Home » Nijmegen

Tag: Nijmegen

Rozetkruidkers in Nijmegen

September vorig jaar schreef ik een bericht over de bijzondere plantensoorten die worden aangetroffen op intensief gemaaide en daardoor schrale grasvelden in Nijmegen. Dergelijke grasveldjes zijn in Nijmegen niet zeldzaam, je kan ze aantreffen op de campus, in het industriegebied en nagenoeg elke berm langs fietspaden en autowegen. Een van de soorten die hier van lijkt te profiteren is Rozetkruidkers (Lepidium heterophyllum). Deze soort bloeit vroeg in het jaar en kan haar bloei- en vruchtstadium net voltooien voordat de grasmaaier de boel weer om zeep helpt.

Het rozet van Rozetkruidkers

Rozetkruidkers is een zeer zeldzame soort die haar naam dankt aan de aanwezigheid van een bladrozet tijdens de bloei. Bij de meeste andere soorten uit het geslacht, is het rozet verdroogd en verschrompeld tegen de tijd dat de plant aan de bloei begint. Rozetkruidkers lijkt het meest op de meer algemene Veldkruidkers (Lepidium campestre), o.a. vanwege de stengelomvattende stengelbladen. Veldkruidkers heeft tegen de bloei echter geen rozet meer en heeft een meer erecte bloeiwijze; bij Rozetkruidkers is de bloeiwijze meer opstijgend. Als er dan nog steeds twijfel is, heb je een loepje nodig. Rozetkruidkers heeft gele helmknoppen en een vrij lange snavel, duidelijke buiten de vruchtvleugels uitstekend. Veldkruidkers heeft paarse helmknoppen en een vrij korte snavel , niet of weinig buiten de vruchtvleugels uitstekend.

Een groot exemplaar van Rozetkruidkers met duidelijk opstijgende bloeiwijzes.

Rozetkruidkers staat op dit moment nog in bloei, maar zal nog enige tijd goed herkenbaar in vrucht staan. De soort staat op een 12-tal locaties in het zuidelijk deel van Nijmegen. Begeleidende soorten zijn Veldkruidkers, Klein vogelpootje, Ruw vergeet-mij-nietje en als je geluk hebt, kan je hem zelfs samen met Stijf vergeet-mij-nietje (Myosotis stricta) treffen.

Kleverige nachtschade

Begin november deed Nijmeegs florist Gerard Dirkse weer een fantastische vondst! Op een stenen talud langs de Waal in Nijmegen trof hij Kleverige nachtschade (Solanum sarachoides). Zowel qua naam als uiterlijk lijkt deze soort sterk op Beklierde nachtschade (Solanum nigrum subsp. schultesii). Beide soorten zitten onder de klierharen, waar ze hun naam aan danken. Als je met een loep de jonge stengeldelen bekijkt, zie je naast normale haren tevens haren met een bolletje vloeistof aan het uiteinde zitten. Ook op de bladeren zijn deze klierharen aanwezig, maar deze zijn veel korter en kan je gemakkelijker voelen dan zien. Kleverige nachtschade verschilt echter doordat de kelk in de vruchttijd enorm vergroot is.

Sterk vergrote kelkslippen tijdens de vruchttijd

Kleverige nachtschade is in Nederland een zeer zeldzame adventieve soort, wat inhoudt dat de zaden sporadisch vanuit het buitenland Nederland bereiken en hier weten te ontkiemen. In dit geval is de soort vermoedelijk aangevoerd via de Waal vanuit Duitsland. Of de soort ook daadwerkelijk stand weet te houden, is afhankelijk van het biotoop waar de soort terecht is gekomen. Vanwege het dynamische milieu met wisselende en vooral hoge waterstanden is dat hier onwaarschijnlijk, maar wie weet proberen de nieuw geproduceerde zaden het verderop gewoon opnieuw.

Lange gewone haren en daar tussen met veel kortere klierharen

Nu ik de soort voor het eerst gezien heb, realiseer ik mij hoe sterk de soort op een afstand lijkt op Beklierde nachtschade. Hopelijk heb ik de soort in het verleden daardoor niet gemist. De soort is echter gigantisch zeldzaam in Nederland, dus erg waarschijnlijk is dat niet. Toch ga ik vanaf nu kritischer naar Nachtschades kijken. Nachtschade staat bekend om zijn relatief grote aantal adventieven in Nederland, dus het kan sowieso geen kwaad om hier wat zorgvuldiger naar te kijken.

Bloemen van Kleverige nachtschade

 

Kleverige nachtschade op het stenen talud

Vier maanden file in Nijmegen, worth it!

Op de Graafseweg in Nijmegen is vorig jaar de brug over het spoor onder handen genomen door de gemeente. Van tevoren zag ik hier enorm tegenop. Dit heeft namelijk gezorgd voor zo’n vier maanden file in Nijmegen, maar gelukkig is de nieuwe verkeerssituatie enorm verbeterd. Een leuke bijkomstigheid is dat bij deze werkzaamheden weer eens flink wat grond verzet is. Nijmegen heeft mij bij het verstoren van de bodem nog nooit teleurgesteld en daar was deze keer zeker geen uitzondering op. Na een dag kantoorwerk had ik nog voldoende energie en nog anderhalf uur daglicht om te zoeken naar spannende zaken daar.

Rozetblad Vroeg barbarakruid met 10 paar bladslippen.

Het is nog vroeg in het jaar, maar toch heb ik al drie leuke adventieven kunnen vinden. De leukste van de drie vondsten was Vroeg barbarakruid (Barbarea verna). Deze lijkt het meest op Bitter barbarakruid, maar heeft rozetbladen met maar liefst 10 paar zijlobben en vruchten tot wel 7 cm lang. Het is overigens niet de eerste keer dat deze soort in Nijmegen aangetroffen is, ze duikt hier wel vaker op. Als je echter naar de verspreiding van de soort kijkt, zie je dat ze nog steeds bijzonder zeldzaam is in Nederland.

Oosterse raket met haar typerende lange vruchten.

Een andere soort die ik aantrof, viel ook op vanwege de zeer lange vruchten. Bij nader bestuderen bleek dit Oosterse raket (Sisymbrium orientale) te zijn. In tegenstelling tot de twee exemplaren van Vroeg barbarakruid, was Oosterse raket goed vertegenwoordigd met zo’n 60 exemplaren. Naast de lange vruchten, is Oosterse raket herkenbaar aan de sterk behaarde bladen. Ten slotte kwam ik ook nog zo’n 20 exemplaren tegen van een rozet dat ik in eerste instantie niet herkende, maar een bloeiend exemplaar verderop verraadde waar ik mee te maken had. Het betrof Hongaarse raket (Sisymbrium altissimum), een soort die in Nederland niet zeldzaam is, maar die je ook zeker niet elke dag treft. In tegenstelling tot de grofgebouwde Oosterse raket heeft Hongaarse raket een hele slanke bouw met zeer smalle bladslippen. Zo vroeg in het jaar al dergelijke soorten treffen is een goed teken. Hopelijk gaan hier in het verloop van het jaar nog vele leuke soorten hun kop boven de grond steken!

Hongaarse raket met zeer smalle bladslippen van de stengelbladen en bredere bladslippen van de rozetbladen.

 

Stengelbladen van Oosterse raket met duidelijke beharing.

 

Vroeg barbarakruid met stengelomvattende bladvoet met lange wimpers langs de rand.

 

Oosterse raket met typerende lange en behaarde vruchten.

Parietaria lusitanica, een nieuwe soort voor Nederland

Vorige week werd mij door Nijmeegs florist Gerard Dirkse verteld dat hij een nieuwe soort ontdekt had in Nijmegen. Met behulp van zijn instructies, heb ik een bezoek gebracht aan de locatie. Ik vreesde dat het plantje verdwenen was, want toen ik van de fiets afstapte, kon ik zo gauw geen plantje ontdekken. Bij beter zoeken, bleek ik er echter al naast te staan. Het formaat van het plantje is dusdanig klein dat ik het een wonder vind dat Gerard Dirkse de plant überhaupt gezien heeft, laat staan het herkend heeft als een andere soort. De soort blijkt Parietaria lusitanica te heten en is niet alleen nieuw voor Nijmegen, maar nieuw voor heel Nederland. Binnen het geslacht Parietaria worden in Nederland ook Groot glaskruid en Klein glaskruid gevonden. Als we de Nederlandse naamgeving aanhouden van Egelskop en Lisdodde zou deze soort Kleinste glaskruid gaan heten. Ik ben echter meer een voorstander van de vertaling van de wetenschappelijke naam, Portugees glaskruid.

 

Parietaria lusitanica lijkt het sterkste op Klein glaskruid, maar is in alle aspecten kleiner. Het eerste dat opvalt is dat de soort eenjarig is in tegenstelling tot de overblijvende soort Klein glaskruid. De plant is een stuk kleiner dan Klein glaskruid en heeft door haar eenjarigheid geen houtige stengelrestanten van het vorige jaar. Verder zijn de blaadjes tot 1.5 cm lang, waar de blaadjes bij Klein glaskruid tot 5 cm lang zijn. De bloemen zijn kleiner dan de schutbladen, bij Klein glaskruid steken de bloemen buiten de schutbladen. De bloeiwijze is ook een stuk armbloemiger (3-7 bloemig), bij Klein glaskruid is de bloeiwijze 5-25 bloemig. Ook de takken doen mee aan het “kleiner dan” verhaal, de takken zijn maximaal 1,5 mm dik. Bij Klein glaskruid zijn deze minstens 1,5 mm dik, maar kunnen gemakkelijk de 5 mm dikte bereiken. Een ander opvallend verschil is de beharing op de de takken, bij Parietaria lusitanica is deze met het blote oog nauwelijks zichtbaar, je hebt een loep of een goede macrolens nodig om deze goed te kunnen zijn. Ze zijn licht van kleur, erg kort (0,1 mm) en staan niet dicht op elkaar. Naast de grootte, breedte en lengtekenmerken, is de soort ook herkenbaar door de vorm van de blaadjes, het blad heeft een stompe bladtop. Bij Klein glaskruid is de bladtop spits tot toegespitst. Ten slotte zijn de zaden olijfgroen bij Parietaria lusitanica en zwart bij Klein glaskruid.

Verspreiding:
Het is mogelijk dat de soort al langer in Nederland voorkomt. Ze is immers gemakkelijk aan te zien voor Klein glaskruid. De soort is te verwachten op ruderale, stenige terreinen waar veel aanvoer is van goederen vanuit het buitenland. Ik verwacht de soort bijvoorbeeld langs en op oude muren op haventerreinen in de grotere steden. Volgens Gerard Dirkse behoren de Nijmeegse exemplaren tot de ondersoort subsp. lusitanica die in Spanje, Portugal,Italië,Griekenland en het Zuiden van Frankrijk voorkomt.

in Bulgarije blijkt de ondersoort  subsp. serbica voor te komen.

De ondersoort subsp. lusitanica heeft blad tot 2 cm en een bladsteel korter dan het blad. De ondersoort subsp. serbica heeft blad van 2-4 cm en een bladsteel langer dan het blad.

Hokjespeul

Hokjespeul (Astragalus glycyphyllos) is een zeldzame soort die voorkomt in ruige vegetaties waar verstoring een grote rol kan spelen. Zoals bij alle Vlinderbloemige worden de vruchten peulen genoemd, maar in tegenstelling tot andere Vlinderbloemigen bestaan de peulen bij Hokjespeul uit twee compartimenten: twee hokjes. De zaden liggen dus niet in één rij, maar in twee rijen en zijn gescheiden door een tussenschot. De soort is gemakkelijk herkenbaar door witgroene tot algeheel lichtgele bloemtrossen. Ondanks dat de vruchten onopvallend groen zijn, springen zij toch al gauw in het oog vanwege de grote, rechtopstaande tros aan vruchten, vergelijkbaar met een omgekeerde bananentros. Ook de bladen zijn vrij karakteristiek, het blad bestaat uit 9 tot 13 deelblaadjes die volledig rond kunnen zijn bij de rozetbladen, tot ovaal of eivormig bij de stengelbladen.

Hokjespeul houdt van ruigtevegetaties, zoals in bosranden, op dijken, langs spoorwegen en in akkers. De soort is in Zuid-Limburg en langs de grote rivieren in het oosten van Gelderland aan te treffen. Elders in het land wordt de soort adventief aangetroffen, wat betekent dat de soort hier onopzettelijk aangevoerd is en zich heeft weten te vestigen. Vaak zijn deze adventieve vestigingen niet permanent, maar de soort kan lang standhouden.

Twee jaar geleden trof ik Hokjespeul voor het eerst aan in het stedelijk milieu, langs een recent aangelegd parkeerplein in Nijmegen. Dit jaar kwam ik de soort nogmaals tegen, deze maal waar bouwwerkzaamheden verricht werden langs de haven. Hierna werd ik nieuwsgierig en ging ik kijken waar de soort nog meer in Nijmegen gevonden was. Bij het nieuwe Goffertstation was de soort recent aangetroffen en ook op het industrieterrein waar recent graafwerkzaamheden verricht waren. Zo waren er nog enkele vergelijkbare situaties te vinden, verspreid over acht verschillende locaties, waarvan de meesten in nabijheid van de Waal. Direct buiten Nijmegen wordt de soort ook in ruigtevegetaties aangetroffen langs de Waal en is hiermee in bijna elk km-hok in en rondom Nijmegen aan te treffen, waardoor de soort haar naam dubbel waar maakt. Mogelijk komt de soort al heel lang voor in het meer dan 2000 jaar oude Nijmegen en duikt hij op zodra de langlevende zaadbank weer eens blootgelegd wordt. Dit is een van de redenen om bij bouwwerkzaamheden in de stad altijd even een kijkje te nemen, wie weet wat er allemaal nog meer verstopt ligt in de zadenbank!

“Echte” wegdistel, een stuk zeldzamer dan we dachten!

Twee maanden geleden kwam ik in Nijmegen op twee verschillende locaties enkele Wegdistels tegen, altijd een leuke vondst, maar natuurlijk niet nieuwswaardig. Wat mij opviel was dat er wel erg veel variatie in kleur zat tussen exemplaren van beide locaties. Ik besloot om eens te kijken of er sprake kon zijn van verschillende soorten en kwam er vrij snel achter dat we in Nederland inderdaad meer dan één soort Wegdistel hebben! De inheemse soort, Onopordum acanthium, hebben we Echte wegdistel genoemd. Wegdistels die vanuit tuinen verwilderd zijn, betreffen een kruising tussen onze inheemse Echte wegdistel en de uitheemse soort Onopordum illyricum. Deze kruising (Onopordum x beckianum) hebben we Tuinwegdistel  genoemd.

Echte wegdistel onderscheidt zich van Tuinwegdistel doordat de plant algeheel een stuk groener is, terwijl Tuinwegdistel witgrijs van kleur is.  Op basis van kleur is het niet altijd even gemakkelijk om de soorten te onderscheiden, omdat de beharing bij het ouder worden van de plant langzaam aan verdwijnt. Zodra je het omwindsel bekijkt, is er echter geen twijfel meer mogelijk! Tuinwegdistel heeft een extreem witwollig behaard omwindsel, zeker ten opzichte van Echte wegdistel die geringe beharing in het omwindsel heeft.

Na het opnieuw beoordelen van 1500 foto’s op waarneming.nl, zijn zo veel mogelijk waarnemingen opgesplitst naar een van beide taxons. De waarnemingen waarbij het niet duidelijk is tot welk taxon zij behoren, noemen we gewoon Wegdistel (Onopordum acanthium agg.). Deze exemplaren zullen opnieuw bezocht moeten worden om de soort met zekerheid vast te stellen. Gebaseerd op de waarnemingen die wel opgesplitst zijn, lijkt ongeveer de helft Echte wegdistel te betreffen en de andere helft Tuinwegdistel. Echte wegdistel komt voornamelijk voor in de duinen, maar komt ook zeldzaam voor in het binnenland. Tuinwegdistel is in het binnenland een stuk algemener, aangezien de soort overal in het land vanuit tuinen kan verwilderen. Wil je helpen de verspreiding beter in beeld te krijgen? Bezoek dan je oude waarnemingen opnieuw en kijk goed naar de beharing van het omwindsel!

Tuinwegdistel met wollig omwindsel
Echte wegdistel met groenig blad

Baby’s in een slaapzakje

Geel monnikskruid (Nonea lutea), een prachtige naam, maar tevens een prachtige plant! De soort behoort tot de Ruwbladigenfamilie (Boraginaceae) en heeft lichtgele bloemen met een donkergeel hart. De bladeren en stengel zijn zeer ruw en zitten vol met stekelharen, borstelharen en klierharen. De deels paarsbruin aangelopen kelk zwelt bolvormig op na de bloeitijd en draagt dan vier kleine vruchten. In tegenstelling tot de meeste soorten, vallen deze vruchten al uit voordat zij volledig gerijpt zijn; ze zijn dan nog groen. Als je een beetje zoekt op de blad, zul je enkele tussen de bladharen gevallen vruchten kunnen vinden die niet langer groen zijn, maar reeds bruin verkleurd. Wanneer je de vruchten met een loepje bekijkt, lijken die – met een beetje fantasie – op baby’s in een slaapzakje.

Geel monnikskruid is inheems in Rusland, de Kaukasus en West-Azië en is door Rutger Barendse in 1995 voor het eerst in Nederland aangetroffen, maar hij kreeg hem niet op naam gebracht. Pas toen Gerard Dirkse de soort in 1998 bloeiend aantrof, zijn ze er m.b.v. een Roemeens plantenboek in geslaagd de soortnaam te achterhalen. Ze stond , en staat nog steeds, op een vrij open en droge grindhelling langs het spoor in Nijmegen. Gezien de grootte van de populatie, was de soort hier al een tijdje aanwezig en verblijft dus waarschijnlijk al zo’n 25 jaar in Nederland. In Nijmegen staat ze samen met Veldsla, Kromhals en IJle dravik. De soort is sinds 2011 ook in Rotterdam te vinden en is daar inmiddels op drie locaties aangetroffen. Twee weken geleden werd de soort op een tweede plek in Nijmegen aangetroffen, al was deze vondst snel te herleiden tot een tuinverwildering, de bewoner had de soort in zijn tuin gezet. Vorige maand is er ook nog een vondst gedaan in het platteland nabij Hengelo, buiten de bebouwing deze maal. In onze buurlanden wordt de soort ook adventief gevonden, al blijven deze waarnemingen ook daar zeer zeldzaam. Ze wordt vooralsnog niet aangeboden in tuincentra en blijft dus waarschijnlijk voorlopig nog een zeldzame soort, maar gevaar ligt op de loer!

De soort bloeit erg vroeg: vanaf maart tot en met mei, en gedijt op open, verstoorde en droge terreinen. Na een droog voorjaar weet de soort, door de vroege zaadzetting, zich vaak sterker uit te breiden dan in andere jaren. Wanneer de soort niet in toom gehouden wordt door regelmatig maaien, fysieke grenzen als wegen en muren of door onkruidbeheer langs de spoorwegen, zal zij zich sterk uit kunnen breiden. Elders in Europa is de soort zelfs als invasief bestempeld. Het is niet goed bekend hoe de soort zich gedraagt in haar wilde verspreidingsgebied, maar in Nederland lijkt zij zich te beperken tot het urbane gebied en vooral langs spoorwegen. In België is de soort ook succesvol in een akkerrand. Beide biotopen kenmerken zich door een verstoord milieu dat zich in een constant pioniersstadium bevindt. Wie weet gaan klimaatveranderingen er voor zorgen dat de soort ook in ons land invasief wordt, maar voorlopig is het gewoon een bijzonder mooie plant!

 

      

Braakliggende terreinen

 

In Nijmegen wordt momenteel een groot aantal vervallen wijken platgelegd voor nieuwbouw. Nadat de huizen gesloopt zijn, blijft het terrein vaak nog maanden braak liggen. Heel veel langer dan enkele weken hebben de meeste pioniers echter niet nodig, al gauw kan het terrein rood gekleurd zijn van de klaprozen. Pionierssoorten als klaproos, melkdistel, ganzenvoet en nachtschade gedijen goed op verstoorde, nog te koloniseren bodems. Het braakliggende terrein is na de sloop vaak nog enigszins uitgegraven en ligt daardoor lager dan het omliggende terrein. Door de wind wordt het korrelfijne zaad van de klaproos en de met pappusharen bezette vruchten van composieten als de paardenbloem daarom al gauw op dergelijke braakliggende terreinen geblazen.

Nu zijn dergelijke zeer algemene soorten niet bijzonder interessant voor de gemiddelde botanicus, maar gelukkig is er meer aan de hand! Rondom het braakliggende terrein zijn vaak gigantisch veel tuinplanten aan het loeren om ook hun slag te slaan. Eerdere pogingen om de tuin te ontsnappen werden tegengegaan door de heggenschaar en schoffel van de tuineigenaars of door de gifspuit van gemeentelijke werkers die de stoepen brandschoon houden. Op het braakliggende terrein echter, weten allerlei exotische tuinplanten hun intrede te maken. Soorten als grote leeuwenbek, petunia en tuinlobelia mengen zich al gauw in de pioniersvegetatie. Om deze wirwar van soorten nóg iets complexer te maken, is er een derde partij die zijn intrede maakt op het terrein, de partij van de adventieve exoten. Adventief wil zeggen dat de soorten zonder opzet geïntroduceerd zijn, in tegenstelling tot de tuinplanten. De sloopwagens en vrachtwagens die het puin op komen halen, hebben verscheidene exotische zaden in het profiel van hun banden zitten en introduceren daardoor nog meer bijzonderheden.

IMG_8870
gipskruid

Aan de Spreeuwenstraat in Nijmegen liggen momenteel vier van dergelijke braakliggende terreinen. Dit leverde voor Nijmegen leuke waarnemingen op, waaronder de eerste vondst van gipskruid (Gypsophila muralis) en andere tuinplanten als drie-urenbloem (Hibiscus trionum) en boerentabak (Nicotiana rustica). De adventieve exoten werden ook door zeldzame soorten vertegenwoordigd, zo waren beide soorten uit het geslacht Sorghum aanwezig; kafferkoren (Sorghum bicolor) en wilde sorgo (Sorghum halepense). Momenteel worden enkele andere wijken gesloopt, hopelijk leveren die het komende jaar ook weer leuke verrassingen op!

drie-urenbloem

 

IMG_8847
kafferkoren

Industrieterreinen

De meeste mensen krijgen bij industriegebieden een beeld van grijze opslagloodsen, verwaarloosde terreinen en roestige containers. Voor floristen echter, zijn industriegebieden zeer interessant. De verwaarloosde terreinen zitten immers gigantisch vol met plantensoorten. Maar er is meer aan de hand! De industrieterreinen worden dagelijks bezocht door misschien wel honderden vrachtwagens en vrachtschepen die van allerlei exotische landen komen. In het profiel van de banden, onder de zolen van de chauffeurs en in de kratten met geleverde producten verstoppen zich vele plantenzaden die “op vakantie” gaan in Nederland. De zaden die geschikte bodem weten te vinden, kunnen ontkiemen en zich tot een nieuwe plant ontwikkelen om vervolgens meer kiemkrachtige zaden te produceren. Bij een verwaarloosd onkruidbeleid, kan het voorkomen dat dergelijke soorten zich flink uitbreiden en uiteindelijk besluiten te blijven, in welk geval we spreken van inburgering.

Omslagfoto

knikbloem
knikbloem

Zo zijn op het industriegebied in Nijmegen soorten als Oosterse raket (Sisymbrium orientale), Amerikaanse kruidkers (Lepidium virginicum), Aziatische veldkers (Cardamine occulta) en Perzische klaver (Trifolium resupinatum) te vinden. Zoals de namen doen vermoeden, zijn al deze soorten niet inheems, maar afkomstig uit het buitenland: zogeheten exoten. Er is echter een kroonjuweel te vinden in het industriegebied ten noordwesten van Nijmegen en deze draagt de naam Knikbloem (Chondrilla juncea). Nederland behoort tot de meest noordwestelijke verspreiding van de soort, waardoor deze hier zéér zeldzaam is. De soort gaat ook nog eens sterk achteruit, er zijn nog slechts twee vindplekken van de negen ooit gevonden over. Langs een niet langer gebruikt spoor op het Nijmeegse industrieterrein zijn honderden exemplaren te vinden van deze soort, waarmee dit de grootste populatie in Nederland is. Deze composiet kenmerkt zich o.a. door de vele kleine bloemhoofdjes, de blauwgroene bladkleur, de langwerpige en diepgegroefde kelk en de zeer stijf behaarde stengel en bladrand. Er zijn nog veel slecht geïnventariseerde industriegebieden en daarmee waarschijnlijk nog vele leuke ontdekkingen te doen!

knikbloem
knikbloem