Categorie: Struiken

Oranje boven

Voor iemand uit de gemeente Breda is het leuk een nieuwe plant tegen te komen die ‘Oranjeboompje’ heet. Breda noemt zich immers ‘Oranjestad’ omdat het huis van Oranje-Nassau zijn oorsprong heeft in Breda. De voormalige bierbrouwerij ‘Oranjeboom’ in Breda, heeft met die naam niets te maken, al wordt dat door sommigen wel kwaadsappig gesuggereerd.

Met een duidelijk herkenbare nachtschadebloem

Tijdens een planteninventarisatie in Wagenberg, een dorp ten noorden van Breda, kwamen we midden in dorp de plant tegen. Ingeklemd tussen een muur, een lantaarnpaal en een soort elektriciteitskastje; goed beschermd tegen branders en borstels. Je moet wat, als stadsplant. In Nederland is het een zeldzame stadsplant met ongeveer 20 vindplaatsen.

Het struikje is afkomstig uit de bergen van Ecuador en Peru en door de Portugezen als vroeg naar Europa gebracht. Daar was het allereerst een exclusieve sierplant voor de betere kringen. Nu is het boompje voor een breed publiek verkrijgbaar en worden er ook diverse cultuurvariëteiten aangeboden.

Heel veel vruchten

De wetenschappelijke naam is Solanum pseudocapsicum. De geslachtsnaam ‘Solanum’ betekent zoveel als ‘verlichtend’ vanwege de pijnstillend werking van een aantal soorten uit dit geslacht, o.a. doornappel. Denk ook aan het woord ‘soelaas’. De soortaanduiding ‘pseudocapsicum’ betekent letterlijk ‘neppeper’, van pseudo = schijn, en capsicum = Spaanse peper.

 

Struikrook

Sinds een half jaar kom ik regelmatig op een grote begraafplaats in Breda, Zuylen genaamd, voor de inventarisatie van wilde bijen. De directie van de begraafplaats is met het beheer een andere weg ingeslagen. Het terrein moet een grotere biodiversiteit krijgen. Men heeft zelfs de naam al veranderd in ‘Park Zuylen’, om deze ambitie aan te geven. Het terrein is behoorlijk groot,10 voetbalvelden minstens. Spuiten tegen onkruid wordt niet meer gedaan; op een gedeelte van het terrein is verleden jaar een mengsel ingezaaid van eenjarige bloemplanten. Op weer een ander deel zijn dit jaar heel veel vast planten van een soort neer gezet: grijs kattenkruid en een soort kleine anjer. Vooral het kattenkruid trekt bijen.

bovenzijde blad pruikenboom

Het oudste gedeelte is het meest romantisch met oude graven, wat verzakt, de gebeitelde teksten goed meer leesbaar, en vooral: er wordt al een paar jaar niet meer geschoffeld. Daar verschijnen dus de leukste planten. Omdat het terrein midden in de stedelijke omgeving ligt, duiken vreemde kostgangers op, zoals een zaailing van de pruikenboom (Cotinus coggyria).  Op de verspreidingsatlas zijn een negental plekken te zien waar in Nederland de pruikenboom ook is waargenomen. Hij is afkomstig uit Zuid-Europa en de Kaukasus en is met regelmaat in tuinen te zien. Het is meer een struik dan een boom en valt vooral in de nazomer op door nevelachtige sluiers boven de struik. Dat zijn de de verlengde en harige bloemstelen. Vanwege dit fenomeen, waardoor het wel lijkt of de struik door rook is omgeven, wordt de plant in het Engels ‘smoke tree’ genoemd, en in het Nederlands ‘pruikenboom’. Dat is wat minder beeldend.

onderzijde blad pruikenboom

Al in de oudheid werden de wortels gebruikt voor het bereiden van een rode verfstof. Blad en bast vonden toepassing bij het leerlooien.

De wetenschappelijke geslachtsnaam ‘Cotinus’ komt uit het Grieks en betekent  ‘olijf’; vanwege een zekere gelijkenis ? De soortaanduiding ‘coggyria komt eveneens uit het Grieks en was daar de lokale naam voor de boom. Kortom, we weten eigenlijk niets over de betekenis van beide namen.

Die is in nevelen gehuld, zoals de struik zelf.

Pruikenboom met bloemen

 

 

Hazelaar met

Eigenlijk is de tijd van de bloeiende hazelaar al weer bijna om. Valt het u ook zo op dat je hazelaar steeds vroeger ziet bloeien ? Op sommige plekken staat de hazelaar nog wel in bloei in februari, maar in Breda heb ik hem ook al in december zien bloeien. Ik meen ergens gelezen te hebben, dat die vroegbloeiende hazelaars van vreemde origine zijn.

Mannelijke bloem van hazelaar

Hazelaars hebben twee soorten bloemen: mannelijke en vrouwelijke. De vrouwelijke stampers zitten op een aparte bloem, en de mannelijke meeldraden hangen in aparte bloemen, die katjes worden genoemd. In die katjes kun je soms vreemde vergroeiingen tegenkomen. Die wordt veroorzaakt door een gal, Contarinia coryli , de springende hazelaarmug. Althans, dat dacht ik op basis van mijn oude gallenboek. Op internet evenwel wordt gesteld dat:  ‘alleen door de katjes te openen en te zoeken naar larven of mijten is de gal te onderscheiden van die van Phyllocoptruta coryli.’ , de hazelaarkatjesmijt. Op een Engelse site wordt zelfs gesteld dat het nogal eens voorkomt dat dat beide beesten huizen in hetzelfde katje. Beide galveroorzakers zijn algemeen, en ik heb de gallen niet opengemaakt, en dan nog….? Waar moet ik naar kijken ?

Hazelaarkatje met gal

De hazelaar is door de mijt of de mug gebeten of door allebei.

Veel gallen

Mahonia en mahonie

Al vroeg in de winter, vaak al in november, begint de mahonia geel te kleuren en de hele winter door blijft hij tussentijds ‘gas geven’. Uiteindelijk zal de struik in het vroege voorjaar volop gaan bloeien en vrucht zetten. Er zijn maar weinig struiken die zo een lange bloeitijd kennen. Mahonia is matig vertakt maar dichtbebladerd. De bladen zijn geveerd met vijf tot negen blaadjes. Alleen het topblaadje is gesteeld. De blaadjes zijn taai, leerachtig, glanzen en hebben scherpe stekelpuntige bladtanden. Hoewel mahonia groenblijvend is, verkleuren de bladeren toch in de herfst: van dofpurper tot dieprood. Dat maakt de struik te meer aantrekkelijk als tuinstruik.

De bladen vallen niet af maar verkleuren wel

De bloemen zijn goudgeel, aangenaam geurend en talrijk. Ze staan in trossen. In het voorjaar vormen ze een waardevolle voedselbron voor insecten; vooral voor de diverse soorten hommelkoninginnen. De meeldraden zijn tactiel: ze klappen bij aanraking plotseling naar binnen. Daardoor raken de bezoekende insecten met stuifmeel overladen.

De bloemen zijn aantrekkelijk voor vroege bijen zoals hommels

De vruchten zijn blauwzwarte bessen die door vogels worden gegeten. Die poepen de zaden weer uit en zo kan de struik overal verschijnen. Omdat de struik ook door de gemeente nogal eens wordt aangeplant, zijn ‘tuinplant’ en ‘verwildering’ in de plantsoenen, niet meer uit elkaar te houden. De plant is oorspronkelijk afkomstig uit het Westen van Noord-Amerika, maar is inmiddels in West-Europa plaatselijk ingeburgerd. Dat wil zeggen dat hij niet algemeen is.

Mahonia behoort tot de berberisfamilie. Dit is in Nederland een kleine familie met maar één inheemse soort; de zuurbes (Berberis vulgaris). De wetenschappelijke naam van mahonia is Berberis aquifolium. ‘Berberis’ en is afgeleid van ‘barbaris’, een Arabisch woord voor de plant. ‘Aquifolium’ betekent ‘met scherp blad’.

De Nederlandse naam ‘mahonia’ komt van Bernard MacMahon, Iers-Amerikaanse kweker (1775 – 1846). Deze naam heeft niets te maken met de houtsoort en de diverse boomsoorten ‘mahonie’. Al de mahoniesoorten behoren tot Meliaceae, de mahoniefamilie, die uitsluitend in de tropen en subtropen voorkomt.

De naam van de boom ‘mahonie’ is afgeleid van ‘mahagoni’. Dat woord is indiaans, mogelijk van de eiland-Arowakken van Puerto Rico en heeft dus een heel andere etymologie dan van onze struik ‘mahonia’.

een andere mahonia met meer deelblaadjes

Mahonia komt in Breda algemeen voor. Dat weten we omdat de aanwezigheid makkelijk is vast te stellen door het zeer speciale blad, dat in de winter nog meer opvalt, want de struik is groenblijvend. In de meeste gevallen staat het struikje er niet fraai bij, want moet hij genoegen nemen met een klein plekje in een ligusterhaag of onder andere struiken in het plantsoen. Krijgt hij wel een plek in de zon, dan staat hij schitterend geel te stralen in het vroege voorjaarslicht.

 

Naschrift

Rutger Barendse schreef me dat ik een plaatje van een ander soort mahonia had opgevoerd in mijn oorspronkelijke versie. Dat is de foto waar nu ‘andere mahonia’ bij staat. In mijn onschuld was ik er vanuit gegaan dat er maar een soort was. Volgens Rutger kan het  Berberis x media of B. japonica zijn.  Deze verwilderen nauwelijks volgens hem. Als je het eenmaal weet, is het verschil niet moeilijk. Deze tuinplant heeft veel meer deelblaadjes. De punten van dit blad zijn vlijmscherp, zoals ik inmiddels weet uit ondervinding. Rutger heeft het goed gezien, het is de Berberis x media.

Het blad met de vlijmscherpe punten van Berberis x media

 

 

Hulst – een stekelige kerstplant met vuurrode bessen

Laten we beginnen met een aardig raadseltje. Wat onderscheidt Hulst van de Larix? Het antwoord: Hulst is de enige boom die van nature voorkomt in Nederland en ’s winters groen blijft. De Larix is de enige naaldboom die van nature in Nederland voorkomt en ’s winters zijn naalden verliest.

Hulst en het kerstfeest zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden. Daarom is de decembermaand een ideaal moment om de aandacht te richten op Hulst. De Romeinen gebruikten al hulst bij de viering van Saturnalia. Het feest van de zonnewende. Het moment dat de zon in december de zuidelijke keerkring bereikt. De Romeinen vierden dat op 21 december in onze kalender.

Ook in de christelijke traditie is sprake van het gebruik van Hulst. Volgens een oude christelijke legende ontkiemde een hulst onder de voetstappen van Jezus. Zijn stekelige bladeren (de doornenkroon) en oranjerode bessen (bloed) voorspelden het lijden van de heilige man. In verschillende Europese landen noemt men hulst ‘Christusdoorn’. In oude Engelse kerkkalenders wordt de kerstavond beschreven als de avond van de ‘templa exornantur’ wat zoveel betekent als “met hulsttakken versierde kerken”. Dit gebruik bestaat nog steeds (bron:http://www.stemderbomen.nl/ pages/mainpages//Beschermende-hulst.htm

Als we struiken en bomen op deze website niet echt tot de stadsplanten rekenen zou ik niet stil mogen staan bij deze bijzondere plant/struik/boom. Maar omdat Hulst zoveel verschijningsvormen kent ben ik zelf van mening dat deze vertegenwoordiger van de flora hier goed op zijn plaats is. Zoals al opgemerkt kent de plant vele verschijningsvormen. De meeste mensen kennen Hulst als klein houtachtig gewas of als struik. Maar Hulst kan uitgroeien tot een forse boom met een hoogte van wel tien meter. Het verspreidingsgebied strekt zich uit van het noordwesten van Afrika, het zuidwesten van Azië tot en met Zuid- en West-Europa. In deze bijdrage zullen we Hulst verder als plant betitelen.

Als de plant niet bij het tuincentrum vandaan komt en zijn eigen vestigingsplekje mag uitzoeken dan voelt Hulst zich uitstekend thuis in loofbossen zoals eiken- en beukenbossen, op vochtige, matig voedselrijke zand- en leemgrond en op oude houtwallen. De plant verdraagt uitstekend zure grond. Hulst heeft een zinkerwortelstelsel. Een dergelijk wortelstelsel bestaat uit horizontaal lopende hoofdwortels (vlak wortelstelsel), die dicht onder het maaiveld liggen. Aan deze hoofdwortels ontstaan wortels die verticaal, de diepte in groeien (zinkers). Alleen als er voldoende ruimte is voor een goede ontwikkeling van een oppervlakkig hoofdwortelstel en zich daardoor zich voldoende zinkers kunnen vormen, kan Hulst uitgroeien tot een boom. De stam van de Hulst heeft een dunne en gladde bast. Het hout is hard en ivoorwit van kleur.

Aan één en hetzelfde Hulsttakje kunnen bladeren met scherpe stekels en bladeren met een gave bladrand voorkomen.

Ook het blad van de Hulst is interessant. Bij Hulst denken wij allemaal aan bladeren die scherp getand zijn met scherpe stekels. Maar aan één en dezelfde struik – zelfs binnen één en hetzelfde takje – kunnen bladeren voorkomen die scherp getand zijn en bladeren die een volledig gave bladrand hebben. Zeker als de plant ouder wordt neemt het aantal bladeren met een gave bladrand sterk toe. Daar is nog geen verklaring voor gevonden. Hulst kan zeer oud worden. Honderd tot driehonderd jaar is geen uitzondering.

De hele winter draagt Hulst veel mooie, dieprode bessen. De rode steenvruchten zijn voor de mens giftig. Voor vogels geldt dat gelukkig niet. Toch zijn de bessen niet super populair bij vogels. Zij zijn het meest geliefd bij Appelvinken. Lijsters beginnen er pas aan als tegen het eind van de winter de andere bessen zijn weggevreten. Hulst is een geliefde struik of boom om te nestelen. De stekelige bladeren, die bescherming bieden, zullen ongetwijfeld daar een bijdrage aan leveren.

Afrondend: Hulst hoort bij de kerst. Niet alleen vanwege een eeuwenlange traditie maar ook omdat veel mensen de takken met mooie diepgroene bladeren en de vuurrode bessen graag met de donkeren dagen rond Kerst in huis willen hebben. Het betekent wel dat elke tak met bessen, die gezelligheid in ons huis brengt, de kans op een potentiële Hulstboom om zeep brengt. De soort is echter totaal niet bedreigd. Dus geniet er van.

De bloemtrossen van de Hulst bevinden zich in de oksels van de bladeren. De plant is tweehuizig. Daarom vind je planten zonder en met bessen.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Een woekerende exoot in parken en jonge bossen

Gastschrijver is Johan Vos, voormalig stadsecoloog in Zoetermeer, die oneindig veel kan vertellen over de herkomst van het groen in onze stad.

Graag uw aandacht voor een struik die in het verleden nogal populair was bij gemeentelijke groendiensten. In de jaren ’70 van de vorige eeuw was het aanplanten van snelgroeiende inheemse bomen en struiken, het zogenaamde bosplantsoen, een middel om de vele nieuwbouwwijken te vergroenen. Dat sortiment werd hier en daar verrijkt met exoten waarvan men vond dat ze extra sierwaarde toevoegden. Een van die soorten was een kornoelje met fel rode takken en blauw-witte bessen.
Begin jaren ’80 werd deze soort in het snel groeiende Zoetermeer veelvuldig toegepast in parken en wijkgroen. Ook al in die tijd vond ik, vooral aan oevers van sloten en singels, regelmatig verwilderde exemplaren.
Wat ik me uit die tijd herinner is dat er toen veel Cornus alba werd besteld, een soort waarvan het natuurlijk areaal zich uitstrekte van Noord-Europa en Noord-Azië tot aan de Bering Straat.
Een er sterk op lijkende en nauw verwante soort is de Canadese kornoelje (Cornus sericea), een uit Noord-Amerika afkomstige sierstruik. Deze soort kan zich in korte tijd agressief uitbreiden doordat de takken gaan liggen en wortel schieten. Dat ook deze kornoeljesoort in Zoetermeer is aangeplant lijkt aannemelijk, maar wat we nu aan spontaan optredende kornoeljes met witte bessen tegenkomen is nauwelijks nog te herleiden tot een van beide soorten.
Feit is dat het ge-extensiveerde beheer van jonge bossen en parken in en om Zoetermeer gedurende de laatste decennia heeft bijgedragen aan de verspreiding van deze invasieve exoot.

Spontane Cornus sericea sl. in de oeverzone van een talud

Zo maakt de Cornus sericea sl. in het Balijbos ten westen van Zoetermeer tegenwoordig een belangrijk deel uit van de zich daar spontaan ontwikkelende struwelen. Ik eindig dit artikel dan ook graag met een citaat van Eddy Weeda uit de Ecologische Flora dl 2: “het is raadzaam dit gewas vooral niet in de buurt van natuurterreinen aan te planten”.

Staat er gekleurd op

In Breda is, ter hoogte van Bavel, een aantal jaren geleden langs de A-27 een zeer hoge, en daardoor ook zeer brede geluidswal aangelegd. Er loopt een wandelroute overheen, er zijn stukken met struiken en bomen uitgerasterd, en er is na de aanleg een uitbundig bloemenzaadmengsel uitgezaaid van Zuid-Franse origine. Een aantal van die soorten is inmiddels verdwenen, maar andere handhaven zich en breiden zich uit en enkele verspreiden zich in de wijdere omgeving. Het km-hok waarin de geluidswal zich bevindt telt mede daardoor 543 soorten. Een soort die het buitengewoon goed doet is verfbrem (Genista tinctoria) die zich alsmaar uitbreidt ondanks de vraat van schapen, die als beheer worden ingezet.

verfbrem bloem

In dit geval is het moeilijk om van van regelrechte floravervalsing te spreken, want er was geen flora. In de stedelijke omgeving is die term toch al lastig omdat er voor het criterium ‘opzettelijke introductie’ vaak alleen maar aannames zijn. Waarschijnlijk kwam verfbrem in de omgeving van Breda vroeger wel voor.  Hoe dan ook, op de wal worden vlinders geteld volgens de systematiek van de Vlinderstichting en hier telt men de meeste soorten en meeste exemplaren in Breda. Verder beginnen zich ook verschillende soorten wilde bijen te vestigen.

verfbrem habitus

De term ‘verf’ in verfbrem slaat inderdaad op het gebruik als verfstof voor geel, maar ook voor bruine en groene tinten.  De knoppen en bloemen worden gebruikt. De betekenis van het het woord ‘brem’ blijkt niet meer te achterhalen. Het is, evenals veel namen van inlandse bomen, een substraatwoord. Een woord uit een taal van de inwoners hier, voor de komst van de Germanen. De wetenschappelijke geslachtsnaam ‘Genista’ komt waarschijnlijk van het Keltische ‘gen’ en betekent  ‘struik’. De soortaanduiding   ‘tinctoriastaat voor ‘verf’.

 

 

Sleedoorn – Een overdaad aan bloemen in het vroege voorjaar

Halverwege maart zijn er een aantal bomen en struiken die als het ware lijken te ontploffen. Nog geen blad te zien maar een overdaad aan prachtige witte bloemen, Er zijn geen stam, takken of twijgen meer te onderscheiden. Wat het oog ziet is een blikvullende overdaad aan witte bloemen. Het gaat om bomen en struiken uit de rozenfamilie: Prunus, Vogelkers, Amerikaanse vogelkers, Zoete kers en Sleedoorn.

De struiken van de Sleedoorn bieden een overdaad aan bloemen terwijl het blad nog niet ontwikkeld is.

Het gaat om bomen en struiken die vruchten hebben die wij vaak pruimen noemen. In deze bijdrage van Stadsplanten in Nederland (Amersfoort) aandacht voor de Sleedoorn.
De sleedoornstruik kan wel zes meter hoog worden. “Slee” is een oud woord voor pruim, Zoals Wikipedia aangeeft is het woord terug te vinden in het sterk alcoholische drankje slivovitsj (pruimenjenever). De toevoeging “doorn” duidt op de oudere zijtakken die uitlopen in een doorn.

De Sleedoorn is de eerste “witbloeiende” struik na de winter. De struik voelt zich vooral thuis aan de rand van bossen, en hagen. De rijke bloei, zo vroeg in het voorjaar, is bijzonder aantrekkelijk voor de honingbij. Vooral op windstille dagen vangt het menselijk oor rond de Sleedoorn een overdaad van gezoem op. Veroorzaakt door de honderden honingbijen die zo vroeg in het voorjaar in de bloemen van de Sleedoorn een rijke voedselbron vinden.

De vruchtzetting van de Sleedoorn resulteert in de zomer tot kleine, blauwe pruimpjes. Het gaat om zure, wrange vruchten met een hoog vitamine-C-gehalte die zijn pas eetbaar zijn na lang koken en toevoeging van veel suiker. Een andere methode is om de natuur zijn werk te laten doen. De pruimpjes worden genietbaar als in de winter de vorst over de vruchten is gegaan. Hoe meer vorst hoe eetbaarder de vrucht wordt.

Er bestaat een hechte relatie tussen de Sleedoorn en een bepaalde vlindersoort: de Sleedoornpage. De Sleedoorn is een zogenaamde waardplant voor de Sleedoornpage. Een waardplant is de ideale, of noodzakelijke gastheer voor een bepaald insect. De in Nederland zeldzame Sleedoornpage  zet zijn eitjes bij voorkeur af op de Sleedoorn. Door de afdeling Ecologie van de gemeente Amersfoort is over een reeks van jaren onderzoek gedaan naar de afzettingen van eitjes van de Sleedoornpage op sleedoornstruiken. In 2014 werden vijf eitjes gevonden. In de navolgende jaren geen.

De plaats waar de Sleedoornpage bij voorkeur haar eitjes afzet

 

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Wintertroost

Voor de botanist zijn groenblijvende planten in de winter een kleine troost. Er is dan tenminste iets om naar om te zien. Is dit een nieuwe plant in de stad? Vaak zijn die groenblijvende planten struiken of bomen. Zo ook de buxuskamferfoelie (Lonicera nitida). Tot mijn verrassing vond ik dat Baudewijn Odé al in 2009 al een artikel in Nature Today heeft gewijd aan de verwildering van dit struikje.  Op zoek naar dwergmispelsoorten (Cotoneaster ss) zag ik zelf het struikje eerst ten onrechte aan voor buxus. Dank aan  Koos Ballintijn van Waarneming .nl. Niet voor niets heeft Baudewijn Odé, neem ik aan, het struikje buxuskamperfoelie genoemd. De blaadjes zijn net als bij buxus glimmend en tegenoverstaand, maar niet leerachtig.

De blaadjes zijn glimmend
Takken staan boogvormig

Een ander verschil is dat bij buxus wel merg in de stengel is en bij deze kamperfoelie niet. Het struikje is afkomstig uit China en komt door het hele land verwilderd voor, zij het vooral in het stedelijk milieu. Voor Breda is hij nieuw voor de lijst. Rutger Barendse wijst erop in een reactie, dat er een sterk gelijkende soort bestaat, Lonicera pileata. De bladeren van L. pileata zijn wat frisser groen en staan lichtjes naar voren ten opzichte van de stengel.

De geslachtsnaam ‘Lonicera’ is genoemd naar A. Lonitzer (1528-1586) schrijver van een groot werk over natuurlijke historie. De soortaanduiding ‘nitida’ betekent ‘glanzend’.