Home » Archieven voor Joke de Ridder » Pagina 2

Auteur: Joke de Ridder

Sinds een jaar of 15 doe ik mee met de plantenwerkgroep in Zoetermeer (KNNV) en ik leer iedere keer nog iets nieuws. Ik ben blij met stadsplanten, de stad is onze nieuwe natuur. Bijen hebben het tegenwoordig beter in de stad dan daarbuiten. Bovendien duiken in de stad regelmatig nieuwe soorten op.
Ik werk in de kruidentuin van Weleda in Zoetermeer, een geweldige plek voor planten.
Regelmatig wordt een stukje geschreven door Johan Vos, voormalig Zoetermeers stadsecoloog.

Het geluk ligt soms op straat

Wie kent dit plantje niet? Als kamerplant dan weliswaar. Maar het is ook op straat te vinden!

Slaapkamergeluk is een plant uit de Brandnetelfamilie, een familie met in Nederland maar drie geslachten. In tegenstelling tot zijn neef de Brandnetel is dit een zeer aaibaar plantje, dat zijn geluk dus ook op straat blijkt te zoeken.

Slaapkamergeluk komt oorspronkelijk voor in het westelijk Middellands Zeegebied. Op Corsica schijnt het volop te staan, en ja, zelfs zo’n aandoenlijk plantje kan daar een plaag worden.
Slaapkamergeluk houdt niet van de volle zon, maar doet het goed op een koele, beschaduwde plek. Precies waar je je slaapkamer ook zou situeren, en daar heeft de plant zijn naam aan te danken.
En natuurlijk heeft hij een voorkeur voor de stenen in de stad, het blijft daar meestal een beetje vochtig, en in de winter heeft hij minder snel kans op bevriezen. De plant is namelijk niet erg winterhard. In Nederland vind je hem het meest in het westen van ons land, daar is het toch net iets warmer. En buiten de stad komt hij nog niet voor.

Een jaar of 20 geleden dook het plantje voor het eerst op in Nederland, sindsdien breiden de vindplaatsen zich uit. In Zoetermeer vonden we het voor het eerst in 2005, en laatst kwamen we het weer tegen, in een wijk uit de jaren 70. We waren er blij mee, ook in een jonge stad kunnen we deze echte stadsplanten tegenkomen! Er stonden in deze wijk trouwens veel ‘ontsnapte’ tuinplanten op straat.

Het kruipt over straat en probeert tegen een muur op te klimmen.

Met zijn zeer dunne stengeltjes kruipt Slaapkamergeluk over de stoep. Het plantje lijkt een voorkeur te hebben voor de overgang straat-muur.
Als kamerplant is hij makkelijk te stekken, leg wat stengeltjes op de aarde en hou het vochtig, en zie, er worden makkelijk nieuwe worteltjes gevormd. Zo ook op straat dus, en voor je het weet woekert het flink.

Tot nu toe plant hij zich alleen vegetatief voort maar misschien is dat, gezien het opwarmend klimaat, slechts een kwestie van tijd.

Maarts viooltje, een heerlijke geur in de lente

 

Een van mijn lievelingsplanten is het Maarts viooltje (Viola odorata). Dat komt omdat ik erg van het voorjaar hou en dit plantje een echte lentebode is. De naam zegt het al, maart, hoewel in een zachte winter dit ook een januari’s viooltje zou kunnen heten. Ik heb hem zelfs al eens vóór de kerst zien bloeien.
Maar wat hem zo leuk maakt, is de verrassend lekkere geur. Je verwacht zoiets niet bij zo’n eenvoudig klein bloempje. Het Latijnse ‘odorata’ betekent ‘welriekend’. Ik kan er nooit genoeg van krijgen de geur op te snuiven. Dat heeft waarschijnlijk ook te maken met het feit dat de geur niet lang blijft hangen in je neus. Je moet telkens opnieuw ruiken. Het Maarts viooltje bevat een stof die de geurreceptoren in je neus voor korte tijd verdooft.

Maarts viooltje komt vrij algemeen voor in Zoetermeer, maar omdat het een klein plantje is moet je er toch een beetje naar zoeken. Kijk onder de heg, en in boomgroepen. Hij houdt van schaduw maar dat moet je ook weer niet overdrijven. Buiten de bloeitijd valt hij eigenlijk niet erg op, en wordt het ook moeilijk om hem te determineren. Zo haalde ik jaren geleden Maartse viooltjes mijn tuin in. Helaas bleken het, toen ik wat meer leerde over blauwe viooltjes, Bleeksporige bosviooltjes te zijn. Zónder die lekkere geur. Nu weet ik dat je op de kelkbladeren moet letten, en op de spoor. Je moet eigenlijk de achterkant van de bloemetje bekijken dus.

De bloem: stompe kelkbladeren en rechte spoor.

Al sinds vele eeuwen wordt het Maarts viooltje geroemd om zijn verleidelijke geur. En het is ook al lang bekend als geneeskrachtig plantje, evenals het Driekleurig viooltje. Viooltjes doen het vooral goed bij huidproblemen.
Je kunt de bloemetjes ook eten, in de sla bijvoorbeeld. Of, eventueel versuikerd, op een dessert. Ik zou dat zelf alleen doen als het plantje een plaag is geworden in je tuin. Voorlopig is het bij mij nog niet zover.

 

Nieuwkomers in de stad

Aarpluim Kransgras (Polypogon viridis) foto: Tilly Kester

Dit artikel is geschreven door Johan Vos, die 31 jaar stadsecoloog van Zoetermeer was.

Hierbij wil ik uw aandacht vragen voor de gestage opmars van Kransgras in Zoetermeer. Samen met een aantal andere, typisch stedelijke soorten als Gehoornde klaverzuring, Straatliefdegras, Groene en/of Geelrode naaldaar en Harig vingergras, is Kransgras tegenwoordig een vaste bewoner van de verharding in bijna alle Zoetermeerse wijken. Hoe snel deze inburgering is gegaan blijkt o.a. uit de tekst uit de meest recente Heukels’ flora (2005) die over deze soort meldt: ‘recent op een aantal plaatsen in het urbane gebied ingeburgerd’. In ‘Stadsplanten, veldgids voor de stad’ uit 2004 noemt Ton Denters Kransgras nog niet.
In Zoetermeer is Kransgras voor het eerst in 2008 waargenomen. Hoewel we nooit gericht gezocht hebben naar Kransgras kunnen we melden dat de soort zeven jaar later 22 keer in 13 Zoetermeerse km-hokken is waargenomen.
Kransgras is een vrij onopvallend éénjarig grasje dat, als zoveel andere stedelijke soorten, afkomstig is uit het Middellandse Zeegebied. Op het eerste gezicht heeft het wel wat weg van Fioringras. Toch kan voor de herkenning de Heukels’ flora meestal wel in de rugzak blijven: als je er oog voor hebt herken je ze al op afstand hoor ik vaak om me heen.
Ook deze soort behoort tot de steeds groeiende groep stedelijke grassen, van zuidelijke herkomst, die na de langste dag in bloei komt.
Qua voorkomen gaat het om warme, vochtige en stenige groeiplaatsen, waaronder verwaarloosde stadstuinen met veel verharding; op de overgang van horizontale en verticale verharding, tegelpaadjes tussen achtertuinen, e.d.
Ik maak me sterk dat Zoetermeer niet de enige stad is waar deze ontwikkeling plaatsvindt en ben dan ook nieuwsgierig naar ervaringen uit andere steden.

Kransgras tussen gewassen grindtegels in een verwaarloosde voortuin. foto: Johan Vos

Nieuwe soort in Zoetermeer

Een nieuwe soort ontdekken klinkt ietwat romantisch. Een journalist die ons eens volgde veronderstelde dat wij met enthousiaste kreten op de knieën vielen bij het ontwaren van een ‘nieuwe soort’. De praktijk is ontnuchterend. De nieuwe soort is een onbeduidend plantje zoals Aziatische veldkers, of het is een nieuw soort brandnetel, daar wordt toch bijna niemand enthousiast voor.

Een soort die in 2016 nieuw is voor Zoetermeer is de Oeverbies, Bolboschoenus laticarpus. En deze begon zijn bestaan ook onopgemerkt. Misschien stond hij zelfs al langer in de stad. Deze zomer vond iemand hem langs de Meerpolder aan de noordkant van de stad. De Bolboschoenus laticarpus lijkt heel veel op de Bolboschoenus maritimus (Heen). Een mooie oeverplant waar ik altijd wel een beetje blij van wordt.

De verschillen in het kort: Oeverbies kent een vertakte bloeiwijze, met een centrale groep zittende aartjes en 2-7 gesteelde stralen met aartjes. Deze stralen zijn meer dan 2 maal zo lang als de aartjes. Heen is compacter, heeft ook de zittende aartjes, met maar 1-2 gesteelde stralen met aartjes. Deze stralen zijn minder dan 2 maal zo lang als de aartjes.

Op de plek waar de Oeverbies gevonden was, had ik kortgeleden al hardlopend nog gedacht: ah mooi, Heen! Deze nieuwe look-a-like werd mijn kleine projectje; samen met de hond liep ik langs alle waterkanten in de buurt. We hebben er nogal wat in Zoetermeer. En warempel: overal waar ik vroeger Heen dacht te zien, stond de Oeverbies. Ik heb geen Heen meer gezien sinds deze zomer!