Categorie: Bijzondere planten

Pruimen zoeken

De sleedoorn (Prunus spinosa) is een van de vroegst bloeiende struiken. Begin maart kon je hem dit jaar al in bloei aantreffen. Het is daarom een waardevolle plant voor de vroege wilde bijen zoals allerlei hommelkoninginnen en diverse zandbijsoorten. De bloemen verschijnen in grote aantallen en eerder dan de bladeren, waardoor je prachtig wit oplichtende bloemenwolken ziet in de berm of aan de bosrand. Het effect is zo mooi omdat de takken van de sleedoorn zelf zwartachtig zijn en de naaststaande bomen nog geen blad hebben. De sleedoorn wordt tot drie meter hoog.

De sleedoornstruik maakt een bossige indruk

Hij  behoort tot het geslacht Prunus, waartoe ook de zoete kers (Prunus avium), de kerspruim (Prunus cerasifera) en de pruim (Prunus domestica) toe behoren. De sleedoorn vormt gemakkelijk bastaarden met de gewone pruim. Men vermoedt dat er ook spontane bastaarden zijn met de kerspruim. De hybriden zijn vruchtbaar en variabel meldt Heukels’ flora. Ook in Breda daarvan zijn daarvan voorbeelden te vinden o.a. bij het viaduct bij Bavel. Daar staan op het moment van schrijven van dit stuk, 10 maart 2019, een tiental struikachtige bomen te bloeien in wit maar ook in roze en gegarandeerd zaailing. Zelf ben ik verleden jaar begonnen met het fotograferen van de bloei van een paar bomen en daarna met het fotograferen van het blad. Vervolgens vergeten naar de vruchten te kijken.. Bij het vergelijken van blad en bloem onlangs sloegen de twijfels toe. Zou er geen sprake kunnen zijn van meer soorten hybriden?

Alle oude foto’s opgeruimd en opnieuw begonnen met de registratie: nu per boom en later beslist ook de vruchten. Meer nieuws over hybriden moet even wachten.

De naam komt van de blauwe kleur

De wetenschappelijke geslachtsnaam naam ‘Prunus’ is afkomstig van het Griekse ‘prune’ en betekent ‘pruim’. De soortaanduiding ‘spinosa’ betekent doornig. In de Nederlandse naam ‘sleedoorn’ heeft ‘slee’ de oerbetekenis ‘blauw’. Het woord ‘slee’ is verwant aan het Slavische ‘sliva’ dat pruim betekent. Denk aan ‘slivowitz’ = pruimenjenever.

Proost!

 

Klimmen met haakjes

In 2016 namen we met de Rotterdamse Florawerkgroep een kijkje op de Protestantse begraafplaats Charlois als onderdeel van een kilometerhok dat we inventariseerden. De paden en de grafplekken leverden niet veel bijzonders op: er was druk geschoffeld. Maar, door een buxusheg groeide een klimplant die onze aandacht trok: zowel de bladrand als de hoofdnerf van het blad en de stengels waren bezet met haken; hiermee kan de plant zich vasthaken en omhoog klimmen.

Vrouwelijke bloem van de ‘Stekelwinde’ – Smilax aspera 
foto: André de Jongh

Ik herkende de plant als ‘Smilax’, niet omdat ik die uit het wild kende, maar omdat ik daar als kind veel historische afbeeldingen van had gezien. Toen ik klein was organiseerde mijn vader namelijk af en toe een avondje waarin hij aan bezoek de geschiedenis van botanische boekillustraties liet zien. Om de veranderende conventies en technieken (houtdruk, kopergravure, lithografie, etc.)  rond botanische illustraties door de eeuwen heen te laten zien haalde hij allerlei oude boeken uit de kast en gebruikte hij onder andere Smilax aspera als voorbeeld. Smilax aspera is namelijk in vele natuurhistorische boeken terug te vinden omdat de wortels als geneesmiddel werden gebruikt.

Smilax aspera (vrouwelijke plant) in vrucht.
Foto genomen in de Cevennen, Frankrijk

Smilax aspera heeft als onofficiële Nederlandse naam ‘Stekelwinde’, zo wordt de plant in ieder geval genoemd in Dodoens Cruijdeboek uit 1554. Stekelwinde wordt niet aangeboden als tuinplant maar is inheems in het mediterrane gebied, delen van Afrika en Azië. Hoe de ‘Stekelwinde’ op de begraafplaats terecht is gekomen zullen we wel niet meer achterhalen, mogelijk meegekomen met plantgoed of door trekvogels in hun ingewanden vervoerd en hier uitgepoept. Smilax aspera is de afgelopen jaren nog op twee andere plekken in Nederland opgedoken: in 2014 in een tuin in Rotterdam en in 2009 op een begraafplaats in Amsterdam.

In 2018 is André de Jongh terug geweest om te zien of de ‘Stekelwinde’ zich op deze plek handhaaft. Dat bleek het geval te zijn: hij groeide over en door de Buxusheg tussen twee graven. Alleen was de Buxus in 2018 wel sterk aangetast door de Buxusmot. Als de Buxus deze aantasting niet overleeft en wordt gerooid, is de kans groot dat de ‘Stekelwinde’ op deze plek verdwijnt.

De groeiplek van de ‘Stekelwinde’ – Smilax aspera op de protestantse begraafplaats Charlois – foto: André de Jongh

Solanum chenopodioides, daar moeten er meer van zijn!

In Millingen aan de Rijn (Gelderland) liep ik langs een bedrijf dat zeecontainers aan land haalt. Daar vond ik een afwijkende Nachtschade die ik niet herkende. Ik heb wat materiaal verzameld en flink wat foto’s gemaakt. Eenmaal thuis was de soort vrij snel op naam gebracht met wat hulp van een buitenlandse determinatiesleutel. Het bleek om Solanum chenopodioides te gaan. Er bleken geen recente waarnemingen van te zijn, maar in het verleden is de soort al vaker aangetroffen. Ik deelde mijn foto’s op Facebook en al gauw volgden maar liefst vijf nieuwe vindplekken van de soort, verspreid door het land (Duffelt, Nijmegen x2, Rijswijk & Amsterdam). In België is de soort ook al diverse keren gevonden. De soort lijkt sterk op de zeer algemeen voorkomende Solanum nigrum (Zwarte nachtschade) en is daardoor vermoedelijk veel over het hoofd gezien. Door de soort wat meer aandacht te geven, hoop ik dat deze komend jaar op een stuk meer plaatsen ontdekt zal worden.

Solanum chenopodioides met de zwarte vlek aan de basis van de kroonbladen. Alleen zichtbaar aan de binnenzijde van de bloem.

De kenmerken:
Solanum chenopodioides verschilt van Zwarte nachtschade in veel subtiele kenmerken. De bladeren zijn dicht aanliggend behaard, waardoor het blad een doffe kleur krijgt. Bij Zwarte nachtschade is deze beharing veel spaarzamer. Vervolgens zijn bij Solanum chenopodioides de bladeren meestal volledig ongelobd en met een afgeronde bladpunt. De onderste bladen mogen wel licht gelobd zijn. Bij Zwarte nachtschade zijn meestal alle bladen sterk gelobd met spitse bladpunt. Verder zijn bij Solanum chenopodioides de bessen dof, paarszwart en kleiner. Bij Zwarte nachtschade zijn de bessen glimmend, zwart en iets groter. Nog een opvallend verschil is dat bij Solanum chenopodioides de kroonbladen een zwarte vlek aan de basis hebben. Deze ontbreekt bij Zwarte nachtschade. Ten slotte is Solanum chenopodioides een stuk winterharder dan Zwarte nachtschade en blijft daardoor veel langer groen. Mijn tweede vondst van de soort bleek zelfs een verhoute stengel te hebben van 50 cm hoog en 2 cm dik.

Solanum chenopodioides met doffe, paarszwarte bessen.

 

Solanum chenopodioides met dichte, aanliggende beharing, ongelobd blad en afgeronde bladtop.

 

Solanum chenopodioides in een tijd dat Solanum nigrum al lang verdwenen is. De plant is hier meerjarig, te zien aan de verhoute stengel.

Stadsschoonheden

 

Niet bepaald een plant waarbij je denkt dat je die in de stad tegenkomt. Wel dus! De Brede wespenorchis (Epipactis helleborine subs. helleborine) is op elke hoek van de straat en soms in uw eigen tuin te vinden.

Dit heeft enige uitleg nodig. Zo’n 3/4 van al onze plantensoorten gaat een symbiose (samenwerking) aan met bodemschimmels (mycorrhiza). Van de meeste planten hebben de zaden genoeg reserve om tot volledige vruchtontwikkeling te komen. Er is dus tijd genoeg om een symbiose plaats te laten vinden. Een uitzondering zijn de zaden van orchissen. Deze planten hebben geen reserve. Er is meestal te weinig tijd voor de orchiszaden om een symbiose aan te gaan met de bodemschimmels. Alleen in heel specifieke milieus dringt een schimmeldraad in het zaad en maakt zo kieming mogelijk. De meeste orchissen parasiteren daarna in feite op de schimmel.

Dit is ook de reden dat het uitsteken van orchissen niet werkt. Die mooie uitgestoken orchis komt nooit tot bloei door het ontbreken van de schimmel, dan wel het afsterven ervan. De meeste schimmels zijn heel gevoelig voor kunstmestachtige stoffen. De Brede wespenorchis is lijkt een uitzondering.

Hij stelt kennelijk minder zware eisen aan de bodemsamenstelling dan veel andere orchissen. Een schaduwrijk plekje onder aan een boom of in de tuin is vaak genoeg. Verder is opvallend dat de bloeitijd niet het het hoogtepunt betreft van veel andere orchissen, namelijk juni, maar juist iets later. In juli zie je de meeste bloeiende exemplaren. Maar planten die echt in de schaduw staan bloeien pas in augustus.

De bestuiving gebeurt door via insecten. De naam zegt het al. De limonadewesp (Vespa vulgaris), zeg maar onze huis-tuin-en keukenwesp, zorgt hier voor.

Rietorchis en/of Brede orchis

De Riet/Brede orchis is ook een geval van een orchidee die je in het stedelijk gebied kan tegenkomen. Ik noem beide namen omdat het best wel moeilijk is deze twee planten uit elkaar te houden. Ook kruisen ze vaak met elkaar. Hier in Gouda heeft deze plant ook profijt van de Grote ratelaar (Rinhanthus angustifolius). Deze plant groeit hier erg veel in wegbermen is een halfparasiet. Dat wil zeggen dat de Ratelaar parasiteert op diverse grassen om te groeien. Hierdoor krijgen deze grassen geen kans om erg hoog te worden en kan de Riet/Brede orchis zich goed uitbreiden.

 

 

 

Liggende ganzerik op de Welle

Deventer ligt aan de IJssel, en op de overgang tussen IJssel en de stad ligt de Welle. Dat is eigenlijk de naam van de straat die zo af en toe, bij heel extreem peil, overstroomt. Er is echter ook een wat lager deel dat het Wellepad wordt genoemd. Het ligt zo’n twee meter lager en dat overstroomt veel vaker; jaarlijks minstens een keer. Het overstroomt bij een waterhoogte van meer dan 4.50 m-NAP (zie ook https://www.deventer.nl/hoogwater) . Dat hoge water zorgt voor aanvoer van van alles en nog wat, waaronder zaden van planten. Het Wellepad heeft allerlei hoekjes die altijd weer leuke vondsten opleveren. Liggende ganzerik bijvoorbeeld. Het is niet ieder jaar present, maar in 2018 op zeker vijf plaatsen op het Wellepad.

Liggende ganzerik aan het Wellepad
Liggende ganzerik aan het Wellepad, met een van de kunstwerken. Boven de muur rechts loopt de Welle, één van de toegangswegen tot het noordelijk deel van Deventer.

Liggende ganzerik (Potentilla supina) is een vrij zeldzame soort die vrijwel geheel aan het Rijnstroomgebied is verbonden. De ‘Ruimte voor de rivier-projecten’ die de afgelopen jaren zijn uitgevoerd ten Zuiden en Noorden van Deventer hebben geresulteerd in vele plaatsen waar pioniervegetaties goed van geprofiteerd hebben. Volgens de verspreidingsatlas is Liggende ganzerik steeds vaker te vinden, soms ook wel buiten het rivierengebied of zoals in Deventer, naast de Welle ook op een terrein van de gemeente, waar opslag van bestratingsmateriaal plaatsvindt. Hier werd de Liggende ganzerik overigens naast Noorse ganzerik gevonden.

De Nederlandse Oecologische Flora (deel 2 vanaf pagina 81) meldt dat Liggende ganzerik voor 1950 aan de IJssel alleen aan de IJsselmonding bij Kampen voor kwam. Vermoed wordt dat de verzilting van het Rijnwater, door lozing van Kalimijnen in Frankrijk, heeft bijgedragen aan toename en verdere verspreiding van Liggende ganzerik in het Rijnstroomgebied.

Liggende ganzerik aan het Wellepad
Detail van Liggende ganzerik aan het Wellepad

Het geslacht Ganzerik/Potentilla behoort tot de familie van de rozen.  Heel herkenbaar: vijf kroonbladen en vijf kelkbladen. Op de Wateraardbei na hebben alle Nederlandse ganzerikken gele bloemen. Verder is de combinatie van liggende habitus, de veervormige bladen -alleen Zilverschoon heeft dat ook- en de kroonbladen die nauwelijks groter zijn dan de kelkbladen, typisch voor Liggende ganzerik.

Explosieve exoot

Midden in oude binnenstad van Breda ligt het Begijnhof. Daar wordt een prachtige kruidentuin onderhouden. Vanwege de de bezoekers worden de paden rond de tuin schoongehouden van wilde planten en ontsnapte planten uit de perken. Heel soms ontkomt een zaadje aan het smoren in de wieg. In dit geval waarschijnlijk omdat het net binnen een privédomein terecht was gekomen, al blijft zoiets in een begijnhof, moeilijk af te bakenen.

veilig op privéterrein ?

De plant in kwestie is de springkommer (Ecballium elaterium). Hij behoort tot de komkommerfamilie, hetgeen ook aan de bloem is te zien.

komkommerachtiige bloem

De plant is thuis in het gehele gebied rond de Middellandse Zee. Wie daar wel eens is geweest, weet dat springkomkommer daar groeit als onkruid. Liefst op ruderale plekken, naast de weg, parkeerplaatsjes met steenslag, e.d.

De plant ontleent zijn naam aan het feit dat als de rijpe vrucht neerploft, de zaden explosief worden weggeslingerd. Veel leuker is, als de rijpe vrucht nog hangt, een kind te vragen in de vrucht te knijpen. Pang!

De vrucht is giftig, dus het kind moet wel gereinigd worden en een aai over de bol voor de schrik.

harige bladeren met hartvormige voet

De wetenschappelijke naam Ecballium elaterium betekent tweemaal ‘uitwerpen’ . Eenmaal in het Grieks en eenmaal in het Latijn.

 

 

Straprika

In de afgelopen herfst vond ik aan het begin van de straat waar ik woon een plant die, gelet op de bloemen, duidelijk tot de Nachtschadefamilie behoorde. Hij stond in een kier tussen een stoeptegel en de gevel van een winkel. Enkele weken later begonnen zich vruchten te ontwikkelen. Waren dat pepers of paprika’s? De eigenaar van de winkel had geen idee hoe die plant daar gekomen was. Omdat de plant in zo’n klein kiertje stond is het zeer onwaarschijnlijk dat iemand hem daar had geplant. Er moet dus iemand een zaadje hebben laten vallen.

Nu de vraag ‘paprika of peper?’. Het zijn verschillende rassen van dezelfde soort, namelijk Capsicum annuum. Het betreft hier wellicht een zogenaamde ‘puntpaprika’. De meeste paprika’s die we in de winkel aantreffen zijn  ‘blokpaprika’s’. De paprika die hier in Breda zomaar op straat groeit is volgens de literatuur een echte kasplant die een temperatuur nodig heeft van 16 tot 25 graden Celsius. Paprika’s werden al voor de tijd van Columbus in Midden- en Zuid-Amerika gekweekt. Veel mensen denken dat de paprika afkomstig is uit Hongarije. Dat is niet zo gek want het woord ‘paprika’stamt uit het Hongaars en betekent ‘peper’. En paprika’s vormen een wezenlijk onderdeel van goulash.

Niet alle kleurige pepers behoren tot de soort C. annuum. De beroemde, en ook wel beruchte Madame Jeanette uit Suriname, behoort tot de soort Capsicum chinensis. Een onverwachte soortaanduiding voor een geslacht uit Midden- en Zuid-Amerika.

Intussen is onze straatpaprika verdwenen. Het schijnt een meerjarige plant te zijn, dus wie weet kan ik er volgend jaar wel van eten. Dat was ik nu vergeten.

Zilverschildzaad: een nieuwe Diemenaar

Deze bijdrage is van de hand van Peter Wetzels (Districtscoördinator Floron-afdeling Groot-Amsterdam). Hij vervangt Ton Denters op diens verzoek. Ton heeft het druk met een bijdrage aan de ‘Nieuwe Heukels’.

 

Zilverschildzaad is een vaak gebruikte tuinplant die in de stad regelmatig verwildert. De algemene opvatting is dat de soort niet winterhard is, en zich elk jaar opnieuw uitzaait uit vers aangeschafte tuinplanten.

Straatbeeld

In mijn directe omgeving in Diemen komt de soort veel op straat voor en ik had het idee dat de soort jaarrond voorkwam: een paar honderd exemplaren verspreid over een tiental groeiplekken, alle binnen een straal van 300 meter. Ik kreeg het idee dat de soort in Diemen niet meer verwildert maar stevig was ingeburgerd. Het criterium voor inburgering is dat de soort een aantal jaren op eigen kracht een populatie vormt. Tijd om mijn idee om te zetten in een aangetoond feit. Het boek ‘Planten tellen’ van Eelke Jongejans over monitoring en demografisch onderzoek aan plantenpopulaties gaf mij het zetje om te onderzoeken of er sprake was van een ingeburgerde populatie.

Door consequent, van 2013 tot 2015, elke maand de aantallen van verschillende groeiplekken te tellen kreeg ik een goede indruk van de ontwikkelingen: geboorte, groei en sterfte.

Na het wieden toch niet weg

In geef hier de belangrijkste conclusies.

Dat deze soort niet winterhard is te nuanceren. Ik heb de groeiplekken drie jaar gevolgd en het werd duidelijk dat de planten met hun wortels de winter kunnen overleven. Een vorstperiode doet alle planten bovengronds afsterven, maar binnen twee maanden staan ze alweer te bloeien. In een zachte winter bloeit de soort gewoon door zoals de Eindejaarsplantenjacht aantoont.

Gek genoeg is zilverschildzaad wel erg gevoelig is voor borstelen. Na een borstelbeurt blijft de straat vrij lang kaal. Snelle hergroei vanuit de wortels treedt dan niet op. Wellicht is het seizoen van belang en hebben de wortels van de straatexemplaren in de zomer weinig reserves. In de tuinen is een keer wieden niet effectief. Een week of wat later komen de eerste groeischeuten weer boven het maaiveld uit.

Zilverschildzaad bloeit lang en rijk en produceert vermoedelijk veel zaden. De kieming is nooit massaal en verspreid over het zomerhalfjaar. De originele groeiplaatsen van de soort zijn te vinden langs de mediterrane kusten net buiten de zeereep. Een verspreide kieming is een strategie van risicospreiding die bij een dynamische omgeving past.

De zaden komen op straat niet ver. Kiemplanten vond ik bijna altijd binnen 20 meter van een populatie.

Tuinbeeld

Zilverschildzaad komt ook in een aantal tuinen voor en uit navraag bleek dat ze daar al vele jaren voorkomen zonder aanplant of uitzaai. Menige tuin werd heringericht met meestal een overgroot aandeel bestrating en zelfs dat deed de soort niet verdwijnen.

De groeiplaatsen wandelen een beetje heen en weer tussen de straat en de naastgelegen bestrate tuinen, afhankelijk van de onkruidbestrijding in tuin of op straat. Zelden vond die onkruidbestrijding gelijktijdig plaats.

Meeste planten staan in de goot

De grootste herinrichting in de wijk is de periodieke ophoging. De wijk verzakt elk jaar met twee centimeter. Dus elke vijftien jaar wordt er in de hele wijk dertig centimeter zand gestort. In 2016 na mijn telling was het weer zover en ik verwachtte een complete verdwijning. Tot mijn verbazing bleef de grootste groeiplaats bestaan en floreert tot op heden. Her en der heb ik ook nog wel losse exemplaren gevonden maar die bleken niet bestendig. In twee ook opgehoogde tuinen komt de soort ook nog steeds massaal voor. Ik vind dit ook wel inburgering, maar laat dat andere floristen maar niet weten.

 

Straatgrassen

Hoe stadser kan het heten dan ‘Straatgras’ ? Tussen de kleinste voegen van de straat kan een polletje groeien en in elk jaargetijde vind je het in bloei.  Straatgras is een eenjarige plant die valt onder de beemdgrassen. Maar is dat nu een interessante plant? Jawel! Ik bekeek ze redelijk vaak van dichtbij want al jaren zocht ik naar een op Straatgras gelijkende soort. Het betreft het zeer gelijkende Poa infirma. Straatgras zelf kan al redelijk smal en tenger zijn, Poa infirma is nog een beetje smaller en tengerder. Ik wist van het bestaan door in de Britse flora van Stace te bladeren. Toch vond ik er al die jaren nooit die aan de beschrijving voldeden; al moet ik ook toegeven dat ik ook niet ieder Straatgras aan een inspectie onderwierp.

Het is helaas vaak zo, dat je de plant in kwestie eerst eens moet hebben gezien, liefst aangewezen door een ervaringsdeskundige, zodat je er een beeld van krijgt. Niet alleen van het uiterlijk van de plant, maar ook van de plekken waar je die zou kunnen verwachten. Dat laatste bleek uiteindelijk de sleutel tot succes. De plant werd vanaf 2016 op vrij veel plaatsen in Nederland ontdekt en met name op aangereden grond op campings. Helaas had ik dus zelf de primeur niet, graag ontdek je zoiets als eerste, zeker als je er al langer naar gezocht hebt, maar de aanwijzing dat campings ‘the place to be’ waren, gaven me hoop. In 2017 wezen West-Vlaamse botanici me de plant op een West-Vlaamse camping, en had ik dus ook al een zoekbeeld en in 2018 vond ik er, uiteindelijk dus met eigen ogen, een heel stel op een camping in Belgisch Limburg. Een kleine missie kreeg zijn voltooiing.

Een West-Vlaamse camping bleek het mekka voor Poa infirma

Inmiddels bleek ik achteraan in de horde te zitten, want in snel tempo bleek een aanzienlijk deel van Nederland al gevuld met stippen. Ook Vlaanderen volgde snel. Zo snel dat de hypothese is, dat we er met zijn allen toch jarenlang overheen moeten hebben gekeken. Niet alleen campings waren de goede plekken, maar allerlei man-made pionierplaatsen bleken groeiplaatsen te herbergen. Denk aan begraaf- en parkeerplaatsen. Maar ik had een excuus; nog steeds zijn de hogere zandgronden, en algemener gesproken het Zuiden en Oosten van beide landen, zeer schaars bedeeld. Daar moeten wij het toch nog grotendeels doen met gewoon Straatgras.

Een frisse pol Straatgras op 7 januari 2018; een goed begin van een nieuw jaar

Normaliter schrijf ik vervolgens graag ook nog iets over het onderscheid tussen de twee soorten, maar niet zo lang geleden heeft Niels Eimers het woord al verspreid in een prachtig tabelletje op waarneming.nl. Voor deze keer verwijs ik dus graag door naar https://waarneming.nl/species/129155/

Rest mij nog iedereen een fijn 2019 toe te wensen en dat uw eerste waarneming in 2019, om 1 over 12 bij het licht van het vuurwerk, het Straatgras moge zijn.

Oranje boven

Voor iemand uit de gemeente Breda is het leuk een nieuwe plant tegen te komen die ‘Oranjeboompje’ heet. Breda noemt zich immers ‘Oranjestad’ omdat het huis van Oranje-Nassau zijn oorsprong heeft in Breda. De voormalige bierbrouwerij ‘Oranjeboom’ in Breda, heeft met die naam niets te maken, al wordt dat door sommigen wel kwaadsappig gesuggereerd.

Met een duidelijk herkenbare nachtschadebloem

Tijdens een planteninventarisatie in Wagenberg, een dorp ten noorden van Breda, kwamen we midden in dorp de plant tegen. Ingeklemd tussen een muur, een lantaarnpaal en een soort elektriciteitskastje; goed beschermd tegen branders en borstels. Je moet wat, als stadsplant. In Nederland is het een zeldzame stadsplant met ongeveer 20 vindplaatsen.

Het struikje is afkomstig uit de bergen van Ecuador en Peru en door de Portugezen als vroeg naar Europa gebracht. Daar was het allereerst een exclusieve sierplant voor de betere kringen. Nu is het boompje voor een breed publiek verkrijgbaar en worden er ook diverse cultuurvariëteiten aangeboden.

Heel veel vruchten

De wetenschappelijke naam is Solanum pseudocapsicum. De geslachtsnaam ‘Solanum’ betekent zoveel als ‘verlichtend’ vanwege de pijnstillend werking van een aantal soorten uit dit geslacht, o.a. doornappel. Denk ook aan het woord ‘soelaas’. De soortaanduiding ‘pseudocapsicum’ betekent letterlijk ‘neppeper’, van pseudo = schijn, en capsicum = Spaanse peper.