Home » Archieven voor Peter Hegi

Auteur: Peter Hegi

Ik was ooit een vogelaar maar door het werken in een heemtuin ben ik zo'n 3 jaar geleden verknocht geraakt aan de Nederlandse wilde flora. Na verloop van tijd ben ik mij meer en meer gaan richten op stadsplanten. Je hoeft tenslotte niet de stad uit om de natuur te ontmoeten. Voorlopig ben ik natuurlijk nog geen expert op dit gebied maar ik leer wel snel gelukkig.

Kijk maar, er staat niet wat er staat.

Naamgeving aan planten is soms een lastige zaak. Het vergt veel creativiteit om steeds weer nieuwe namen te verzinnen. En soms lijkt dan de luiheid toe te slaan en worden planten vernoemd naar soorten die er op lijken. Zo lijkt de Schijnpapaver (Meconopsis cambrica) op een Klaproos (Papaver) maar is het niet. En de Schijnaardbei (Potentilla indica) lijkt op een aardbei (Fragaria) maar is het niet. Tenslotte lijkt de Rode schijnspurrie (Spergularia rubra), waar dit stukje over gaat, veel op een Spurrie (Spergula) maar is het dus niet. Hier lijken zelfs de wetenschappelijke  namen op elkaar. De geslachtsnamen komen van het Latijnse ‘spargere’ dat ‘uitstrooien’ betekent. Ze schijnen dus hun zaad gemakkelijk uit te strooien. ‘Rubra’ tenslotte, betekent rood.

De stengels
De stengels

De Rode schijnspurrie groeit in de stad; vooral in de voegen. Veel mensen zullen er overheen lopen zonder hem te zien en ook veel floristen lijken hem niet te zien,  gezien het beperkt aantal meldingen in Den Haag. Toch is het een plant die vrij makkelijk te herkennen is; maar zoals zo vaak moet je hem eerst een keer gezien hebben. Hij valt op door donkergroene liggende stengels met licht gekleurde steunblaadjes op regelmatige afstand van elkaar. De plant heeft donkerroze bloemen, vaak met een lichter gekleurd hart, met vijf kroonbladen en vijf groene kelkbladen. Zelf vind ik het een prachtig bloemetje. Het is een vrij algemene plant; aan de kust komt hij wat minder voor.

De Rode schijnspurrie lijkt dus op een Spurrie.  In ons land zijn dat de Gewone spurrie (Spergula arvensis) en de Heidespurrie (Spergula morisonii). Deze laatste hebben de bladeren in een soort krans staan terwijl de bij de Rode schijnspurrie de bladeren in paren tegenover elkaar staan.

Bloem met stengel
Bloem met stengel

In ons land komen nog twee soorten Schijnspurrie voor die ook weer erg op elkaar lijken: de Gerande schijnspurrie (Spergularia media) en de Zilte schijnspurrie (Spergularia salina). Deze laatste twee Schijnspurries hebben een meer vlezig blad, terwijl de Rode schijnspurrie een stekelpunt heeft aan het blad, iets dat de andere twee soorten niet hebben. De Zilte en Gerande schijnspurrie worden bijna niet gezien in Den Haag, de grootste kans daarop is in Scheveningen en ik ga dan ook proberen de soort op die plek aan te treffen. Anders moet ik hem weer treffen op Texel, maar dat is een schijnoplossing.

Het grasveld is een slagveld.

Toen mijn jongens klein waren keken ze wel eens naar de tekenfilmserie “Pinky and the Brain”. In deze serie probeerde Brain, een muis, “to take over the world”. Hier moest ik aan denken toen na de droogte van afgelopen zomer hele stukken grasveld bedekt werden met Zachte ooievaarsbek (Geranium molle). Het was een echt opvallend verschijnsel en het verbaasde me dat er in floristische kringen geen aandacht aan werd besteed. Alleen in het blad Planten van Floron stond een kleine stukje over de “massale ontkieming van enkele éénjarige Geraniumsoorten in zandige bermen”. De planten konden daar ontkiemen omdat er open plekken in de grasmat waren ontstaan.

Massale ontkieming van Zachte ooievaarsbek.

Nu is deze massale ontkieming misschien wat extreem, al lang is er volgens mij sprake van een soort transitie in grazige bermen en gazons. Werden die plekken vroeger, op wat Madeliefjes en Paardenbloemen na, bevolkt door grassen, tegenwoordig lijkt er een ware strijd om de macht gaande. Wat de reden daarvan is is mij niet geheel duidelijk. Mogelijk werd er vroeger vergif gebruikt tegen zogenaamde onkruiden, vergif dat nu niet meer gebruikt wordt. Dat vergif is overigens nog steeds te koop bij Tuincentra; bijvoorbeeld Pokon Onkruid Weg. Dat mogen ze wat mij betreft in de ban doen.

Een drukte van belang.

Wat zijn dan wel de vijanden van ons gras, het vredige gras waarop we vroeger voetbalden of naar de wolken lagen te kijken. Die vijanden zijn een heel aantal over het algemeen kleine plantjes. Voorbeelden, die je ook op de foto’s kan zien zijn de reeds genoemde Zachte ooievaarsbek, Paarse dovenetel, Vogelmuur, Duizendblad, Reigersbek, Schijnaardbei en Kluwenhoornbloem. Maar ook zeldzamere soorten kan je er vinden. Zoals de reeds eerder in dit blog door mij beschreven Knopig doornzaad en Liggend hertshooi. Ik heb zelfs het lieflijke Slaapkamergeluk een aanval op het gras zien doen. Tenslotte zijn er ook de mossen als bijvoorbeeld Haakmos dat soms massaal in het grasveld staat. En al die planten strijden om een plek. Vandaar de titel van dit stuk. Het grasveld is een slagveld geworden. Ik ben benieuwd hoe het er straks uitziet als al die plantjes gaan bloeien.

 

Je ziet ze pas als je ze gezien hebt.

Bovenstaande titel is natuurlijk een variant op de beroemde uitspraak van Johan Cruijff: Je gaat het pas zien als je het doorhebt. In mijn, beperkte, ervaring heb ik gemerkt dat als je een keer een plant goed gezien hebt de kans sterk vergroot wordt dat je hem weer ziet. Je hebt als het ware een plaatje er van in je hoofd. Hele goede floristen hebben vaak heel veel plaatjes in hun hoofd.

Bovenstaande geldt vooral voor planten die niet zo erg opvallen. Je kijkt er dan snel over heen. De groep “onopvallende planten” wordt denk ik te weinig gemeld waardoor de kaartjes van verspreidingsatlas geen goed beeld geven. Soms denk je dan een vrij zeldzame plant te hebben gevonden waarna echter blijkt dat je hem opeens een stuk vaker ziet dan volgens de kaarten zou kunnen. Zelf had ik dat met de plant waarvoor ik hier de aandacht wil vragen: Knopig doornzaad.

Dit jaar heb ik een kilometerhok gestreept in de wijk Ypenburg van Den Haag. Ik was al bijna klaar en bevond mij op een plek waar ik niet veel meer van verwachtte. Je kent het wel, gazonnetjes, wat struiken en bomen: een typisch gemeenteplantsoen. Ik keek wat in het gras toen plotseling mijn oog viel op een plantje dat mij onbekend voorkwam. Ik nam er een stuk van af en nam het mee naar huis om er een paar foto’s van te maken. Ik had er nog geen idee van wat het was. Na wat speurwerk bleek het Knopig doornzaad (Torilis nodosa) te zijn. Ik zocht hem op op Verspreidingsatlas en zag dat deze plant vooral in Zeeland en in het Hoge Noorden te vinden was. Den Haag was dus een bijzondere plek en ik was blij met deze bijzondere waarneming.

Het was een paar dagen later dat ik wat dromerig in een stukje gazon keek bij winkelcentrum In de Boogaard in Rijswijk, vlak bij mijn huis. Een saai stukje gras. Maar wat zag ik daar? Dat leek wel erg op Knopig doornzaad. En ja hoor, het was hem ook. Snel weer foto’s gemaakt en gemeld op Waarneming.nl. Toch was de plant wel een beetje minder bijzonder geworden. Dat werd hij nog minder toen ik hem twee weken later nog op een andere plek in Rijswijk vond en tussendoor nog op Texel. Blijkbaar behoort deze plant tot de groep “onopvallende planten” en wordt hij veel te weinig of veel te weinig gemeld. Misschien is hij wel helemaal niet vrij zeldzaam en staat hij ten onrechte als kwetsbaar op de Rode Lijst. Ik zeg niet dat dat zo is, maar het zou kunnen.

Nu natuurlijk nog wat informatie over deze plant. De naam Doornzaad is niet zo vreemd gezien de vorm van de vruchten: er zitten stekeltjes aan. Door die stekeltjes blijven de vruchten aan de vacht van dieren klitten en wordt op die manier bijvoorbeeld door schapen vermeerderd die op de dijk grazen. In de stad zouden dat honden kunnen zijn. Knopig zou kunnen duiden op verdikkingen van de stengel. Ik weet dat niet zeker.

De witte bloemen groeien in kleine schermen aan de zijkant van de stengel, tegenover een blad. In gazons kruipt de plant over de grond maar op Texel zag ik hem groeiend in hagen langs de dijk. De stengel is vrij stijf. Verder is de plant behoorlijk aanliggend behaard.

De bloeiwijze staat tegenover een blad

Kijk dus de komende tijd eens wat meer en grondiger naar die saaie gazons bij u in de gemeente. Mogelijk is er wat bijzonders waar te nemen.

Het verschijnen en verdwijnen van een zeldzaamheid.

Niks mooiers voor een stadsflorist als ik, is een stuk grond in de stad dat nog niet beplant is door de gemeente. Binnen de kortste tijd groeien daar allemaal planten als Ganzenvoeten, Duizendknopen en Meldes. En tegenwoordig ook allerlei groenten zoals de tomaat. Ik loop zo’n strook dan ook regelmatig na om te kijken of er iets bijzonders in staat. In het stuk grond op de eerste foto vond ik zo’n 90 soorten waaronder één plant die ik niet kende.

De “wilde” strook langs het fietspad in Rijswijk.

Van die laatste plant had ik het vermoeden dan het een ontsnapte tuinplant was. Toch poste ik hem maar eens in de Facebook Wilde planten-groep. Al gauw was de naam bekend: de Europese heliotroop. Op de kaart van verspreidingsatlas stonden slechts een enkele stip wat betekend dat het hier om een zeldzame plant ging. Toen ik hem vervolgens op Twitter zette werd ik o.a. gefeliciteerd door Ton Denters voor deze mooie vondst. Ik bleef een beetje gereserveerd naar het geheel kijken, misschien wel zeldzaam als stadsplant maar misschien heel gewoon in tuincentra.

De Europese heliotroop.

Wat in ieder geval duidelijk was dat hij op een plaats stond die slechts tijdelijk was, hier moest andere beplanting komen. Ik heb toen de gemeente gemaild over deze bijzondere vondst met het voorstel deze planten over te brengen naar de Rijswijkse Natuurtuin. Helaas is dat bericht niet echt overgekomen, mede door vakanties van ambtenaren. Op een ochtend fietste ik langs de stook en zag tot mijn ontzetting dat alles weggeklepeld was. Weg bijzondere plant.

Detail.

Nou is dat natuurlijk voor veel stadsplanten het geval. Ze staan er en ze verdwijnen weer,vaak als prooi van de hongerige bosmaaier. Maar we zouden voor dit soort bijzondere planten iets moeten verzinnen, bijvoorbeeld een bordje met de tekst: Niet maaien, zeldzame plant. Of dat helpt weet ik niet maar je kan het altijd proberen. Ik ben benieuwd of er floristen zijn die dit soort activiteiten al ondernemen in hun stad.

De bloeiwijze.

Rolling Stones?

Stel je voor: je hebt een leuk huis, mooie tuin ervoor met een leuk oud muurtje daar om heen. Op dat muurtje groeien wat plantjes en dat vind je best leuk. Als je lekker aan het werk bent in de tuin komt er een florist langs die tegen je zegt: wat een mooie Steenbreekvaren heeft u daar op uw muurtje staan. Dan schrik je je toch een hoedje. Steenbreekvaren! Je ziet je mooie muurtje al volledig instorten …

Nu weten wij floristen wel dat dat zo’n vaart niet zal lopen. De tere wortels van de Steenbreekvaren (Asplenium trichomanes) maken gebruik van de reeds bestaande verwering van de muur en hebben in de verste verte niet de kracht om die muur te beschadigen. Maar hoe komt die varen dan aan die naam?

Volgens de website Stadsplanten van Breda heeft de naam te maken met het feit dat deze varen vaak in scheuren van de muur groeit. Een weinig spectaculaire verklaring dus. Als dat zo is dan zijn eigenlijk al die muurvarens steenbreekvarens.
Veel buitenlandse namen van deze varen hebben het woord “haar” in de naam: Maagdenhaar, English maidenhair of trichomanes, Duitse Jungfrauenhaar, Frans capillaire en trichomane. Die naam heeft het te danken aan de vele zwart glanzende steeltjes als fijne haartjes.

De Steenbreekvaren is vrij gemakkelijk te herkennen. De varen heeft vrij lange smalle bladeren met veel kleine helder lichtgroene deelblaadjes. Hij blijft ’s winters groen en heeft in de zomer rijpe sporen die zich in langwerpige hoopjes in strepen onder de deelblaadjes bevinden.

Floristen zouden geen floristen zijn als ze niet enkele ondersoorten zouden vinden. Zo groeit er in ons land ook de IJle steenbreekvaren (Asplenium trichomanes subsp. trichomanes). Zonder hier verder op in te gaan kan je er van uit gaan dat de plant een ijlere indruk maakt, de deelblaadjes staan wat verder van elkaar af. Voor de volledigheid, de Gewone steenbreekvaren heet in het Latijn Asplenium trichomanes subsp. quadrivalens. Maar dat mag je van mij best in je pet gooien. Ga eerst maar eens genieten van die prachtige, subtiele Steenbreekvarens die onze muren verlevendigen.

Steenbreekvarens op een kademuur.

Waar vind je ze? Steenbreekvarens groeien op vochtige muren en rotsen. Je vindt ze dus op kademuren maar ook op oude tuinmuurtjes en zelfs in brandgangen op stenen tuinhuisjes. De varen kan echter ook op de grond groeien en soms op zelfs op boomstronken. Dat vind ik geen echte Steenbreekvarens.  Dat zijn gewoon mietjes. De echte Steenbreekvaren staat natuurlijk met zijn wortels in de mortel.

Die witte dingetjes daar

Eind vorig jaar heb ik met het management van Shell Rijswijk afgesproken dat een deel van het grote grasveld voor hun  gebouw niet gemaaid gaat worden. We gaan dan eens kijken wat er zoal op gaat komen. In dit kader loop ik af en toe even langs om te kijken hoe de zaken er voor staan.

Pasgeleden liep ik er weer eens rond toen er een bewaker op me af kwam. Hij stelde me de gebruikelijk vraag wat ik aan het doen was. Dat viel nog niet mee om uit te leggen, vooral dat niet maaien was moeilijk te begrijpen voor hem. Ik dacht toen aan  de hand van de daar veel bloeiende Madeliefjes het één en ander uit te leggen. Ik wees hem op de bloemetjes en er verscheen een rimpel op zijn voorhoofd. “Oh, die witte dingetjes daar bedoel je!” Ik was even perplex. De meeste Nederlanders zijn opgegroeid met het Madeliefje. Deze meneer had een andere achtergrond en mogelijk ook weinig affiniteit met planten en bloemen.

Het Madeliefje (Bellis perennis) is misschien niet een echte stadsplant, toch zie ik haar in ieder geval het meest in een bebouwde omgeving. Op zich niet zo gek want het Madeliefje is een tredplant. Zij vindt het dus heerlijk als er over haar gelopen wordt en ook van maaien lijkt ze profijt te hebben. Toen ik nog in de heemtuin werkte was er een Parnassiaveldje met een graspaadje er om heen. Als dat gemaaid was en het onderscheid tussen graspad en veldje verdwenen was kon je nog steeds goed blijven zien hoe het graspad liep, er stonden daar heel veel Madeliefjes.

Het Madeliefje is een duidelijk voorbeeld van een composiet. Feitelijk is hier geen sprake van één bloem maar van een bloemhoofdje met witte, aan de rand soms rode, lintbloemen en gele buisbloemen.

rode randen
Soms met rood aan de randen

Het bloemhoofdje sluit zich als het donker wordt of als het regent. Het blad van het Madeliefje vind je als rozet op de grond, niet aan de stengel waaraan één bloemhoofdje zit. Veel mensen, ook beginnende floristen, kennen eigenlijk alleen het bloemhoofdje. Ze herkennen dan ook vaak het blad niet als de plant niet bloeit. Zo ging het tenminste bij mij ook.

blad
Het blad.

De latijnse naam, Bellis perennis, betekent mooie, overblijvende schoonheid. Dat klinkt mooi maar ik ben bang dat in de praktijk deze schoonheid door weinig floristen wordt bewonderd. Ook vraag ik me af hoeveel kinderen hun moeder nog een bosje verlepte madeliefjes geven of een krans ermee vlechten om in hun haar te doen. Eén troost is er voor ons Madeliefje, ze is weer nummer één geworden in de Eindejaars Plantenjacht 2017.

En je moet er toch niet aan denken dat er geen Madeliefjes meer groeien in die toch al saaie grasvelden om ons heen.

eenzaam wachten

Een eenzame stationsplant op de foto.

Iedere familie heeft vast wel een beetje aparte oom. Een oom die opvalt door zijn gedrag wat vaak afwijkt van wat veel mensen normaal vinden. Zo’n oom hadden wij ook. Oom Joop was treinfanaat. Hij was dan ook veel op stations te vinden, altijd met de camera in de aanslag. Ik denk dat hij toendertijd alle treinen in Nederland wel op de foto heeft gezet.

Zelf mag ik ook graag op stations komen. Ik heb echter een wat andere hobby dan mijn oom. Net zoals hij fotografeer ik daar maar geen treinen maar planten. Er bestaan  namelijk stationsplanten. Eén van de meest voorkomende stationsplanten is de Kleine leeuwenbek (Chaenorhinum minus). Deze plant ben ik al op veel stations tegengekomen.

kleine leeuwenbek
Kleine leeuwenbek, hele plant.

De Kleine leeuwenbek maakt deel uit van de Weegbreefamilie. Als soort is de plant een Kierleeuwenbek (Chaenorhinum) en heeft in Nederland als soortgenoot  het Marjoleinbekje. De laatste heb ik nog nooit op een station gezien. Kierleeuwenbekken zijn eenjarige of overblijvende planten. De bladeren zijn lijnvormig tot eirond, aan de basis tegenoverstaand. De bloemen staan in de bladoksels en lijken op die van Leeuwenbek (Antirrhinum). Dat verklaart dus één deel van de naam. De kier bevindt zich in de bloem tussen de kroon en de lip, populair gezegd tussen het bovenste en onderste gedeelte van de bloem.

 

bloeiwijze
De bloeiwijze.

Volgens onze plantenbijbel Heukel’s Flora van Nederland komt de Kleine leeuwenbek  algemeen voor langs spoorwegen. Verder komt hij voor op open, vochtige, voedselrijke, vaak kalkhoudende, omgewerkte grond in akkers en moestuinen. Ook wordt hij een stadsplant genoemd.

De vraag is nu: waarom staat deze plant zo graag langs het spoor en dus ook op stations? Volgens Ton Denters (Stadsplanten, veldgids voor de stad)  kan de Kleine leeuwenbek met weinig toe en heeft hij alleen een sterke behoefte aan licht en warmte. En daar is bij het spoor geen gebrek.

Op de stations is er echter één grote vijand: de man of vrouw met de bosmaaier of ander dodelijk apparaat. De perrons moeten natuurlijk wel schoon blijven. Gelukkig heeft de Kleine leeuwenbek over het algemeen genoeg tijd om ons zijn bloemenpracht te tonen. Jammer dat zo weinig treinreizigers belangstelling voor hem hebben.

Boombewonertjes

Wat doet een stadsflorist als er wat planten betreft even niet zoveel te beleven valt? De één gaat zich richten op groenblijvende struiken. De ander gaat op vakantie de tropische flora bekijken. En weer een ander bekijkt nou eindelijk eens z’n fotoverzameling van dit jaar waar planten op staan die nog geen naam hebben. Ikzelf kijk nu vooral naar bomen.

Bomen zijn natuurlijk meer dan een stuk hout. Het zijn hele levensgemeenschappen. Op zo’n boom groeien mossen en korstmossen, er kruipen insecten over en onder de schors en op de takken maken de Goudhaantjes hun piepgeluidjes.

Wat de meeste mensen niet zien zijn de hele kleine paddenstoeltjes die groeien tussen het mos op de boom. Meestal zijn dat Mycena’s. Zo groeien er op een boom in een straat vlak bij mij huis twee soorten schorsmycena op een zwaar bemoste boom. Het gaat hier om de Blauwgrijze schorsmycena (Mycena pseudocorticola) en de Lilabruine schorsmycena (Mycena meliigena).

De Blauwgrijze schorsmycena is vrij algemeen volgens het boekje Naam & faam, een nuttig boekje waarin alle paddenstoelen van Nederland staan. Het is een sapotroof op hout, dat betekent dat het recyclers zijn van dood organisch materiaal. Ze ruimen als het ware rommel op en zijn dus niet schadelijk voor de boom.

Blauwgrijze schorsmycena
Blauwgrijze schorsmycena

De Lilabruine schorsmycena, ook een sapotroof;  is veel midder algemeen dan de Blauwgrijze. Volgens Naam & faam is hij zeldzaam en zelfs bedreigd. Hij staat dus op de rode lijst. Toch schijnt hij regelmatig voor te komen samen met de Blauwgrijze schorsmycena. Ik mag de Lilabruine eigenlijk niet determineren op het oog want er staat in Naam & faam de beruchte letter M achter. Dat betekent dat de microscoop moet worden gebruikt en die heb ik niet. Toch werd mijn waarneming op waarneming.nl gevalideerd.

Lilabruine schorsmycena
Lilabruine schorsmycena

Mij ziet men dezer dagen dus veel naar bomen kijken en dat levert weer de nodige vreemde blikken op. “Wat doet u daar meneer”? Als ik dan zeg dat ik kijk naar mossen en paddenstoelen dan vindt men dat in het algemeen leuk. Een enkeling echter kijkt je aan met een blik van: op welke planeet leef jij?

Mycena
Een nog onbekende Mycena

De Ruige fijnstraal komt er aan!

In dit blog schreef Joop de Wilde onlangs een informatief verhaal over de Fijnstralen en dan met name de Hoge fijnstraal. Voor algemene informatie over de Fijnstralen verwijs ik dan ook naar zijn artikel.
In Nederland groeien vier soorten Fijnstraal van het geslacht Conyza: de Canadese, de Hoge, de Gevlamde en de Ruige fijnstraal. De eerste drie komen veel voor in Den Haag en omstreken. In iedere straat zijn ze wel te vinden. Alleen de Ruige fijnstraal (Conyza bilbaoana) komt nog maar op beperkte schaal voor. Ook in Nederland als geheel wordt hij als zeldzaam beschouwd (https://www.verspreidingsatlas.nl/5395).

De eerste Ruige fijnstraal werd gemeld door Remko Andeweg, nota bene van het bureau Stadsnatuur van Rotterdam. Hij vond de fijnstraal langs het Hertenkamp bij de Koekamp in Den Haag. Vanaf die tijd ben ik op zoek gegaan naar Ruige fijnstralen in Den Haag. Gelukkig duurde het niet lang alvorens ik de Ruige fijnstraal vond op een andere plek in Den Haag: de Petroleumhaven. Daarna werd de plant ook nog op een enkele andere plek gevonden in Den Haag en groot was mijn blijdschap toen ik dit jaar de Ruige fijnstraal vlak bij mijn woning in Rijswijk vond.

De hoofdjes met de donkerbruine omwindselbladen.

Waar herken je de Ruige fijnstraal nu aan? Eén van de meest onderscheidende kenmerken zijn de donkerbruine, teruggeslagen omwindselbladen. De plant valt dus het meeste op als hij min of meer uitgebloeid is. Maar er zijn meer kenmerken: de hoofdjes zijn klein en kaal of schaars behaard, de stengel is “rommelig behaard”. De Hoge fijnstraal is bijvoorbeeld heel dicht behaard.

De beharing van de stengel.

De  buisbloemen hebben vijf lobben. Dit laatste kenmerk, wat hem onderscheidt van de Canadese fijnstraal, is lastig op de foto te krijgen omdat de buisbloemen heel klein zijn.

Vijf lobben van de buisbloem (moeilijk te zien).

Wat mij verder opvalt is dat de rozetbladeren én de onderste stengelbladeren  vaak “vingers” hebben (veerlobbig of veerspletig). Ik ben er nog niet uit of dat een exclusief kenmerk van de Ruige fijnstraal is, ook rozetbladeren van de Hoge fijnstraal gaat soms die richting op.

De bladeren.

De vraag is nu wat de Ruige fijnstraal gaat doen. Ik heb het vermoeden dat de Ruige fijnstraal bezig is aan een flinke opmars maar dat kan ik nog niet hardmaken. Wat lastig is dat de Ruige fijnstraal pas laat bloeit en veel gemeentes aan het eind van de herfst de stad “winterklaar” gaan maken door nog één keer al het onkruid te verwijderen. Zo ben ik al verschillende mogelijke Ruige fijnstralen verloren. Komende tijd zal ik nog regelmatig door Den Haag en Rijswijk fietsen op zoek naar de Ruige fijnstraal.

Het verlangen naar een Varkenskers

Veel floristen kennen het. Een lijstje met planten die je graag eens zou willen zien. Vaak staan daar bijzondere soorten op die op een enkel plekje in ons land groeien. Op mijn lijstje staat vooral de Grove varkenskers.

In Nederland kennen we twee soorten Varkenskers, de Grove (Coronopus squamatus) en de Kleine (Coronopus didymus). Die Kleine zie je overal. De lijst van groeiplaatsen op Verspreidingsatlas.nl is dan ook lang. Je kan hem bijna overal tegenkomen. Alleen op de Waddeneilanden, in het Noordoosten en in de IJsselmeerpolders komt hij wat minder vaak voor.
De plant komt oorspronkelijk uit Zuid-Amerika en is hier goed ingeburgerd. Het is ook een tredplant, dat wil zeggen, hij vindt het heerlijk als u over hem heen loopt.

Kenmerkend voor de Kleine varkenskers is zijn onaangename geur. Als ik een varkenskersachtige plant zie, dan pluk ik er een stukje af en reuk er altijd even aan om hem vervolgens ontmoedigd weg te gooien. Ik wil de Kleine niet, ik wil de Grove varkenskers zien.

De Grove varkenskers komt oorspronkelijk uit het Middellandse Zeegebied en is ook een algemene soort. Volgens Verspreidingsatlas.nl moet hij ook bij mij in de omgeving, Den Haag en Rijswijk,  voorkomen. Maar nee hoor, ik heb hem nog nooit gezien en op Waarneming.nl wordt hij hier bijna nooit gemeld. De Grove varkenskers is dus helemaal niet zo algemeen als verondersteld wordt. Ik roep dan ook alle Hagenaars en Rijswijkers op om op zoek te gaan naar de Grove varkenskers. Als je hem vindt, meldt hem dan op Waarneming.nl. Geef vooral duidelijk aan waar je hem vond, dan kan ik hem ook gaan bezoeken.

De vruchten van de Kleine varkenskers

Hoe onderscheiden zich deze twee Varkenskersen? Dat gaat het beste als ze bloeien of vruchten hebben. De bloemstelen van de Kleine zijn langer dan de bloemen, van de Grove korter. De vruchten van de Kleine zijn bijna glad, van de Grove zeer ruw. Ik kan de Grove varkenskers hier echter niet laten zien, ik heb er nog steeds geen foto van kunnen nemen!

De bloemen.