Home » Bijzondere planten » Pagina 2

Categorie: Bijzondere planten

Rankende duivenkervel

Vanwege het nieuwe boek van Ton Denters over stadsplanten in Nederland en Vlaanderen, moet er ook in Breda een route worden uitgezet, en zo verkenden wij eind maart de wijk Belcrum. Tot onze verrassing troffen wij daar rankende duivenkervel aan (Fumaria capreolata). De verrassing was dubbel: over tijd en plaats. Duivenkervel verwacht je te bloeien in de zomer. Niettemin lees ik bij zijn foto in de Verspreidingsatlas, dat Koen van Soest de plant ook al in maart bloeiend heeft aangetroffen. Verder is rankende duivenkervel wel eens waargenomen in Breda, maar niet daar en maar op een enkele plaats. Brabant is in de verspreiding toch al een uitzondering. Het rivierengebied en de duinen lijken favoriete plekken. De soort wordt als uitbreidend beschreven. In Breda staat hij als echte stadsplant in de voeg van tuinmuur en stoep.

Als echte stadsplant op de stoep

Het een eenjarige plant die oorspronkelijk uit Midden- en Zuidwest-Europa afkomstig is. Hij is makkelijk te herkennen door de typische kleuren van de bloem in combinatie met het kleinere en minder geveerde blad dan dat van de gewone duivenkervel (Fumaria officinalis)

Het blad van rankende duivenkervel is diep ingesneden.

Er zijn nogal wat zuidelijke soorten duivenkervel die door het opwarmende klimaat zouden kunnen opschuiven. Twee zijn er al gesignaleerd: kleine duivenkervel (Fumaria parviflora) en roze duivenkervel (Fumaria vaillantii). Dus het blijft oppassen met de determinatie.

De geslachtsnaam ‘fumaria’ betekent ‘damp of rook’. De verklaring daarvan is niet eenduidig. Men meende dat de plant ontstond uit dampende aarde, anderen menen dat het gebruik als gezichtscherpend middel, evenals rook, de ogen doet tranen. De soortaanduiding ‘capreolata’ betekent ‘rankend’.

Rankende duivenkervel blijkt ook een voorjaarsbloeier.

 

 

Nieuwe muurbloem in Heukels’ Flora 2020

De nieuwe Flora van Nederland, het standaardwerk de ‘Heukels’, zit eraan te komen! De laatste editie uit 2005, hangt ­-bij mij-­ van tape aan elkaar. Tegelijk toont de inhoud slijtage, ontbreken de vele nieuwe soorten die het laatste decennium bracht. Dit veldseizoen moeten we het nog zonder de update doen, maar in april 2020 is het zover. Je kunt een mooie verfrissing tegemoet zien; de hernieuwde Flora presenteert 220 extra soorten. Een aanzienlijk deel, 120 soorten, is van het predicaat ingeburgerd voorzien. Dat houdt in dat ze al meteen als vast deel van onze flora worden beschouwd. Dat is een hele stap. De stadsflora is met maar liefst 75 soorten hofleverancier.

Kleine muurbloem op inburgeringsplek in Amsterdamse Pijp.

Aan de Heukels’ Flora is ook een moeilijke muurbloem toegevoegd. Tot aan de deadline van de Flora is er druk aan soorten gesleuteld en op de valreep kwam de ware identiteit van de Kleine muurbloem Erysimum aureum aan het licht …. Een opluchting, want al jaren vormde het plantje een onoplosbaar mysterie. Muurbloemen zijn complex van aard, met in Europa en aangrenzend Azië vele soorten waarvan de taxonomie nog deels onopgehelderd is.

De kleine bloemen en wijduitstaande vruchten (hauwen) zijn kenmerkend.

Met Kleine muurbloem heeft Muurbloem Erysimum cheiri er een compagnon bij gekregen. Onze ‘klassieke’ Muurbloem heeft een roemruchte geschiedenis. Het is een vroege cultuurplant, gekweekt door de Romeinen. Zij brachten twee verwante muurbloemen uit de Grieks-Egeïsche regio samen in een kruising; de huidige Muurbloem. In de Middeleeuwen werd deze naar onze contreien gebracht. Dodoens maakt gewaag van deze ‘muurviolier’ in zijn vermaarde Cruijdeboeck (1554). Muurbloem is sindsdien als zeldzame, bedreigde muurplant deel van oude, monumentale gebouwen; vestingwerken, ommuringen, stadspoorten, ruïnes en forten.

Kleine muurbloem kan minieme afmetingen hebben.

De moderne tijd brengt ons nu een tweede muurbloem. Het is evenzo een nieuwe introducé, ditmaal uit Oost-Europa/West-Azië. Kleine muurbloem is in recente tijd aangeplant in tuinborders en geveltuinen. Opvallend is het gemak waarmee deze soort van plek ruilt, en daarbij de aanplantplaats verlaat en de straat verkiest. Op zonnige plaveisels leven ze op, zaaien daar uit en keren jaar op jaar terug. Daarmee zijn ze deel geworden van de wilde stedelijke straatflora. Kleine muurbloem werd in 2010 allereerst in Amsterdam opgemerkt en daarna op 10 locaties elders in de hoofdstad. Ook daarbuiten kwam de soort in het viezer, in Haarlem, Utrecht, Nijmegen en recent in Grevenbicht. Het verschil met ‘gewone’ Muurbloem zit hem in de vruchtsnavel, die is ongedeeld, terwijl die van Muurbloem duidelijk tweetoppig is met naar buiten geboden stempellobben. Kleine, staat voor kleinbloemig, duidend op de geringe afmetingen van de kroonbladen. De plant is twee- of meerjarig, wordt circa 45 cm hoog, maar kan ook minieme maten hebben. Verwar Kleine muurbloem niet met Steenraket, een eenjarige Erysimum-soort.

Zo ziet de determinatiesleutel er in de komende Heukels’ Flora uit!
Links: Kleine muurbloem met ongedeelde snavel Rechts: de tweetoppige snavel van ‘Gewone’ muurbloem.

 

Kleine muurbloem is straks voor een ieder met de nieuwe Flora te determineren, dat is mooi. Maar de primeur is voorbehouden aan deze weblog. Ik zou zeggen speur komend seizoen al naar deze muurbloem, met deze sleutel in de hand.

Meer Smeerwortel

 

De gewoonste smeerwortel is de Gewone smeerwortel. Het is een grote plant die grote aantrekkingskracht op met name hommels uitoefent. Toen ik mee ging doen aan ‘herken de plant bij de hommel’ herkende ik dan ook vele malen smeerwortel.  Ze kan paarse, roze tot bijna witte bloemen hebben. Je vindt deze plant ook in stad; ze groeien op vruchtbare, vochtige grond op lichtelijk ruderale plaatsen tussen allerlei andere grote planten als Grote brandnetel en Koninginnenkruid.

Gewone smeerwortel is meestal paars, maar soms bijna zuiver wit zoals deze te Boom (B.)

Maar als we het over stadse smeerwortels hebben komt al snel een heel scala aan andere soorten die je er verwilderd kan aantreffen in beeld. Ze zijn niet allemaal even makkelijk herkenbaar.

Bij deze Bastaardsmeerwortel loopt de bladrand af op de stengel.

Als eerste wil ik blauwbloemige smeerwortels behandelen.  De zeldzaamste is Ruwe smeerwortel. Bij deze, en dat is een heel belangrijk kenmerk, lopen de bladranden niet af op de stengel.  Of deze in zuivere vorm te vinden is, is wel de vraag, want de kruising Bastaardsmeerwortel, met wel aflopende bladranden, is waarschijnlijk de gewoonste. In België is dit een vrij zeldzame, in Nederland een zeldzame plant.

Kaukasische smeerwortel (S. caucasicum) is ook een (fel) blauwbloeiende soort, maar is meestal een lagere plant. De kelk is ook minder ingesneden dan bij Bastaardsmeerwortel. Het blad loopt zeer kort af op de stengel.

Kruipende smeerwortel met rode knoppen en kelkbladeren

Dan zijn er een stel kruipende smeerwortels die nu, in maart/april, ook al in bloei staan.  Kruipende smeerwortel (S. grandiflorum) is een algemene tuinplant. Het is een lage, zich zeer makkelijk uitbreidende plant en vaak wat zwarte punten op het blad en rode onderdelen: kelk en knoppen. Eenmaal ‘in de natuur’ weggegooid, kan de plant grotere vlakken maken.

Hidcote-smeerwortel met de wat vuilige blauwroze bloemen

Even gewoon is een zeer op Kruipende smeerwortel gelijkend taxon. Het betreft de meervoudige kruising Hidcote-smeerwortel (S. x hidcotense).  Het belangrijkste onderscheid is de kleur van de bloemen, een beetje vuilblauwroze, maar de plant is ook gemiddeld iets groter dankzij invloed van de ouder , en zelf al een kruising, Bastaardsmeerwortel.  Met Kruipende smeerwortel, de andere ouder, heeft ze die zwarte punten op het blad gemeen, de rode knoppen en natuurlijk het kruipende karakter. 

Moeilijker zijn de opgaande geel en bijna witbloeiende soorten.  Knolsmeerwortel (S. bulbosum) is daarvan de makkelijkst herkenbare soort door de uit de bloemkroon stekende stempel en keelschubben.  Knolsmeerwortel is op twee plaatsen in Nederland aangetroffen.

Symphytum tuberosum in Zuid-Frankrijk langs een bergbeek. Komt waarschijnlijk niet voor in Nederland en België

S. tuberosum wordt wel eens gemeld, maar dit is mogelijk nooit juist.  Het kan ook zijn dat de naam met S. bulbosum wordt verward, maar deze laatste is ook ultiem zeldzaam als verwilderde plant. Beide soorten hebben in ieder geval ‘tubers’.  S. tuberosum is een opgaande plant met eenkleurig wat zachtharig groen blad en zuiver gele bloemen. Mogelijk komt deze plant dus niet verwilderd voor in Nederland en België. Het is een inheemse plant uit Midden- en Zuid-Europa en zelfs in tuinen heb ik de plant nog nooit gezien.

Symphytum orientale te Thorn 2007. Pas nu herkend door nazicht van mijn foto-archief.

Vrijwel witbloeiende en sterk vertakte planten zonder aflopend blad kun je ook in twee soorten opdelen.   Een belangrijk onderscheid is de insnijding van de kelk. Bij Symphytum tauricum, momenteel slechts bekend van 1 plaats te Haarlem, is deze tot op de basis ingesneden. Bij S. tauricum is de bloemkroon ook veel langer. De veel minder ingesneden soort is Symphytum orientale. Deze was nog niet bekend uit Nederland en België, maar omdat ik voor dit artikel in mijn foto-archief aan het browsen was,  ontdekte ik op 1 van mijn foto’s van smeerwortel een plant van Thorn uit 2007 die vrijwel zeker Symphytum orientale moest zijn.

 

 

Pruimen zoeken

De sleedoorn (Prunus spinosa) is een van de vroegst bloeiende struiken. Begin maart kon je hem dit jaar al in bloei aantreffen. Het is daarom een waardevolle plant voor de vroege wilde bijen zoals allerlei hommelkoninginnen en diverse zandbijsoorten. De bloemen verschijnen in grote aantallen en eerder dan de bladeren, waardoor je prachtig wit oplichtende bloemenwolken ziet in de berm of aan de bosrand. Het effect is zo mooi omdat de takken van de sleedoorn zelf zwartachtig zijn en de naaststaande bomen nog geen blad hebben. De sleedoorn wordt tot drie meter hoog.

De sleedoornstruik maakt een bossige indruk

Hij  behoort tot het geslacht Prunus, waartoe ook de zoete kers (Prunus avium), de kerspruim (Prunus cerasifera) en de pruim (Prunus domestica) toe behoren. De sleedoorn vormt gemakkelijk bastaarden met de gewone pruim. Men vermoedt dat er ook spontane bastaarden zijn met de kerspruim. De hybriden zijn vruchtbaar en variabel meldt Heukels’ flora. Ook in Breda daarvan zijn daarvan voorbeelden te vinden o.a. bij het viaduct bij Bavel. Daar staan op het moment van schrijven van dit stuk, 10 maart 2019, een tiental struikachtige bomen te bloeien in wit maar ook in roze en gegarandeerd zaailing. Zelf ben ik verleden jaar begonnen met het fotograferen van de bloei van een paar bomen en daarna met het fotograferen van het blad. Vervolgens vergeten naar de vruchten te kijken.. Bij het vergelijken van blad en bloem onlangs sloegen de twijfels toe. Zou er geen sprake kunnen zijn van meer soorten hybriden?

Alle oude foto’s opgeruimd en opnieuw begonnen met de registratie: nu per boom en later beslist ook de vruchten. Meer nieuws over hybriden moet even wachten.

De naam komt van de blauwe kleur

De wetenschappelijke geslachtsnaam naam ‘Prunus’ is afkomstig van het Griekse ‘prune’ en betekent ‘pruim’. De soortaanduiding ‘spinosa’ betekent doornig. In de Nederlandse naam ‘sleedoorn’ heeft ‘slee’ de oerbetekenis ‘blauw’. Het woord ‘slee’ is verwant aan het Slavische ‘sliva’ dat pruim betekent. Denk aan ‘slivowitz’ = pruimenjenever.

Proost!

 

Klimmen met haakjes

In 2016 namen we met de Rotterdamse Florawerkgroep een kijkje op de Protestantse begraafplaats Charlois als onderdeel van een kilometerhok dat we inventariseerden. De paden en de grafplekken leverden niet veel bijzonders op: er was druk geschoffeld. Maar, door een buxusheg groeide een klimplant die onze aandacht trok: zowel de bladrand als de hoofdnerf van het blad en de stengels waren bezet met haken; hiermee kan de plant zich vasthaken en omhoog klimmen.

Vrouwelijke bloem van de ‘Stekelwinde’ – Smilax aspera 
foto: André de Jongh

Ik herkende de plant als ‘Smilax’, niet omdat ik die uit het wild kende, maar omdat ik daar als kind veel historische afbeeldingen van had gezien. Toen ik klein was organiseerde mijn vader namelijk af en toe een avondje waarin hij aan bezoek de geschiedenis van botanische boekillustraties liet zien. Om de veranderende conventies en technieken (houtdruk, kopergravure, lithografie, etc.)  rond botanische illustraties door de eeuwen heen te laten zien haalde hij allerlei oude boeken uit de kast en gebruikte hij onder andere Smilax aspera als voorbeeld. Smilax aspera is namelijk in vele natuurhistorische boeken terug te vinden omdat de wortels als geneesmiddel werden gebruikt.

Smilax aspera (vrouwelijke plant) in vrucht.
Foto genomen in de Cevennen, Frankrijk

Smilax aspera heeft als onofficiële Nederlandse naam ‘Stekelwinde’, zo wordt de plant in ieder geval genoemd in Dodoens Cruijdeboek uit 1554. Stekelwinde wordt niet aangeboden als tuinplant maar is inheems in het mediterrane gebied, delen van Afrika en Azië. Hoe de ‘Stekelwinde’ op de begraafplaats terecht is gekomen zullen we wel niet meer achterhalen, mogelijk meegekomen met plantgoed of door trekvogels in hun ingewanden vervoerd en hier uitgepoept. Smilax aspera is de afgelopen jaren nog op twee andere plekken in Nederland opgedoken: in 2014 in een tuin in Rotterdam en in 2009 op een begraafplaats in Amsterdam.

In 2018 is André de Jongh terug geweest om te zien of de ‘Stekelwinde’ zich op deze plek handhaaft. Dat bleek het geval te zijn: hij groeide over en door de Buxusheg tussen twee graven. Alleen was de Buxus in 2018 wel sterk aangetast door de Buxusmot. Als de Buxus deze aantasting niet overleeft en wordt gerooid, is de kans groot dat de ‘Stekelwinde’ op deze plek verdwijnt.

De groeiplek van de ‘Stekelwinde’ – Smilax aspera op de protestantse begraafplaats Charlois – foto: André de Jongh

Solanum chenopodioides, daar moeten er meer van zijn!

In Millingen aan de Rijn (Gelderland) liep ik langs een bedrijf dat zeecontainers aan land haalt. Daar vond ik een afwijkende Nachtschade die ik niet herkende. Ik heb wat materiaal verzameld en flink wat foto’s gemaakt. Eenmaal thuis was de soort vrij snel op naam gebracht met wat hulp van een buitenlandse determinatiesleutel. Het bleek om Solanum chenopodioides te gaan. Er bleken geen recente waarnemingen van te zijn, maar in het verleden is de soort al vaker aangetroffen. Ik deelde mijn foto’s op Facebook en al gauw volgden maar liefst vijf nieuwe vindplekken van de soort, verspreid door het land (Duffelt, Nijmegen x2, Rijswijk & Amsterdam). In België is de soort ook al diverse keren gevonden. De soort lijkt sterk op de zeer algemeen voorkomende Solanum nigrum (Zwarte nachtschade) en is daardoor vermoedelijk veel over het hoofd gezien. Door de soort wat meer aandacht te geven, hoop ik dat deze komend jaar op een stuk meer plaatsen ontdekt zal worden.

Solanum chenopodioides met de zwarte vlek aan de basis van de kroonbladen. Alleen zichtbaar aan de binnenzijde van de bloem.

De kenmerken:
Solanum chenopodioides verschilt van Zwarte nachtschade in veel subtiele kenmerken. De bladeren zijn dicht aanliggend behaard, waardoor het blad een doffe kleur krijgt. Bij Zwarte nachtschade is deze beharing veel spaarzamer. Vervolgens zijn bij Solanum chenopodioides de bladeren meestal volledig ongelobd en met een afgeronde bladpunt. De onderste bladen mogen wel licht gelobd zijn. Bij Zwarte nachtschade zijn meestal alle bladen sterk gelobd met spitse bladpunt. Verder zijn bij Solanum chenopodioides de bessen dof, paarszwart en kleiner. Bij Zwarte nachtschade zijn de bessen glimmend, zwart en iets groter. Nog een opvallend verschil is dat bij Solanum chenopodioides de kroonbladen een zwarte vlek aan de basis hebben. Deze ontbreekt bij Zwarte nachtschade. Ten slotte is Solanum chenopodioides een stuk winterharder dan Zwarte nachtschade en blijft daardoor veel langer groen. Mijn tweede vondst van de soort bleek zelfs een verhoute stengel te hebben van 50 cm hoog en 2 cm dik.

Solanum chenopodioides met doffe, paarszwarte bessen.

 

Solanum chenopodioides met dichte, aanliggende beharing, ongelobd blad en afgeronde bladtop.

 

Solanum chenopodioides in een tijd dat Solanum nigrum al lang verdwenen is. De plant is hier meerjarig, te zien aan de verhoute stengel.

Stadsschoonheden

 

Niet bepaald een plant waarbij je denkt dat je die in de stad tegenkomt. Wel dus! De Brede wespenorchis (Epipactis helleborine subs. helleborine) is op elke hoek van de straat en soms in uw eigen tuin te vinden.

Dit heeft enige uitleg nodig. Zo’n 3/4 van al onze plantensoorten gaat een symbiose (samenwerking) aan met bodemschimmels (mycorrhiza). Van de meeste planten hebben de zaden genoeg reserve om tot volledige vruchtontwikkeling te komen. Er is dus tijd genoeg om een symbiose plaats te laten vinden. Een uitzondering zijn de zaden van orchissen. Deze planten hebben geen reserve. Er is meestal te weinig tijd voor de orchiszaden om een symbiose aan te gaan met de bodemschimmels. Alleen in heel specifieke milieus dringt een schimmeldraad in het zaad en maakt zo kieming mogelijk. De meeste orchissen parasiteren daarna in feite op de schimmel.

Dit is ook de reden dat het uitsteken van orchissen niet werkt. Die mooie uitgestoken orchis komt nooit tot bloei door het ontbreken van de schimmel, dan wel het afsterven ervan. De meeste schimmels zijn heel gevoelig voor kunstmestachtige stoffen. De Brede wespenorchis is lijkt een uitzondering.

Hij stelt kennelijk minder zware eisen aan de bodemsamenstelling dan veel andere orchissen. Een schaduwrijk plekje onder aan een boom of in de tuin is vaak genoeg. Verder is opvallend dat de bloeitijd niet het het hoogtepunt betreft van veel andere orchissen, namelijk juni, maar juist iets later. In juli zie je de meeste bloeiende exemplaren. Maar planten die echt in de schaduw staan bloeien pas in augustus.

De bestuiving gebeurt door via insecten. De naam zegt het al. De limonadewesp (Vespa vulgaris), zeg maar onze huis-tuin-en keukenwesp, zorgt hier voor.

Rietorchis en/of Brede orchis

De Riet/Brede orchis is ook een geval van een orchidee die je in het stedelijk gebied kan tegenkomen. Ik noem beide namen omdat het best wel moeilijk is deze twee planten uit elkaar te houden. Ook kruisen ze vaak met elkaar. Hier in Gouda heeft deze plant ook profijt van de Grote ratelaar (Rinhanthus angustifolius). Deze plant groeit hier erg veel in wegbermen is een halfparasiet. Dat wil zeggen dat de Ratelaar parasiteert op diverse grassen om te groeien. Hierdoor krijgen deze grassen geen kans om erg hoog te worden en kan de Riet/Brede orchis zich goed uitbreiden.

 

 

 

Liggende ganzerik op de Welle

Deventer ligt aan de IJssel, en op de overgang tussen IJssel en de stad ligt de Welle. Dat is eigenlijk de naam van de straat die zo af en toe, bij heel extreem peil, overstroomt. Er is echter ook een wat lager deel dat het Wellepad wordt genoemd. Het ligt zo’n twee meter lager en dat overstroomt veel vaker; jaarlijks minstens een keer. Het overstroomt bij een waterhoogte van meer dan 4.50 m-NAP (zie ook https://www.deventer.nl/hoogwater) . Dat hoge water zorgt voor aanvoer van van alles en nog wat, waaronder zaden van planten. Het Wellepad heeft allerlei hoekjes die altijd weer leuke vondsten opleveren. Liggende ganzerik bijvoorbeeld. Het is niet ieder jaar present, maar in 2018 op zeker vijf plaatsen op het Wellepad.

Liggende ganzerik aan het Wellepad
Liggende ganzerik aan het Wellepad, met een van de kunstwerken. Boven de muur rechts loopt de Welle, één van de toegangswegen tot het noordelijk deel van Deventer.

Liggende ganzerik (Potentilla supina) is een vrij zeldzame soort die vrijwel geheel aan het Rijnstroomgebied is verbonden. De ‘Ruimte voor de rivier-projecten’ die de afgelopen jaren zijn uitgevoerd ten Zuiden en Noorden van Deventer hebben geresulteerd in vele plaatsen waar pioniervegetaties goed van geprofiteerd hebben. Volgens de verspreidingsatlas is Liggende ganzerik steeds vaker te vinden, soms ook wel buiten het rivierengebied of zoals in Deventer, naast de Welle ook op een terrein van de gemeente, waar opslag van bestratingsmateriaal plaatsvindt. Hier werd de Liggende ganzerik overigens naast Noorse ganzerik gevonden.

De Nederlandse Oecologische Flora (deel 2 vanaf pagina 81) meldt dat Liggende ganzerik voor 1950 aan de IJssel alleen aan de IJsselmonding bij Kampen voor kwam. Vermoed wordt dat de verzilting van het Rijnwater, door lozing van Kalimijnen in Frankrijk, heeft bijgedragen aan toename en verdere verspreiding van Liggende ganzerik in het Rijnstroomgebied.

Liggende ganzerik aan het Wellepad
Detail van Liggende ganzerik aan het Wellepad

Het geslacht Ganzerik/Potentilla behoort tot de familie van de rozen.  Heel herkenbaar: vijf kroonbladen en vijf kelkbladen. Op de Wateraardbei na hebben alle Nederlandse ganzerikken gele bloemen. Verder is de combinatie van liggende habitus, de veervormige bladen -alleen Zilverschoon heeft dat ook- en de kroonbladen die nauwelijks groter zijn dan de kelkbladen, typisch voor Liggende ganzerik.

Explosieve exoot

Midden in oude binnenstad van Breda ligt het Begijnhof. Daar wordt een prachtige kruidentuin onderhouden. Vanwege de de bezoekers worden de paden rond de tuin schoongehouden van wilde planten en ontsnapte planten uit de perken. Heel soms ontkomt een zaadje aan het smoren in de wieg. In dit geval waarschijnlijk omdat het net binnen een privédomein terecht was gekomen, al blijft zoiets in een begijnhof, moeilijk af te bakenen.

veilig op privéterrein ?

De plant in kwestie is de springkommer (Ecballium elaterium). Hij behoort tot de komkommerfamilie, hetgeen ook aan de bloem is te zien.

komkommerachtiige bloem

De plant is thuis in het gehele gebied rond de Middellandse Zee. Wie daar wel eens is geweest, weet dat springkomkommer daar groeit als onkruid. Liefst op ruderale plekken, naast de weg, parkeerplaatsjes met steenslag, e.d.

De plant ontleent zijn naam aan het feit dat als de rijpe vrucht neerploft, de zaden explosief worden weggeslingerd. Veel leuker is, als de rijpe vrucht nog hangt, een kind te vragen in de vrucht te knijpen. Pang!

De vrucht is giftig, dus het kind moet wel gereinigd worden en een aai over de bol voor de schrik.

harige bladeren met hartvormige voet

De wetenschappelijke naam Ecballium elaterium betekent tweemaal ‘uitwerpen’ . Eenmaal in het Grieks en eenmaal in het Latijn.

 

 

Straprika

In de afgelopen herfst vond ik aan het begin van de straat waar ik woon een plant die, gelet op de bloemen, duidelijk tot de Nachtschadefamilie behoorde. Hij stond in een kier tussen een stoeptegel en de gevel van een winkel. Enkele weken later begonnen zich vruchten te ontwikkelen. Waren dat pepers of paprika’s? De eigenaar van de winkel had geen idee hoe die plant daar gekomen was. Omdat de plant in zo’n klein kiertje stond is het zeer onwaarschijnlijk dat iemand hem daar had geplant. Er moet dus iemand een zaadje hebben laten vallen.

Nu de vraag ‘paprika of peper?’. Het zijn verschillende rassen van dezelfde soort, namelijk Capsicum annuum. Het betreft hier wellicht een zogenaamde ‘puntpaprika’. De meeste paprika’s die we in de winkel aantreffen zijn  ‘blokpaprika’s’. De paprika die hier in Breda zomaar op straat groeit is volgens de literatuur een echte kasplant die een temperatuur nodig heeft van 16 tot 25 graden Celsius. Paprika’s werden al voor de tijd van Columbus in Midden- en Zuid-Amerika gekweekt. Veel mensen denken dat de paprika afkomstig is uit Hongarije. Dat is niet zo gek want het woord ‘paprika’stamt uit het Hongaars en betekent ‘peper’. En paprika’s vormen een wezenlijk onderdeel van goulash.

Niet alle kleurige pepers behoren tot de soort C. annuum. De beroemde, en ook wel beruchte Madame Jeanette uit Suriname, behoort tot de soort Capsicum chinensis. Een onverwachte soortaanduiding voor een geslacht uit Midden- en Zuid-Amerika.

Intussen is onze straatpaprika verdwenen. Het schijnt een meerjarige plant te zijn, dus wie weet kan ik er volgend jaar wel van eten. Dat was ik nu vergeten.