Home » Bijzondere planten

Categorie: Bijzondere planten

Plant met sterallures

De Bleke morgenster (Tragopogon dubius) houdt zich in Breda keurig aan zijn profiel. We vonden hem op korte afstand van de spoorweg aan de westkant van het centrum. Volgens de veldgids “Stadsplanten” van Ton Denters (2004) heeft deze soort zich vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw via het spoor over het westen van Nederland verspreid. Het oorspronkelijke verspreidingsgebied van de Bleke morgenster bestaat uit Midden- en Zuid-Europa en Zuidwest-Azië.

De Bleke morgenster onderscheidt zich van wat bekendere Gele morgenster doordat de groene omwindselblaadjes duidelijk buiten de gele lintbloemen uitsteken, door de opgezwollen stengeltop onder de bloeiwijze en natuurlijk door de wat blekere bloemen. Met een loep, maar ook met goede blote ogen, kun je ook zien dat de stijlen van de Bleke morgenster paarsachtig zijn, terwijl die van de Gele morgenster geel zijn.

De naam ‘morgenster’ is volstrekt logisch:  de bloem sluit zich wanneer de zon op zijn hoogste punt is gekomen om zich de volgende ochtend weer te openen. Ook een geplukt exemplaar in mijn vensterbank hield zich eraan. De toevoeging ‘bleke’ is heel begrijpelijk. Vergeleken met de Gele morgenster (Tragopogon pratensis) is het geel van de bloemen wat bleker.

Pluizenbol

Na succesvolle bestuiving en bevruchting vormt zich een prachtige pluizenbol. Deze bestaat uit vruchten, de nootjes, met gesteeld vruchtpluis. Dat vruchtpluis is gevormd uit de pappusharen en heeft veervormige haren die in elkaar grijpen.

Vooral in wat oudere literatuur is ‘Boksbaard’ de Nederlandse naam voor het geslacht Tragopogon. Dat is de letterlijke vertaling van ‘Tragopogon.  De betekenis van ‘Tragos’  is bok en ‘pogon’ is baard. Deze naam dankt het geslacht aan het gegeven dat het omwindsel na de bloei weer dichtvouwt. De lange spitse punten van de omwindselbladen zien er wat rafelig uit. De gelijkenis met de baard van een bok heeft tot deze Nederlandse naam geleid. De botanicus die de wetenschappelijk heeft gegeven blijkt zijn/haar twijfels te hebben gehad want ‘dubius’ betekent gewoon ‘twijfelachtig’.

Pluizenbol vergroot

 

 

De wilde tuin

Deze bijdrage is van de hand van Peter Wetzels (Districtscoördinator Floron-afdeling Groot-Amsterdam). Hij vervangt Ton Denters op diens verzoek. Ton heeft het druk met het nieuwe boek ‘Stadsplanten van Nederland en Vlaanderen’.

 

In een stad vormen tuinen een belangrijke gebied voor wilde planten. Tuinen nemen een groot deel van de stadsruimte in en, belangrijker, er zijn tuinen waar niet zo strak onkruid wordt bestreden als door de gemeentelijke diensten. Ook het milieu is anders dan aan de voorkant van het thuis: vaak minder steen, koeler, rijkere grond en vochtiger.

Aangeplante of ingezaaide planten in tuinen tellen niet mee voor onze wilde flora. Anderzijds zijn paarse dovenetel (Lamium purpureum), schijnaardbei (Potentilla indica) en tuinwolfsmelk (Euphorbia peplus) voorbeelden van soorten die in de stad voornamelijk in tuinen te vinden zijn. Het zijn vaste gasten. Die tellen wel mee want tuinen zijn hun biotoop.

Er is echter een vrij grote groep soorten waar het minder eenduidig is. Dat zijn soorten die spontaan in tuinen voorkomen, maar worden ook aangeplant of ingezaaid. Of ze in sommige gevallen als  spontaan en wild of verwilderd gekenmerkt mogen worden leidt soms tot uitvoerige discussies.

Zo zijn in mijn tuin soorten als gele helmbloem, betonie en hartgespan spontaan opgekomen. Omdat deze soorten ook regelmatig in tuinen aangeplant of ingezaaid worden worden ook spontane opkomst in tuinen door velen niet als wild geaccepteerd. Betonie en hartgespan had ik te danken aan excursies in fraaie natuurgebieden. Na afloop de schoenen uitkloppen in mijn tuin was een cruciale stap.

Van betonie (Stachys officinalis) is duidelijk dat mijn locatie niet meetelt voor zijn natuurlijke verspreiding: deze soort komt vooral voor in Zuid-Limburg en de tuin is geen normale biotoop.

Bij hartgespan (Leonurus cardiaca) is het iets minder helder. De soort groeit vaak op omgewerkte, humeuze grond en ruderale plaatsen en een tuin past binnen zijn natuurlijke milieuvoorkeur.

De gele helmbloem (Pseudofumaria lutea) had ik te danken aan de ontlasting van houtduiven, die op een schutting loerden op een kans om mij van mijn kersen te beroven. Houtduiven zie je vaak op straat pikken op zoek naar zaadjes. Niet alles wordt verteerd en de restanten lozen ze natuurlijk op de meest onhandige plekken. Op deze wijze hebben ze mijn tuin verrijkt met deze fraaie soort. Mijn gele helmbloemen zijn een stadse soort, groeiend in een gebruikelijke biotoop en geheel natuurlijk verspreid. Als ik het zo beschrijf zal iedereen beamen dat dit wilde exemplaren zijn, maar dan word ik wel op mijn bruine ogen geloofd.

Er groeien vier leuke soorten in mijn tuin die minder discussie zullen geven. Al was het maar dat ze in de stad vooral te vinden zijn in de voegen van de bestrating. Zo ook in mijn tuin.

Gehoornde klaverzuring loopt vaak wat rood aan

Het gaat om stijve klaverzuring, gehoornde klaverzuring, kransgras en stijf hardgras die allen het stukje steenwerk in mijn tuin verfraaien. Natuurlijk zijn ze in mijn tuin terecht gekomen als zaad aan mijn schoenen klevend, opgepikt tijdens mijn stadse planteninventarisaties.

Stijve klaverzuring

Stijve klaverzuring (Oxalis stricta), afkomstig uit Noord-Amerika en in de 17e eeuw in Europa ingeburgerd, is het minst gebonden aan een steenwoestijn. Menig tuin wordt verfraaid door deze sierlijke plant. Haar uiterlijk heeft zij mee en wordt bij het wieden vaak gespaard. Haar zusje gehoornde klaverzuring (Oxalis corniculata) is wat meer gebonden aan de straat. Met haar fraaie bruinrode bladeren werd het vroeger als tuinplant verkocht. Ooit inheems in Zuid-Europa komt het nu wereldwijd voor.

Kransgras en stijf hardgras zijn mijn kampioenen van de straat. Deze soorten zijn vrijwel uitsluitend op stenige plaatsen te vinden. Tot deze eeuw waren dit zeer zeldzame grasjes en ze zijn pas in de laatste jaren sterk opkomend. Kransgras (Polypogon viridis) heb ik al enige jaren in mijn tuin. Deze Zuid-Europese soort heeft eind vorige eeuw op eigen kracht Nederland bereikt. Meestal kleine groeiplekken in de schaduwrijke stegen en langs gevels. In het nabijgelegen Amsterdam-Oost kwam er echter een groeiplaats van enige duizenden exemplaren voor. Het is dan ook niet raar dat deze soort in mijn tuin opdook.

 

Mijn kampioen: stijf hardgras

De laatste aanwinst is stijf hardgras (Catapodium rigidum). Deze soort leek een halve eeuw geleden uit Nederland te verdwijnen. Het stond vooral op oude muren en steile wanden in steengroeven en nam in aantal af. Door de opwarming heeft het een nieuwe biotoop kunnen vinden: de straat en komt nu vooral in de Randstad voor. Een paar weken geleden plukte in gedachteloos een halm van een miniem grasje. Tot mijn verbazing was het stijf hardgras, een toch nog zeldzame soort. Ik had begin mei deze soort aangetroffen bij de Buiksloterwegveer in Amsterdam-Noord. Kwam het zaad daar vandaan? Bij nader inzien denk ik van niet. Gaandeweg doken er namelijk meer exemplaren op in alle hoeken van mijn tuin. Nu zijn er ruim dertig: van minieme verkreukelde exemplaren in de looproute tot forse exemplaren langs de muur en borderrand. De soort moet er minstens een jaar aanwezig zijn en vermoedelijk wel langer. Domweg over het hoofd gezien. Het Japanse spreekwoord: ‘Aan de voet van de vuurtoren is het donker’, vind ik hier zeer toepasselijk.

 

Slaapmuts bij lantaarnpaal

Het gaat te ver om Dongen een slaperig dorp te noemen, maar je zou het bijna zeggen. In de Gerardus Majellastraat in deze Brabantse gemeente trof ik slaapmutsen aan bij een lantaarnpaal. Slaapmuts of ook wel Goudpapaver genoemd heeft een de prachtige wetenschappelijke naam Eschscholzia californica  en behoort tot de Papaverfamilie. Het geslacht is genoemd naar de arts en zoöloog J.F. von Eschscholz (1793-1831). De soortaanduiding heeft te maken met de staat Californië (VS), waar de plant voor het eerst werd gevonden. De bloem dient als symbool voor de staat Californië. In het zuidwesten van de VS kleurt de Sonorawoestijn oranjegeel wanneer de ‘Californian Poppy’ bloeit.

De muts van de slaapmuts

De meest gangbare Nederlandse naam ‘slaapmuts’ is afgeleid van de vorm van de bloemknop. Het lijkt een hele lange puntmuts. De plant schijnt, toevallig of niet, slaapverwekkende eigenschappen te bezitten. Dat is bij wel meer leden van de Papaverfamilie het geval. Indianenstammen in het zuidwesten van Noord-Amerika gebruiken de bovengrondse delen van de plant  als een licht verdovend middel tegen allerlei pijnen en kwalen, met name kolieken en tandpijn. Het schijnt niet verslavend te werken.

De eerst bekende waarneming van verwildering in Nederland stamt uit 1898 en werd gedaan op een spoorwegemplacement in Dordrecht. Met enige regelmaat wordt de plant als adventief gemeld. In de wat oudere versies van de Heukels  staat ‘zeld.verw.’ Je kunt je afvragen hoe die slaapmuts daar bij die lantaarnpaal terecht is gekomen. Hoogstwaarschijnlijk is daar wat zaad gevallen uit een bloembak of zomaar uit een zakje. Aanplant lijkt onwaarschijnlijk omdat de zaailingen zeer lastig te verspenen zijn.

 

Amerikaan verspreidt zich over Nederland

21 mei 2019 vond ik tijdens een inventarisatie met de Rotterdamse Florawerkgroep voor het eerst Amerikaanse droogbloem (Gnaphalium pensylvanicum) in Rotterdam.  En niet zo zuinig ook, er stonden er tientallen verspreid over de kade van ‘het Haringvliet’.

De eerste waarneming van Amerikaanse droogbloem in Nederland was in 1967 in Baarn tussen parkbeplanting; waarschijnlijk meegekomen als onkruid. Daarna bleef het zo’n dertig jaar stil. Rond 2000 werd hij in Nijmegen gesignaleerd en vanaf 2007 wordt hij daar regelmatig gemeld. In 2007 wordt hij ook gespot in Amsterdam en in het buitengebied bij Sint Oedenrode. In 2008 is Wageningen aan de beurt. Daarna duikt hij ieder jaar op nieuwe plaatsen op. De meeste zijn stedelijk zoals: Culemborg (2010), Eindhoven (2013), Maastricht (2014), Breda (2014), Utrecht (2014), Huizen (2014). Hij is echter ook in het buitengebied gevonden zoals in een maisakkerrand en in de Overloonse duinen. In 2015 was de eerste vondst in Rotterdam.

Verspreidingskaartje Amerikaanse droogbloem d.d. mei 2019. Die ene stip in het Noorden, op Ameland is een waarneming waarbij de plant nog in de olijfboomkuip stond.

Het gebied in Nederland waar Amerikaanse droogbloem is gesignaleerd breidt zich gestaag uit. Het lijkt erop dat hij niet gelijk hele steden verovert, maar stukje bij beetje. Van diverse plekken is bekend dat de bron van de verwildering een kuip met olijfbomen is geweest, die met aarde en mediterrane onkruiden naar Nederland zijn gekomen. In Rotterdam was de eerste vondst (2015) in Kralingen. Opvallend is dat de tweede vindplek (2019) hemelsbreed slechts 500 meter daarvandaan is en we hem de afgelopen vier jaar niet op andere plekken in Rotterdam zijn tegengekomen. Ik vermoed dat de nieuwe vindplaats vanuit eerdere verwildering is gekoloniseerd, we hebben geen olijfboomkuipen in de nabije omgeving gezien.

Hoe de soort in het buitengebied terecht komt is mij onbekend, maar het lijkt me waarschijnlijk dat ook dat niet direct vanuit de olijvenkuipen gebeurt, maar vanuit al eerder ontstane stadspopulaties.

Amerikaanse droogbloem krijgt paarsbruinige bloemhoofdjes in knoedels langs de stengel in plaats van de lichtgele tuilen bij de Bleekgele droogbloem. Het blad is ook minder witviltig behaard en de hogere bladeren zijn breder dan bij de Bleekgele. De soort is in de eerste jaren dat hij in Nederland werd gevonden aangezien voor Paarse droogbloem, maar die heeft tweekleurige bladeren: groenglanzend van boven en witviltig van onderen; er zijn intussen wel een paar Nederlandse waarnemingen van Paarse droogbloem.

Ik ben benieuwd of de Amerikaanse droogbloem heel Rotterdam gaat veroveren.

 

Rozetkruidkers in Nijmegen

September vorig jaar schreef ik een bericht over de bijzondere plantensoorten die worden aangetroffen op intensief gemaaide en daardoor schrale grasvelden in Nijmegen. Dergelijke grasveldjes zijn in Nijmegen niet zeldzaam, je kan ze aantreffen op de campus, in het industriegebied en nagenoeg elke berm langs fietspaden en autowegen. Een van de soorten die hier van lijkt te profiteren is Rozetkruidkers (Lepidium heterophyllum). Deze soort bloeit vroeg in het jaar en kan haar bloei- en vruchtstadium net voltooien voordat de grasmaaier de boel weer om zeep helpt.

Het rozet van Rozetkruidkers

Rozetkruidkers is een zeer zeldzame soort die haar naam dankt aan de aanwezigheid van een bladrozet tijdens de bloei. Bij de meeste andere soorten uit het geslacht, is het rozet verdroogd en verschrompeld tegen de tijd dat de plant aan de bloei begint. Rozetkruidkers lijkt het meest op de meer algemene Veldkruidkers (Lepidium campestre), o.a. vanwege de stengelomvattende stengelbladen. Veldkruidkers heeft tegen de bloei echter geen rozet meer en heeft een meer erecte bloeiwijze; bij Rozetkruidkers is de bloeiwijze meer opstijgend. Als er dan nog steeds twijfel is, heb je een loepje nodig. Rozetkruidkers heeft gele helmknoppen en een vrij lange snavel, duidelijke buiten de vruchtvleugels uitstekend. Veldkruidkers heeft paarse helmknoppen en een vrij korte snavel , niet of weinig buiten de vruchtvleugels uitstekend.

Een groot exemplaar van Rozetkruidkers met duidelijk opstijgende bloeiwijzes.

Rozetkruidkers staat op dit moment nog in bloei, maar zal nog enige tijd goed herkenbaar in vrucht staan. De soort staat op een 12-tal locaties in het zuidelijk deel van Nijmegen. Begeleidende soorten zijn Veldkruidkers, Klein vogelpootje, Ruw vergeet-mij-nietje en als je geluk hebt, kan je hem zelfs samen met Stijf vergeet-mij-nietje (Myosotis stricta) treffen.

Mosbloempje

‘Mossig steengewas’

‘Mossig steengewas’ is de letterlijke vertaling van de Engelse naam: Mossy stonecrop, van het Mosbloempje (Crassula tillaea). Dit vanwege het vermogen om op schijnbare kale stenen ondergrond te groeien. Een vermogen dat meer leden van de orde van Saxifragales hebben, denk aan Muurpeper.
Van de familie Crassula hebben we er in Nederland twee, de Watercrassula (Crassula helmsii) en het Mosbloempje. Watercrassalula is een ontsnapte soort uit vijvers en aquaria en oorspronkelijk uit Australië, Tasmanië en Nieuw Zeeland. Meer informatie over deze soort is te vinden in de factsheet over Watercrassula van DAISIE en via de Veldgids invasieve waterplanten in Nederland.

Mosbloempje heeft blijkbaar een voorkeur voor bepaalde steden steden in Nederland waar het als voegenvuller wordt gezien, bijvoorbeeld in Vlissingen en volgens de Verspreidingsatlas ook Harderwijk. Nou, in Deventer zou ik het leuk vinden om deze soort als voegenvuller te hebben.  Mosbloempje is in Deventer zeer zeldzaam en is volgens Waarneming.nl maar twee keer eerder gevonden in Deventer en beide keren op één van de begraafplaatsen.

De nieuwste vondst is niet in Deventer gedaan, maar in het nabij gelegen dorpje Diepenveen. Mosbloempje is gevonden op een stoepje naast een bruggetje over de Zandwetering. Samen met Liggend vetmuur, Veldereprijs en ook nog Rivierduinzegge!!

De Verspreidingsatlas laat zien dat de soort vooral in het kustgebied wordt gevonden op voedselarme bodem. Maar ook op begraafplaatsen en in een brede strook in Utrecht en de Veluwe. Dat het redelijk zeldzaam is, en in delen van Nederland helemaal niet wordt gevonden, is opmerkelijk. Want volgens de Oecologische Flora (deel 1: pagina 276) kan elk stukje dat op een geschikte plek blijf liggen uitgroeien tot een nieuwe plant. Dat kennen we maar al te goed van de Watercrassula dat zich zeer gemakkelijk verspreidt. Blijkbaar zijn er weinig geschikte plekken voor het Mosbloempje, of wordt het veel over het hoofd gezien?

Mosbloempje detail met bloeiwijzen
Mosbloempje detail met drie rondachtige kelkbladen en vruchtbeginsels

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik ga er vanuit dat er meer waarnemingen gaan volgen in Deventer. Habitat genoeg die geschikt lijkt. De grootte van het plantje echter zal ervoor zorgen dat het vaak over het hoofd wordt gezien, zeker als het groen is. Ik ga nog beter opletten.

 

Rankende duivenkervel

Vanwege het nieuwe boek van Ton Denters over stadsplanten in Nederland en Vlaanderen, moet er ook in Breda een route worden uitgezet, en zo verkenden wij eind maart de wijk Belcrum. Tot onze verrassing troffen wij daar rankende duivenkervel aan (Fumaria capreolata). De verrassing was dubbel: over tijd en plaats. Duivenkervel verwacht je te bloeien in de zomer. Niettemin lees ik bij zijn foto in de Verspreidingsatlas, dat Koen van Soest de plant ook al in maart bloeiend heeft aangetroffen. Verder is rankende duivenkervel wel eens waargenomen in Breda, maar niet daar en maar op een enkele plaats. Brabant is in de verspreiding toch al een uitzondering. Het rivierengebied en de duinen lijken favoriete plekken. De soort wordt als uitbreidend beschreven. In Breda staat hij als echte stadsplant in de voeg van tuinmuur en stoep.

Als echte stadsplant op de stoep

Het een eenjarige plant die oorspronkelijk uit Midden- en Zuidwest-Europa afkomstig is. Hij is makkelijk te herkennen door de typische kleuren van de bloem in combinatie met het kleinere en minder geveerde blad dan dat van de gewone duivenkervel (Fumaria officinalis)

Het blad van rankende duivenkervel is diep ingesneden.

Er zijn nogal wat zuidelijke soorten duivenkervel die door het opwarmende klimaat zouden kunnen opschuiven. Twee zijn er al gesignaleerd: kleine duivenkervel (Fumaria parviflora) en roze duivenkervel (Fumaria vaillantii). Dus het blijft oppassen met de determinatie.

De geslachtsnaam ‘fumaria’ betekent ‘damp of rook’. De verklaring daarvan is niet eenduidig. Men meende dat de plant ontstond uit dampende aarde, anderen menen dat het gebruik als gezichtscherpend middel, evenals rook, de ogen doet tranen. De soortaanduiding ‘capreolata’ betekent ‘rankend’.

Rankende duivenkervel blijkt ook een voorjaarsbloeier.

 

 

Nieuwe muurbloem in Heukels’ Flora 2020

De nieuwe Flora van Nederland, het standaardwerk de ‘Heukels’, zit eraan te komen! De laatste editie uit 2005, hangt ­-bij mij-­ van tape aan elkaar. Tegelijk toont de inhoud slijtage, ontbreken de vele nieuwe soorten die het laatste decennium bracht. Dit veldseizoen moeten we het nog zonder de update doen, maar in april 2020 is het zover. Je kunt een mooie verfrissing tegemoet zien; de hernieuwde Flora presenteert 220 extra soorten. Een aanzienlijk deel, 120 soorten, is van het predicaat ingeburgerd voorzien. Dat houdt in dat ze al meteen als vast deel van onze flora worden beschouwd. Dat is een hele stap. De stadsflora is met maar liefst 75 soorten hofleverancier.

Kleine muurbloem op inburgeringsplek in Amsterdamse Pijp.

Aan de Heukels’ Flora is ook een moeilijke muurbloem toegevoegd. Tot aan de deadline van de Flora is er druk aan soorten gesleuteld en op de valreep kwam de ware identiteit van de Kleine muurbloem Erysimum aureum aan het licht …. Een opluchting, want al jaren vormde het plantje een onoplosbaar mysterie. Muurbloemen zijn complex van aard, met in Europa en aangrenzend Azië vele soorten waarvan de taxonomie nog deels onopgehelderd is.

De kleine bloemen en wijduitstaande vruchten (hauwen) zijn kenmerkend.

Met Kleine muurbloem heeft Muurbloem Erysimum cheiri er een compagnon bij gekregen. Onze ‘klassieke’ Muurbloem heeft een roemruchte geschiedenis. Het is een vroege cultuurplant, gekweekt door de Romeinen. Zij brachten twee verwante muurbloemen uit de Grieks-Egeïsche regio samen in een kruising; de huidige Muurbloem. In de Middeleeuwen werd deze naar onze contreien gebracht. Dodoens maakt gewaag van deze ‘muurviolier’ in zijn vermaarde Cruijdeboeck (1554). Muurbloem is sindsdien als zeldzame, bedreigde muurplant deel van oude, monumentale gebouwen; vestingwerken, ommuringen, stadspoorten, ruïnes en forten.

Kleine muurbloem kan minieme afmetingen hebben.

De moderne tijd brengt ons nu een tweede muurbloem. Het is evenzo een nieuwe introducé, ditmaal uit Oost-Europa/West-Azië. Kleine muurbloem is in recente tijd aangeplant in tuinborders en geveltuinen. Opvallend is het gemak waarmee deze soort van plek ruilt, en daarbij de aanplantplaats verlaat en de straat verkiest. Op zonnige plaveisels leven ze op, zaaien daar uit en keren jaar op jaar terug. Daarmee zijn ze deel geworden van de wilde stedelijke straatflora. Kleine muurbloem werd in 2010 allereerst in Amsterdam opgemerkt en daarna op 10 locaties elders in de hoofdstad. Ook daarbuiten kwam de soort in het viezer, in Haarlem, Utrecht, Nijmegen en recent in Grevenbicht. Het verschil met ‘gewone’ Muurbloem zit hem in de vruchtsnavel, die is ongedeeld, terwijl die van Muurbloem duidelijk tweetoppig is met naar buiten geboden stempellobben. Kleine, staat voor kleinbloemig, duidend op de geringe afmetingen van de kroonbladen. De plant is twee- of meerjarig, wordt circa 45 cm hoog, maar kan ook minieme maten hebben. Verwar Kleine muurbloem niet met Steenraket, een eenjarige Erysimum-soort.

Zo ziet de determinatiesleutel er in de komende Heukels’ Flora uit!
Links: Kleine muurbloem met ongedeelde snavel Rechts: de tweetoppige snavel van ‘Gewone’ muurbloem.

 

Kleine muurbloem is straks voor een ieder met de nieuwe Flora te determineren, dat is mooi. Maar de primeur is voorbehouden aan deze weblog. Ik zou zeggen speur komend seizoen al naar deze muurbloem, met deze sleutel in de hand.

Meer Smeerwortel

 

De gewoonste smeerwortel is de Gewone smeerwortel. Het is een grote plant die grote aantrekkingskracht op met name hommels uitoefent. Toen ik mee ging doen aan ‘herken de plant bij de hommel’ herkende ik dan ook vele malen smeerwortel.  Ze kan paarse, roze tot bijna witte bloemen hebben. Je vindt deze plant ook in stad; ze groeien op vruchtbare, vochtige grond op lichtelijk ruderale plaatsen tussen allerlei andere grote planten als Grote brandnetel en Koninginnenkruid.

Gewone smeerwortel is meestal paars, maar soms bijna zuiver wit zoals deze te Boom (B.)

Maar als we het over stadse smeerwortels hebben komt al snel een heel scala aan andere soorten die je er verwilderd kan aantreffen in beeld. Ze zijn niet allemaal even makkelijk herkenbaar.

Bij deze Bastaardsmeerwortel loopt de bladrand af op de stengel.

Als eerste wil ik blauwbloemige smeerwortels behandelen.  De zeldzaamste is Ruwe smeerwortel. Bij deze, en dat is een heel belangrijk kenmerk, lopen de bladranden niet af op de stengel.  Of deze in zuivere vorm te vinden is, is wel de vraag, want de kruising Bastaardsmeerwortel, met wel aflopende bladranden, is waarschijnlijk de gewoonste. In België is dit een vrij zeldzame, in Nederland een zeldzame plant.

Kaukasische smeerwortel (S. caucasicum) is ook een (fel) blauwbloeiende soort, maar is meestal een lagere plant. De kelk is ook minder ingesneden dan bij Bastaardsmeerwortel. Het blad loopt zeer kort af op de stengel.

Kruipende smeerwortel met rode knoppen en kelkbladeren

Dan zijn er een stel kruipende smeerwortels die nu, in maart/april, ook al in bloei staan.  Kruipende smeerwortel (S. grandiflorum) is een algemene tuinplant. Het is een lage, zich zeer makkelijk uitbreidende plant en vaak wat zwarte punten op het blad en rode onderdelen: kelk en knoppen. Eenmaal ‘in de natuur’ weggegooid, kan de plant grotere vlakken maken.

Hidcote-smeerwortel met de wat vuilige blauwroze bloemen

Even gewoon is een zeer op Kruipende smeerwortel gelijkend taxon. Het betreft de meervoudige kruising Hidcote-smeerwortel (S. x hidcotense).  Het belangrijkste onderscheid is de kleur van de bloemen, een beetje vuilblauwroze, maar de plant is ook gemiddeld iets groter dankzij invloed van de ouder , en zelf al een kruising, Bastaardsmeerwortel.  Met Kruipende smeerwortel, de andere ouder, heeft ze die zwarte punten op het blad gemeen, de rode knoppen en natuurlijk het kruipende karakter. 

Moeilijker zijn de opgaande geel en bijna witbloeiende soorten.  Knolsmeerwortel (S. bulbosum) is daarvan de makkelijkst herkenbare soort door de uit de bloemkroon stekende stempel en keelschubben.  Knolsmeerwortel is op twee plaatsen in Nederland aangetroffen.

Symphytum tuberosum in Zuid-Frankrijk langs een bergbeek. Komt waarschijnlijk niet voor in Nederland en België

S. tuberosum wordt wel eens gemeld, maar dit is mogelijk nooit juist.  Het kan ook zijn dat de naam met S. bulbosum wordt verward, maar deze laatste is ook ultiem zeldzaam als verwilderde plant. Beide soorten hebben in ieder geval ‘tubers’.  S. tuberosum is een opgaande plant met eenkleurig wat zachtharig groen blad en zuiver gele bloemen. Mogelijk komt deze plant dus niet verwilderd voor in Nederland en België. Het is een inheemse plant uit Midden- en Zuid-Europa en zelfs in tuinen heb ik de plant nog nooit gezien.

Symphytum orientale te Thorn 2007. Pas nu herkend door nazicht van mijn foto-archief.

Vrijwel witbloeiende en sterk vertakte planten zonder aflopend blad kun je ook in twee soorten opdelen.   Een belangrijk onderscheid is de insnijding van de kelk. Bij Symphytum tauricum, momenteel slechts bekend van 1 plaats te Haarlem, is deze tot op de basis ingesneden. Bij S. tauricum is de bloemkroon ook veel langer. De veel minder ingesneden soort is Symphytum orientale. Deze was nog niet bekend uit Nederland en België, maar omdat ik voor dit artikel in mijn foto-archief aan het browsen was,  ontdekte ik op 1 van mijn foto’s van smeerwortel een plant van Thorn uit 2007 die vrijwel zeker Symphytum orientale moest zijn.

 

 

Pruimen zoeken

De sleedoorn (Prunus spinosa) is een van de vroegst bloeiende struiken. Begin maart kon je hem dit jaar al in bloei aantreffen. Het is daarom een waardevolle plant voor de vroege wilde bijen zoals allerlei hommelkoninginnen en diverse zandbijsoorten. De bloemen verschijnen in grote aantallen en eerder dan de bladeren, waardoor je prachtig wit oplichtende bloemenwolken ziet in de berm of aan de bosrand. Het effect is zo mooi omdat de takken van de sleedoorn zelf zwartachtig zijn en de naaststaande bomen nog geen blad hebben. De sleedoorn wordt tot drie meter hoog.

De sleedoornstruik maakt een bossige indruk

Hij  behoort tot het geslacht Prunus, waartoe ook de zoete kers (Prunus avium), de kerspruim (Prunus cerasifera) en de pruim (Prunus domestica) toe behoren. De sleedoorn vormt gemakkelijk bastaarden met de gewone pruim. Men vermoedt dat er ook spontane bastaarden zijn met de kerspruim. De hybriden zijn vruchtbaar en variabel meldt Heukels’ flora. Ook in Breda daarvan zijn daarvan voorbeelden te vinden o.a. bij het viaduct bij Bavel. Daar staan op het moment van schrijven van dit stuk, 10 maart 2019, een tiental struikachtige bomen te bloeien in wit maar ook in roze en gegarandeerd zaailing. Zelf ben ik verleden jaar begonnen met het fotograferen van de bloei van een paar bomen en daarna met het fotograferen van het blad. Vervolgens vergeten naar de vruchten te kijken.. Bij het vergelijken van blad en bloem onlangs sloegen de twijfels toe. Zou er geen sprake kunnen zijn van meer soorten hybriden?

Alle oude foto’s opgeruimd en opnieuw begonnen met de registratie: nu per boom en later beslist ook de vruchten. Meer nieuws over hybriden moet even wachten.

De naam komt van de blauwe kleur

De wetenschappelijke geslachtsnaam naam ‘Prunus’ is afkomstig van het Griekse ‘prune’ en betekent ‘pruim’. De soortaanduiding ‘spinosa’ betekent doornig. In de Nederlandse naam ‘sleedoorn’ heeft ‘slee’ de oerbetekenis ‘blauw’. Het woord ‘slee’ is verwant aan het Slavische ‘sliva’ dat pruim betekent. Denk aan ‘slivowitz’ = pruimenjenever.

Proost!