Home » Archieven voor Willemien Troelstra

Auteur: Willemien Troelstra

In 2009 pakte ik het inventariseren van wilde planten op. Sinds 2011 ben ik districtscoördinator voor FLORON in Zuid-Holland Zuid en organiseer ik excursies, cursussen en avonden. In 2014 startte ik de Rotterdamse Florawerkgroep. Iedere veertien dagen inventariseren we een km hok in Rotterdam. Wilde planten zijn mijn hobby; daarnaast ben ik duurzaamheidsadviseur bij stichting Stimular.

Amerikaan verspreidt zich over Nederland

21 mei 2019 vond ik tijdens een inventarisatie met de Rotterdamse Florawerkgroep voor het eerst Amerikaanse droogbloem (Gnaphalium pensylvanicum) in Rotterdam.  En niet zo zuinig ook, er stonden er tientallen verspreid over de kade van ‘het Haringvliet’.

De eerste waarneming van Amerikaanse droogbloem in Nederland was in 1967 in Baarn tussen parkbeplanting; waarschijnlijk meegekomen als onkruid. Daarna bleef het zo’n dertig jaar stil. Rond 2000 werd hij in Nijmegen gesignaleerd en vanaf 2007 wordt hij daar regelmatig gemeld. In 2007 wordt hij ook gespot in Amsterdam en in het buitengebied bij Sint Oedenrode. In 2008 is Wageningen aan de beurt. Daarna duikt hij ieder jaar op nieuwe plaatsen op. De meeste zijn stedelijk zoals: Culemborg (2010), Eindhoven (2013), Maastricht (2014), Breda (2014), Utrecht (2014), Huizen (2014). Hij is echter ook in het buitengebied gevonden zoals in een maisakkerrand en in de Overloonse duinen. In 2015 was de eerste vondst in Rotterdam.

Verspreidingskaartje Amerikaanse droogbloem d.d. mei 2019. Die ene stip in het Noorden, op Ameland is een waarneming waarbij de plant nog in de olijfboomkuip stond.

Het gebied in Nederland waar Amerikaanse droogbloem is gesignaleerd breidt zich gestaag uit. Het lijkt erop dat hij niet gelijk hele steden verovert, maar stukje bij beetje. Van diverse plekken is bekend dat de bron van de verwildering een kuip met olijfbomen is geweest, die met aarde en mediterrane onkruiden naar Nederland zijn gekomen. In Rotterdam was de eerste vondst (2015) in Kralingen. Opvallend is dat de tweede vindplek (2019) hemelsbreed slechts 500 meter daarvandaan is en we hem de afgelopen vier jaar niet op andere plekken in Rotterdam zijn tegengekomen. Ik vermoed dat de nieuwe vindplaats vanuit eerdere verwildering is gekoloniseerd, we hebben geen olijfboomkuipen in de nabije omgeving gezien.

Hoe de soort in het buitengebied terecht komt is mij onbekend, maar het lijkt me waarschijnlijk dat ook dat niet direct vanuit de olijvenkuipen gebeurt, maar vanuit al eerder ontstane stadspopulaties.

Amerikaanse droogbloem krijgt paarsbruinige bloemhoofdjes in knoedels langs de stengel in plaats van de lichtgele tuilen bij de Bleekgele droogbloem. Het blad is ook minder witviltig behaard en de hogere bladeren zijn breder dan bij de Bleekgele. De soort is in de eerste jaren dat hij in Nederland werd gevonden aangezien voor Paarse droogbloem, maar die heeft tweekleurige bladeren: groenglanzend van boven en witviltig van onderen; er zijn intussen wel een paar Nederlandse waarnemingen van Paarse droogbloem.

Ik ben benieuwd of de Amerikaanse droogbloem heel Rotterdam gaat veroveren.

 

Klimmen met haakjes

In 2016 namen we met de Rotterdamse Florawerkgroep een kijkje op de Protestantse begraafplaats Charlois als onderdeel van een kilometerhok dat we inventariseerden. De paden en de grafplekken leverden niet veel bijzonders op: er was druk geschoffeld. Maar, door een buxusheg groeide een klimplant die onze aandacht trok: zowel de bladrand als de hoofdnerf van het blad en de stengels waren bezet met haken; hiermee kan de plant zich vasthaken en omhoog klimmen.

Vrouwelijke bloem van de ‘Stekelwinde’ – Smilax aspera 
foto: André de Jongh

Ik herkende de plant als ‘Smilax’, niet omdat ik die uit het wild kende, maar omdat ik daar als kind veel historische afbeeldingen van had gezien. Toen ik klein was organiseerde mijn vader namelijk af en toe een avondje waarin hij aan bezoek de geschiedenis van botanische boekillustraties liet zien. Om de veranderende conventies en technieken (houtdruk, kopergravure, lithografie, etc.)  rond botanische illustraties door de eeuwen heen te laten zien haalde hij allerlei oude boeken uit de kast en gebruikte hij onder andere Smilax aspera als voorbeeld. Smilax aspera is namelijk in vele natuurhistorische boeken terug te vinden omdat de wortels als geneesmiddel werden gebruikt.

Smilax aspera (vrouwelijke plant) in vrucht.
Foto genomen in de Cevennen, Frankrijk

Smilax aspera heeft als onofficiële Nederlandse naam ‘Stekelwinde’, zo wordt de plant in ieder geval genoemd in Dodoens Cruijdeboek uit 1554. Stekelwinde wordt niet aangeboden als tuinplant maar is inheems in het mediterrane gebied, delen van Afrika en Azië. Hoe de ‘Stekelwinde’ op de begraafplaats terecht is gekomen zullen we wel niet meer achterhalen, mogelijk meegekomen met plantgoed of door trekvogels in hun ingewanden vervoerd en hier uitgepoept. Smilax aspera is de afgelopen jaren nog op twee andere plekken in Nederland opgedoken: in 2014 in een tuin in Rotterdam en in 2009 op een begraafplaats in Amsterdam.

In 2018 is André de Jongh terug geweest om te zien of de ‘Stekelwinde’ zich op deze plek handhaaft. Dat bleek het geval te zijn: hij groeide over en door de Buxusheg tussen twee graven. Alleen was de Buxus in 2018 wel sterk aangetast door de Buxusmot. Als de Buxus deze aantasting niet overleeft en wordt gerooid, is de kans groot dat de ‘Stekelwinde’ op deze plek verdwijnt.

De groeiplek van de ‘Stekelwinde’ – Smilax aspera op de protestantse begraafplaats Charlois – foto: André de Jongh

De bekendste plant van Nederland?

Wat zou de meest bekende wilde plant van Nederland zijn: Madeliefje, Vergeet-me-nietje of Paardenbloem? Ik denk geen van drieën, ik denk dat er eentje nog veel bekender is, omdat iedereen in zijn kindertijd er pijnlijke ervaring mee opdoet: de Brandnetel.

Bloeiwijze van een vrouwelijke plant van de Grote brandnetel (Urtica dioica) waarvan de bloemtrossen vertakt zijn en meer opzij staan dan de mannelijke bloeiwijzen.

Maar, wat de meeste mensen als kind niet leren is dat er in Nederland twee soorten brandnetel zijn- en sinds een paar jaar zelfs drie-: Grote & Kleine en Zuidelijke. De Grote brandnetel is veruit het algemeenst, omdat hij niet veeleisend is en overblijvend: na de winter lopen de wortelstokken weer vrolijk uit. Als hij ergens staat kan hij makkelijk standhouden en zich uitbreiden. Kleine brandnetel is daarentegen eenjarig en moet ieder jaar weer uit zaad opkomen; heeft open plekjes nodig waar hij kan kiemen.

Brandnetels houden van stikstof. De Grote brandnetel vind je in de stad op allerlei plekken maar vooral in voedselrijke bermen en andere bemeste plekjes zoals hoekjes die mannen uitkiezen om goudgeel vocht te sproeien. De Kleine brandnetel zie ik in Rotterdam minder vaak dan de grote; vooral in/rond moestuinen en in plantperken die af en toe geschoffeld worden. Hij staat ook wat droger dan grote brandnetel. Buiten de steden staat Kleine brandnetel veel in de duinen en langs akkers.

Beginnende floristen zijn bang de Kleine brandnetel niet te herkennen; maar mijn ervaring is dat als je Kleine brandnetel tegenkomt je gelijk denkt ‘hé dat is een afwijkende brandnetel’. De bladeren van Kleine brandnetel zijn namelijk eirond, kleiner dan 4 cm en de bladvoet is niet hartvormig. Grote brandnetel heeft langwerpiger bladeren die 5-10 cm groot zijn met een hartvormige bladvoet.

Vooral bij jonge exemplaren is dit laatste een handig verschilkenmerk. Twijfelt u nog: probeer er een uit te trekken. Lukt dat makkelijk dan is het de Kleine of de Zuidelijke; zit er een wortelstok aan dan is het de Grote.

Jonge exemplaren (in maart) van Grote brandnetel (Urtica dioica) met hartvormige bladvoet en minder diep ingesneden tanden dan die van Kleine brandnetel.

Wat betreft de bloeiwijzen wint de Grote brandnetel de schoonheidsprijs: de Kleine brandnetel verstopt zijn bloemen een beetje tussen de bladeren in kleine knoedels; mannelijke en vrouwelijk bij elkaar.  Grote brandnetel heeft aparte mannelijke en vrouwelijke planten. De mannen hebben prachtig hangende bloemtrossen waaruit het stuifmeel door de wind wordt weggeblazen. De vrouwen hebben meer vertakte bloemtrossen die opzij staan om het stuifmeel op te vangen; na de bevruchting gaan ze min of meer hangen.

Vrouwelijke plant van de Grote brandnetel (Urtica dioica) die zeer rijk vrucht draagt.
Kleine brandnetel (Urtica urens) met korte bloeiwijzen en rond aflopende bladvoet.

De Zuidelijke brandnetel is nog niet in Rotterdam aangetroffen, maar een paar jaar geleden wel in buurgemeente Schiedam. Hij lijkt op de Grote brandnetel, maar hij is eenjarig en heeft aan iedere plant lange aren met mannelijke bloemen bovenin en korte trosjes met vrouwelijke bloemen onderin.

 

Plat handjesgras voor de vierde keer in Rotterdam

Op 14 augustus 2018 onderzochten we met de Rotterdamse Florawerkgroep een kilometerhok in Rotterdam IJsselmonde, een woonwijk rond een winkelcentrum. Zoals gebruikelijk gingen we in twee groepen uiteen en troffen we elkaar weer bij het startpunt toen het begon te schemeren en bespraken onze bijzondere vondsten en puzzels.

De anderen had een bijzonder gras gevonden: het leek op Vinger- of Handjesgras maar ze konden het niet helemaal thuis brengen. Het stond op diverse plekken tussen de stoeptegels van een straat die net opnieuw was ingericht. Toen ik een exemplaar kreeg aangereikt kwam de naam Plat handjesgras – Eleusine indica – direct boven. Ik had dit gras niet eerder zelf gevonden, maar er wel foto’s van gezien.

Plat handjesgras – Eleusine indica | foto: André de Jongh

Plat handjesgras was weliswaar voor onze groep nieuw, maar hij is al decennia eerder voor het eerst in Nederland gevonden: in 1955 voor het eerst op een vuilstort in Leeuwarden. Sindsdien is hij op 30 plekken verspreid over het land gevonden. Hij is niet bestendig, slechts in één kilometerhok is hij met een tussenpoos van enkele jaren opnieuw gevonden en het aantal vondsten neemt ook niet opvallend toe. In Rotterdam werd hij voor het eerst gevonden in 1968 en daarna in 2002, 2013 en 2018 [bron: Verpreidingsatlas]. De periode tussen de waarnemingen neemt af, maar of dat komt doordat hij echt vaker voorkomt of doordat er meer floristen rondkijken is onduidelijk.

Groepsgenoot André de Jongh is een paar dagen later terug gegaan naar de vindplaats om wat extra foto’s te maken. Hij hoorde toen van bewoners dat het gras was verschenen tijdens de straatwerkzaamheden en dat het zich niet beperkte tot de stoep, maar ook in hun tuinen was opgedoken en lastig weg te krijgen was.

Plat handjesgras – Eleusine indica  met alle aartjes aan een kant van een aaras| foto: Dick Hoek

Plat handjesgras is een C4-gewas. Dat betekent dat hij een vorm van fotosynthese toepast die is aangepast aan warme streken. In het Nederlandse klimaat kiemen C4 grassen later in het jaar dan onze inheemse grassen die C3-fotosynthese toepassen. Daarom zie je C4-grassen (zoals Europese hanenpoot, Maïs, vingergrassen, liefdegrassen, naaldaren en gierstgrassen), meestal pas in juli/augustus tot bloei komen.

In wat warmere streken is Plat handjesgras een algemeen, lastig onkruid in akkers met eenjarige gewassen. Maar hij vestigt zich ook in grasland en golfvelden en weet zich daar te handhaven omdat hij goed maairesistent is. Met zijn platte groeiwijze blijft een deel van zijn aren onder de maaibalk en kan hij zaadzetten. Vermoedelijk is het zaad in Rotterdam aangevoerd bij de wegwerkzaamheden, maar wat daarbij de bron is geweest is niet duidelijk. Het is niet waarschijnlijk dat de zaden nog in de bodem zaten want de zaden van dit gras zijn maar een paar jaar kiemkrachtig.

Ik ben benieuwd hoe lang het duurt voor we dit grasje weer in Rotterdam aantreffen.

Een zich ontvouwende bloeiwijze van Plat handjesgras – Eleusine indica | foto: André de Jongh

De opmars van Bleek cypergras

Vorig jaar juni verschenen er in ons achterpaadje een heleboel groene rozetjes tussen de tegels. Ze waren me eerst niet opgevallen, maar toen ze wat groter werden kon ik er niet meer omheen: ik fietste een deel van de groene rozetten plat. Toen ze nog wat verder uitgroeiden realiseerde ik me dat het Bleek cypergras (Cyperus eragrostis) was.

Bleek cypergras in ons achterpaadje; eind juni zijn het sprieten van zo’n twintig centimeter maar nog geen bloeiwijze te zien. De bladeren vormen schijnstengels, dat wil zeggen dat alle bladeren direct bij de wortels beginnen en niet op een stengel zijn ingeplant. De bladloze stengel komt daarna uit die koker van bladeren (schijnstengel) tevoorschijn.
De bladeren van Bleek cypergras hebben mooi groen gestreepte bladvoeten met langs de rand brede vliezige randen.

Hoewel ik niet weet hoe de soort hier terecht is gekomen verbaasde het me niet echt dat deze soort hier opdook. De afgelopen twee jaar was ik hem al een paar keer in de stad tegen gekomen, zowel op plekjes met een vochtige bodem, als in een verwaarloosde voortuin die er voor een kwart mee was gevuld. Daarnaast was het me als FLORON-districtscoördinator opgevallen dat er sinds 2015 behoorlijk wat hokken waren bijgekomen waar deze soort niet eerder was gevonden, zowel binnen als buiten de stad. Het kaartje van de verspreidingsatlas laat goed zien hoe deze soort zich recent enorm heeft uitgebreid. Alle rode stippen zijn van 2015-2017 en een paar van 2018. In 2003-2013 werden er bij kilometerhokinventarisaties minder dan tien waarnemingen per jaar gedaan. In zowel 2016 als 2017 waren dat meer dan veertig waarnemingen per jaar.

Waarom de soort zo is toegenomen weet ik niet zeker; maar voor ons achterpaadje geldt wel dat de grond vochtig is en daar steeds vaker een tijdlang water blijft staan door het toegenomen aantal hoosbuien. Dat past bij zijn voorkeur voor vochtige grond die ‘s-winters onder water staat. Bleek cypergras heeft zijn natuurlijke verspreiding in de moerasgebieden van het westen en zuid-westen van de V.S. en delen van Zuid-Amerika.

De rozetjes zijn ook dit jaar in ons achterompaadje verschenen en in augustus zullen de bloeiwijzen wel weer voor een mooie vergroening zorgen. Want Bleek cypergras heeft een prachtige bloeiwijze die wat lijkt op die van Papyrus, en is daarmee een sieraaad voor ons achterpaadje. Ik hoop dat hij niet zo invasief blijkt te zijn dat ik een hekel aan hem krijg.

Bleek cypergras- Cyperus eragrostis

bronnen: FLORON nieuws nummer 9 (dec 2008) en Verspreidingsatlas.

De stad staat vol pestomateriaal

Afgelopen week verzamelde ik wat planten voor de floracursus die ik dit jaar in Rotterdam  geef. Ik blijf daarvoor meestal dichtbij huis, daar is al voldoende variatie te vinden om de belangrijke families: zoals lipbloemen, kruisbloemen en planten uit de Anjerfamilie, met levend materiaal te kunnen illustreren. Als ik planten pluk wordt ik nogal eens aangesproken, zo ook deze keer. Negen van de tien keer wil degene die me aanspreekt dan weten of wat ik net geplukt heb eetbaar/gezond is, of ik op zoek ben naar eetbare planten.

Nou ben ik zelf niet zo’n actieve wildplukker, al kauw ik onderweg zeker wel eens op een blaadje Klaverzuring of een stengel Reukgras, ik geniet meer van het uiterlijk van de wilde planten dan van de smaak. Van heel veel planten heb ik dan ook geen idee of ze lekker zijn en/of gezond zijn. Maar, gelukkig zijn juist enkele van de in de stad algemeen voorkomende wilde planten prima eetbaar zodat ik meestal wel een voorbeeld kan aanwijzen waarvan ik zeker weet dat die soort prima eetbaar is zoals Brandnetel, Vogelmuur, Grote zandkool, ook wel aangeduid als wilde Rucola. Verder Smalle weegbree – in kleine hoeveelheden, want is wel bitter!- Veldzuring, Paardenbloem of Zevenblad.

Kleine veldkers (Cardamine hirsuta) doet het prima in een salade: licht peperig zoals veel kruisbloemigen. foto: Peter Hegi

Zo kon ik ook afgelopen week de dame die me aansprak wijzen op de Grote brandnetel en de Kleine veldkers. En daarna ook nog wat vertellen over het plezier van het zoeken naar wilde planten in het algemeen. Na afloop heb ik nog wel even opgezocht of Hondsdraf die ik in mijn hand had toen ze me aansprak ook goed verteer baar is. En ja hoor, ook Hondsdraf is met mate eetbaar: wat bloemetjes en blaadjes in de salade of soep; een andere website adviseert om er thee van te trekken.

Zo leer ik langzamerhand de eetbaarheid van de Wilde planten in mijn omgeving kennen en blijkt de hele stad vol te staan met materiaal voor pesto, soep, salade of kruidenthee. Het is leuk om daarmee nieuwsgierige buurtbewoners te kunnen prikkelen om met hongerige ogen naar het ‘onkruid’ tussen de stoeptegels en in de plantsoenen te kijken.

PS: Ze zeggen dat Japanse duizendknoop ook eetbaar is, dat gekookte jonge spruiten lijken op rabarber. Omdat ik van Rabarber houd en de Japanse duizendknoop langs ons achterpaadje graag kwijt wil heb ik het een keer geprobeerd; maar de stengels bleken al zo stevig te zijn dat het nauwelijks tot moes kookte en geen eetbaar resultaat opleverde. Blijkbaar moet je er nog eerder bij zijn, misschien komende week nog eens proberen.

Mislukte poging om van Japanse duizendknoop (Fallopia japonica) een moes te maken zoals gekookte rabarber. Waarschijnlijk zijn alleen de echt jonge scheuten eetbaar.

De overeenkomst tussen eendenkooi en achterpad

Enkele jaren geleden inventariseerden we het terrein van de Eendenkooi Bakkerswaal bij Krimpen aan den Lek. Rond de plas en de vangpijpen van de eendenkooi ligt een flink stuk vochtig bos. Een van de planten die we in het bos aantroffen was Muursla (Mycelis muralis), een plant met prachtig ingesneden bladeren; de bladtop doet me altijd denken aan de bastions in onze vestingsteden hetgeen dan weer een makkelijk ezelsbruggetje is naar de ‘muur’ in de naam van de plant. De vertakte bloeiwijze met kleine hoofdjes met steeds vijf gele lintbloemetjes is wel elegant, maar niet erg opvallend.

Verspreidingskaartje van Muursla – Mycelis muralis

Ik was verrast over Muursla in het Eendenkooibos want ik kende Muursla uit achterpaadjes en brandgangen in de stad. Maar, voor een van mijn medefloristen was zo’n vochtig bos juist het bekende biotoop van Muursla en was hij juist verrast door mijn ervaring uit de stad. Kortom de biotopen zijn verwant en Muursla voelt zich thuis op vochtige beschaduwde plekken van niet al te zure en schrale grond, liefst met wat goed verteerde humus. Het verspreidingskaartje van Muursla laat dit dubbele verspreidingspatroon duidelijk zien: Rotterdam, Den Haag, Amsterdam, Groningen, Nijmegen maar ook Dordrecht, Tilburg en Eindhoven zijn op de kaart te herkennen als een opeenhoping van zwarte stipjes, daarnaast zijn er enkele streken waar hij ook buiten de steden veel voorkomt zoals Zuid-Limburg, Oost-Gelderland, Twente, Utrecht en de Hollandse duinstreek.

De vertakte bloeiwijze van Muursla – Mycelis muralis met kleine bloemhoofdjes met maar vijf lintbloemen.

Dat de biotopen van Vochtige bossen en achterpaadjes verwant zijn blijkt ook uit andere soorten die ik vooral op deze twee plekken tegenkom zoals Bosveldkers, Groot heksenkruid en Bergbasterdwederik. Vorig jaar trof ik zelfs Reuzenzwenkgras (Festuca gigantea) aan in een brandgang in Dordrecht, een soort die ik in de buurt van Rotterdam ken uit de grienden en andere vochtige bosjes langs de oevers van de rivier.

 

Boompjes en boompjes

Ik werk in het hart van Rotterdam aan de Scheepmakershaven. Op de fiets naar huis spot mijn oog dan natuurlijk wel eens wat stadse flora waar ik voor afstap omdat ik het niet (her)ken of omdat het er bijzonder fraai bij staat.

Boompje langs de Boompjes: Uitgebloeid staketsel van Dichtbloemige kruidkers – Lepidium densiflorum

Zo fiets ik regelmatig een klein stukje langs De Boompjes, een drukke weg langs de Noordoever van de Maas. In de tegelvoegen langs het fietspad schoten in juni een heleboel dezelfde plantjes op. Beneden aan de plant zitten wat grotere getande bladeren, op een hoogte van zo’n tien tot twintig centimeter vertakten de planten zich en de takken dragen wat smallere blaadjes en daarboven een enorm lang uitgroeiende tros met bloemetjes en vruchtjes zoals dat bij veel kruisbloemigen voorkomt. Het is inderdaad een kruisbloemige, maar dat is lastig te zien aan de kroonbladeren want die heeft de Dichtbloemige kruidkers (Lepidium densiflorum) niet. De vruchten verraden wel dat hij bij deze familie hoort. Ze lijken een kleine versie is van de vruchten van Witte krodde en nog veel meer op de vruchten van de andere Kruidkersen (Lepidiums).

Steenkruidkers is zijn nauwverwante broertje die je in en buiten Rotterdam veel vaker tegenkomt. Meest opvallende verschillen zijn dat die alleen maar ongetande bladeren heeft en een muizenlucht verspreid terwijl de geur van de Dichtbloemige kruidkers niet opvallend is. Dichtbloemige kruidkers stamt oorspronkelijk uit Noord-Amerika en is, tussen 1975 en 1999, ingeburgerd in stedelijk gebied in Nederland. Hij is in Nederland nog steeds vrij zeldzaam, maar is in Rotterdam soms massaal aanwezig.

Na mijn vakantie fietste ik weer langs de plek. Alle exemplaren waren nu uitgebloeid en er restte niets dan een woud van skeletten: prachtige miniboompjes langs de Boompjes.

Net uitlopende bloeiwijze van de Dichtbloemige kruidkers – Lepidium densiflorum. foto: Bas Kers tijdens excursie van de Rotterdamse Florawerkgroep
Dichtbloemige kruidkers – Lepidium densiflorum, al flink in vrucht en met bovenaan nog wat bloemen (zonder kroonbladeren).

Al tien jaar ligt hij aan de voet van de kerk

Verspreidingskaart Liggende Ganeznvoet 2017 – overgenomen van de Verspreidingsatlas

Ganzenvoeten (Chenopodium) vind ik een leuk geslacht en kan er altijd van genieten als er weer ergens gerommeld is, wat zand is aangevoerd en er daarna een heel scala tevoorschijn komt zoals Stippel- Korrel-, Rode-, Mel- en soms Zeegroene ganzenvoet. Zelfs Welriekende ganzenvoet heb ik nu twee keer op zo’n plek gevonden. Maar niet alle ganzenvoeten komen daar naar boven. Ik had verwacht dat ik Liggende ganzenvoet (Chenopodium pumilio) wel ooit eens bij een excursie langs de grote rivieren tegen zou komen. Het verspreidingskaartje van deze soort laat namelijk zien dat dat een belangrijk verspreidingsgebied is en als je per kilometer kijkt zie je nog duidelijker dat hij echt veel langs de rivier opduikt.

Maar dat liep anders; mijn eerste kennismaking was in 2015 in het hart van Rotterdam, in de buurt van de Laurenskerk. Omdat hij zo goed kan liggen overleeft hij in de bredere voegen van de straat zelfs autobanden en ander plettend verkeer en valt hij daar niet erg op. Maar, langs de randen van de straat vind je wat mooiere exemplaren. Liggende ganzenvoet doet denken aan Zeegroene ganzenvoet met ovale gelobde blaadjes. Maar de blaadjes zijn doffer, gemiddeld kleiner en van onderen bezaaid met gele klieren die een lekker geurende stof uitscheiden. Bij zeegroene ganzenvoet zijn de blaadjes blauwgroener van kleur en wit van onderen.

 

Het voorkomen van Liggende ganzenvoet nabij de Laurenskerk was voor mij een verrassing, maar toen ik ernaar zocht bleek hij zeker niet nieuw en de eerste waarneming van deze vindplaats is in 2006 doorgegeven door Remko Andeweg, stadsecoloog van Rotterdam. De plant komt ook op andere plaatsen in Rotterdam voor. Zo heb ik hem zelf in juli 2017 nog gevonden op een bedrijventerrein op Heijplaat en in 2015 vond ik hem in de wijk Feijenoord aan de rand van de straat. Iedere keer weer een aangename en geurende verrassing.

Liggende ganzenvoet  (Chenopodium pumilio) tussen de klinkers in het centrum van Rotterdam
Ter vergelijking met de Liggende ganzenvoet hier een afbeelding van Zeegroene ganzenvoet (Chenopodium glaucum). De witte onderkant van het blad is hier en daar zichtbaar.
Liggende ganzenvoet (Chenopodium pumilio) met mooie ‘eikenblaadjes’-vormige blaadjes. De lekkere geur ontbreekt op de foto.

 

Bedrijventerrein vol zilveren boeketjes

“Zwenkdravik is de mooiste plant van de avond” zei ik toen we de avond van 2 mei met zeven leden van de Rotterdamse Florawerkgroep een stuk van bedrijventerrein Spaanse Polder hadden geïnventariseerd. We stonden nog wat ervaringen uit te wisselen en puzzeltjes op te lossen. De anderen waren het eens met mijn keuze: de mooie zilverige boeketjes die op diverse plekken tegen de muren van bedrijfspanden of bij lantaarnpalen waren iedereen opgevallen.

Zwenkdravik (Anisantha tectorum) is een nauwe verwant van de algemenere IJle dravik (Anisantha sterilis). Zwenkdravik blijft kleiner en heeft een compactere bloeiwijze die naar één kant overhangt: een stoffer zonder blik. Beide soorten houden van warme, stikstofrijke, kalkhoudende zandgrond. Omdat het eenjarigen zijn, moet er genoeg verstoring zijn zodat ze een plekje hebben om te kiemen. Zwenkdravik staat nog iets warmer en droger dan IJle dravik en komt daarom vooral in de duinen en de steden voor. De bodem in Rotterdam is van oorsprong meestal niet kalkhoudend, maar door het aanvoeren van zand bij het bouwen en bestraten is op heel veel plekken de bodem wel kalkhoudend.

Wat betreft determineren: dit jaar ontdekte ik dat Zwenkdravik aan de voet van de stengel een pyamastreepje heeft, net als de bekende Gestreepte witbol (Holcus lanatus). We vonden een vegetatief (=niet bloeiend) gras op een oud spoorwegemplacement en probeerden het op naam te brengen. We zagen pyamastreepjes en zachte beharing, maar we hadden ook het gevoel: “Dit is geen Gestreepte witbol”. Waarschijnlijk hadden we hem wel met de vegetatieve sleutel uit de flora op naam kunnen brengen, maar dat bleek niet nodig omdat we wat verderop een pol vonden die verder was uitgegroeid en duidelijk maakte dat het Zwenkdravik was. Maar, voordat je bij ieder pyamagras in de stad denkt dat het Zwenkdravik is: ook IJle dravik blijkt een gestreepte voet te hebben.

Als Zwenkdravik wat verder in zijn bloei is verliest hij zijn zilverige charme van dit moment en wordt het een warriger pluim, maar het blijft een leuk gras om te vinden.

Zwenkdravik – (Anisantha tectorum) op bedrijventerrein Spaanse Polder in Rotterdam

 

Zwenkdravik – (Anisantha tectorum): in de zomer, als hij uitgebloeid is. De naalden van de kafjes hebben weerhaakjes waarmee ze in vachten van dieren of kleding van mensen kunnen blijven hangen.