleinewittebloempjes
Drie van die kleine witte bloempjes op een rij.(vlnr. Kandelaartje, Kleine veldkers, Kandelaartje en Vroegeling)

Het voorjaar is de tijd van kleine witte bloempjes tussen de straatstenen welke je met een beetje geluk tegelijk kunt zien, zoals op de foto hierboven. Die kleine witte bloempjes zijn veelal Vroegeling, Kleine Veldkers, Zandraket en het Kandelaartje.  De links zijn bijdragen zoals eerder verschenen in deze blog.

Kandelaartjes roepen bij mij associaties op met de duinen, wat zeer logisch is als je kijkt naar het verspreidingskaartje. De naam Kandelaartje schijnt afkomstig te zijn van Ameland, waar het plantje vroeger talrijk was. De naam heeft betrekking op zowel groeiwijze als bladvorm (Nederlandse Oecologische Flora 1, 280). De wetenschappelijke naam Saxifraga tridactylites verwijst vooral naar de bladvorm die uit drie lobben bestaat: ‘tridactylites’ betekent ‘drievingerig’.

Kandelaartjes
Kandelaartjes

Kandelaartje is gebonden aan kalkrijke plaatsen en is naast de duinen te vinden op akkers en op open plekken in grasland op droge kalkhoudende grond, begraasde kalkgraslandhellingen, en op bovenkanten van oude stadsmuren, vooral in oude vestingsteden. Deventer heeft hier een daar nog een stukje muur, maar zonder kandelaartjes bij mijn weten. Die muren zijn erg arm aan muurflora, op wat muurvoeten na, met Klein glaskruid en Muurleeuwenbek. Er zijn echter behoorlijke wat plaatsen die voldoen aan de groeiplaats van Kandelaartje, te weten zonnige, open en stenige plaatsen met kalk in de bodem.
In Deventer zijn er bij mij weten zeker vier groeiplaatsen met redelijke aantallen, te weten op een industrieterrein, met mosvegetatie van Tortula spec., op twee plekken met basaltbestrating langs gebouwen, zie hieronder, en een, met betonstenen bestraat heuveltje bij een tankstation.

Een van de groeiplekken met tussen de basaltblokken mossen, Kandelaartjes en Vroegeling
Kandelaartje is geheel beklierd.

Kandelaartjes zijn niet heel erg groot (2-15 cm) en opvallend. Maar als er behoorlijke aantallen staan, valt vooral de rode kleur op. Zie de detaillfoto. Van dichtbij is te zien dat de hele plant is bedekt met klierharen zoals eveneens op de detailfoto goed is te zien.

Kijk eens goed naar stoepjes, bestraatte heuveltjes, o.a. verkeersheuveltjes, op warme droge plekken zoals zuidkanten van gebouwen waar niet al te veel betreding en ‘onderhoud’ is, en meld de Kandelaartjes op waarneming.nl want ze staan op de Rode Lijst Vaatplanten (2012) met de status ‘thans niet bedreigd’.

 

Habitus Amerikaanse kruidkers

Een spoorwegterreinen en een Amerikaan

Diverse auteurs (1,2,3,4,5 en meer) hebben in hun blogs hebben al melding gemaakt van vondsten op spoorwegterreinen, parkeerterreinen en fabrieksterreinen. Daar gebeurt altijd wat en zeker niet datgene wat die terreinen zo interessant maakt, zoals de hoekjes opruimen. Ook ik kijk gedurende het jaar diverse keren op van die verlaten hoekjes, waarvan je er, als je de stad eenmaal goed kent, enkele tientallen hebt. Favoriet is toch wel het parkeerterrein midden in de stad vlakbij het station en dan de verste hoek (zie link naar Google Maps). Het aardige van dit stuk is dat het nog een stuk oude spoorrails bevat met alle elementen (ballastbed, dwarsbalken en rails). Tussen die dwarsbalken is een stuk waar het blauwgroen staat van het plat beemdgras (Poa compressus), een soort die het blijkbaar op het ballastbed erg goed doet.

Bloemen Amerikaanse kruidkers
Bloemen Amerikaanse kruidkers

Echter daar in die verre hoek waar ook niet heel veel geparkeerd wordt en nauwelijks betreding is kwam ik daar een voor mij vreemde kruidkers tegen. Veel ijler dan de Steenkruidkers (Lepidium ruderale) met zijn struikvormige habitus. De afbeelding van de habitus van de Amerikaanse kruidkers (Lepidium virginicum) laat een wat ijlere versie zien. Vooral de witte bloemen die duidelijk buiten de kelk uitsteken zijn een kenmerk dat je niet met de Steenkruidkers van doen hebt; zie de foto van de bloemen. De bladeren zijn bovenin lijnvormig en scherp gezaagd en onderaan de plant liervormig en kroezig ingesneden. Kijk vooral ook naar het zaad. De hauwtjes zijn rond (2½-4 mm breed) met een hartvormige top-insnijding. De zaden (1,5 bij 1,1 mm) zijn duidelijk gevleugeld. De buitenomtrek van de rand is doorschijnend. (Verspreidingsatlas, René van Moorsel en Edwin Dijkhuis, 2017), rechts onderin de foto is zo’n zaadje te zien.

Hauwtjes Amerikaanse kruidkers
Hauwtjes Amerikaanse kruidkers

Verder nogal opvallend zijn de hauwtjes die in het verloop van de zomer wat rood aanlopen waardoor frisgroen en rood aangelopen hauwtjes een wonderlijke combinatie vormen.

 

overzicht_habitus
Overzicht van diverse planten met rood aangelopen hauwtjes.

Er zullen zeker meer bijdragen komen waarbij spoorwegterreinen, fabrieksterreinen en parkeerplaatsen een rol spelen.

 

Hard gras

Jarenlang ben ik langs de plek gelopen zonder dat het me direct was opgevallen. Het was de route die ik wel eens liep als ik de kinderen naar de basisschool bracht en haalde. Een keer was ik wat te vroeg bij het ophalen en keek ik eens goed in de hoeken en gaten van wat straten. Wat ik zag was rood aangelopen gras zo in de nazomer. Raar zag dat eruit zeg. Stukje gepakt, voelde stug aan. In mijn zak gedaan om thuis te determineren. Niet een heel lastig gras om te determineren, bleek al snel. Het bleek om Stijf hardgras (Catapodium rigidum) te gaan. Achteraf, verschrikkelijk veel op geslapen, op de camping in Zuid-Frankrijk.

Best wel trots met deze melding van een gras dat vooral in de Zuid-Limburg van nature voorkomt en verder nogal eens wordt gemeld in het westen van het land, waar het zich, naar het schijnt uitbreidt. Het lijkt een echte urbane soort te gaan worden.

Stijf hardgras langs een muurtje

Het plekje heeft sindsdien mijn warme belangstelling en ook mijn waakzame blik. Op een zaterdag, onderweg naar de supermarkt, zag ik dat de bewoners van het huis waar het grootste deel van de populatie staat, ‘onkruid’ aan het weghalen waren. Alvast excuses voor de stereotypering. Een man met ontbloot bovenlijf en vol met tatoeages was daar naast de ‘wilde rozenstruik’ en de hogere kruiden ook de complete populatie Stijf hardgras aan het verwijderen. Gelukkig was ie net begonnen met de ‘makkelijk’ te verwijderen soorten: Canadese fijnstraal en de hogere grassen. Ik knoopte een praatje aan en wees hem op het gras. Tot mijn verbazing -nooit oordelen is het devies- was hij heel geïnteresseerd en vond het leuk dat er een bijzondere soort stond en zou het zeker laten staan. Eigenlijk was hij best wel trots en blij dat ik hem erop  had gewezen.

Daarmee was de bedreiging nog niet geweken, bleek even later. Ik werd namelijk via via benaderd door een ecoloog die een ‘quickscan’ in mijn wijk aan het uitvoeren was. Delen van de bestrating in de wijk zouden namelijk ‘gerenoveerd’ worden en hij vroeg mij of ik bijzondere elementen kon aanwijzen. Nou dat kon ik wel en dan met name deze populatie Stijf hardgras.

Een paar weken later kreeg ik van de stadsecoloog een schrijven met daarin het plan voor het gebied waar het hardgras staat. Het plan was de tegels te verwijderen, de toplaag en vooral het zand tussen de voegen apart te houden en er na bestrating weer overheen te strooien. Dit alles, ruim na de zaadzetting te realiseren.
Dit is inmiddels alweer ruim jaar een geleden, én het staat er weer, bijna net zoveel als voor de ingreep.
Tegenover deze bewuste plek bleek nog veel meer Stijf hardgras staan. Altijd stond daar namelijk een auto; althans als ik er langs kwam. Toen deze eens weg was zag ik nog eens honderden planten staan. En verderop in een onbeduidend gangetje nog meer, een voor mij nieuw onderdeel van de populatie.

Het mooie aan dit verhaal is dat ‘wetenschap van het volk’ , citizen science zoals dat zo mooi heet, ten goede en tevens zichtbaar gebruikt wordt voor het behoud van bijzondere elementen.

Met de mantel der …

Het spreekwoord kent u waarschijnlijk allemaal wel. Er is ook een groep planten met mantel in de naam, de mantelanjers. Niet dat er veel te bedekken valt door deze mantels: ze zijn nogal ijl.

Het muurtje, daar is ie weer, zoek maar op ‘muur’ op deze blog, waarop het onderwerp staat, bestaat uit basaltblokken.  Dat is ook te zien aan de korstmossen. Deze  blokken vormen een afscheiding tussen twee delen van een wijkje die op verschillende niveaus liggen. In eerste instantie herkende ik niet direct wat ik zag.  Ok, anjer, dat was vrij snel. En toen …. vaag kwam er wat boven van een van de bergwandelingen die ik had gedaan. Zwitserse flora erbij, en ja hebbes, Petrorhagia saxifraga (Steinbrech-Felsennelke) vertelde mij de flora. In het Nederlands de Kleine mantelanjer.

Kleine mantelanjer tussen basaltblokken

Ze zijn in Nederland niet algemeen, buiten de tuincentra om, schijnbaar.
Van een afstandje valt vooral de sprieterige habitus op. De lichtroze bloempjes zag ik eigenlijk pas toen ik wat dichterbij kwam.
In de directe nabijheid (< 5 meter) geen tuinen, wel twee straten die via een trottoir gescheiden zijn van het muurtje/taludje van basaltblokken. De begroeiing van het muurtje is nogal mager, naast wat Uitstaand vetmuur, Kruipertje vooral veel korstmossen en bladmossen.  Helaas de soorten zijn me onbekend, en dan deze mantelanjer. Een leuke aanwinst voor Deventer en wederom de bevestiging dat het loont om die muurtjes en taludjes toch vooral niet links te laten liggen.

Kleine mantelanjer met sprieterige habitus
Akkergeelster (Gagea vilosa)

Sterren zoeken

Deventer en geelsterren

Heerlijk om het floraseizoen te beginnen met een rondgang langs bekende groeiplaatsen van geelsterren en hopelijk nog onbekende groeiplaatsen te vinden. De Akkergeelster (Gagea vilosa) met zijn prozaïsche Engelse naam Field star-of-Bethlehem en de weidegeelster (Gagea pratensis) zijn beiden best nog veel te vinden in de IJsselstreek, als “je maar op de juiste plek zoekt” (Flora van Nederland, 4, blz. 277). Het geslacht is vernoemd naar de Engelse botanicus Thomas Gage (1781-1820).

Als je de verspreidingskaartjes van akkergeelster en weidegeelster bekijkt, dan ligt Deventer redelijk in het centrum van het zwaartepunt van de verspreiding. Voor de weidegeelster zijn ook nog de duinen van belang en voor de akkergeelster Limburg.
Bermen, grasland o.a. beschaduwde grasvelden, akkers , tuinen, begraafplaatsen, heggen, aan de voet van rivierdijken, op glooiingen van zandkoppen in uiterwaarden, rivierduinen met rivierduinbosjes en de binnenduinrand zijn volgens de ecologie van de weidegeelster de groeiplaatsen (Flora van Nederland). Gezien deze plaatsen is de weidegeelster in Deventer een zeldzaamheid. Deventer kent echter een aantal zeer oude parken waar de weidegeelster, nou ik kan rustig zeggen, welig tiert, met enige duizenden exemplaren. En veelal in de boomspiegel rondom tot 200 jaar oude Beuken, Eiken en Platanen in de parken. Zelfs vanuit de trein is een groengele boomvoet te zien, zoveel staan er soms.

Een van de Deventer Beuken (Foto G. Hendriksen)
Een van de Deventer Beuken (Foto G. Hendriksen)
Weidegeelster (Gagea pratensis) Foto. G. Hendriksen
Weidegeelster (Gagea pratensis) Foto. G. Hendriksen 2017

Op de rivierduinen zijn hier een daar wat populaties weidegeelsterren te vinden, echter het beheer (‘gedoseerde bodemverstoring’) is niet echt gericht op de instandhouding van die populaties. Wonen op een rivierduin is topprioriteit. Echter dat wat er is, laat in ieder geval zien dat de soort vitaal is, eigenlijk door heel Deventer heen. Naast de parken zijn vooral ook diverse wegbermen van de wat ‘oudere’ wegen van groot belang. Rondom boomvoeten van platanen en eiken staan op tientallen plaatsen groepen van 1 – 50 exemplaren weidegeelsterren.

 

Akkergeelsterren zijn er altijd veel minder gemeld. Tot 2017 maar van twee plekken bekend. Nader onderzoek en wel net na het hoogtepunt van de bloei van de weidegeelsterren laat zien dat er tientallen plaatsen zijn in plaats van enkele en op dezelfde standplaats als de weidegeelsterren. Inclusief een begraafplaats en een van de parken.
Weide- en akkelgeelster zijn uit elkaar houden gaat het meest gemakkelijk door te kijken naar de mate van beharing. Weidegeelsterren hebben alleen aan de bladvoet soms enkele ‘wimpers’, terwijl de akkergeelster ‘donzig’ behaard is. Bij Akkergeelsterren vormen tot 15 bloemstelen een scherm. Bij de weidegeelster is dat tot 4 bloemstelen.

Akkergeelster (Gagea vilosa) Foto. G. Hendriksen
Akkergeelster (Gagea vilosa) Foto. G. Hendriksen

 

Een nieuwe varen voor Deventer

Zo nu en dan gebeurd het dat ineens iets opvalt. Jarenlang ben ik er al langs gelopen en opeens een paar glanzende donkergroene blaadjes op een tuinmuurtje op het noorden begroeid met mos. Het blijkt een varentje te zijn, niet heel groot, maar anders dan de andere varens die ik ken. Een uitdaging, soorten in deze groep, moet ik zeggen. Deze kwam me zelfs niet bekend voor. Altijd is de camera beschikbaar, hetzij van de telefoon – want waarnemingen voor waarneming.nl moeten altijd gedaan kunnen worden, nietwaar?- hetzij mijn spiegelreflexcamera voor het betere werk. Foto gemaakt en op zoek naar de naam. Na vruchteloos zoeken op de vertrouwde bronnen (verspreidingsatlas.nl, wilde-planten en nederlandsesoorten) niet direct een hit. Of toch wel, het lijkt op een schildvaren van het geslacht Polystichum, maar eeeh, deze staat er niet bij.
Een post op het forum van waarneming.nl levert op dat dit een atypische , nogal kleine versie van een soort is die nog niet lang in Nederland voorkomt , te weten Polystichum polyblepharum, de soort heeft nog geen officiële Nederlandse naam, zie het voorkomen zoals verspreidingsatlas dat laat zien.

Bijgaande foto is de originele post op waarneming.nl. Het is een aanvulling van de lijst van soorten voor Deventer.