Tag: Rotterdam

Klimmen met haakjes

In 2016 namen we met de Rotterdamse Florawerkgroep een kijkje op de Protestantse begraafplaats Charlois als onderdeel van een kilometerhok dat we inventariseerden. De paden en de grafplekken leverden niet veel bijzonders op: er was druk geschoffeld. Maar, door een buxusheg groeide een klimplant die onze aandacht trok: zowel de bladrand als de hoofdnerf van het blad en de stengels waren bezet met haken; hiermee kan de plant zich vasthaken en omhoog klimmen.

Vrouwelijke bloem van de ‘Stekelwinde’ – Smilax aspera 
foto: André de Jongh

Ik herkende de plant als ‘Smilax’, niet omdat ik die uit het wild kende, maar omdat ik daar als kind veel historische afbeeldingen van had gezien. Toen ik klein was organiseerde mijn vader namelijk af en toe een avondje waarin hij aan bezoek de geschiedenis van botanische boekillustraties liet zien. Om de veranderende conventies en technieken (houtdruk, kopergravure, lithografie, etc.)  rond botanische illustraties door de eeuwen heen te laten zien haalde hij allerlei oude boeken uit de kast en gebruikte hij onder andere Smilax aspera als voorbeeld. Smilax aspera is namelijk in vele natuurhistorische boeken terug te vinden omdat de wortels als geneesmiddel werden gebruikt.

Smilax aspera (vrouwelijke plant) in vrucht.
Foto genomen in de Cevennen, Frankrijk

Smilax aspera heeft als onofficiële Nederlandse naam ‘Stekelwinde’, zo wordt de plant in ieder geval genoemd in Dodoens Cruijdeboek uit 1554. Stekelwinde wordt niet aangeboden als tuinplant maar is inheems in het mediterrane gebied, delen van Afrika en Azië. Hoe de ‘Stekelwinde’ op de begraafplaats terecht is gekomen zullen we wel niet meer achterhalen, mogelijk meegekomen met plantgoed of door trekvogels in hun ingewanden vervoerd en hier uitgepoept. Smilax aspera is de afgelopen jaren nog op twee andere plekken in Nederland opgedoken: in 2014 in een tuin in Rotterdam en in 2009 op een begraafplaats in Amsterdam.

In 2018 is André de Jongh terug geweest om te zien of de ‘Stekelwinde’ zich op deze plek handhaaft. Dat bleek het geval te zijn: hij groeide over en door de Buxusheg tussen twee graven. Alleen was de Buxus in 2018 wel sterk aangetast door de Buxusmot. Als de Buxus deze aantasting niet overleeft en wordt gerooid, is de kans groot dat de ‘Stekelwinde’ op deze plek verdwijnt.

De groeiplek van de ‘Stekelwinde’ – Smilax aspera op de protestantse begraafplaats Charlois – foto: André de Jongh

De opmars van Bleek cypergras

Vorig jaar juni verschenen er in ons achterpaadje een heleboel groene rozetjes tussen de tegels. Ze waren me eerst niet opgevallen, maar toen ze wat groter werden kon ik er niet meer omheen: ik fietste een deel van de groene rozetten plat. Toen ze nog wat verder uitgroeiden realiseerde ik me dat het Bleek cypergras (Cyperus eragrostis) was.

Bleek cypergras in ons achterpaadje; eind juni zijn het sprieten van zo’n twintig centimeter maar nog geen bloeiwijze te zien. De bladeren vormen schijnstengels, dat wil zeggen dat alle bladeren direct bij de wortels beginnen en niet op een stengel zijn ingeplant. De bladloze stengel komt daarna uit die koker van bladeren (schijnstengel) tevoorschijn.
De bladeren van Bleek cypergras hebben mooi groen gestreepte bladvoeten met langs de rand brede vliezige randen.

Hoewel ik niet weet hoe de soort hier terecht is gekomen verbaasde het me niet echt dat deze soort hier opdook. De afgelopen twee jaar was ik hem al een paar keer in de stad tegen gekomen, zowel op plekjes met een vochtige bodem, als in een verwaarloosde voortuin die er voor een kwart mee was gevuld. Daarnaast was het me als FLORON-districtscoördinator opgevallen dat er sinds 2015 behoorlijk wat hokken waren bijgekomen waar deze soort niet eerder was gevonden, zowel binnen als buiten de stad. Het kaartje van de verspreidingsatlas laat goed zien hoe deze soort zich recent enorm heeft uitgebreid. Alle rode stippen zijn van 2015-2017 en een paar van 2018. In 2003-2013 werden er bij kilometerhokinventarisaties minder dan tien waarnemingen per jaar gedaan. In zowel 2016 als 2017 waren dat meer dan veertig waarnemingen per jaar.

Waarom de soort zo is toegenomen weet ik niet zeker; maar voor ons achterpaadje geldt wel dat de grond vochtig is en daar steeds vaker een tijdlang water blijft staan door het toegenomen aantal hoosbuien. Dat past bij zijn voorkeur voor vochtige grond die ‘s-winters onder water staat. Bleek cypergras heeft zijn natuurlijke verspreiding in de moerasgebieden van het westen en zuid-westen van de V.S. en delen van Zuid-Amerika.

De rozetjes zijn ook dit jaar in ons achterompaadje verschenen en in augustus zullen de bloeiwijzen wel weer voor een mooie vergroening zorgen. Want Bleek cypergras heeft een prachtige bloeiwijze die wat lijkt op die van Papyrus, en is daarmee een sieraaad voor ons achterpaadje. Ik hoop dat hij niet zo invasief blijkt te zijn dat ik een hekel aan hem krijg.

Bleek cypergras- Cyperus eragrostis

bronnen: FLORON nieuws nummer 9 (dec 2008) en Verspreidingsatlas.

De overeenkomst tussen eendenkooi en achterpad

Enkele jaren geleden inventariseerden we het terrein van de Eendenkooi Bakkerswaal bij Krimpen aan den Lek. Rond de plas en de vangpijpen van de eendenkooi ligt een flink stuk vochtig bos. Een van de planten die we in het bos aantroffen was Muursla (Mycelis muralis), een plant met prachtig ingesneden bladeren; de bladtop doet me altijd denken aan de bastions in onze vestingsteden hetgeen dan weer een makkelijk ezelsbruggetje is naar de ‘muur’ in de naam van de plant. De vertakte bloeiwijze met kleine hoofdjes met steeds vijf gele lintbloemetjes is wel elegant, maar niet erg opvallend.

Verspreidingskaartje van Muursla – Mycelis muralis

Ik was verrast over Muursla in het Eendenkooibos want ik kende Muursla uit achterpaadjes en brandgangen in de stad. Maar, voor een van mijn medefloristen was zo’n vochtig bos juist het bekende biotoop van Muursla en was hij juist verrast door mijn ervaring uit de stad. Kortom de biotopen zijn verwant en Muursla voelt zich thuis op vochtige beschaduwde plekken van niet al te zure en schrale grond, liefst met wat goed verteerde humus. Het verspreidingskaartje van Muursla laat dit dubbele verspreidingspatroon duidelijk zien: Rotterdam, Den Haag, Amsterdam, Groningen, Nijmegen maar ook Dordrecht, Tilburg en Eindhoven zijn op de kaart te herkennen als een opeenhoping van zwarte stipjes, daarnaast zijn er enkele streken waar hij ook buiten de steden veel voorkomt zoals Zuid-Limburg, Oost-Gelderland, Twente, Utrecht en de Hollandse duinstreek.

De vertakte bloeiwijze van Muursla – Mycelis muralis met kleine bloemhoofdjes met maar vijf lintbloemen.

Dat de biotopen van Vochtige bossen en achterpaadjes verwant zijn blijkt ook uit andere soorten die ik vooral op deze twee plekken tegenkom zoals Bosveldkers, Groot heksenkruid en Bergbasterdwederik. Vorig jaar trof ik zelfs Reuzenzwenkgras (Festuca gigantea) aan in een brandgang in Dordrecht, een soort die ik in de buurt van Rotterdam ken uit de grienden en andere vochtige bosjes langs de oevers van de rivier.

 

Boompjes en boompjes

Ik werk in het hart van Rotterdam aan de Scheepmakershaven. Op de fiets naar huis spot mijn oog dan natuurlijk wel eens wat stadse flora waar ik voor afstap omdat ik het niet (her)ken of omdat het er bijzonder fraai bij staat.

Boompje langs de Boompjes: Uitgebloeid staketsel van Dichtbloemige kruidkers – Lepidium densiflorum

Zo fiets ik regelmatig een klein stukje langs De Boompjes, een drukke weg langs de Noordoever van de Maas. In de tegelvoegen langs het fietspad schoten in juni een heleboel dezelfde plantjes op. Beneden aan de plant zitten wat grotere getande bladeren, op een hoogte van zo’n tien tot twintig centimeter vertakten de planten zich en de takken dragen wat smallere blaadjes en daarboven een enorm lang uitgroeiende tros met bloemetjes en vruchtjes zoals dat bij veel kruisbloemigen voorkomt. Het is inderdaad een kruisbloemige, maar dat is lastig te zien aan de kroonbladeren want die heeft de Dichtbloemige kruidkers (Lepidium densiflorum) niet. De vruchten verraden wel dat hij bij deze familie hoort. Ze lijken een kleine versie is van de vruchten van Witte krodde en nog veel meer op de vruchten van de andere Kruidkersen (Lepidiums).

Steenkruidkers is zijn nauwverwante broertje die je in en buiten Rotterdam veel vaker tegenkomt. Meest opvallende verschillen zijn dat die alleen maar ongetande bladeren heeft en een muizenlucht verspreid terwijl de geur van de Dichtbloemige kruidkers niet opvallend is. Dichtbloemige kruidkers stamt oorspronkelijk uit Noord-Amerika en is, tussen 1975 en 1999, ingeburgerd in stedelijk gebied in Nederland. Hij is in Nederland nog steeds vrij zeldzaam, maar is in Rotterdam soms massaal aanwezig.

Na mijn vakantie fietste ik weer langs de plek. Alle exemplaren waren nu uitgebloeid en er restte niets dan een woud van skeletten: prachtige miniboompjes langs de Boompjes.

Net uitlopende bloeiwijze van de Dichtbloemige kruidkers – Lepidium densiflorum. foto: Bas Kers tijdens excursie van de Rotterdamse Florawerkgroep
Dichtbloemige kruidkers – Lepidium densiflorum, al flink in vrucht en met bovenaan nog wat bloemen (zonder kroonbladeren).

Al tien jaar ligt hij aan de voet van de kerk

Verspreidingskaart Liggende Ganeznvoet 2017 – overgenomen van de Verspreidingsatlas

Ganzenvoeten (Chenopodium) vind ik een leuk geslacht en kan er altijd van genieten als er weer ergens gerommeld is, wat zand is aangevoerd en er daarna een heel scala tevoorschijn komt zoals Stippel- Korrel-, Rode-, Mel- en soms Zeegroene ganzenvoet. Zelfs Welriekende ganzenvoet heb ik nu twee keer op zo’n plek gevonden. Maar niet alle ganzenvoeten komen daar naar boven. Ik had verwacht dat ik Liggende ganzenvoet (Chenopodium pumilio) wel ooit eens bij een excursie langs de grote rivieren tegen zou komen. Het verspreidingskaartje van deze soort laat namelijk zien dat dat een belangrijk verspreidingsgebied is en als je per kilometer kijkt zie je nog duidelijker dat hij echt veel langs de rivier opduikt.

Maar dat liep anders; mijn eerste kennismaking was in 2015 in het hart van Rotterdam, in de buurt van de Laurenskerk. Omdat hij zo goed kan liggen overleeft hij in de bredere voegen van de straat zelfs autobanden en ander plettend verkeer en valt hij daar niet erg op. Maar, langs de randen van de straat vind je wat mooiere exemplaren. Liggende ganzenvoet doet denken aan Zeegroene ganzenvoet met ovale gelobde blaadjes. Maar de blaadjes zijn doffer, gemiddeld kleiner en van onderen bezaaid met gele klieren die een lekker geurende stof uitscheiden. Bij zeegroene ganzenvoet zijn de blaadjes blauwgroener van kleur en wit van onderen.

 

Het voorkomen van Liggende ganzenvoet nabij de Laurenskerk was voor mij een verrassing, maar toen ik ernaar zocht bleek hij zeker niet nieuw en de eerste waarneming van deze vindplaats is in 2006 doorgegeven door Remko Andeweg, stadsecoloog van Rotterdam. De plant komt ook op andere plaatsen in Rotterdam voor. Zo heb ik hem zelf in juli 2017 nog gevonden op een bedrijventerrein op Heijplaat en in 2015 vond ik hem in de wijk Feijenoord aan de rand van de straat. Iedere keer weer een aangename en geurende verrassing.

Liggende ganzenvoet  (Chenopodium pumilio) tussen de klinkers in het centrum van Rotterdam
Ter vergelijking met de Liggende ganzenvoet hier een afbeelding van Zeegroene ganzenvoet (Chenopodium glaucum). De witte onderkant van het blad is hier en daar zichtbaar.
Liggende ganzenvoet (Chenopodium pumilio) met mooie ‘eikenblaadjes’-vormige blaadjes. De lekkere geur ontbreekt op de foto.

 

Bedrijventerrein vol zilveren boeketjes

“Zwenkdravik is de mooiste plant van de avond” zei ik toen we de avond van 2 mei met zeven leden van de Rotterdamse Florawerkgroep een stuk van bedrijventerrein Spaanse Polder hadden geïnventariseerd. We stonden nog wat ervaringen uit te wisselen en puzzeltjes op te lossen. De anderen waren het eens met mijn keuze: de mooie zilverige boeketjes die op diverse plekken tegen de muren van bedrijfspanden of bij lantaarnpalen waren iedereen opgevallen.

Zwenkdravik (Anisantha tectorum) is een nauwe verwant van de algemenere IJle dravik (Anisantha sterilis). Zwenkdravik blijft kleiner en heeft een compactere bloeiwijze die naar één kant overhangt: een stoffer zonder blik. Beide soorten houden van warme, stikstofrijke, kalkhoudende zandgrond. Omdat het eenjarigen zijn, moet er genoeg verstoring zijn zodat ze een plekje hebben om te kiemen. Zwenkdravik staat nog iets warmer en droger dan IJle dravik en komt daarom vooral in de duinen en de steden voor. De bodem in Rotterdam is van oorsprong meestal niet kalkhoudend, maar door het aanvoeren van zand bij het bouwen en bestraten is op heel veel plekken de bodem wel kalkhoudend.

Wat betreft determineren: dit jaar ontdekte ik dat Zwenkdravik aan de voet van de stengel een pyamastreepje heeft, net als de bekende Gestreepte witbol (Holcus lanatus). We vonden een vegetatief (=niet bloeiend) gras op een oud spoorwegemplacement en probeerden het op naam te brengen. We zagen pyamastreepjes en zachte beharing, maar we hadden ook het gevoel: “Dit is geen Gestreepte witbol”. Waarschijnlijk hadden we hem wel met de vegetatieve sleutel uit de flora op naam kunnen brengen, maar dat bleek niet nodig omdat we wat verderop een pol vonden die verder was uitgegroeid en duidelijk maakte dat het Zwenkdravik was. Maar, voordat je bij ieder pyamagras in de stad denkt dat het Zwenkdravik is: ook IJle dravik blijkt een gestreepte voet te hebben.

Als Zwenkdravik wat verder in zijn bloei is verliest hij zijn zilverige charme van dit moment en wordt het een warriger pluim, maar het blijft een leuk gras om te vinden.

Zwenkdravik – (Anisantha tectorum) op bedrijventerrein Spaanse Polder in Rotterdam

 

Zwenkdravik – (Anisantha tectorum): in de zomer, als hij uitgebloeid is. De naalden van de kafjes hebben weerhaakjes waarmee ze in vachten van dieren of kleding van mensen kunnen blijven hangen.

Aaibaar en vluchtig Baardgras

In 2010 vond ik een paar polletjes van een heel aaibaar grasje aan de rand van een braakliggend terreintje in mijn buurt. Het bleek iets te zijn waar ik nog nooit van had gehoord: Baardgras (Polypogon monspeliensis). Het is een eenjarige pionierplant uit Azië en het mediterrane gebied, die zich over de wereld heeft verspreid door zijn zaden mee te laten reizen met wol en graan. Tot 1990 waren er in Nederland slechts enkele waarnemingen van Baardgras, vaak gekoppeld aan vuilnisbelten. In de laatste Heukels staat hij dan ook te boek als ‘zeer zeldzaam’. De afgelopen jaren wordt Baardgras wat vaker gevonden, vooral langs de kust en in de steden. En wat betreft de steden, in het bijzonder in Rotterdam en omgeving.

Baardgras – Polypogon monspeliensis

Na die eerste waarneming kwam ik hem twee jaar later (2012) tegen op een woningbouwterrein in Spijkenisse en in 2014 in de duinen bij Ouddorp. Ik keek wel af en toe of ik hem op mijn eerste vindplek terug kon vinden, maar zoals dat gaat met eenjarige pioniers: als het terrein dichtgroeit en er niet wordt gerommeld kunnen ze niet meer kiemen en verdwijnen ze. Dus na drie jaar ik rekende er niet meer op om hem daar nog terug te zien. Groot was dan ook mijn verrassing toen in 2015 plotseling een prachtig rijtje Baardgraspollen opdook nadat ze de stoep naast het braakliggende terreintje opnieuw betegelden. Of dit Baardgras is meegekomen met vers zand of dat er nog zaad in de bodem zat dat door de graafwerkzaamheden kiemkansen zag weet ik niet. In 2016 heb ik gekeken of hij zich deze keer misschien wel handhaafde, maar nee, niets meer te vinden.

Mijn floracursisten in 2015 heb ik in ieder geval een heel aaibaar grasje kunnen aanbieden om te determineren.

Baardgras – Polypogon monspeliensis (in Spijkenisse)

Vreemde ereprijs

Op 23 augustus 2016 vond ik met de Rotterdamse Florawerkgroep voor het eerst Vreemde ereprijs (Veronica peregrina) in Rotterdam. Het was aan de voet van een trap over de van Hoogendorpweg. De soort komt al vast langer in Rotterdam voor, maar omdat hij vrij klein is en onopvallend bloeit zie je hem makkelijk over het hoofd of denk je dat het Veldereprijs (Veronica arvensis) is. Ik heb de soort eerder gevonden in Spijkenisse op braakliggend terrein en in het kassengebied van het Westland. Als je hem hebt gespot is hij niet moeilijk te determineren omdat het een van de twee Ereprijssoorten met vrijwel gaafrandig blad is. De andere is Tijmereprijs (Veronica serpyllifolia).

Vreemde ereprijs is een pionier van vaak verdichte grond. Rond 1950 verscheen Vreemde ereprijs voor het eerst in Nederland vooral langs de rivieren en in het Noordelijke kleigebied. Na 1980 vestigde hij zich ook in het stedelijk milieu. Daarbuiten komt hij duidelijk minder voor. Mijn groepsgenoten hebben deze ereprijs nu ook leren kennen, dus misschien dat we hem volgende jaren vaker gaan spotten.