Home » Verwilderd

Categorie: Verwilderd

Explosieve exoot

Midden in oude binnenstad van Breda ligt het Begijnhof. Daar wordt een prachtige kruidentuin onderhouden. Vanwege de de bezoekers worden de paden rond de tuin schoongehouden van wilde planten en ontsnapte planten uit de perken. Heel soms ontkomt een zaadje aan het smoren in de wieg. In dit geval waarschijnlijk omdat het net binnen een privédomein terecht was gekomen, al blijft zoiets in een begijnhof, moeilijk af te bakenen.

veilig op privéterrein ?

De plant in kwestie is de springkommer (Ecballium elaterium). Hij behoort tot de komkommerfamilie, hetgeen ook aan de bloem is te zien.

komkommerachtiige bloem

De plant is thuis in het gehele gebied rond de Middellandse Zee. Wie daar wel eens is geweest, weet dat springkomkommer daar groeit als onkruid. Liefst op ruderale plekken, naast de weg, parkeerplaatsjes met steenslag, e.d.

De plant ontleent zijn naam aan het feit dat als de rijpe vrucht neerploft, de zaden explosief worden weggeslingerd. Veel leuker is, als de rijpe vrucht nog hangt, een kind te vragen in de vrucht te knijpen. Pang!

De vrucht is giftig, dus het kind moet wel gereinigd worden en een aai over de bol voor de schrik.

harige bladeren met hartvormige voet

De wetenschappelijke naam Ecballium elaterium betekent tweemaal ‘uitwerpen’ . Eenmaal in het Grieks en eenmaal in het Latijn.

 

 

Zilverschildzaad: een nieuwe Diemenaar

Deze bijdrage is van de hand van Peter Wetzels (Districtscoördinator Floron-afdeling Groot-Amsterdam). Hij vervangt Ton Denters op diens verzoek. Ton heeft het druk met een bijdrage aan de ‘Nieuwe Heukels’.

 

Zilverschildzaad is een vaak gebruikte tuinplant die in de stad regelmatig verwildert. De algemene opvatting is dat de soort niet winterhard is, en zich elk jaar opnieuw uitzaait uit vers aangeschafte tuinplanten.

Straatbeeld

In mijn directe omgeving in Diemen komt de soort veel op straat voor en ik had het idee dat de soort jaarrond voorkwam: een paar honderd exemplaren verspreid over een tiental groeiplekken, alle binnen een straal van 300 meter. Ik kreeg het idee dat de soort in Diemen niet meer verwildert maar stevig was ingeburgerd. Het criterium voor inburgering is dat de soort een aantal jaren op eigen kracht een populatie vormt. Tijd om mijn idee om te zetten in een aangetoond feit. Het boek ‘Planten tellen’ van Eelke Jongejans over monitoring en demografisch onderzoek aan plantenpopulaties gaf mij het zetje om te onderzoeken of er sprake was van een ingeburgerde populatie.

Door consequent, van 2013 tot 2015, elke maand de aantallen van verschillende groeiplekken te tellen kreeg ik een goede indruk van de ontwikkelingen: geboorte, groei en sterfte.

Na het wieden toch niet weg

In geef hier de belangrijkste conclusies.

Dat deze soort niet winterhard is te nuanceren. Ik heb de groeiplekken drie jaar gevolgd en het werd duidelijk dat de planten met hun wortels de winter kunnen overleven. Een vorstperiode doet alle planten bovengronds afsterven, maar binnen twee maanden staan ze alweer te bloeien. In een zachte winter bloeit de soort gewoon door zoals de Eindejaarsplantenjacht aantoont.

Gek genoeg is zilverschildzaad wel erg gevoelig is voor borstelen. Na een borstelbeurt blijft de straat vrij lang kaal. Snelle hergroei vanuit de wortels treedt dan niet op. Wellicht is het seizoen van belang en hebben de wortels van de straatexemplaren in de zomer weinig reserves. In de tuinen is een keer wieden niet effectief. Een week of wat later komen de eerste groeischeuten weer boven het maaiveld uit.

Zilverschildzaad bloeit lang en rijk en produceert vermoedelijk veel zaden. De kieming is nooit massaal en verspreid over het zomerhalfjaar. De originele groeiplaatsen van de soort zijn te vinden langs de mediterrane kusten net buiten de zeereep. Een verspreide kieming is een strategie van risicospreiding die bij een dynamische omgeving past.

De zaden komen op straat niet ver. Kiemplanten vond ik bijna altijd binnen 20 meter van een populatie.

Tuinbeeld

Zilverschildzaad komt ook in een aantal tuinen voor en uit navraag bleek dat ze daar al vele jaren voorkomen zonder aanplant of uitzaai. Menige tuin werd heringericht met meestal een overgroot aandeel bestrating en zelfs dat deed de soort niet verdwijnen.

De groeiplaatsen wandelen een beetje heen en weer tussen de straat en de naastgelegen bestrate tuinen, afhankelijk van de onkruidbestrijding in tuin of op straat. Zelden vond die onkruidbestrijding gelijktijdig plaats.

Meeste planten staan in de goot

De grootste herinrichting in de wijk is de periodieke ophoging. De wijk verzakt elk jaar met twee centimeter. Dus elke vijftien jaar wordt er in de hele wijk dertig centimeter zand gestort. In 2016 na mijn telling was het weer zover en ik verwachtte een complete verdwijning. Tot mijn verbazing bleef de grootste groeiplaats bestaan en floreert tot op heden. Her en der heb ik ook nog wel losse exemplaren gevonden maar die bleken niet bestendig. In twee ook opgehoogde tuinen komt de soort ook nog steeds massaal voor. Ik vind dit ook wel inburgering, maar laat dat andere floristen maar niet weten.

 

Palmlelie

Vaak zijn nieuwe stadsplanten onopvallend. Dat kan niet worden gezegd van de palmlelie (Yucca gloriosa). In oktober 2018 staat de plant hier volop te bloeien. Het zou kunnen dat dit aan de warme zomer ligt, maar een paar jaar geleden bloeide dezelfde plant half mei. Op internet geeft de ene kweker als bloeitijd juli en augustus aan, de andere september en oktober. Kortom, de palmlelie trekt zich niet veel aan van door ons bedachte tijdstippen.

roomwit en appelrood

De palmlelie komt uit het Zuidoosten van de Verenigde Staten, en is inmiddels ingeburgerd in Frankrijk, Italië, Turkije en in België in de duinen. De plant kan zich niet geslachtelijk voortplanten door het ontbreken van de yuccamot hier. Toch kan hij hele haarden vormen in de duinen van o.a Belgie. Filip Verloove schrijft: ‘Een veel voorkomende tuinplant, die in toenemende mate wordt gezien als een tuinuitwerping in ruderale gebieden of op stortplaatsen. Min of meer duidelijk te onderscheiden populaties zijn vanaf 2001 vanaf een aantal locaties in kustduinen bekend, vaak in of nabij natuurgebieden (bijvoorbeeld Houtsaegherduinen tussen De Panne en Sint-Idesbald, Fonteintjes tussen Blankenberge en Zeebrugge, Ter Yde in Oostduinkerke, etc.)’. http://alienplantsbelgium.be/content/yucca

Deze plant heeft een dubbelganger: de Yucca flaccida die sprekend lijkt op de Yucca gloriosa. Toch zijn de twee makkelijk uit elkaar te houden: de bladeren van de Y. gloriosa zijn kaal en stijf. Die van de Y. flaccida hebben dunne, lange draden en de bladen zijn slapper.

blad stijf en kaal

Ook deze soort verwildert, maar minder vaak.

De geslachtsnaam ´Yucca´ is de Spaanse en van oorsprong West-Indische, indiaanse naam voor cassave of maniok. Linnaeus heeft per vergissing de verkeerde naam aan deze plant gegeven. De soortaanduiding ‘gloriosa’ betekent ‘stralend’. ‘Flaccida’ betekent ‘slap’ en heeft betrekking op de bladen die slapper zijn dan die van Yucca gloriosa.

 

Doornappel

Het is al even geleden dat ik een krantenbericht las over Doornappel (Datura stramonium).  Mensen kennen de vrij algemene  plant ondertussen ook wel en weten ook wat van zijn giftigheid. Toch was het niet zo lang geleden dat er verontrustende berichten te lezen waren over zeldzame Mexicaanse gifplanten die zomaar waren opgedoken in de tuin van een onschuldige burger. Ook zijn de ziekenhuisopnames van mensen, voornamelijk jongeren, die met Doornappel een ‘trip’ probeerden te maken, ofwel niet meer nieuwswaardig, ofwel  tot nul gereduceerd.  Het nieuws gaat mogelijk ook snel de ronde dat de plant hiervoor ook niet geschikt is.  De plant is gewoon verdomd giftig en onberekenbaar.

Doornappel heeft grote gedoornde zaaddozen met talrijke grote zwarte zaden

Doornappel komt oorspronkelijk niet voor in Europa, maar werd uit Amerika ernaartoe gebracht, aanvankelijk expres, en kon zich gemakkelijk uitbreiden. In de grote zaaddozen zitten talrijke grote zwarte zaden die lang kiemkrachtig blijven.

In een dichte grasmat ontkiemen Doornappels moeilijker

Doornappel staat voornamelijk op verstoorde grond, bijvoorbeeld in opgebrachte grond in tuinen, langs wegen met nieuwe bermen en in bredere zin op allerlei braakliggende gronden. De zaden vallen op de grond uit de langzaam opengaande vruchten en kunnen bij hernieuwde omwerking van de grond (en verplaatsing!), ook dus pas jaren later, vervolgens ontkiemen. In een dichte grasmat gaat dit moeilijker.

Een ongestekelde forma van Doornappel.

De naam van de plant komt van de stekelige vruchten. Die zijn nagenoeg rond en met dikke stekels bezet. Ze lijken wel wat op de bolsters van Paardenkastanje. De bloemen zijn meestal wit, trechtervormig en vaak wel 10 cm lang.  De planten bloeien voornamelijk ’s nachts. Vandaar dat je overdag vaak alleen maar verwelkte bloemen aantreft.  Er zit wel wat variatie in de uiterlijke kenmerken van de plant. Zo heb je planten die paarsig-roze bloeien genaamd var. tatula. Bij zowel de witbloeiende (var. stramonium) als de paarsige variatie kunnen de vruchten ongestekeld zijn.  Dit zijn de forma’s inermis.  Zo heeft een ongestekelde paarsig bloeiende Doornappel de volgende lange naam: Datura stramonium var. tatula f. inermis.

Datura ferox, een andere soort doornappel, heeft nog grotere stekels op de vruchten

Er zijn een aantal andere soorten Datura, Doornappels, die nog geen vaste voet aan wal hebben gezet in Nederland en België.  De ene soort onderscheidt zich voornamelijk door nog grotere stekels op de vruchten.  Het is Datura ferox.  Het is een adventief die mogelijk alleen voorkomt door verwildering uit vervuild geïmporteerd vogelzaad.

Door de geknikte vruchtsteel hangt de vrucht naar beneden bij Datura innoxia.

De andere soort onderscheidt zich voornamelijk door de geknikte vruchtsteel.  Die heet Datura innoxia. Mogelijk komt ook de gelijkende Datura wrightii nog voor. Die onderscheidt zich van de geknikte innoxia door aanliggende klierloze haren. Altijd dus even de loep bovenhalen bij Datura innoxi. En daarna natuurlijk heel goed je handen wassen.

Het verschijnen en verdwijnen van een zeldzaamheid.

Niks mooiers voor een stadsflorist als ik, is een stuk grond in de stad dat nog niet beplant is door de gemeente. Binnen de kortste tijd groeien daar allemaal planten als Ganzenvoeten, Duizendknopen en Meldes. En tegenwoordig ook allerlei groenten zoals de tomaat. Ik loop zo’n strook dan ook regelmatig na om te kijken of er iets bijzonders in staat. In het stuk grond op de eerste foto vond ik zo’n 90 soorten waaronder één plant die ik niet kende.

De “wilde” strook langs het fietspad in Rijswijk.

Van die laatste plant had ik het vermoeden dan het een ontsnapte tuinplant was. Toch poste ik hem maar eens in de Facebook Wilde planten-groep. Al gauw was de naam bekend: de Europese heliotroop. Op de kaart van verspreidingsatlas stonden slechts een enkele stip wat betekend dat het hier om een zeldzame plant ging. Toen ik hem vervolgens op Twitter zette werd ik o.a. gefeliciteerd door Ton Denters voor deze mooie vondst. Ik bleef een beetje gereserveerd naar het geheel kijken, misschien wel zeldzaam als stadsplant maar misschien heel gewoon in tuincentra.

De Europese heliotroop.

Wat in ieder geval duidelijk was dat hij op een plaats stond die slechts tijdelijk was, hier moest andere beplanting komen. Ik heb toen de gemeente gemaild over deze bijzondere vondst met het voorstel deze planten over te brengen naar de Rijswijkse Natuurtuin. Helaas is dat bericht niet echt overgekomen, mede door vakanties van ambtenaren. Op een ochtend fietste ik langs de stook en zag tot mijn ontzetting dat alles weggeklepeld was. Weg bijzondere plant.

Detail.

Nou is dat natuurlijk voor veel stadsplanten het geval. Ze staan er en ze verdwijnen weer,vaak als prooi van de hongerige bosmaaier. Maar we zouden voor dit soort bijzondere planten iets moeten verzinnen, bijvoorbeeld een bordje met de tekst: Niet maaien, zeldzame plant. Of dat helpt weet ik niet maar je kan het altijd proberen. Ik ben benieuwd of er floristen zijn die dit soort activiteiten al ondernemen in hun stad.

De bloeiwijze.

Bosliefje

Als je zo een mooie Nederlandse naam hebt als Nemophila menziesii, namelijk: bosliefje, dan schept dat verplichtingen qua uiterlijk.

Oordeelt u zelf. Ik vindt het een schatje. De plant is eenjarig en afkomstig uit de staten Californië en Oregon. Hij wordt inmiddels op meer dan 20 plaatsen over heel Nederland gesignaleerd volgens de verspreidingsatlas van Floron.

uitgezaaide bosliefjes

Op de begraafplaats Zuylen waar ik hem aantrof is hij ongetwijfeld terecht gekomen uit een zaadmengsel voor wilde bijen en vlinders. Toch heeft hij zich daar 1 of 2 maal zelfstandig uitgezaaid.

Gelet op de opvallend blauwe kleur zal het niet verbazen dat deze plant tot de ruwbladige wordt gerekend, waartoe vergeet-mij-nietjes, ossentong en nog veel meer planten met blauwe bloemen in allerlei kleurvariaties.

De geslachtsnaam ‘nemophila’ betekent ‘liefhebber van weiden’. De plant groeit op beschaduwde weiden. De geslachtsaanduiding ‘menziesii’ komt van Archibald Menzies, een 19de-eeuwse Schotse plantenverzamelaar.

Struikrook

Sinds een half jaar kom ik regelmatig op een grote begraafplaats in Breda, Zuylen genaamd, voor de inventarisatie van wilde bijen. De directie van de begraafplaats is met het beheer een andere weg ingeslagen. Het terrein moet een grotere biodiversiteit krijgen. Men heeft zelfs de naam al veranderd in ‘Park Zuylen’, om deze ambitie aan te geven. Het terrein is behoorlijk groot,10 voetbalvelden minstens. Spuiten tegen onkruid wordt niet meer gedaan; op een gedeelte van het terrein is verleden jaar een mengsel ingezaaid van eenjarige bloemplanten. Op weer een ander deel zijn dit jaar heel veel vast planten van een soort neer gezet: grijs kattenkruid en een soort kleine anjer. Vooral het kattenkruid trekt bijen.

bovenzijde blad pruikenboom

Het oudste gedeelte is het meest romantisch met oude graven, wat verzakt, de gebeitelde teksten goed meer leesbaar, en vooral: er wordt al een paar jaar niet meer geschoffeld. Daar verschijnen dus de leukste planten. Omdat het terrein midden in de stedelijke omgeving ligt, duiken vreemde kostgangers op, zoals een zaailing van de pruikenboom (Cotinus coggyria).  Op de verspreidingsatlas zijn een negental plekken te zien waar in Nederland de pruikenboom ook is waargenomen. Hij is afkomstig uit Zuid-Europa en de Kaukasus en is met regelmaat in tuinen te zien. Het is meer een struik dan een boom en valt vooral in de nazomer op door nevelachtige sluiers boven de struik. Dat zijn de de verlengde en harige bloemstelen. Vanwege dit fenomeen, waardoor het wel lijkt of de struik door rook is omgeven, wordt de plant in het Engels ‘smoke tree’ genoemd, en in het Nederlands ‘pruikenboom’. Dat is wat minder beeldend.

onderzijde blad pruikenboom

Al in de oudheid werden de wortels gebruikt voor het bereiden van een rode verfstof. Blad en bast vonden toepassing bij het leerlooien.

De wetenschappelijke geslachtsnaam ‘Cotinus’ komt uit het Grieks en betekent  ‘olijf’; vanwege een zekere gelijkenis ? De soortaanduiding ‘coggyria komt eveneens uit het Grieks en was daar de lokale naam voor de boom. Kortom, we weten eigenlijk niets over de betekenis van beide namen.

Die is in nevelen gehuld, zoals de struik zelf.

Pruikenboom met bloemen

 

 

Verwilderde narcissen, we kunnen ze niet langer negeren

In Nederland komt slechts één inheemse Narcis voor, Wilde narcis (Narcissus pseudonarcissus subsp. pseudonarcissus). Deze is op enkele plekken in Zuid-Limburg, het zuiden van Drenthe en het noordoosten van Overijssel nog te vinden. Deze wilde vorm is behoorlijk lastig te onderscheiden van verwante cultuurvariëteiten. Door het oprukken van dergelijke cultivars en het mengen van wilde en niet-wilde populaties, wordt het steeds lastiger om Wilde narcis met zekerheid vast te stellen. Dit vraagt om bescherming van de wilde populaties, maar hoe interessant en belangrijk dit ook is, dat is niet de boodschap die ik wil overbrengen.

 

Verwilderde tuinplanten zijn in de meeste gevallen beperkt tot het stedelijk gebied en hebben weinig ecologische waarde voor de Nederlandse natuur. Voor Narcissen is dit echter al lang het geval niet meer. Narcissen zijn overal, in het stedelijk gebied  vind je ze op begraafplaatsen, stinsenplaatsen, tuinen en groenstroken. In natuurgebieden zie je de soort echter ook steeds vaker opdagen. Het is bijna knap om in het voorjaar een km-hok te inventariseren zonder een Narcis tegen te komen. Zo is ze aan te treffen langs slootkanten, in bosranden en langs paden in lichte bossen. In de meeste gevallen is de soort hier terecht gekomen door stort van tuinafval. Sommige soorten houden niet van gedumpt worden en gaan dood, andere soorten vinden dit prima en blijven nog jaren rondhangen. Rotsooievaarsbek is hier een perfect voorbeeld van. Narcis vindt het niet alleen prima om gedumpt te worden, maar kan vervolgens gigantische populaties gaan vormen. Inmiddels zijn Narcissen in dusdanige hoeveelheid verwilderd aan te treffen, dat we deze niet langer als een van de zoveel tuinplanten moeten zien, maar als een tuinplant die zeer sterk ingeburgerd is en mogelijk ook een grote ecologische rol kan spelen in de Nederlandse natuur.

 

Maar goed, dan komt het op naam brengen om de hoek kijken. Er zijn wereldwijd tussen de 66 en 85 soorten te vinden. Ga je hier echter het aantal cultivars bij op tellen, dan kom je al gauw op duizenden variëteiten! Gelukkig zijn de Engelsen ons voor en hebben een determinatiesleutel gemaakt van de in Engeland verwilderde cultivars. Schrik niet, in deze sleutel staan bijna 150 verschillende cultivars opgenomen. De determinatiesleutel is echter niet complex, je loopt er vrij gemakkelijk doorheen en komt al gauw uit bij het gewenste resultaat. Bovendien zijn de verwilderde cultivars in Nederland beperkt zijn tot een klein deel van deze 150 opgenomen taxa. Ten slotte zijn deze cultivars ingedeeld in 12 verschillende Divisions, waardoor je in enkele determinatiestappen al honderd mogelijkheden uitgesloten hebt.

 

Het lijkt mij enorm interessant om te kijken welke cultivars we nu het meeste aantreffen in de Nederlandse natuur. Lijkt jou dit ook een leuke uitdaging voor het voorjaar, dan kan dat nog tot ongeveer eind mei. Daarna eindigt de bloei voor de meeste Narcissen. Wil je ook een poging wagen, let dan vooral op kleur, vorm, lengte en breedte van de trompet en van de kroonbladen. Stel deze in het veld vast en verzamel eventueel een bloem, zodat je vervolgens thuis op je gemak uit kan sleutelen waar je mee te maken hebt.

 

Tussen Scilla en Chionodoxa

 Zo gevaarlijk als het varen tussen Scylla en Charybdis was het determineren van Scilla’s nog net niet, maar ik kreeg ze op Waarneming. nl  niet gevalideerd. Tot voor kort. Er blijkt door Leni Duistermaat en met aanvullingen van onze collega-auteur Niels Eimers in 2017 een zeer werkzame sleutel gemaakt te zijn. Zie daarvoor de soorttekst bij Scilla spec.  https://waarneming.nl/soort/info/196987.
Oosterse sterhyacint (Scilla siberica)
Opnieuw ben ik de stad ingetrokken en binnen anderhalve week heb ik vier van de vijf gangbare soorten Scilla gevonden. Die vier zijn gevalideerd. Allemaal nieuwe soorten voor de gemeente Breda.
Het onderscheid tussen de soorten blijkt niet zo moeilijk. Ook hier geldt: je gaat het pas zien als je het door hebt.
Om te beginnen moet je kijken of de bloemdekbladen vergroeid zijn of niet. Heukels heeft daar helemaal niet over. Daarna is van belang om te kijken of de bloemen rechtop staan of knikkend zijn. Tenslotte is van belang te letten op de aanwezigheid van wit aan de voet van de bloemdekbladen. Dat mag wel wat duidelijker in de sleutel.
kleine sneeuwroem (Scilla sardensis)
Verder wordt in de boven gemelde tekst ook gezegd dat er niet meer tussen Chionodoxa en Scilla heen weer gevaren hoeft te worden: alle soorten sneeuwroem worden tot het geslacht Scilla gerekend.
 De naam ‘scilla’ is uit het Grieks en afkomstig van een verwante plant en betekent ‘gevaarlijk’, ‘giftig’. ‘Chionodoxa’ is eveneens Grieks en komt van ‘chion’ = ‘sneeuw’ en ‘doxa’ = ‘roem’.
 Men heeft duidelijk de verkeerde keuze gemaakt met de geslachtsnaam.
Scilla luciliae , nog geen Nederlandse naam.
lichtblauwe sneeuwroem ?

Het eten ligt op straat

Een aparte groep planten die je in de stad kunt onderkennen wordt gevormd door voedselgewassen. Als voorbeeld heb ik nu het meest Nederlandse volksvoedsel: de aardappel, gekozen, maar er zijn er veel meer in de stad aan te wijzen. Wie de leek wil interesseren voor stadsnatuur vormen deze ‘dwalingen’ een mooi aangrijppunt. Ze zijn vaak een wonderlijke brug tussen bord en asfalt. Zoals melk al lang niet meer uit de fabriek komt, maar van AH, weet de burger niet van de tomatenplant, de rucolaplant, de veldslaplant, de goudbesplant, noch van haver en gort.

Overigens was het de eerste Europeanen, die in Europa met de aardappel in aanraking kwamen, ook niet direct duidelijk dat de knol eetbaar was. De geschiedenis wil dat in het begin van de zeventiende eeuw de eerste aardappelknollen het Franse hof bereikten. De knollen werden in de grond gezet en enkele maanden later werd er een feestmaal gehouden, gemaakt van de groene vruchtjes. Alle disgenoten werden prompt ziek. Pas veel later zou de aardappel volksvoedsel worden in Noord-West Europa. Al met al zit er  300 jaar tussen ontdekking van de knol en acceptatie als voedsel, terwijl de Inca’s het gewas al honderden jaren aten.

voedselplant op straat

De plant komt oorspronkelijk uit de Andes. De wetenschappelijke naam is Solanum tuberosum. De geslachtsnaam ‘Solanum’ is afgeleid van het Latijnse ‘solari’ dat ‘troosten’ of ‘verzachten’ betekent; denk aan het Nederlandse woord ‘soelaas’. De soortaanduiding ‘tuberosum’ betekent ‘knol’.

Als solitaire plant in de stad is de bloem leuk, en opvallend afstekend tegen het donkere matte groen van de bladen.