Home » Amersfoort » Pagina 2

Tag: Amersfoort

Speenkruid – Vijgen of aambeien?

Zolang als mijn interesse uitgaat naar de plantenwereld, de flora, de bloemen – of hoe je het maar wilt noemen – is er een plant die zolang als ik mij kan heugen, onverbrekelijk verbonden is aan de eerste voorjaarszonnestralen. En dat is Gewoon speenkruid. Als je de sneeuwklokjes en krokussen even vergeet en tot de tuinplanten rekent, scoort Speenkruid absoluut het allerhoogst. Zodra de winterse temperaturen verdwijnen en de eerste lentegevoelens ontwaken, verschijnen ineens de fel gekleurde bloemetjes van het Speenkruid. Als je niet beter weet denk je niet onmiddellijk aan een boterbloem. Toch behoren ze tot dezelfde familie: de Ranonkelfamilie.

Gemeenschappelijke kenmerken van de familie zijn niet zo duidelijk als bijvoorbeeld bij de kruisbloemige. Daar is het duidelijk: vier kroonbladen, vier kelkbladen, zes meeldraden waarvan vier lang en twee kort, vruchtbeginsel bovenstandig en een hauwvrucht. Bij de Ranonkelfamilie gaat het om een grote vormenrijkdom die vooral tot uiting komt bij de bouw van de verschillende bloemen. Tot de Ranonkelfamilie behoren soorten als Speenkruid, Akelei, Winterakoniet, Dotterbloem, Monnikskap, Ridderspoor, Anemoon, Clematis, Bosrank, Waterranonkel en de boterbloemsoorten. Als je puur naar de bloemen kijkt verwacht je niet dat al die soorten tot één familie behoren.

De bloemen van Gewoon speenkruid lijken niet op boterbloemen maar behoren wel tot dezelfde familie: de Ranonkelfamilie

Het herkennen van Gewoon speenkruid levert weinig problemen op. Om te beginnen heeft de plant weinig concurrenten op het moment dat zij begint te bloeien. Er zijn weinig andere planten die in dat jaargetijde op Gewoon speenkruid lijken. Klein- en Groot hoefblad bloeien al wel maar lijken in geen velden of wegen op Gewoon  speenkruid. Het is een laagblijvende plant die in alle opzichten als een bodembedekker kan worden aangeduid. Het vormt vele kleine pollen die gezamenlijk een tapijt vormen. De plant stelt daarbij niet al te hoge eisen aan de habitat. Gewoon speenkruid is vooral bekend van de bovenzijde van greppel- en slootranden maar komt ook voor op andere vochtige plekken waar voedselrijke, vochtige grond aanwezig is zoals loofbossen, langs rivieren, beekdalen en uiterwaarden.

Bovengronds vormt de plant glimmende, donkergroene, gesteelde bladeren met aan de voet een brede bladschede. De bloemen zijn helder, goudgeel en groeien aan een onvertakte bloemsteel. Onder de grond vormt de plant langwerpige knolletjes. Aan het einde van de bloei worden ook in de oksels van de bladeren knolletjes gevormd. Het komt zelden tot vruchtvorming. De voortplanting vindt vooral plaats door de gevormde knolletjes. Dat is anders dan bij de ondersoort Vreemd speenkruid die meestal wel goed ontwikkelde vruchten heeft maar waarbij de knolletjes in de oksels van de bladen ontbreken. Speenkruid sterft al snel na de bloei – eind mei – bovengronds af. Om te overleven teert de plant ondergronds tijdens de zomer, de herfst en de winter op de voedselvoorraad van de gevormde knolletjes.

De ondergrondse knolletjes lijken wel wat op speentjes maar er zijn meer verklaringen voor de naam “Speenkruid”.

Er zijn redelijk wat verklaringen van de naam speenkruid in omloop. Aambeien worden ook wel speen genoemd en speenkruid werd gebruikt bij de behandeling van aambeien. Een andere verklaring van de naam komt voort uit de vorm van de ondergrondse knolletjes die wel wat weg hebben van spenen. De bladeren bladeren van speenkruid zijn zeer rijk aan vitamine C. In het Duits wordt de plant daarom Scharbockkraut genoemd. Door het hoge vitaminegehalte was het een probaat middel tegen scheurbuik. De wetenschappelijke geslachtsnaam “Ficaria” is afkomstig van het Latijnse “Ficus” dat vijg betekent. Niet vreemd als je naar de vorm van de knolletjes kijkt. Wie het echt weet mag het zeggen.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Klein kruiskruid – een kier tussen de stenen is genoeg

Als we zware winterse omstandigheden even vergeten is er eigenlijk geen moment in het jaar te bedenken waarop je Klein kruiskruid niet bloeiend aan kan treffen. De plant stelt heel weinig eisen aan zijn leefomgeving en is zeker in de stedelijke omgeving een zeer algemene plant. Het geslacht kruiskruid (Senecio) is een van de grootste geslachten in het plantenrijk. De schattingen wereldwijd variëren tussen de 1500 en 2000 soorten. Drie vrij bekende kruiskruidsoorten in Amersfoort en omgeving zijn Bezemkruiskruid, Jacobskruiskruid en Klein kruiskruid. Zij behoren tot de familie van de composieten.

 

Klein kruiskruid is eenvoudig te herkennen. Een lage plant met bloemtrosjes waarvan de omwindselbladen eindigen in een spitse top met zwarte punt

Qua uiterlijk ziet Klein kruiskruid er voor ons mensen wat minder aantrekkelijk uit dan de familieleden Bezemkruiskruid en Jacobskruiskruid. De laatste twee soorten ogen veel fraaier en uitbundiger doordat de bloemen zowel buis- als lintbloemen hebben. Klein kruiskruid moet het doen met alleen buisbloemen die dicht op elkaar gepakt opgesloten blijven tot een door omwindselbladeren gevormd kokertje. Daardoor lijkt het er op dat de bloem nog tot volledige bloei moet komen. Maar wie blijft wachten tot de bloem zich volledig zal openen, zoals de andere kruiskruiden, komt bedrogen uit.

Door het verschil in samenstelling en bloeiwijze van de bloemen is er ook verschil in de wijze van voortplanting. Bezemkruiskruid en Jacobskruiskruid, hebben buis- en straalbloemen en zijn daardoor veel aantrekkelijker voor insecten dan Klein kruidkruid dat het zonder straalbloemen moet doen. Ook al vanwege het feit dat de eerst genoemde twee soorten rijkelijk nectar produceren. Die aantrekkingskracht op insecten is maar goed ook want de planten zijn aangewezen op kruisbestuiving. De min of meer opgesloten buisbloemen van Klein kruiskruid zijn veel minder toegankelijk en aantrekkelijk voor insecten. Dat is geen probleem omdat Klein kruiskruid zich nagenoeg volledig kan redden met zelfbestuiving. Alle kruiskruiden in Nederland bevatten alkaloïden die giftig zijn voor zoogdieren. Jacobskruiskruid kan dodelijk zijn voor paarden. Een aantal insecten heeft deze giftige stoffen juist nodig in het voedselpakket. Een bekend voorbeeld is de rups van de Jacobsvlinder die leeft op Jacobskruiskruid.

De omwindselbladen houden de buisbloemen strak bij elkaar. De vele stampers steken boven het bloemhoofdje uit.

Klein kruiskruid blijft over het algemeen vrij laag. De plant doet wat vlezig aan. De bladeren zijn langwerpig, veervormig gespleten en niet gesteeld. De plant is niet kieskeurig in zijn verschijningsvorm. Er kunnen redelijk wat variaties voorkomen in beharing. Meestal zijn de stengel en de bladeren glad en onbehaard maar er zijn ook planten waarvan de bladeren en de stengel bedekt zijn door spinnenwebachtige, viltige, grijze haren. De omwindselbladen, die de buisbloemen omhullen zijn groen met een puntige top en zwarte stippen aan de uiteinden. Als Klein kruiskruid is uitgebloeid vormt zich een uitbundig grijs vruchtpluis bolletje, gevormd uit de pappus die aan de zaden gehecht zijn.

Meestal zijn stengel en blad glad en onbehaard. Maar er zijn ook planten met spinnenwebachtige, viltige beharing

Klein kruiskruid stelt weinig eisen aan de groeiplaats. De planten zijn vooral op ruige terreinen, tussen stenen en omgewerkte grond te vinden. Zij verdragen hoge concentraties zout en lood en kunnen zich dus ook makkelijk langs snelwegen vestigen. Doordat de plant zich via zelfbestuiving voortplant is hij niet afhankelijk van insecten. Daardoor kan de plant het hele jaar bloeien, zaden vormen en zich verder verspreiden. Menig tuinliefhebber beschouwt Klein kruiskruid dan ook als lastig te bestrijden onkruid. Hoewel? Je trekt de plant heel eenvoudig met wortel en al uit de grond.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Hulst – een stekelige kerstplant met vuurrode bessen

Laten we beginnen met een aardig raadseltje. Wat onderscheidt Hulst van de Larix? Het antwoord: Hulst is de enige boom die van nature voorkomt in Nederland en ’s winters groen blijft. De Larix is de enige naaldboom die van nature in Nederland voorkomt en ’s winters zijn naalden verliest.

Hulst en het kerstfeest zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden. Daarom is de decembermaand een ideaal moment om de aandacht te richten op Hulst. De Romeinen gebruikten al hulst bij de viering van Saturnalia. Het feest van de zonnewende. Het moment dat de zon in december de zuidelijke keerkring bereikt. De Romeinen vierden dat op 21 december in onze kalender.

Ook in de christelijke traditie is sprake van het gebruik van Hulst. Volgens een oude christelijke legende ontkiemde een hulst onder de voetstappen van Jezus. Zijn stekelige bladeren (de doornenkroon) en oranjerode bessen (bloed) voorspelden het lijden van de heilige man. In verschillende Europese landen noemt men hulst ‘Christusdoorn’. In oude Engelse kerkkalenders wordt de kerstavond beschreven als de avond van de ‘templa exornantur’ wat zoveel betekent als “met hulsttakken versierde kerken”. Dit gebruik bestaat nog steeds (bron:http://www.stemderbomen.nl/ pages/mainpages//Beschermende-hulst.htm

Als we struiken en bomen op deze website niet echt tot de stadsplanten rekenen zou ik niet stil mogen staan bij deze bijzondere plant/struik/boom. Maar omdat Hulst zoveel verschijningsvormen kent ben ik zelf van mening dat deze vertegenwoordiger van de flora hier goed op zijn plaats is. Zoals al opgemerkt kent de plant vele verschijningsvormen. De meeste mensen kennen Hulst als klein houtachtig gewas of als struik. Maar Hulst kan uitgroeien tot een forse boom met een hoogte van wel tien meter. Het verspreidingsgebied strekt zich uit van het noordwesten van Afrika, het zuidwesten van Azië tot en met Zuid- en West-Europa. In deze bijdrage zullen we Hulst verder als plant betitelen.

Als de plant niet bij het tuincentrum vandaan komt en zijn eigen vestigingsplekje mag uitzoeken dan voelt Hulst zich uitstekend thuis in loofbossen zoals eiken- en beukenbossen, op vochtige, matig voedselrijke zand- en leemgrond en op oude houtwallen. De plant verdraagt uitstekend zure grond. Hulst heeft een zinkerwortelstelsel. Een dergelijk wortelstelsel bestaat uit horizontaal lopende hoofdwortels (vlak wortelstelsel), die dicht onder het maaiveld liggen. Aan deze hoofdwortels ontstaan wortels die verticaal, de diepte in groeien (zinkers). Alleen als er voldoende ruimte is voor een goede ontwikkeling van een oppervlakkig hoofdwortelstel en zich daardoor zich voldoende zinkers kunnen vormen, kan Hulst uitgroeien tot een boom. De stam van de Hulst heeft een dunne en gladde bast. Het hout is hard en ivoorwit van kleur.

Aan één en hetzelfde Hulsttakje kunnen bladeren met scherpe stekels en bladeren met een gave bladrand voorkomen.

Ook het blad van de Hulst is interessant. Bij Hulst denken wij allemaal aan bladeren die scherp getand zijn met scherpe stekels. Maar aan één en dezelfde struik – zelfs binnen één en hetzelfde takje – kunnen bladeren voorkomen die scherp getand zijn en bladeren die een volledig gave bladrand hebben. Zeker als de plant ouder wordt neemt het aantal bladeren met een gave bladrand sterk toe. Daar is nog geen verklaring voor gevonden. Hulst kan zeer oud worden. Honderd tot driehonderd jaar is geen uitzondering.

De hele winter draagt Hulst veel mooie, dieprode bessen. De rode steenvruchten zijn voor de mens giftig. Voor vogels geldt dat gelukkig niet. Toch zijn de bessen niet super populair bij vogels. Zij zijn het meest geliefd bij Appelvinken. Lijsters beginnen er pas aan als tegen het eind van de winter de andere bessen zijn weggevreten. Hulst is een geliefde struik of boom om te nestelen. De stekelige bladeren, die bescherming bieden, zullen ongetwijfeld daar een bijdrage aan leveren.

Afrondend: Hulst hoort bij de kerst. Niet alleen vanwege een eeuwenlange traditie maar ook omdat veel mensen de takken met mooie diepgroene bladeren en de vuurrode bessen graag met de donkeren dagen rond Kerst in huis willen hebben. Het betekent wel dat elke tak met bessen, die gezelligheid in ons huis brengt, de kans op een potentiële Hulstboom om zeep brengt. De soort is echter totaal niet bedreigd. Dus geniet er van.

De bloemtrossen van de Hulst bevinden zich in de oksels van de bladeren. De plant is tweehuizig. Daarom vind je planten zonder en met bessen.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Schubvaren – varens in alle soorten en maten in Amersfoort

Tijdens onderhoudswerkzaamheden aan een kademuur in de wijk Vathorst in Amersfoort heb ik in november 2017 de zeldzame Schubvaren gevonden. Het was mij opgevallen dat in toenemende mate houtgewassen zoals berken, elzen en hazelaars bezit namen van kademuren waar veel muurplanten groeiden. Op een melding naar de stadsecoloog van Amersfoort, Renée van Assema, werd adequaat gereageerd. Er werd een boot georganiseerd en vrijwilligers van IVN Amersfoort verleende medewerking om de houtgewassen te verwijderen. De vaart werd door mij gebruikt om ook de groei van varens op de muren te monitoren. Daarbij viel mijn oog op de Schubvaren.

Nagenoeg alle varens op de kademuren van De Laak – Vathorst groeien in de voeg tussen de dekstenen en de kademuur. Op de foto is de eerste varen te zien die op de muur zelf groeit.

In 2014 en 2015 heeft de Werkgroep Wilde planten van de KNNV Amersfoort e.o. op verzoek van de gemeente een inventarisatie uitgevoerd van varens en specifieke muurplanten op kademuren in de wijk Vathorst in Amersfoort. Het rapport met de resultaten van dit onderzoek is te vinden op: http://www.floron.nl/Portals/1/Plaatjes/Projecten/muurplanten/2015-Muurvarens-Vathorst-Amersfoort.pdf

In de wijk Vathorst is een deelgebied dat De Laak heet. Het is een nieuwbouwwijk met grachtjes, bruggetjes en mooie karakteristieke huizen. Met de bouw werd begonnen in 2004. Er werd bewust gekozen voor kademuren die 5 graden achterover hellen en zijn gemetseld met kalkrijke mortel. De gemeente Amersfoort hoopte dat op die manier op langere termijn een net zo mooie muurbegroeiing zou ontstaan als op de muren van de grachten in de oude binnenstad. Normaal gesproken moet een muur 20 tot 30 jaar oud zijn om voldoende te eroderen om muurplanten een goede habitat te bieden. In De Laak in Vathorst gebeurde dat binnen tien jaar. Hoe kon dat gebeuren?

Het onderzoek heeft uitgewezen dat er een sterk bepalende factor een rol speelt. Alle varens groeien op kademuren waar de straten rechtstreeks aansluiten op de kademuren. Het gevolg is dat het regenwater rijkelijk over de achterover hellende kademuren vloeit waarbij er sprake is van een versneld uitlogings proces. Door Piet Bremer, die promoveerde op het onderzoek naar varens in het Kuinderbos, werd ik gewezen op de opmerkelijke rol die varensporen in de lucht kunnen vervullen als condensatiekernen voor regendruppels. Een regeldruppel kan in de meeste gevallen alleen ontstaan rond een condensatiekern. Doordat de sporen van varens bijzonder licht zijn kunnen zij gemakkelijk vanuit de hele wereld door de wind worden meegevoerd en zijn rijkelijk in de lucht aanwezig. Als condensatiekern worden zij ingevangen in regendruppels en vallen tijdens regen op de grond. In De Laak groeien vrijwel alle varens in de voeg tussen de dekstenen van de kademuur en de muur zelf. In deze diepe voeg zijn schijnbaar optimale groeimogelijkheden voor de varens aanwezig. Wat in zo’n geval noodzakelijk is is de aanvoer van voldoende sporen. Dat gebeurt mede door aanvoer van sporen in de neervallende regen en door sporen die via de wind in de voegen terecht komt.

  • Tot nu toe zijn de volgende varens door mij op de kademuren gevonden:
    Mannetjesvaren (Dryopteris filix-mas), Mannetjesvaren cristata (Dryopteris flix-mas-cristata), Olifantslurfvaren (Dryopteris cycadina), Stijve naaldvaren (Polystichum aculeatum), Zachte naaldvaren (Polystichum setiferum), Glansschildvaren (Polystichum polyphlebarum), Muurvaren (Asplenium ruta-muraria), Steenbreekvaren (Asplenium trichomanes subsp. quadrivalens), Tongvaren (Asplenium scolopendrium + verschillende tuinvarianten), Zwartsteel (Asplenium adiantum-nigrum), Smalle ijzervaren (Cyrtomium fortunei), Geschubde mannetjesvaren (Dryopteris affinis), Gewone eikvaren (Polypodium vulgare).
    Daar komt nu de Schubvaren (Asplenium ceterach) bij. Een onwaarschijnlijk groot aantal soorten voor muren die minder dan vijftien jaar oud zijn.

Dan toch nog even aandacht voor de plant waar het dit keer echt om gaat: de Schubvaren. Hij behoort tot de streepvarenfamilie (Asplenium) waartoe ook de Tongvaren, de Muurvaren, de Zwartsteel, de Steenbreekvaren en de Groensteel behoren. Een gemeenschappelijk kenmerk van deze varens zijn de lijnvormige tot langwerpig ovale sori of sporenhoopjes op de onderzijde van de bladeren. De sporenhoopjes liggen zijdelings langs de vrije zijnerven; ze bezitten een aan de nerf vastzittend dekvliesje (indusium).

Sporenhoopjes van schubvaren

De Schubvaren heeft altijd op de Rode Lijst gestaan en was wettelijk beschermd. De plant heeft een goede verdedigingstechniek tegen verdroging. Het rolt de bladeren op om verdamping van vocht te beperken. De linker en de rechter bladslippen krommen naar elkaar toe en passen bijna als een ritssluiting in elkaar en vormen dan een kokertje. Verdamping is dan beperkt, maar koolzuurassimilatie is dan ook vrijwel onmogelijk. Dat moet in vochtiger perioden worden ingehaald.

De schubvaren is zeldzaam en in grote delen van het land zeer zeldzaam. De verspreidingsatlas laat zien dat de plant vooral in het westen van het land voorkomt. Nederland ligt aan de noordrand van het verspreidingsgebied in Europa. In het verleden kende de varensoort ook medische toepassingen. De Schubvaren werd gebruikt bij miltkwalen en voor mensen die zich vaak inbeelden allerlei ziekten te hebben (hypochondrie).

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde

Honingklaver – een visnet of lamellen?

De Honingklaver is een algemeen voorkomende plantenfamilie. In Nederland kennen we vier soorten: de Kleine honingklaver, de Witte honingklaver, de Goudgele honingklaver en de Citroengele Honingklaver. Als je in oudere flora’s bladert kom je de Goudgele- en Citroengele niet tegen. Zij werden toen Akkerhoningklaver en Gele honingklaver genoemd. Je vind in die oude flora wel andere soorten die je nu niet meer in de Heukels vind. In de Heimans, Heinsius en Thijsse van 1956 vind je ook nog Rutheense honingklaver, Kleinbloemige honingklaver, Getande honingklaver en Gegroefde honingklaver.

Hoewel we al later in het jaar zijn, kunnen er nog steeds bloeiende planten gevonden worden. De reden waarom we pas in de herfst over de Honingklaver schrijven is dat voor een goede determinatie van twee van de drie meest bekende soorten het najaar bijzonder geschikt is. Als de planten volop in bloei staan is het onderscheid tussen de Goudgele Honingklaver en de Citroengele honing niet altijd eenvoudig. De witte Honingklaver kan niet met een andere soort verward worden. De plant heeft witte bloemtrossen en dubbelgangers zijn er niet. Bij de Goudgele en de Citroengele is het aanzienlijk lastiger. Of een bloem goudgeel of lichtgeel is is vaak moeilijk vast te stellen als je ze niet naast elkaar ziet om te kunnen vergelijken. Een ander determinatiekenmerk dat door Heukels wordt gegeven is de lengte van de zwaarden. Bij de Goudgele honingklaver zijn de zwaarden van de bloemen even lang als de kiel en bij de Citroengele honingklaver zijn de zwaarden langer dan de kiel.

Later in het seizoen, als de vruchten goed ontwikkeld zijn, wordt het eenvoudiger. Met een loepje even goed kijken naar het oppervlak van de vruchtjes. Zie je een netvormig patroon of zie je evenwijdig aan elkaar lopende streepjes: lamellen als het ware.

De netvormige structuur en de behaarde vrucht van de Goudgele honingklaver

Bij een netwerkpatroon hebben we te maken met de Goudgele honingklaver. Bij een lamellenpatroon gaat het om de Citroengele honingklaver. Een tweede, ondersteunend, kenmerk is dat de vruchtjes van de Goudgele honingklaver behaard zijn en die van de Citroengele honingklaver kaal.

Bij de Citroengele honingklaver lopen de strepen op de onbehaarde vrucht parallel

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Een spoorbloem op een brug

Een spoorbloem op een brug lijkt tegenstrijdig. Een bloem die verdwaald is en terecht is gekomen op een brug in plaats van langs het spoor. De verklaring is eenvoudig. Het gaat om de Rode spoorbloem. De naam kreeg de plant vanwege de gespoorde bloemkroon. De kroonbladen zijn vergroeid tot een kroonbuis. Aan de onderzijde daarvan hebben de bloemen een spoor – een hol, conisch uitsteeksel. Een ander bekende bloem met een spoor is Vlasbekje. Vaak is een spoor een rijke verzamelplaats van nectar. Dat is ook het geval bij de Rode spoorbloem. De plant is daarom geliefd bij bijen, hommels en vlinders.

De kroonbladen zijn vergroeid tot een kroonbuis. Aan de onderzijde van de kroonbuis vind je het spoor.

De Rode spoorbloem behoort tot de valeriaanfamilie waarvan in Nederland de verschillende soorten veldsla en valeriaansoorten behoren. Omdat de plant tot de valeriaanfamilie behoort wordt hij ook wel Rode valeriaan genoemd. In Nederland komt de plant slechts sporadisch in het wild voor. Het is een veel gekweekte sierplant die af en toe uit tuinen ontsnapt. In Frankrijk en op de Britse eilanden wordt de plant vaak gevonden op muren. De Rode spoorbloem waar we het nu over hebben is een verwilderd exemplaar dat een plekje heeft gevonden op een van de muren van de stadsgrachten in Amersfoort. Het is een fors exemplaar dat al maandenlang veel bloemtrossen draagt. Zelfs nog in oktober.

De Spoorbloem heeft slechts één meeldraad en één stempel. Beiden steken ver boven de bloemkroon uit

De stengel en de bladeren ogen blauwgroen berijpt. De bloemen hebben één meeldraad en één stempel die beide ver uitsteken boven de bloemkroon. De vruchtjes hebben een mooi vertakt kroontje van veertjes. De bloemen zijn meestal rozerood maar er komen ook planten met witte bloemen voor. Omdat de plant zowel rozerode als witte bloemen kan hebben wordt in publikaties soms gesproken over de Spoorbloem en niet over de Rode spoorbloem.

De Rode spoorbloem groeit in Amersfoort op een brug die deel uit maakt van kademuur van één van de grachten. Het gaat om een forse plant.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Hoge fijnstraal – een composiet die je boven het hoofd groeit

 

 

De Hoge fijnstraal is geen plant die je elke dag tegen komt. Dat in tegenstelling met de Canadse fijnstraal die zo ongeveer in elke kier tussen straat- of stoeptegels zich naar boven wurmt. De vondst van Hoge fijnstraal in Amersfoort is daarom zeker de moeite waard.

Vaak melden wij op “Stadsplanten – De urbane flora van Nederland” vondsten die vanuit tuinen en parken hun weg hebben gevonden naar de “vrije natuur”. Stinsenplanten zijn daar een goed voorbeeld van. Het zijn planten die ooit naar Nederland zijn gehaald om kasteeltuinen en parken op te fleuren en die vanuit die “geregelde natuur” van onze tuinen een vaste plek in de Nederlandse flora hebben veroverd. Er zijn ook planten die vanuit de vrije natuur opduiken in onze tuinen. Door de meeste mensen worden die planten al snel als onkruid bestempeld en zo snel mogelijk verwijderd. Een enkele keer worden zij herkend en als bijzonder of waardevol beoordeeld en mogen ze blijven staan. Zo ging het ook met de Hoge fijnstraal die opdook in de tuin van Renée van Assema, stadsecoloog van de gemeente Amersfoort.

Ook de bladeren en de stengels van de Hoge fijnstraal zijn dicht behaard

We kennen in Nederland verschillende plantensoorten die we fijnstraal noemen: Canadese fijnstraal, Hoge fijnstraal, Gevlamde fijnstraal, Ruige fijnstraal, Scherpe fijnstraal, Muurfijnstraal en Zomerfijnstraal. Je zou denken dat al deze soorten tot het zelfde geslacht behoren maar dat is niet waar. Het zijn allemaal composieten die zowel buisbloemen als lintbloemen hebben. De aanduiding fijnstraal heeft betrekking op de breedte van de lintbloemen. Deze vrouwelijke straalbloemen zijn hoogstens een millimeter breed en veel smaller dan lintbloemen van andere composieten. Dat de Canadese-, de Hoge-, de Ruige- en de Gevlamde fijnstraal in een ander geslacht zijn ingedeeld (Conyza) dan de andere fijnstraalplanten (Erigeron) komt doordat er verschillen zijn in de lengte van de plaat van de lintbloemen en de verhouding tussen het aantal lintbloemen in vergelijking met de buisbloemen. Bij Conyza is de plaat van de lintbloemen hoogstens 1 mm en zijn de lintbloemen talrijker dan de centrale buisbloemen. Bij Erigeron is de plaat van de buisbloemen 2-10 mm lang en zijn er meer centrale buisbloemen dan lintbloemen.
De Hoge fijnstraal is ingedeeld in het geslacht Conyza. De plant wint het van alle andere fijnstralen in lengte en kan meer dan twee meter hoog worden.

Pas in 1975 werd de plant voor de eerste keer in Nederland gevonden. De plant is afkomstig uit Zuid-Amerika en moet dus eigenlijk als een exoot worden beschouwd. Hoge fijnstraal houdt van warme droge plekken en wordt vaak gevonden op braakliggende terreinen. De plant voelt zich ook uitstekend thuis in een stenige omgeving; Tussen stenen, op stenige hellingen en tegen op het zuiden gerichte gevelmuren. De gevelmuur in Amersfoort was inderdaad naar het zuiden gericht.
Renée van Assema heeft als regel dat ze iets pas uit haar tuin verwijdert als ze weet wat voor plant het is. Eind vorig jaar stond er al een rozet van fijnstraal. Maar welke soort was haar nog niet duidelijk. Dat werd dus wachten op een bloeiwijze. Dat duurde en duurde maar! Eind juni groeide de plant al boven haar hoofd, echter nog geen bloemen! Begin augustus kwamen dan eindelijk de bloemen. Voor de juiste naam maakte zij gebruik van determinatiehulp van Remco Andeweg en Ton Denters: https://www.verspreidingsatlas.nl/determinatie/ehbd/view.aspx?id=11

De eerste vraag was of de bloemhoofdjes dicht behaard waren of vrijwel kaal. Die dichte beharing was goed te zien en daarmee bleven er eigenlijk maar twee keuzes over; de hoge fijnstraal (Conyza sumatrensis) of de gevlamde fijnstraal (Conyza bonariensis). Het onderscheid tussen deze twee soorten zit in de bloemhoofdjes. Waar de bloemhoofdjes van de hoge fijnstraal smal, urnvormig, 2 tot 6 (-8) mm breed zijn, zijn de bloemhoofdjes van de ruige fijnstraal bol, eivormig, 6 tot 8 (-10) mm breed. Renée stelde vast dat het om smalle urnvormige bloemhoofdjes ging; Hoge fijnstraal dus. Ook andere kenmerken uit de tabel bleken te kloppen.

De plant was meer dan twee meter hoog en versperde geruime tijd de toegang naar het terras

In alle eerlijkheid moet gezegd worden dat de plant niet meer te zien is. Nu Renée van Assema de naam weet is de plant verwijderd en kan de achterdeur naar het terras weer normaal open.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

 

Canadese guldenroede – De beharing verraadt de soort

 

Het is in deze tijd van het jaar bepaald niet moeilijk om Guldenroede te vinden. In tuinen, wegbermen, braakliggende stukjes land,…. overal zie je de wuivende, goudgele bloemtrossen van de Guldenroede. In 99 procent van de gevallen gaat het om de Late guldenroede. Een enkele keer gaat het om de Canadese guldenroede. En nog minder vaak gaat het om de Echte guldenroede. In Amersfoort ken ik maar één vindplaats van de Canadese guldenroede. Het is een bijzondere vindplaats want de plant groeit op één van de kademuren van een stadsgracht. Deze bijdrage aan “Stadsplanten van Nederland” is dus opgedragen aan de Canadese guldenroede maar de andere twee soorten komen ook ruim aan bod.

Alle drie de soorten Guldenroede hebben zowel buis- als lintbloemen. De soort behoort dus tot de composieten. De echte guldenroede is de enige van de drie soorten die hier echt thuis hoort. De Canadese- en de Late guldenroede zijn al lang geleden ingevoerd als tuinplant en als een plant die bijzonder in trek is bij honingbijen en andere insecten. Behalve dat de planten veel nectar bevatten, bloeien de planten later in het jaar. Veel andere planten zijn dan al uitgebloeid. Zij moeten wel tot de invasieve exoten gerekend worden. Vooral de Late guldenroede verdringt op veel plaatsen inheemse planten en is vaak moeilijk uit te roeien. Zowel de Late guldenroede als de Canadese guldenroede kunnen lange uitlopers aan de wortels vormen. Op deze worteluitlopers ontstaan nieuwe plantstengels. De twee soorten kunnen daardoor een redelijk oppervlak bedekken. Verwijderen van de planten is niet eenvoudig. Uit elk achtergebleven wortelrestant kan weer een nieuwe plant ontstaan.

De Echte guldenroede heeft een weinig vertakt wortelstelsel Daardoor vormt de plant geen “haarden” en is dus niet invasief. De Echte guldenroede is een vrij zeldzame plant die vrijwel alleen voorkomt in de hoger gelegen zand- en leemgronden in de oostelijke helft van het land en in het zuiden. Ook het uiterlijk van de plant wijkt af van de andere twee soorten. Terwijl de andere Guldenroedes bladeren hebben die vrijwel gelijk van vorm zijn, heeft de Echte guldenroede ruitvormige bladeren aan de onderkant van de stengel en lancetvormige bladeren hoger aan de stengel. Ook de bloeiwijze is duidelijk anders. De Canadese- en de Late guldenroede hebben een horizontaal afhangende, pluimvormige bloeiwijze. Bij de echte guldenroede is sprake van een veel meer open bloeiwijze langs schuin opstijgende bloeistengels.

De bladnerf van de Canadese guldenroede is sterk behaard

De Guldenroedesoorten hebben een goede reputatie als het gaat om geneeskrachtige stoffen. De planten werden in het verleden veel toegepast voor het helen van wonden, mede door de ontsmettende eigenschappen die de plant zou hebben.

Terug naar de kademuur van de Amersfoortse stadsgracht. Daar staat dus als een zeldzame muurplant een fraaie Canadese guldenroede. De laatste jaren heb ik uit nieuwsgierigheid ongeveer bij elke Guldenroede die ik tegenkwam naar de onderkant van de bladeren gekeken en naar de beharing van de stengel. Zonder één uitzondering allemaal Late guldenroede. Ook van andere floristen hoor ik dat ook zij vrijwel alleen maar Late guldenroede vinden. De vraag mag gesteld worden of de verspreidingsatlassen van de Canadese guldenroede niet een te optimistisch beeld tonen misschien doordat Canadese- en Late guldenroede met elkaar zijn verward.

De bladnerf van de Late guldenroede is (vrijwel) onbehaard

Er zijn een aantal veldkenmerken waarmee de twee soorten relatief eenvoudig van elkaar zijn te onderscheiden. Beharing is daarbij van belang. De Late guldenroede is kaal te noemen in vergelijking met de Canadese guldenroede. Alleen bij de bloeiwijze kan enige beharing aanwezig zijn. De stengel is kaal en ook op de bladeren is weinig haar te ontdekken. Soms zijn de bladeren gewimperd – dunne haartjes op de rand van het blad en soms wat kleine beharing op de bladnerf. Dat is bij de Canadese guldenroede wel anders. De stengel is over de volle lengte behaard en de onderzijde van de bladeren zijn volledig behaard.

De Canadese guldenroede als muurplant is nieuw voor mij maar zal ongetwijfeld vaker voorkomen.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde

Zilverschildzaad – een verwilderde tuinplant in de voegen van trottoirbanden

Soms gebeurt het. Je parkeert je auto langs de stoep in een voor jou vreemde straat. Je stapt uit en direct valt je oog op een aantrekkelijk, maar voor jou volslagen onbekend plantje. Een trosje helder witte bloempjes, lancetvormige bladeren en niet hoger dan 30 cm. Naar links en naar rechts kijkend blijken er veel meer plantjes in de goot te staan. Ze staan allemaal in de naad waar de stoeprand aansluit op de goot. Omdat er meer dan voldoende planten aanwezig zijn neem je een exemplaar voor determinatie mee naar huis.
Het was gelijk al duidelijk dat het om een kruisbloemige ging. Vier kelkbladen, vier witte kroonbladen, zes meeldraden. Keurig netje de sleutels van de kruisbloemige volgend kom ik uit bij Lepelblad. Maar dat is het niet. Die plant ken ik goed. De oplossing komt van Arie van den Bremer die de plant herkent als Zilverschildzaad. Dan blijkt ook waar ik, in het volgen van de sleutels, de verkeerde afslag heb genomen. Bij punt 31 van de sleutel is de eerste keus: Plant kaal of met enkelvoudige haren. De tweede keus is: stengel en bladeren met sterharen en onvertakte haren of met twee-takkige, sterk aangedrukte haren.Nu ik de naam van de plant kende en wist waar ik naar moest kijken werd het onder de bino snel duidelijk. De twee-takkige haren waren door mij aangezien voor onvertakte haren.

De vruchten van zilverschildzaad zijn bolvormig.

Volgens de Flora van Nederland, deel 2, van Heukels uit 1909 hoort de plant thuis op rotsachtige en zanderige plaatsen aan de kusten van het Middellandse Zeegebied. Volgens dezelfde publicatie is de plant indertijd aangevoerd bij de vestingwerken van Muiden, Rotterdam, Apeldoorn, Zuilen bij Utrecht, in de duinen van Domburg en in Amsterdam. In latere decennia is de plant een geliefde tuinplant geworden. Zilverschildzaad verwildert makkelijk en wordt tegenwoordig vaker aangetroffen als stadsplant. Gezien de voorkeur van de plant voor een stenige, zanderige omgeving is de vindplaats in de voeg tussen trottoirband en bestrating niet vreemd.

De planten werden gevonden in de voeg tussen de trottoirbanden en de bestrating

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Kransgras tussen de fietsenklemmen in Amersfoort

In een bijdrage aan Stadplanten in januari 2017 wijst Joke de Ridder op de opmars van Kransgras in Zoetermeer. Zij vraagt zich af of ook in andere steden deze, tot nu toe zeldzame grassoort, gevonden wordt. Voor Amersfoort is sinds deze week het antwoord: ja. Midden in een drukke winkelstraat, in het hartje van de stad, tussen een aantal fietsklemmen staan een groot aantal planten. De vondst is op een mooi moment omdat het gras volop in bloei staat.

Het winkelend publiek zal zich niet realiseren langs een zeldzame plantensoort te lopen

Kransgras is goed te onderscheiden van andere grassoorten. Vanuit de graspol lopen de stengels horizontaal over de grond om vervolgens met een scherpe knik op te stijgen. De schuin afstaande zijtakken zijn tot aan de voet met aartjes bedekt. In de bloei hangen de bleke wit/gele helmknoppen uit de aartjes. Met een loep zijn op de kelkkafjes kleine stekeltjes te zien. Als de aartjes zijn uitgebloeid en de vrucht rijp is vallen zij in hun geheel af.
Tot nu toe werd Kransgras als zeldzaam beschouwd. In het standaardgrassenboek van Landwehr en de Oecologische flora van Weeda komt de plant nog niet voor. Ook in de toelichting bij de verspreidingskaart van Floron wordt de plant als zeldzaam aangeduid. Het lijkt er wel op dat Kransgras in ieder geval binnen het stedelijk gebied, aan een opmars bezig is. De plant komt oorspronkelijk uit het Middellandse Zeegebied.

Wie verwacht er een zeldzame grassoort als Kransgras tussen de fietsenrekken in een winkelstraat in Amersfoort

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.