Home » Archieven voor Rutger Barendse

Auteur: Rutger Barendse

Wat mij vooral bezighoudt is de flora in mijn directe woonomgeving. Een verhuizing af en toe is daarom ook geen enkel probleem. Sinds 2016 botaniseer ik in en rond Genk en probeer ik ook een Plantenwerkgroep leven in te blazen. We gaan sinds 2016 tweewekelijks op zondag op stap. Ik botaniseerde als vrijwilliger 15 jaar rond Balen en Mol (België, provincie Antwerpen en Limburg) en 10 jaar rond Nijmegen. Mijn jeugd bracht ik door in Noord-Holland en ook toen leerde ik via de Jeugdbond voor Natuurstudie al heel wat planten kennen. Ik werkte 10 jaar als veldmedewerker planten voor de Provincie Noord-Brabant en doe en deed als kleine zelfstandige vele opdrachten voor met name de Provincie Limburg (Nederland).

Kleine liefde

Wie in deze tijd naar buiten gaat en in de voegen van de straat naar planten speurt, zal het al snel opvallen, zeker in de stad, dat daar allerlei grasjes groeien die er in het begin van het jaar nog niet te vinden waren. Het zijn profiteurs van warm weer en komen vaak overgewaaid uit moestuinen en ander kweekgedoe, oorspronkelijk zelfs waarschijnlijk uit de landbouw of graanoverslag.  Deze kleine grassen worden platgelopen, afgebrand, afgeborsteld en doodgespoten, maar veel tijd hebben ze niet nodig om zich in groot aantal voort te planten. Ook liefdegrassen zijn hier meester in.

 

2400 vruchtjes per plant is bij Klein liefdegras geen uitzondering

Klein liefdegras Eragrostis minor met haar aren, die uit 8-20 bloemen, en dus vruchtjes bestaan, is een van de twee algemenere liefdegrassen in Nederland en België. De andere is Straatliefdegras. De aren van Klein liefdegras vallen makkelijk uiteen en profiteren van elke beweging die wij ze geven.  Aangezien elke tak van de plant al snel meer dan 30 aartjes heeft en elke plant als snel vier takken heeft, zijn 2400 vruchtjes per plant geen uitzondering.

Klein liefdegras blijft in verspreiding beperkt tot stenige habitats

Daarmee lijkt Klein liefdegras al snel niet meer zo lief en klein, maar ook met deze overweldigende hoeveelheid zaad is de verspreiding van de plant nog altijd relatief beperkt. Ze blijft redelijk beperkt tot straatrandjes en andere stenige habitats zoals spoorbeddingen. In moestuinen is het waarschijnlijk vaak te rijk.  In wegbermen en gazons is waarschijnlijk te veel concurrentie.

Wie met een loep de plant bekijkt zal de aartjes van klein liefdegras zeker waarderen. Als er op een schoolplaat een mooi compleet aartje getoond moet worden dan zou ik Klein liefdegras kiezen. Als men toch een loep ter hand neemt is het ook aan te raden de bladrand, aan de basis, af te speuren op de merkwaardige klierknobbels. Een soort zwarte punten. Wie dat ziet weet ook meteen zeker dat het geen Straatliefdegras is. Die heeft trouwens nog kleinere aartjes.

Meer Smeerwortel

 

De gewoonste smeerwortel is de Gewone smeerwortel. Het is een grote plant die grote aantrekkingskracht op met name hommels uitoefent. Toen ik mee ging doen aan ‘herken de plant bij de hommel’ herkende ik dan ook vele malen smeerwortel.  Ze kan paarse, roze tot bijna witte bloemen hebben. Je vindt deze plant ook in stad; ze groeien op vruchtbare, vochtige grond op lichtelijk ruderale plaatsen tussen allerlei andere grote planten als Grote brandnetel en Koninginnenkruid.

Gewone smeerwortel is meestal paars, maar soms bijna zuiver wit zoals deze te Boom (B.)

Maar als we het over stadse smeerwortels hebben komt al snel een heel scala aan andere soorten die je er verwilderd kan aantreffen in beeld. Ze zijn niet allemaal even makkelijk herkenbaar.

Bij deze Bastaardsmeerwortel loopt de bladrand af op de stengel.

Als eerste wil ik blauwbloemige smeerwortels behandelen.  De zeldzaamste is Ruwe smeerwortel. Bij deze, en dat is een heel belangrijk kenmerk, lopen de bladranden niet af op de stengel.  Of deze in zuivere vorm te vinden is, is wel de vraag, want de kruising Bastaardsmeerwortel, met wel aflopende bladranden, is waarschijnlijk de gewoonste. In België is dit een vrij zeldzame, in Nederland een zeldzame plant.

Kaukasische smeerwortel (S. caucasicum) is ook een (fel) blauwbloeiende soort, maar is meestal een lagere plant. De kelk is ook minder ingesneden dan bij Bastaardsmeerwortel. Het blad loopt zeer kort af op de stengel.

Kruipende smeerwortel met rode knoppen en kelkbladeren

Dan zijn er een stel kruipende smeerwortels die nu, in maart/april, ook al in bloei staan.  Kruipende smeerwortel (S. grandiflorum) is een algemene tuinplant. Het is een lage, zich zeer makkelijk uitbreidende plant en vaak wat zwarte punten op het blad en rode onderdelen: kelk en knoppen. Eenmaal ‘in de natuur’ weggegooid, kan de plant grotere vlakken maken.

Hidcote-smeerwortel met de wat vuilige blauwroze bloemen

Even gewoon is een zeer op Kruipende smeerwortel gelijkend taxon. Het betreft de meervoudige kruising Hidcote-smeerwortel (S. x hidcotense).  Het belangrijkste onderscheid is de kleur van de bloemen, een beetje vuilblauwroze, maar de plant is ook gemiddeld iets groter dankzij invloed van de ouder , en zelf al een kruising, Bastaardsmeerwortel.  Met Kruipende smeerwortel, de andere ouder, heeft ze die zwarte punten op het blad gemeen, de rode knoppen en natuurlijk het kruipende karakter. 

Moeilijker zijn de opgaande geel en bijna witbloeiende soorten.  Knolsmeerwortel (S. bulbosum) is daarvan de makkelijkst herkenbare soort door de uit de bloemkroon stekende stempel en keelschubben.  Knolsmeerwortel is op twee plaatsen in Nederland aangetroffen.

Symphytum tuberosum in Zuid-Frankrijk langs een bergbeek. Komt waarschijnlijk niet voor in Nederland en België

S. tuberosum wordt wel eens gemeld, maar dit is mogelijk nooit juist.  Het kan ook zijn dat de naam met S. bulbosum wordt verward, maar deze laatste is ook ultiem zeldzaam als verwilderde plant. Beide soorten hebben in ieder geval ‘tubers’.  S. tuberosum is een opgaande plant met eenkleurig wat zachtharig groen blad en zuiver gele bloemen. Mogelijk komt deze plant dus niet verwilderd voor in Nederland en België. Het is een inheemse plant uit Midden- en Zuid-Europa en zelfs in tuinen heb ik de plant nog nooit gezien.

Symphytum orientale te Thorn 2007. Pas nu herkend door nazicht van mijn foto-archief.

Vrijwel witbloeiende en sterk vertakte planten zonder aflopend blad kun je ook in twee soorten opdelen.   Een belangrijk onderscheid is de insnijding van de kelk. Bij Symphytum tauricum, momenteel slechts bekend van 1 plaats te Haarlem, is deze tot op de basis ingesneden. Bij S. tauricum is de bloemkroon ook veel langer. De veel minder ingesneden soort is Symphytum orientale. Deze was nog niet bekend uit Nederland en België, maar omdat ik voor dit artikel in mijn foto-archief aan het browsen was,  ontdekte ik op 1 van mijn foto’s van smeerwortel een plant van Thorn uit 2007 die vrijwel zeker Symphytum orientale moest zijn.

 

 

Straatgrassen

Hoe stadser kan het heten dan ‘Straatgras’ ? Tussen de kleinste voegen van de straat kan een polletje groeien en in elk jaargetijde vind je het in bloei.  Straatgras is een eenjarige plant die valt onder de beemdgrassen. Maar is dat nu een interessante plant? Jawel! Ik bekeek ze redelijk vaak van dichtbij want al jaren zocht ik naar een op Straatgras gelijkende soort. Het betreft het zeer gelijkende Poa infirma. Straatgras zelf kan al redelijk smal en tenger zijn, Poa infirma is nog een beetje smaller en tengerder. Ik wist van het bestaan door in de Britse flora van Stace te bladeren. Toch vond ik er al die jaren nooit die aan de beschrijving voldeden; al moet ik ook toegeven dat ik ook niet ieder Straatgras aan een inspectie onderwierp.

Het is helaas vaak zo, dat je de plant in kwestie eerst eens moet hebben gezien, liefst aangewezen door een ervaringsdeskundige, zodat je er een beeld van krijgt. Niet alleen van het uiterlijk van de plant, maar ook van de plekken waar je die zou kunnen verwachten. Dat laatste bleek uiteindelijk de sleutel tot succes. De plant werd vanaf 2016 op vrij veel plaatsen in Nederland ontdekt en met name op aangereden grond op campings. Helaas had ik dus zelf de primeur niet, graag ontdek je zoiets als eerste, zeker als je er al langer naar gezocht hebt, maar de aanwijzing dat campings ‘the place to be’ waren, gaven me hoop. In 2017 wezen West-Vlaamse botanici me de plant op een West-Vlaamse camping, en had ik dus ook al een zoekbeeld en in 2018 vond ik er, uiteindelijk dus met eigen ogen, een heel stel op een camping in Belgisch Limburg. Een kleine missie kreeg zijn voltooiing.

Een West-Vlaamse camping bleek het mekka voor Poa infirma

Inmiddels bleek ik achteraan in de horde te zitten, want in snel tempo bleek een aanzienlijk deel van Nederland al gevuld met stippen. Ook Vlaanderen volgde snel. Zo snel dat de hypothese is, dat we er met zijn allen toch jarenlang overheen moeten hebben gekeken. Niet alleen campings waren de goede plekken, maar allerlei man-made pionierplaatsen bleken groeiplaatsen te herbergen. Denk aan begraaf- en parkeerplaatsen. Maar ik had een excuus; nog steeds zijn de hogere zandgronden, en algemener gesproken het Zuiden en Oosten van beide landen, zeer schaars bedeeld. Daar moeten wij het toch nog grotendeels doen met gewoon Straatgras.

Een frisse pol Straatgras op 7 januari 2018; een goed begin van een nieuw jaar

Normaliter schrijf ik vervolgens graag ook nog iets over het onderscheid tussen de twee soorten, maar niet zo lang geleden heeft Niels Eimers het woord al verspreid in een prachtig tabelletje op waarneming.nl. Voor deze keer verwijs ik dus graag door naar https://waarneming.nl/species/129155/

Rest mij nog iedereen een fijn 2019 toe te wensen en dat uw eerste waarneming in 2019, om 1 over 12 bij het licht van het vuurwerk, het Straatgras moge zijn.

Doornappel

Het is al even geleden dat ik een krantenbericht las over Doornappel (Datura stramonium).  Mensen kennen de vrij algemene  plant ondertussen ook wel en weten ook wat van zijn giftigheid. Toch was het niet zo lang geleden dat er verontrustende berichten te lezen waren over zeldzame Mexicaanse gifplanten die zomaar waren opgedoken in de tuin van een onschuldige burger. Ook zijn de ziekenhuisopnames van mensen, voornamelijk jongeren, die met Doornappel een ‘trip’ probeerden te maken, ofwel niet meer nieuwswaardig, ofwel  tot nul gereduceerd.  Het nieuws gaat mogelijk ook snel de ronde dat de plant hiervoor ook niet geschikt is.  De plant is gewoon verdomd giftig en onberekenbaar.

Doornappel heeft grote gedoornde zaaddozen met talrijke grote zwarte zaden

Doornappel komt oorspronkelijk niet voor in Europa, maar werd uit Amerika ernaartoe gebracht, aanvankelijk expres, en kon zich gemakkelijk uitbreiden. In de grote zaaddozen zitten talrijke grote zwarte zaden die lang kiemkrachtig blijven.

In een dichte grasmat ontkiemen Doornappels moeilijker

Doornappel staat voornamelijk op verstoorde grond, bijvoorbeeld in opgebrachte grond in tuinen, langs wegen met nieuwe bermen en in bredere zin op allerlei braakliggende gronden. De zaden vallen op de grond uit de langzaam opengaande vruchten en kunnen bij hernieuwde omwerking van de grond (en verplaatsing!), ook dus pas jaren later, vervolgens ontkiemen. In een dichte grasmat gaat dit moeilijker.

Een ongestekelde forma van Doornappel.

De naam van de plant komt van de stekelige vruchten. Die zijn nagenoeg rond en met dikke stekels bezet. Ze lijken wel wat op de bolsters van Paardenkastanje. De bloemen zijn meestal wit, trechtervormig en vaak wel 10 cm lang.  De planten bloeien voornamelijk ’s nachts. Vandaar dat je overdag vaak alleen maar verwelkte bloemen aantreft.  Er zit wel wat variatie in de uiterlijke kenmerken van de plant. Zo heb je planten die paarsig-roze bloeien genaamd var. tatula. Bij zowel de witbloeiende (var. stramonium) als de paarsige variatie kunnen de vruchten ongestekeld zijn.  Dit zijn de forma’s inermis.  Zo heeft een ongestekelde paarsig bloeiende Doornappel de volgende lange naam: Datura stramonium var. tatula f. inermis.

Datura ferox, een andere soort doornappel, heeft nog grotere stekels op de vruchten

Er zijn een aantal andere soorten Datura, Doornappels, die nog geen vaste voet aan wal hebben gezet in Nederland en België.  De ene soort onderscheidt zich voornamelijk door nog grotere stekels op de vruchten.  Het is Datura ferox.  Het is een adventief die mogelijk alleen voorkomt door verwildering uit vervuild geïmporteerd vogelzaad.

Door de geknikte vruchtsteel hangt de vrucht naar beneden bij Datura innoxia.

De andere soort onderscheidt zich voornamelijk door de geknikte vruchtsteel.  Die heet Datura innoxia. Mogelijk komt ook de gelijkende Datura wrightii nog voor. Die onderscheidt zich van de geknikte innoxia door aanliggende klierloze haren. Altijd dus even de loep bovenhalen bij Datura innoxi. En daarna natuurlijk heel goed je handen wassen.

Sorghum, Sorgo

Sommige grassen spreken qua naam al tot te verbeelding.  Sorgo.  Waar komt die naam vandaan?  C.A. Backer weet het niet.  Google ook niet, dus dan klopt dat.  In België en Nederland groeien er twee soorten. De één is een graangewas uit Afrika en heeft als officiële Nederlandse naam Kafferkoren (S. bicolor).  Ik ga die links laten liggen. De ander is een mysterieus overblijvende: Wilde sorgo. Dat mysterieus komt vanwege haar verspreiding. Ik ken het uit tuinen, langs snelwegen, op een dijkje, bij graantransport en recent van opgebrachte grond.  Hoe komt die plant daar?

Ik zette het in mijn eigen tuin omdat ik er een jonge plant van vond op opgebrachte grond te Genk die ik niet direct herkende.  Ik vermoed dat ik de enige ben met deze afwijking, dus in andermans tuinen is de oorsprong vast anders. Zou men het hebben gekocht? Of zit het stiekem tussen de mezenzaadjes?  De plant kan wel decoratief zijn, maar ik vermoed niet voor lang als ze flink gaat uitbreiden. In een tuincentrum zag ik hem nog nooit aangeboden.

Nu het zo droog is, is het de enige plant die vrolijk blijft in mijn tuin. Hij viel me ook al op op een inmiddels oude groeiplaats in de haven van Gent. Alles was vrijwel verdord, behalve de Wilde sorgo (Sorghum halepense).   Het is ook geen kleine plant en heeft relatief breed blad dus petje af voor deze droogteresistentie.  De plant moet ook nog even, want normaal komt ze pas in augustus en september in bloei.  In Gent was ze dit jaar begin juli al bezig.

Wat zoekwerk naar de plant leidt gedeeltelijk naar een antwoord op de vraag naar haar voorkomen. De plant komt oorspronkelijk uit het mediterrane gebied, maar is ook hier voornamelijk een onkruid die reageert op menselijke activiteit.  Ook daar staat ze in wegbermen en op omgewerkte plaatsen. Zo is ze dus, eenmaal aangevoerd, redelijk gemakkelijk ook in ander werelddelen gevestigd en zal ze ook niet zo maar weer verdwijnen.

Hooiland in de stad

Een gazon vol met Madeliefjes, wie wil dat nu niet?

Onze eigen gazonnen en de grazige stroken in de wijk, zijn de hooilanden van de stad. De efficiënte akkerbouw laat geen ruimte meer over voor Paarden- en Pinksterbloemen in het open veld. Ze zijn er teruggedrongen tot smalle strookjes langs wegen en watergangen. In de stad is natuurlijk nog minder ruimte, maar de weinige strookjes gras staan vaak vol met de hooilandsoorten uit het agrarische landschap van weleer. En dan natuurlijk juist in die stukjes gras die niet met een nagelschaartje worden bijgehouden. Met een beetje geluk vindt je Knolboterbloemen en Gewone ereprijs, maar het kan ook bijzonderder met soorten als Lathyruswikke en Onderaardse klaver.  Het devies luidt: Vooral niet mesten en grasmaaisel afvoeren. Zo komen er vele bloemetjes in het gras. Madeliefjes en Witte klaver kunnen met een iets soepeler maaibeleid, mooie tapijten van bloemen opleveren. En al die bloemetjes hebben ook groene delen die vaak veel droogteresistenter zijn dan het dierbare zachte gras. Dat betekent dat je niet hoeft te sproeien om het ook in hoogzomer er groen uit te laten zien. Leve een bloemenrijk gazon!

Glanzend sneeuwklokje of glanzende sneeuwklokjes?

Het begint stilaan al weer te kriebelen onder de botanisten, ook al hebben we nog geen echte winter achter de rug. Dat de prilste inluiders van het plantenseizoen de sneeuwklokjes zijn, kan niemand ontkennen dus laten eens bij stilstaan bij deze prachtige planten.  Zelfs bij het Gewoon sneeuwklokje is al heel wat op te merken qua variatie in uiterlijk, al was het maar omdat er veel mee gekweekt wordt en kleine verschillen in uiterlijk een commercieel succes kunnen worden.  Er zijn ook redelijk wat boeken over sneeuwklokjes geschreven en zelfs over illustere verzamelaars van sneeuwklokjes; de galanthofielen.

Gewoon sneeuwklokje verwilderd op een begraafplaats te Herzogenrath (D.) in 2018

Een aantal variaties van het Gewoon sneeuwklokje weten zich succesvol ook buiten tuinen te vestigen waaronder de prachtige variatie Scharlockii met tweetoppige schutbladeren en groene vlekken op de buitenste bloembladen.  Ook de gevulde sneeuwklokjes, te vatten onder de groep Plenus, vind je met enige regelmaat in bosjes rond huizen.

Galanthus nivalis var. Scharlockii in de oever van de Ourthe (B.) in 2015

Dat er zelfs diverse echte soorten verwilderen is minder bekend en dat zijn ook zeldzamere gebeurtenissen. Waarschijnlijk vermeerderen die andere soorten zich ook veel moeilijker dan het Gewoon sneeuwklokje. Zo is er het Groot sneeuwklokje met blauwig ingerold breed blad en ook een mooi glanzend sneeuwklokje. Het heeft breed donkergroen blad dat glimt. Het woord glanzend schreef ik wel expres met een kleine letter. In het standaardwerk ‘Stinzenplanten’, een boek uit 1985 dat handelt over flora op buitenplaatsen langs de Vecht bij Utrecht, staat namelijk een sneeuwklokje afgebeeld met als naam Glanzend sneeuwklokje Galanthus ikariae, maar dit bleek niet juistVoor wie zich interesseerde, in het Nederlandstalig gebied, in verwilderde bolgewassen was het boek ‘Stinzenplanten’ dé referentie en nadien noemde iedereen dergelijke planten 25 jaar lang Glanzend sneeuwklokje.  Daar kwam een eind aan toen in 2011 in België ook zo’n plant werd aangetroffen te Lommel (B). Het stond er in een rommelig bosje ingeklemd door bebouwing. Het was de eerste vondst ooit in België en dus werd er ook een plant verzameld en gedroogd voor de collectie van de Plantentuin te Meise.

Galanthus woronowii bij Lommel (B.) in rommelig bosje in 2011

De determinatie door de Plantentuin kwam zonder twijfel op Galanthus woronowii uit vanwege de dunnere groene streep op het binnenste bloemblad.  Maar wat bleek daarna? Ook het plaatje in ‘Stinzenplanten’ toonde dit dunne streepje. Vanaf dat moment begon de zoektocht naar een echte Galanthus ikarae ,ook in Nederland, en die bleek alleen in de botanische tuin, met een bordje ernaast, van Wageningen overtuigend aanwezig.  Verwilderd is deze soort niet aangetroffen. Kortom; De mooie Nederlandse naam Glanzend sneeuwklokje was eigenlijk bedoeld voor Galanthus woronowii.  Toen ik op 25 januari 2018 te Genk een mooie pol van Galanthus woronowii vond, herinnerde ik me deze geschiedenis weer en kreeg ik het verlangen de naam Glanzend sneeuwklokje gewoonweg te verplaatsen naar de andere wetenschappelijke naam. De taxonomen zullen dat niet pikken dus laat ik het erop houden dat het glanzende sneeuwklokjes waren..

Ipomoea op transport

In Genk (B) vonden we op een met baggerspecie uit de Schelde opgehoogd terrein een hele lading bijzondere uitheemse planten.  Sommige planten duidden erop dat ze meegekomen zijn met sojatransport, andere leken te zijn verwilderd uit tuinen en nog weer anderen kwamen uit semitropische delen van de aarde en zelfs een, een kruidachtige Pelargonium, had een reis overleefd vanuit Zuid-Afrika.  Opvallend genoeg waren de meeste vreemdelingen beperkt tot enkele families. Dit duidt ook op onkruidvervuiling bij zaadtransporten.  Het meest in het oog springend bleken de Ipomoea’s.  Het zijn klimplanten met opvallende bloemen uit de windefamilie (Convolvulaceae)Ipomoea’s houden van een warm klimaat en komen dus alleen in bloei als ze langere tijd flink wat warmte hebben gehad. Dat kan dus duren tot de late zomer.  De vijf gevonden Ipomoea’s te Genk kwamen allen in bloei in september en oktober. Geen van hen zal de winter overleven.

 

De Dagbloem (Ipomoea purpurea)

De Dagbloem (Ipomoea purpurea) werd buiten het genoemde terrein in Genk in verwilderde toestand gevonden. Het is een populaire tuinplant met grote bloemen die soms verwildert na te zijn weggegooid.

 

Scharlakenwinde (Ipomoea coccinea)

De mooiste Ipomoea op de baggerspecie bleek toch wel Ipomoea coccinea. Ze heeft voorlopig de Nederlandse naam Scharlakenwinde. Het blad heeft opvallende extra punten op de bladrand en is dan dus zonder bloei ook te herkennen. De bloemen zijn prachtig mooi rood en door hun langere kelkbuis extra delicaat.

 

Klimopwinde (Ipomoea hederacea)

We vonden er ook redelijk wat Ipomoea hederacea. Heel belangrijk is te kijken naar de kelkbladen bij de als Klimopwinde bekend staande plant. Als deze flink behaard zijn én omgekruld dan heb je waarschijnlijk steeds met deze soort te maken. Er zijn twee variaties van Ipomoea hederacea. De een heeft een klimopachtig ingesneden behaard blad, de ander een meer driehoekig gelobd en behaard blad.

 

‘Wit ochtendgloren’ (Ipomoea lacunosa)

Een wat minder opvallende was Ipomoea lacunosa. Deze heeft kleinere witte bloemen. Het blad is veel kaler en de bladrand is mooi donkerrood gelijnd.  De kelktanden zijn meer aanliggend. Als we de Engelse naam vertalen zou de plant Wit ochtendgloren gaan heten.

 

‘Roze ochtendgloren’ (Ipomoea x leucantha)

Voor de echte kenners bleek er ook een kruising te vinden zijn die we voorlopig als Ipomoea x leucantha determineerden. Dat is een kruising tussen I. lacunosa en I. trichocarpa. Ook hier zijn de kelktanden aanliggend, de bloemkleur is roze/lichtpaars en de bladeren kunnen aan een plant zowel klimopachtig als bijna rond zijn.  Mocht men een naam mogen verzinnen: Roze ochtendgloren.

 

Zure klavertjes

Klaverzuring is er in het wit en komt wild in vochtige bossen voor. Je hebt er ook geelbloeiende van en die groeien inmiddels zo’n beetje overal. De kleine kruipende geelbloeiende klaverzuring is Gehoornde klaverzuring en zelfs daarvan zijn er twee types. De meest bekende is het type met donker, roodachtig blad. De wetenschappelijke naam daarvan luidt Oxalis corniculata var. atropurpurea.

Veel tuinliefhebbers zullen Gehoornde klaverzuring kennen en allicht ook verfoeien. Het is praktisch onuitroeibaar. Je krijgt het kleine plantje nauwelijks uitgetrokken en als je even niet oplet springen de zaadjes van het plantje in het rond. Klaverzuring heeft een zelfde mechanisme in de vruchten als springzaad. Een lichte aanraking en de rijpe zaadjes worden weggeslingerd. In open grond en tussen de straattegels kunnen deze klaverzurinkjes vervolgens uitgebreide tapijten vormen. De kruipende plantjes lopen ook op elk knoopje uit, ook al ontdoe je het van alle blaadjes en bijna alle worteltjes. Je zou er verzuurd van kunnen worden!

Gehoornde klaverzuring ,hier de variatie corniculata, is een kruipend plantje met vaak geknikte vruchtstelen

Het tweede type van Gehoornde klaverzuring (Oxalis corniculata var. corniculata) heeft gewoon groen blad. Het is dan wat moeilijker te onderscheiden van de meestal rechtopstaand groeiende Stijve klaverzuring, maar je kun er wat zekerder van worden door te kijken naar de aanwezigheid van vliezige steunblaadjes. Bij Stijve klaverzuring ontbreken die. Ook zitten er bij Gehoornde klaverzuring vaak knikken in de vruchtstelen, bij Stijve staan de vruchtstelen rechtop.

Er is ook een ,behalve de kleur van het blad, ander opvallend en mooi onderscheid tussen de twee typen van Gehoornde klaverzuring. Het type met de donkere, roodachtige blaadjes heeft in de bloem een mooi oranje-rood bandje. Dat ontbreekt bij het groene type.

Bij de variatie atropurpurea zit er een oranje-rood bandje in de bloem

Geïntrigeerd door deze verschillen zijn beide typen genetisch onderzocht en is het goed mogelijk dat we binnenkort van twee aparte soorten kunnen spreken. Behalve de plant willen bestrijden is de inspanning die je kunt doen om te weten welk type er in je tuin, straat, dorp, stad staat ook een genoeglijke bezigheid. En vind je beide types ? Mogelijk wordt je waarneming van een daarvan later nog eens beloond met een gratis extra soort!

Rotsooievaarsbek; de tuinstortoverlever !

Rotsooievaarsbek is een plant uit montane gebieden, die het uitstekend blijkt te doen in tuinen. De plant bloeit overvloedig maar vooral; stoelt geweldig uit en kan ook tegen enige droogte. Schaduw is ook geen probleem en zo kan deze soort in een tuin al snel overheersend zijn. Wie weinig geweten heeft, graaft de overbodige planten uit en gooit ze weg in de ‘natuur’. De overkant van de straat is favoriet maar men maakt er ook speciaal een ommetje voor. Even weggooien ergens langs de weg waar het makkelijk met de auto stoppen is.

Rotsooievaarsbek kan eenmaal in de natuur gegooid snel grotere plaatsen innemen.

Zo zie je langs allerlei parkeerplaatsjes ook regelmatig Rotsooievaarsbek opduiken. Soms zit er nog een bolletje van een Gewoon sneeuwklokje of een Boshyacint tussen en vaak vindt je er ook andere overbodig geachte tuinplanten als Klimop, Kleine maagdenpalm en Bonte gele dovenetel. Het assortiment overlevers is opvallend vaak hetzelfde. Mocht men er een woord voor willen maken, noem het dan ‘tuinstortoverlevers’.

Rotsooievaarsbek is er in het wit, donkerpaars en roze. De bladeren zijn vrij groot , tot zo’n 10 centimeter in doorsnede, en redelijk behaard. Een gelijkende plant is de kruising van Rotsooievaarsbek met Geranium dalmaticum, genaamd Geranium x cantabrigiense. Ook deze wordt gekweekt en vervolgens in het bos gegooid, dus opgepast met al te snelle determinaties. Geranium x cantabrigiense heeft kleiner en meer afgerond blad in omtrek en de beharing op het blad is ook veel minder.

Ook in het wit en net zo makkelijk uit de tuin verwijderd en in de natuur terug te vinden

Eenmaal geïntroduceerd blijkt Rotsooievaarsbek ook op zijn nieuwe plek weinig last te hebben van aanpassingsproblemen. Moeiteloos palmt de plant al snel enkele vierkante meters in. Na enkele jaren kunnen het serieus grote plekken worden. Mocht je een kuur tegen brandnetels en bramen zoeken; Rotsooievaarsbek bedekt de grond de volle 100%!

Of we blij moeten zijn met dergelijke introducties is zeer de vraag en ook de manier waarop Rotsooievaarsbek steeds opnieuw en op nieuwe plekken weggegooid wordt is toch ook reden je af te vragen of de mentaliteit van veel van deze tuinierders wel in orde is. Een beetje gewetensvolle tuinier composteert zijn overbodige groen, brengt het naar de gemeentestort of schenkt het aan een geïnteresseerde. Rotsooievaarsbek blijft een mooie plant natuurlijk, maar liefst zie je deze in de bergen op de natuurlijke standplaats.

Rotsooievaarsbek in een montaan weitje in Italië, Monte Baldo bij Verona