Home » Graslobelia

Tag: Graslobelia

Schitterende onkruiden in het gazon

Draadereprijs, uit de Kaukasus en Klein-Azië, is sinds 1934 in onze gazons thuisgeraakt.

Gazons zien er in de regel egaal groen uit; voor ‘onkruiden’ is geen plaats. Gelukkig zijn er spelbrekers. Iedereen kent madelief en dan is er ook nog draadereprijs. Dit van oorsprong rotsbewonende plantje uit de Kaukasus en Klein-Azië wist in het verleden al tot onze graslakens door te dringen. In 1934 werd zij voor het eerst in verwilderde staat ontdekt. Daarna volgde er een stevige opmars, waarbij ze naam maakte als ‘gazonpest’. Niet iedereen dacht daar zo over. Velen zagen in haar een aanwinst en hielpen dit ereprijs een handje. Draadereprijs is tegenwoordig een vaste en gewaardeerde gazonbewoner.

Na een periode van stilte dringt nu eindelijk weer een nieuweling in de grasmat door; Lobelia pedunculata. Deze ‘graslobelia’ heeft eenzelfde uitstraling als draadereprijs; is net zo rank en liefelijk in haar voorkomen. Met deze nieuweling krijgt het gazon meer pracht en kleur, en dan niet zoals draadereprijs in het voorjaar, maar in de zomer. Dan bloeit dit, tot dan toe verborgen levende plantje, feestelijk op en wordt de grasmat herschapen. Overal ontluiken de intens blauwe, stervormige bloempjes, wiegend op lange, ranke bloemstelen. Graslobelia is een groenblijvende, vorstbestendige, kruipende bodembedekker, met kleine, onregelmatig getande, eivormige blaadjes. De soort komt uit Australië en is als sierplantje naar elders gebracht, vooral om rotstuinen te verrijken. Het plantje gaat echter graag de perken te buiten en zet gemakkelijk de stap naar aangrenzende gazons.

Graslobelia is een nieuw gazonplantje met toekomstperspectief.

Graslobelia is tweehuizig. In het thuisland is zij in volle glorie te zien en produceert zij volop rode, besachtige vruchten. Deze lobelia, wordt vanwege dit kenmerk, ook wel in een apart geslacht Pratia  afgesplitst. Bij ons worden, precies zoals in Groot-Brittannië en België, enkel vrouwelijke planten gevonden en blijft de vruchtvorming bij gebrek aan mannelijke planten achterwege. Een verdere verspreiding van deze soort wordt daardoor geenszins belet. Via een doelmatige vegetatieve vermeerdering maakt deze soort de nodige meters. De tere stengelfragmenten laten bij het minste of geringste los en wortelen snel. Het plantje heeft daarmee toekomstperspectief en alles in zich om gemeengoed te worden. In Nederland is de ‘aftrap’ in Emmen begonnen; daar kwam dit plantje in 2005 aan het licht. België ging ons in 2004 voor, met twee groeiplaatsen in frequent gemaaide gazons. Nederland telt inmiddels 12 vindplaatsen verdeeld over het hele land en er volgen er ongetwijfeld meer. Nu eerst de zomer afwachten en dan maar met een hernieuwde kijk de gazons nalopen. Dat levert vast nieuwe meldingen op.