Tag: kademuren

Liggende ganzerik op de Welle

Deventer ligt aan de IJssel, en op de overgang tussen IJssel en de stad ligt de Welle. Dat is eigenlijk de naam van de straat die zo af en toe, bij heel extreem peil, overstroomt. Er is echter ook een wat lager deel dat het Wellepad wordt genoemd. Het ligt zo’n twee meter lager en dat overstroomt veel vaker; jaarlijks minstens een keer. Het overstroomt bij een waterhoogte van meer dan 4.50 m-NAP (zie ook https://www.deventer.nl/hoogwater) . Dat hoge water zorgt voor aanvoer van van alles en nog wat, waaronder zaden van planten. Het Wellepad heeft allerlei hoekjes die altijd weer leuke vondsten opleveren. Liggende ganzerik bijvoorbeeld. Het is niet ieder jaar present, maar in 2018 op zeker vijf plaatsen op het Wellepad.

Liggende ganzerik aan het Wellepad
Liggende ganzerik aan het Wellepad, met een van de kunstwerken. Boven de muur rechts loopt de Welle, één van de toegangswegen tot het noordelijk deel van Deventer.

Liggende ganzerik (Potentilla supina) is een vrij zeldzame soort die vrijwel geheel aan het Rijnstroomgebied is verbonden. De ‘Ruimte voor de rivier-projecten’ die de afgelopen jaren zijn uitgevoerd ten Zuiden en Noorden van Deventer hebben geresulteerd in vele plaatsen waar pioniervegetaties goed van geprofiteerd hebben. Volgens de verspreidingsatlas is Liggende ganzerik steeds vaker te vinden, soms ook wel buiten het rivierengebied of zoals in Deventer, naast de Welle ook op een terrein van de gemeente, waar opslag van bestratingsmateriaal plaatsvindt. Hier werd de Liggende ganzerik overigens naast Noorse ganzerik gevonden.

De Nederlandse Oecologische Flora (deel 2 vanaf pagina 81) meldt dat Liggende ganzerik voor 1950 aan de IJssel alleen aan de IJsselmonding bij Kampen voor kwam. Vermoed wordt dat de verzilting van het Rijnwater, door lozing van Kalimijnen in Frankrijk, heeft bijgedragen aan toename en verdere verspreiding van Liggende ganzerik in het Rijnstroomgebied.

Liggende ganzerik aan het Wellepad
Detail van Liggende ganzerik aan het Wellepad

Het geslacht Ganzerik/Potentilla behoort tot de familie van de rozen.  Heel herkenbaar: vijf kroonbladen en vijf kelkbladen. Op de Wateraardbei na hebben alle Nederlandse ganzerikken gele bloemen. Verder is de combinatie van liggende habitus, de veervormige bladen -alleen Zilverschoon heeft dat ook- en de kroonbladen die nauwelijks groter zijn dan de kelkbladen, typisch voor Liggende ganzerik.

Muurfijnstraal – het madeliefje van een rotsige ondergrond

Een blik op de bloemen van Muurfijnstraal (Erigeron karvinskianus) en het is overduidelijk dat we te maken hebben met een composiet. Een hart van heldergele buisbloemen, omringd met een krans van witte of lichtpaarse lintbloemen. De plant is oorspronkelijk afkomstig uit Mexico, kwam als tuinplant naar Europa en ontsnapte, zoals zoveel tuinplanten, naar de wereld buiten de tuin. In het bos, in wegbermen of akkers zal je hem niet vinden. In de naam Muurfijnstraal staat niet voor niets het woord “muur”. De plant houdt van een stenige ondergrond. Dat kunnen rotspartijen zijn, bestaande uit zwerfkeien, tussen straatstenen maar vooral op oude muren. Die rotsige ondergrond is overigens geen vereiste. In een border met goed doorlatende grond gedijt de plant ook uitstekend.

Muurfijnstraal houdt niet alleen van een stenige ondergrond maar ook van vocht. De plant kan daarom tot dicht op de waterlijn gevonden worden.

We kennen in Nederland verschillende plantensoorten die we fijnstraal noemen: Canadese fijnstraal, Hoge fijnstraal, Gevlamde fijnstraal, Ruige fijnstraal, Scherpe fijnstraal, Muurfijnstraal en Zomerfijnstraal. Je zou denken dat al deze soorten tot het zelfde geslacht behoren maar dat is niet waar. Het zijn allemaal composieten die zowel buisbloemen als lintbloemen hebben. De aanduiding fijnstraal heeft betrekking op de breedte van de lintbloemen. Deze vrouwelijke straalbloemen (lintbloemen) zijn hoogstens een millimeter breed en veel smaller dan lintbloemen van andere composieten. Dat Muurfijnstraal in een ander geslacht is ingedeeld (Erigeron) dan de Canadese-, de Hoge-, de Ruige- en de Gevlamde fijnstraal (Conyza) komt doordat er verschillen zijn in de lengte van de plaat van de lintbloemen en de verhouding tussen het aantal lintbloemen in vergelijking met de buisbloemen. Bij Erigeron is de plaat van de buisbloemen 2-10 mm lang en zijn er meer centrale buisbloemen dan lintbloemen. Bij Conyza is de plaat van de lintbloemen hoogstens 1 mm en zijn de lintbloemen talrijker dan de centrale buisbloemen.

Om tot de fijnstralen te kunnen moet de breedte van de lintbloemen beduidend minder breed zijn dan die van van andere composieten.

De plant heeft drie methoden om zich voort te planten. De meest voor de hand liggende methode is uiteraard de vorming en verspreiding van zaden. De tweede methode via de wortelstok is ook veel voorkomend. De derde methode heeft te maken met de stengels die vaak deels op de grond liggen om daarna op te stijgen. De op de ondergrond liggende stengels wortelen gemakkelijk en leiden op die manier tot de vorming van een nieuwe, zelfstandige plant. De eerste meldingen in Nederland van verwilderde Muurfijnstraal dateren uit eind negentiger jaren van de vorige eeuw. Nu is de plant bepaald geen zeldzaamheid meer. Vooral op oude muren en grachtenmuren wordt de plant steeds vaker gevonden.

De bloemen van Muurfijnstraal kunnen in kleur variëren van helder wit tot paars/roze.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde

Rolling Stones?

Stel je voor: je hebt een leuk huis, mooie tuin ervoor met een leuk oud muurtje daar om heen. Op dat muurtje groeien wat plantjes en dat vind je best leuk. Als je lekker aan het werk bent in de tuin komt er een florist langs die tegen je zegt: wat een mooie Steenbreekvaren heeft u daar op uw muurtje staan. Dan schrik je je toch een hoedje. Steenbreekvaren! Je ziet je mooie muurtje al volledig instorten …

Nu weten wij floristen wel dat dat zo’n vaart niet zal lopen. De tere wortels van de Steenbreekvaren (Asplenium trichomanes) maken gebruik van de reeds bestaande verwering van de muur en hebben in de verste verte niet de kracht om die muur te beschadigen. Maar hoe komt die varen dan aan die naam?

Volgens de website Stadsplanten van Breda heeft de naam te maken met het feit dat deze varen vaak in scheuren van de muur groeit. Een weinig spectaculaire verklaring dus. Als dat zo is dan zijn eigenlijk al die muurvarens steenbreekvarens.
Veel buitenlandse namen van deze varen hebben het woord “haar” in de naam: Maagdenhaar, English maidenhair of trichomanes, Duitse Jungfrauenhaar, Frans capillaire en trichomane. Die naam heeft het te danken aan de vele zwart glanzende steeltjes als fijne haartjes.

De Steenbreekvaren is vrij gemakkelijk te herkennen. De varen heeft vrij lange smalle bladeren met veel kleine helder lichtgroene deelblaadjes. Hij blijft ’s winters groen en heeft in de zomer rijpe sporen die zich in langwerpige hoopjes in strepen onder de deelblaadjes bevinden.

Floristen zouden geen floristen zijn als ze niet enkele ondersoorten zouden vinden. Zo groeit er in ons land ook de IJle steenbreekvaren (Asplenium trichomanes subsp. trichomanes). Zonder hier verder op in te gaan kan je er van uit gaan dat de plant een ijlere indruk maakt, de deelblaadjes staan wat verder van elkaar af. Voor de volledigheid, de Gewone steenbreekvaren heet in het Latijn Asplenium trichomanes subsp. quadrivalens. Maar dat mag je van mij best in je pet gooien. Ga eerst maar eens genieten van die prachtige, subtiele Steenbreekvarens die onze muren verlevendigen.

Steenbreekvarens op een kademuur.

Waar vind je ze? Steenbreekvarens groeien op vochtige muren en rotsen. Je vindt ze dus op kademuren maar ook op oude tuinmuurtjes en zelfs in brandgangen op stenen tuinhuisjes. De varen kan echter ook op de grond groeien en soms op zelfs op boomstronken. Dat vind ik geen echte Steenbreekvarens.  Dat zijn gewoon mietjes. De echte Steenbreekvaren staat natuurlijk met zijn wortels in de mortel.

Schubvaren – varens in alle soorten en maten in Amersfoort

Tijdens onderhoudswerkzaamheden aan een kademuur in de wijk Vathorst in Amersfoort heb ik in november 2017 de zeldzame Schubvaren gevonden. Het was mij opgevallen dat in toenemende mate houtgewassen zoals berken, elzen en hazelaars bezit namen van kademuren waar veel muurplanten groeiden. Op een melding naar de stadsecoloog van Amersfoort, Renée van Assema, werd adequaat gereageerd. Er werd een boot georganiseerd en vrijwilligers van IVN Amersfoort verleende medewerking om de houtgewassen te verwijderen. De vaart werd door mij gebruikt om ook de groei van varens op de muren te monitoren. Daarbij viel mijn oog op de Schubvaren.

Nagenoeg alle varens op de kademuren van De Laak – Vathorst groeien in de voeg tussen de dekstenen en de kademuur. Op de foto is de eerste varen te zien die op de muur zelf groeit.

In 2014 en 2015 heeft de Werkgroep Wilde planten van de KNNV Amersfoort e.o. op verzoek van de gemeente een inventarisatie uitgevoerd van varens en specifieke muurplanten op kademuren in de wijk Vathorst in Amersfoort. Het rapport met de resultaten van dit onderzoek is te vinden op: http://www.floron.nl/Portals/1/Plaatjes/Projecten/muurplanten/2015-Muurvarens-Vathorst-Amersfoort.pdf

In de wijk Vathorst is een deelgebied dat De Laak heet. Het is een nieuwbouwwijk met grachtjes, bruggetjes en mooie karakteristieke huizen. Met de bouw werd begonnen in 2004. Er werd bewust gekozen voor kademuren die 5 graden achterover hellen en zijn gemetseld met kalkrijke mortel. De gemeente Amersfoort hoopte dat op die manier op langere termijn een net zo mooie muurbegroeiing zou ontstaan als op de muren van de grachten in de oude binnenstad. Normaal gesproken moet een muur 20 tot 30 jaar oud zijn om voldoende te eroderen om muurplanten een goede habitat te bieden. In De Laak in Vathorst gebeurde dat binnen tien jaar. Hoe kon dat gebeuren?

Het onderzoek heeft uitgewezen dat er een sterk bepalende factor een rol speelt. Alle varens groeien op kademuren waar de straten rechtstreeks aansluiten op de kademuren. Het gevolg is dat het regenwater rijkelijk over de achterover hellende kademuren vloeit waarbij er sprake is van een versneld uitlogings proces. Door Piet Bremer, die promoveerde op het onderzoek naar varens in het Kuinderbos, werd ik gewezen op de opmerkelijke rol die varensporen in de lucht kunnen vervullen als condensatiekernen voor regendruppels. Een regeldruppel kan in de meeste gevallen alleen ontstaan rond een condensatiekern. Doordat de sporen van varens bijzonder licht zijn kunnen zij gemakkelijk vanuit de hele wereld door de wind worden meegevoerd en zijn rijkelijk in de lucht aanwezig. Als condensatiekern worden zij ingevangen in regendruppels en vallen tijdens regen op de grond. In De Laak groeien vrijwel alle varens in de voeg tussen de dekstenen van de kademuur en de muur zelf. In deze diepe voeg zijn schijnbaar optimale groeimogelijkheden voor de varens aanwezig. Wat in zo’n geval noodzakelijk is is de aanvoer van voldoende sporen. Dat gebeurt mede door aanvoer van sporen in de neervallende regen en door sporen die via de wind in de voegen terecht komt.

  • Tot nu toe zijn de volgende varens door mij op de kademuren gevonden:
    Mannetjesvaren (Dryopteris filix-mas), Mannetjesvaren cristata (Dryopteris flix-mas-cristata), Olifantslurfvaren (Dryopteris cycadina), Stijve naaldvaren (Polystichum aculeatum), Zachte naaldvaren (Polystichum setiferum), Glansschildvaren (Polystichum polyphlebarum), Muurvaren (Asplenium ruta-muraria), Steenbreekvaren (Asplenium trichomanes subsp. quadrivalens), Tongvaren (Asplenium scolopendrium + verschillende tuinvarianten), Zwartsteel (Asplenium adiantum-nigrum), Smalle ijzervaren (Cyrtomium fortunei), Geschubde mannetjesvaren (Dryopteris affinis), Gewone eikvaren (Polypodium vulgare).
    Daar komt nu de Schubvaren (Asplenium ceterach) bij. Een onwaarschijnlijk groot aantal soorten voor muren die minder dan vijftien jaar oud zijn.

Dan toch nog even aandacht voor de plant waar het dit keer echt om gaat: de Schubvaren. Hij behoort tot de streepvarenfamilie (Asplenium) waartoe ook de Tongvaren, de Muurvaren, de Zwartsteel, de Steenbreekvaren en de Groensteel behoren. Een gemeenschappelijk kenmerk van deze varens zijn de lijnvormige tot langwerpig ovale sori of sporenhoopjes op de onderzijde van de bladeren. De sporenhoopjes liggen zijdelings langs de vrije zijnerven; ze bezitten een aan de nerf vastzittend dekvliesje (indusium).

Sporenhoopjes van schubvaren

De Schubvaren heeft altijd op de Rode Lijst gestaan en was wettelijk beschermd. De plant heeft een goede verdedigingstechniek tegen verdroging. Het rolt de bladeren op om verdamping van vocht te beperken. De linker en de rechter bladslippen krommen naar elkaar toe en passen bijna als een ritssluiting in elkaar en vormen dan een kokertje. Verdamping is dan beperkt, maar koolzuurassimilatie is dan ook vrijwel onmogelijk. Dat moet in vochtiger perioden worden ingehaald.

De schubvaren is zeldzaam en in grote delen van het land zeer zeldzaam. De verspreidingsatlas laat zien dat de plant vooral in het westen van het land voorkomt. Nederland ligt aan de noordrand van het verspreidingsgebied in Europa. In het verleden kende de varensoort ook medische toepassingen. De Schubvaren werd gebruikt bij miltkwalen en voor mensen die zich vaak inbeelden allerlei ziekten te hebben (hypochondrie).

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde

Een spoorbloem op een brug

Een spoorbloem op een brug lijkt tegenstrijdig. Een bloem die verdwaald is en terecht is gekomen op een brug in plaats van langs het spoor. De verklaring is eenvoudig. Het gaat om de Rode spoorbloem. De naam kreeg de plant vanwege de gespoorde bloemkroon. De kroonbladen zijn vergroeid tot een kroonbuis. Aan de onderzijde daarvan hebben de bloemen een spoor – een hol, conisch uitsteeksel. Een ander bekende bloem met een spoor is Vlasbekje. Vaak is een spoor een rijke verzamelplaats van nectar. Dat is ook het geval bij de Rode spoorbloem. De plant is daarom geliefd bij bijen, hommels en vlinders.

De kroonbladen zijn vergroeid tot een kroonbuis. Aan de onderzijde van de kroonbuis vind je het spoor.

De Rode spoorbloem behoort tot de valeriaanfamilie waarvan in Nederland de verschillende soorten veldsla en valeriaansoorten behoren. Omdat de plant tot de valeriaanfamilie behoort wordt hij ook wel Rode valeriaan genoemd. In Nederland komt de plant slechts sporadisch in het wild voor. Het is een veel gekweekte sierplant die af en toe uit tuinen ontsnapt. In Frankrijk en op de Britse eilanden wordt de plant vaak gevonden op muren. De Rode spoorbloem waar we het nu over hebben is een verwilderd exemplaar dat een plekje heeft gevonden op een van de muren van de stadsgrachten in Amersfoort. Het is een fors exemplaar dat al maandenlang veel bloemtrossen draagt. Zelfs nog in oktober.

De Spoorbloem heeft slechts één meeldraad en één stempel. Beiden steken ver boven de bloemkroon uit

De stengel en de bladeren ogen blauwgroen berijpt. De bloemen hebben één meeldraad en één stempel die beide ver uitsteken boven de bloemkroon. De vruchtjes hebben een mooi vertakt kroontje van veertjes. De bloemen zijn meestal rozerood maar er komen ook planten met witte bloemen voor. Omdat de plant zowel rozerode als witte bloemen kan hebben wordt in publikaties soms gesproken over de Spoorbloem en niet over de Rode spoorbloem.

De Rode spoorbloem groeit in Amersfoort op een brug die deel uit maakt van kademuur van één van de grachten. Het gaat om een forse plant.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

De mooiste kademuur in Haarlem

 

In Haarlem leeft een fantastisch idee: kademuren vergroenen door het aanplanten van de in de stad zeldzaam in het wild voorkomende Oosterse wingerd (Parthenocissus tricuspidata). Daar zijn uiteraard nog veel planten aan toe te voegen. Het fraaiste voorbeeld van een begroeide kademuur vormt de uit natuursteen opgetrokken zuidelijk kademuur van de Brouwersgracht. En dan het westelijke deel daarvan. Daar zijn eind vorige eeuw door een omwonende de Gele helmbloem (Pseudofumaria lutea), klokjes (Campanula) en de witte vorm van Muurleeuwenbek (Cymbalaria muralis) aangeplant. Op die bloemrijke kademuur groeien nu spontaan ook veel planten van de zeldzame, wilde en wettelijk beschermde Blaasvaren (Cystopteris fragilis). Het onderhoud bestaat uit het door een buurtbewoner verwijderen van eventuele opslag van bomen.

Een vrijwilliger heeft in 2015 in Haarlem alle kademuren geïnventariseerd op de er voorkomende muurplanten. Dat is de afgelopen jaren meermaals gebeurd. Daarom hebben we in Haarlem nu een goed beeld waar muurplanten voorkomen en wat zij nodig hebben. De gemeente gebruikt deze kennis bij de renovatie van kademuren.

Zie verder de presentatie Muurflora langs kademuren in Haarlem van Marco van Wieringen voor het symposium Bouwen voor Muurplanten.

Brouwersgracht. Foto: Marco van Wieringen.
Brouwersgracht. Foto: Marco van Wieringen.