Home » Varens

Tag: Varens

Varens onder de trampoline

Enige tijd geleden kreeg ik een bericht van Kell Eradus uit Reek over varens onder trampolines. Zijn foto’s en tekst volgen hieronder.  Aad van Diemen

Mijn naam is Kell Eradus, ben plantenliefhebber en geniet veelvuldig van de leuke stukjes op Stadsplanten!

Ik ben zeker geen superflorist, maar geniet van alle mooie planten hier in Noordoost-Brabant. Planten in mijn leefomgeving hebben wel mijn voorkeur ; ook mijn werk als hovenier helpt daarbij.

Vaak mannetjesvarens

Als hovenier is het mij het afgelopen jaar opgevallen dat in bijna elke achtertuin tegenwoordig een trampoline staat. Het leuke van trampoline’s is dat dit een beste plek is om varens te vinden! Tot nu toe heb ik bij bijna alle trampoline’s die ik bekeken varens gevonden: voornamelijk mannetjesvarens. Ook wijfjesvarens heb ik ondertussen gevonden en ik denk dat het wachten is op het moment dat ik een zeldzamere soort vindt…..

goed kijken

Wie weet is dit fenomeen het waard om op www.stadsplanten.nl   geplaatst te worden?

Kroosvaren – Hoe een Klein Duimpje de sloten verovert

Tijdens lezingen houd ik ze graag naast elkaar. Een Adelaarsvaren van twee en een halve meter groot, naast een Kroosvaren die met gemak op de nagel van mijn grote duim past. Beide een volwassen plant, maar een wereld van verschil. Dit najaar waren veel sloten massaal rood door kroosvarens in herfstkleuren

Terug kijkend op de vele jaren die zijn voorbij gegaan sinds mijn geboorte moet ik vaststellen dat de mariene biologie altijd een belangrijke plaats heeft gehad in mijn belangstelling voor de natuur. Ruim 1.200 duiken op koraalriffen, in grotten, onder het ijs, wrakonderzoek op de Noordzee en duiken in Hollandse poldersloten hebben mij geleerd dat de flora en fauna onder water en aan de oppervlakte van sloten, meren en zoute wateroppervlakten een fascinerende leefwereld vormen. Met dat in het achterhoofd is het niet zo verwonderlijk dat er dit najaar redelijk wat alarmbellen gingen rinkelen toen in steeds meer plassen en sloten het oppervlak rood begon te kleuren. Het antwoord was: Azolla – oftewel Kroosvaren.

Officieel zijn er twee soorten: Grote kroosvaren en Kleine kroosvaren. Er wordt vaak gezegd dat in het verleden Kleine kroosvaren overheerste en Grote kroosvaren zeldzaam was. In de loop der jaren is Grote kroosvaren van zeldzaam tot zeer algemeen uitgegroeid en heeft Kleine kroosvaren volledig verdrongen. Dat moet al zijn gebeurd in het begin van de 20ste eeuw. In “De Levende Natuur” van december 1915 schrijft Jac. P. Thijsse over slootjes in de bollenstreek: “In die buurten is tegenwoordig alleen de groote soort, A. flliculoides, vroeger kwam daar juist de kleine soort, A. caroliniana voor maar deze schijnt er zoowat geheel verdwenen te zijn, blijkbaar verdrongen door de groote. Die heeft zich dan ook geweldig uitgebreid in de laatste jaren. Naar het zuiden tot op de Zuid-Hollandsche eilanden, naar het noorden tot ver benoorden Alkmaar. Ook ten oosten van het Merwedekanaal zag ik ze reeds (o.a. bij Muiden). A. caroliniana heeft tegenwoordig z’n verspreiding om Utrecht, in het Gooi en het oosten van Zuid-Holland”.

Zoals het vaak in de natuur gaat waren er invloeden – soms onbekend – die er voor zorgden dat Kleine kroosvaren steeds meer terrein moest prijsgeven en Grote kroosvaren uiteindelijk een dominante positie veroverde. Zelfs zo sterk dat van Kleine kroosvaren momenteel geen vindplaats in Nederland meer bekend is.

Kroosvaren kan wateroppervlakten volledig bedekken

Dit jaar lagen de sloten ineens vol met kroosvaren. U begrijpt dat dat voor mij een uitdaging was om een Kleine kroosvaren te vinden. Uit iedere sloot of plas, waar ik kroosvaren vond, werden de nodige plantjes mee naar huis genomen om onder de microscoop te bekijken. Om het sluitend bewijs te vinden met welke soort men te maken heeft is niet eenvoudig. Er is één veldkenmerk waarmee een aanwijzing te vinden is. Met een sterke loep zou je kunnen kijken of de haartjes op de bladeren van het kleine plantje eencellig of tweecellig zijn. Je moet daar hele goede ogen voor hebben en een sterke loep. Anders is er maar één oplossing: mee naar huis nemen en onder de binoculair leggen. Toch zijn eencellige haartjes geen sluitend bewijs. Om er echt zeker van te zijn of we met de Kleine of de Grote kroosvaren te maken hebben moet de vergrotingsmaatstaf worden opgevoerd tot ongeveer 600 maal.

Op het plantje, niet groter dan een pinknagel, moeten we op zoek naar sporen. Om het ingewikkeld te maken vormt kroosvaren een uitzondering in sporenland. Normaal gesproken vormen varensporen onder gunstige omstandigheden een voorkiem (prothallium) waarbinnen zich vrouwelijke en mannelijke cellen ontwikkelen waaruit uiteindelijk na samenvloeien zich een nieuwe plant kan ontwikkelen.

Eén mannelijke en twee vrouwelijke sporenhoopjes

Kroosvaren vormt een uitzondering doordat er zich op de plant afzonderlijke mannelijke en vrouwelijke sporenkapsels vormen (sporocarpen). Die zijn onder de binoculair met een vergrotingsmaatstaf van 45x goed te onderscheiden. Normaal vormen varens sporenhoopjes (sori) die worden afgedekt door een dekvliesje (indusium). Bij kroosvaren zijn de sporenhoopjes (sporocarpen) niet afgedekt maar omgeven door een “dekvliesje”. Een klein ballonnetje waar de sporenhoopjes in zijn opgesloten. Een mannelijke sporenhoopje wordt gevormd door sporenkapsels waarbinnen zich de sporen bevinden. Waar het bij het onderzoek vooral om gaat is het isoleren van mannelijke sporocarpen en daarbinnen de sporenkapsels en uiteindelijk de sporen.

In het mannelijke sporenhoopje bevinden zich sporenkapsels

Het vraagt om hele kleine pincetjes en een vaste hand om de sporocarpen te openen en de sporenkapsels te isoleren. Daarna moeten de uiterst kleine sporenkapsels worden open gepeuterd om de sporen te isoleren. We hebben het bereik van de binoculair inmiddels verlaten en zijn aangeland op microscoop niveau in de orde van grote van plusminus 600 maal vergroten. Uiteindelijk is dat het niveau waarop we met zekerheid kunnen vaststellen of we te maken hebben met Grote of Kleine kroosvaren.

Glochidia van Grote (filiculoides) en Kleine (cristata) kroosvaren (bron internet)

Waar het om gaat is dat aan de mannelijke sporen van kroosvaren zich orgaantjes ontwikkelen waarmee de mannelijke sporen zich kunnen vasthechten aan de vrouwelijke sporen. Deze orgaantjes heten glochidia. Ze lijken een beetje op twee evenwijdige lijntjes met aan het uiteinde een uitstulping zoals je die kent van de kop van een hamerhaai. Belangrijk is de ruimte tussen de twee evenwijdige lijntjes. Is die ruimte leeg dat gaat het om Grote kroosvaren, Als er zich tussen de evenwijdige lijntjes tussenschotjes bevinden dan hebben we te maken met Kleine kroosvaren.

Glochidia op een mannelijk spoor

Kroosvaren kan zich bijzonder snel vermeerderen. In de bladholten van de plant leven bacteriën die stikstof uit de lucht kunnen binden en beschikbaar stellen aan de plant. Dankzij deze voedingsstoffen kan Kroosvaren wel binnen twee tot drie dagen in massa verdubbelen. Per hectare kan per jaar 50 kg stikstof per hectare gebonden worden. Dat is de reden dat kroosvaren in Aziatische landen wel gebruikt wordt als groenbemesting. Als het plantje afsterft wordt de stikstof opgenomen in de grond. Door de snelle toename in massa kunnen binnen een zeer korte periode vijvers en sloten volledig bedekt zijn door dit varentje. De voedingswaarde van Azolla voor vee is hoog. Daarom worden er momenteel proeven uitgevoerd waarbij Kroosvaren wordt gekweekt en jonge varkens geleerd wordt het als voedsel te accepteren.

Na 25 vijvers en 30 sloten, slechts om een orde van grote aan te geven, heb ik alleen maar Grote kroosvaren kunnen vinden. Maar ik geef de moed niet op en blijf verder zoeken.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Adelaarsvaren – een bijzondere overlevingsstrategie

Iemand zei ooit tegen mij: “Als je mij een Adelaarsvaren kunt tonen die sporen draagt krijg je van mij een mooie fles wijn!” U begrijpt het. De afgelopen jaren heb ik eindeloos veel blaadjes van de Adelaarsvaren omgedraaid in de hoop sporen te vinden. Tot vorige week was dat zonder resultaat. Tot vorige week! Erik Eliveld, waarmee ik samen binnen de werkgroep varens van de KNNV Amersfoort e.o., varenonderzoek doe, belde mij op en zei dat hij op een heideveld in Den Treek Adelaarsvarens had gevonden met sporen. Nog die zelfde middag zijn we er samen heen gegaan. En ja! Ik kon mijn ogen niet geloven. Adelaarsvarens met sporen. Wij zijn direct doorgereden naar een paar plekken waar ook de Adelaarsvaren rijkelijk aanwezig is en ook daar vonden wij planten met sporen. Navraag bij Naturalis leerde dat er uit meer plaatsen in Nederland meldingen komen van adelaarsvarens met sporenvorming. Hoe kan dat verklaard worden: jaren, jaren lang niets en nu ineens op diverse vindplaatsen rijkelijk aanwezig en op veel verschillende planten.

De sporenhoopjes liggen onder de omgekrulde bladrand van de Adelaarsvaren

In het Duitse boek “Die farn – und blütenpflanzen Baden – Wütenbergs” uitgegeven in 1993 wordt verwezen naar een wetenschappelijke publicatie “Kirchner und Eichler, 1882: pag 336” waarin staat: “Sporen werden nur “in guten Weinjahren ausgebilded”. De kans op sporenvorming bij adelaarsvarens is dus groot in goede wijnjaren. Belangrijk hierbij is het antwoord op de vraag of het weer van invloed is op de groei van de druiven en de kwaliteit van de wijn. Het antwoord daarop moet wel “ja” zijn. Zou dus het natte voorjaar, de extreem warme zomer en daarna weer een periode met voldoende vocht de oorzaak kunnen zijn? En is dit jaar inderdaad sprake van weersomstandigheden die kunnen leiden tot een bijzonder goed Nederlands wijnjaar.

Vruchtbare bladeren met sporen zijn te herkennen aan de omgekrulde bladrand

Er is een tweede theorie die ook zou kunnen verklaren waarom er dit jaar zoveel sporenvorming bij adelaarsvarens plaatsvindt. Die gaat uit van de gedachte dat planten onder invloed van extreme weersomstandigheden, in dit geval langdurige droogte, hoge temperaturen en gebrek aan vocht, een aantal beschermende maatregelen nemen. Eén daarvan is het laten vallen van de bladeren en alle aandacht te richten op het behoud van het wortelstelsel. Planten raken onder extreme omstandigheden gestrest en richten zich op het voortbestaan. In ieder geval het in leven houden van het wortelstelsel. Als er betere tijden aanbreken, doorat er weer vocht beschikbaar komt, richt de “aandacht van de plant” zich vooral op het zeker stellen van nageslacht. Zorgen dat de soort in stand blijft en er sprake is van opvolging. Dat gebeurt in dit geval bij de adelaarsvaren door de vorming van sporen. Bij andere planten door overmatige vruchtzetting.

Een paar maanden geleden spraken jachtopzieners op de Hoge Veluwe de vrees uit dat de wilde zwijnen een moeilijke winter tegemoet zouden gaan omdat door de extreme droogte de eiken en beuken te kleine of te weinig vruchten vormden. En zie wat er gebeurde: de regens kwamen en de productie van eikels en beukennootjes is momenteel massaal!

Onvruchtbare bladeren zijn te herkennen door de vlakke deelblaadjes. De randen zijn niet omgekruld.

Een bijdrage aan deze website kan natuurlijk niet bestaan zonder meer informatie te geven over de plant waar we het over hebben. De adelaarsvarenfamilie kent in Nederland slechts één soort. Namelijk de Adelaarsvaren. Wereldwijd zijn er ongeveer honderd vertegenwoordigers van de familie. Zij groeien op één uitzondering na allemaal in de tropen. De enige uitzondering is de Adelaarsvaren die wij kennen en die in heel Europa voorkomt.

Kenmerkend voor de plant is dat alle bladeren, op enige afstand van elkaar, ontspringen uit een uitgebreid ondergronds wortelstelsel. De bladeren vormen dus geen pol of stoel waarbij alle bladeren vanuit één centraal punt groeien. Elke bladsteel staat op “enige afstand” van de andere bladstelen.

Alle bladeren van de Adelaarsvaren ontspringen op enige afstand van elkaar, uit de wortelstok.

Als een bladsteel aan de onderkant schuin wordt doorgesneden vormen de vaatbundels een patroon dat doet denken aan het dubbele vliegbeeld van een adelaar.

Om tot volle wasdom te komen heeft de plant licht nodig. Reden dat grote populaties vaak aan de bosrand en open stukken grond te vinden zijn. De grote bladeren schermen het licht volkomen af waardoor er geen of nauwelijks ondergroei kan plaatsvinden. De bladeren worden meestal tot 1,80 m hoog maar uitzonderingen tot over 3,5 m zijn bekend. De Adelaarsvaren bevat giftige stoffen waardoor de humus die ontstaat door afgestorven bladeren, voor veel planten giftig is. Ook daardoor krijgen planten en jonge boompjes geen kans te ontkiemen en de strijd aan te gaan met de Adelaarsvaren. De giftige stoffen kunnen ook bij de mens leiden tot tumoren die tot kanker kunnen leiden. Desondanks worden in verschillende landen jonge loten als groente gegeten.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde

Planten op bomen: epifyten of terrestrisch? – Plantenbakken op hoogte

Gewone eikvaren op de stam van een Esdoorn in Soest.

Begin maart publiceerde Ton Denters een artikel op Stadsplanten – De urbane flora van Nederland met de kop: “Eikvarens op stadsbomen; een nieuw fenomeen!”. In het zeer lezenswaardige artikel doet hij verslag van een onderzoek naar eikvarens op bomen in Amsterdam dat is uitgevoerd door Valentijn ten Hoopen. Ton Denters legt op een duidelijke manier uit dat deze eikvarens epifyten zijn: “Epifyten zijn planten die zich hechten aan andere plantensoorten zonder daar voedsel aan te onttrekken; ze gebruiken de ander alleen als groeiplaats. In veel gevallen is de waardplant een boom. Epifyten leven van de lucht, halen daaruit vocht en voedingsstoffen. In de tropen is deze groep goed vertegenwoordigd, maar in ons land is dit specialisme aan weinig soorten voorbehouden. Merendeels zijn dat blad- en levermossen en een enkele hogere plant, waaronder Eikvaren”.

Deze publicatie zette mij aan het denken. De afgelopen tijd zie ik regelmatig artikelen voorbij komen waarin gesproken wordt over de opkomst en het verschijnsel “epifytische planten”. Maar bij een aantal publicaties moet je na kritisch lezen tot de conclusie komen dat het niet gaat om epifytische planten maar terrestrische planten; planten die op/in een opeenhoping van een vaak karige, normale bodem in een boomholte groeien.

Om een plant epifytisch te mogen noemen moet er sprake zijn van vestiging op een andere plant of boom zonder dat er sprake is van parasiteren.

Het gaat bijna altijd om planten die worden aangetroffen op knotwilgen. Nog zeer recent kwam ik een lijst tegen van planten die op knotwilgen waren aangetroffen en als epifytisch werden benoemd. In de lijst kwamen meer dan twintig soorten voor waaronder: Kleefkruid, Fluitenkruid, Kruisbes, Robertskruid en Look zonder Look. Allemaal planten die niet bepaald bekend staan als planten die je op bomen aan kunt treffen. Het gaat mijns inziens in deze gevallen dan ook niet om epifyten, maar om terrestrische planten die door omstandigheden een groeiplek gevonden hebben op enige hoogte IN een boom en niet OP een boom.

Met name knotwilgen staan er om bekend dat er bij het ouder worden van de boom, door rotting, allerlei holtes in de boom kunnen ontstaan. Op een dergelijke plek verzamelt zich houtmolm, zand, bladresten en ingewaaide zaden. Er ontstaat dus een minihabitat bestaande uit humusrijk materiaal. Een dergelijke voedingsbodem is uiteraard een ideale vestigingsplaats voor een grote verscheidenheid aan planten. Maar volgens mij mag je dergelijke planten geen epifyten noemen. Om het oneerbiedig te zeggen: ze groeien in “plantenbakken” op hoogte.

Deze bijdrage aan “Stadsplanten – De urbane flora van Nederland” is tot stand gekomen in overleg met Ton Denters.

Ondergrondse flora in Utrecht

Een kamer huren in Utrecht is crimineel duur, en het resultaat ongewis. En ik ben vader van twee in Utrecht studerende kinderen. We vonden een oplossing: we kochten afgelopen zomer een appartement aan het Tolsteegplantsoen. Wel een die volledig opgeknapt moest worden, want anders konden we het ons niet veroorloven. Mijn handige broer monteerde CV, nieuwe electriciteit, verplaatste waterleiding en stucte alsof het zijn lieve lust was. Het vele afvalwater van het stucen gooide hij, bij tijdelijke ontstentenis van een werkende afvoer, in de straatput voor ons huis. Over die straatput wil ik het hebben.

 

Tolsteegplantsoen van meer afstand.

Ik kluste er ook flink op los en hielp mijn broer met het verwijderen van zijn afvalwater. Omdat de kalkdrab witte sporen achterlaat op het metaal van de put opende ik het deksel. Ik wist toevallig hoe dat moest. Bij oude putten zit namelijk onder het deksel een met de hand beweegbaar palletjes, dat je opzijschuift om de deksel te lichten. Als bij een motorkap. Wat ik toen aantrof was geen afvoerput voor overtollig stucwater maar een donker, vochtig biotoop van 30 x 30 x 30 cm, met een heuse ondergrondse florajungle. Veel jonge varens, daarom niet eenvoudig te determineren, althans door mij. Dit zijn de soorten die ik aantrof.

  • Tongvaren, Asplenium scolopendrium (zeker)
  • Muurleeuwenbek, Cymbalaria muralis (zeker)
  • Mannetjesvaren, Dryopteris filix-mas (zeker)
  • Steenbreekvaren, Asplenium trichomanes (waarschijnlijk)
  • Brede stekelvaren, Dryopteris dilatata (waarschijnlijk)
Ondergrondse varenjungle. Foto genomen rond oud-en-nieuw, met minder soorten dan in de zomer.

Opgewonden liep ik naar de dichtstbijzijnde andere put: opnieuw groen leven, hoewel wat minder dan in onze put. Dat smaakte naar meer. Ik vergat het klussen, en negeerde de meewarige blikken van mijn broer. Al snel had ik alle putten in onze omgeving uitgekamd. En hebben de buurtbewoners kennis mogen maken met een wel erg weirde, met de blik naar beneden gerichte kersverse medebewoner van de wijk. Maar wat kon het schelen, ik had een fantastische ontdekking gedaan! Onder onze voeten speelt zich in het halfduister een onbekend ander leven af. Als iets spannende stadsnatuur is, is dit het wel.

Ben ik dan de enige die dit weet? Natuurlijk niet. Onze stadsflorist Wim Vuik, van wie ik veel heb geleerd, en nog leer, heeft ooit eens een project gedaan waarbij hij 10.000 putten heeft geinventariseerd. Hij haalde hiermee in een ver verleden de televisie mee, hetgeen hem de wat dubieuze reputatie van puttenman heeft opgeleverd. Iets dat hem nog steeds achtervolgt. En waar ik met deze blog ook weer aan meewerk. Maar ik denk dat hij is er stiekem ook wel trots op is. En terecht.  Dankzij hem weet ik nu van de diverse modellen putten. De oudere vierkante gemetselde zijn de beste. Vanuit floristisch oogpunt dan, want de gemeente heeft gekozen voor nieuwe onderhoudsarme, ronde kunststof  prefab-kolken waar zelfs mos en alg het moeilijk hebben. Fijn voor het onderhoud, jammer voor de ondergrondse flora.

Utrechtse florist Wim Vuik bij een Utrechse put (in Overvecht) in 2013. Met een foto van hemzelf in de Flora Stadsplanten van Ton Denters.

PS De amfibieënliefhebbers hebben ook de iets met putten en kolken, heb ik me laten vertellen. Zij kregen het voor elkaar er een ontwerp door te krijgen met een trappetje aan de binnenwand, waarmee in de put gevallen kikkers zichzelf kunnen bevrijden. Dat is pas echt natuurbescherming op de vierkante centimeter. Maar ook een heel ander onderwerp.

Friet en muurvaren

Ik mag dan wel bekend staan als natuurliefhebber, ik blijf een stadsbewoner. En stadbewoners hebben ongezonde gewoontes. Zoals alsmaar druk met zichzelf en hun werk bezig zijn, en af en toe bij de snackbar een frietje halen. Voor het gemak. Zo ook vorige week, een wandelingetje van zes minuutjes van mijn huis naar de Balijelaan, een grijze racebaan zonder kraak of smaak. Afgezien van het lichtpuntje dan: de Snackbar Balije Big Snack met hun aardige Chinese uitbaters.

Na mijn friet met en een Mexicano besteld te hebben, liep ik naar buiten om mijn kleren niet deelgenoot te hoeven laten zijn van de vette dampen die de wasemkappen onvoldoende wegfilteren. Doelloos op straat staand, viel mijn oog op de goedkope gevelreclame, en toen iets hoger op het raam van de bovenburen, en toen nog maar iets hoger. Daar, op 5 meter hoog, was de beloning: een enorme bos muurvarens, Asplenium ruta-muraria.

Snackbar Big Snack Balije en interessante alternatieven in de omgeving in Utrecht

Muurvaren staat bekend als algemene soort, maar ik vind hem toch altijd weer bijzonder als ik hem aantref. Opvallend als de tongvaren is hij niet, en zelfs de steenbreekvaren, toch ongeveer even groot, steelt eerder de show. Maar de muurvaren is wel een van de weinige varens die je  ook op droge op het zuiden gerichte muren aantreft. Mijn eerste bewuste waarneming van een muurvaren was in een spleet van een betonnen waterkering van een inmiddels opgedoekt militair terrein bij de Europalaan. Ik dacht dat ik de ontdekking van de eeuw gedaan had. Dat bleek mee te vallen. En op oudere tuinmuurtjes in de buitenwijken moet je gewoon je ogen openhouden, daar is hij een graag geziene gast. Muurvaren, mijn bescheiden, betrouwbare vriend.

Muurvaren naast de vlaggenhouder, op fotografenvriendelijke hoogte van 2,50 meter.

PS

Van mijn kinderen begrijp ik dat een bezoek aan een snackbar sneu is. Niet omdat de jeugd van tegenwoordig opeens voor gezond gaat. Maar je laat je frietje tegenwoordig comfortabel thuis bezorgen met een electrische scooter of een slechtbetaalde fietser met een vierkante rugzak. Floristen aller steden: blijf uw gang naar afhaalchinezen, pizzeria’s en snackbars gewoon maken. Of begin ermee. Kijk daarbij dan wel even om u heen, een bijzonder ontdekking ligt immers op de loer.

Schubvaren – varens in alle soorten en maten in Amersfoort

Tijdens onderhoudswerkzaamheden aan een kademuur in de wijk Vathorst in Amersfoort heb ik in november 2017 de zeldzame Schubvaren gevonden. Het was mij opgevallen dat in toenemende mate houtgewassen zoals berken, elzen en hazelaars bezit namen van kademuren waar veel muurplanten groeiden. Op een melding naar de stadsecoloog van Amersfoort, Renée van Assema, werd adequaat gereageerd. Er werd een boot georganiseerd en vrijwilligers van IVN Amersfoort verleende medewerking om de houtgewassen te verwijderen. De vaart werd door mij gebruikt om ook de groei van varens op de muren te monitoren. Daarbij viel mijn oog op de Schubvaren.

Nagenoeg alle varens op de kademuren van De Laak – Vathorst groeien in de voeg tussen de dekstenen en de kademuur. Op de foto is de eerste varen te zien die op de muur zelf groeit.

In 2014 en 2015 heeft de Werkgroep Wilde planten van de KNNV Amersfoort e.o. op verzoek van de gemeente een inventarisatie uitgevoerd van varens en specifieke muurplanten op kademuren in de wijk Vathorst in Amersfoort. Het rapport met de resultaten van dit onderzoek is te vinden op: http://www.floron.nl/Portals/1/Plaatjes/Projecten/muurplanten/2015-Muurvarens-Vathorst-Amersfoort.pdf

In de wijk Vathorst is een deelgebied dat De Laak heet. Het is een nieuwbouwwijk met grachtjes, bruggetjes en mooie karakteristieke huizen. Met de bouw werd begonnen in 2004. Er werd bewust gekozen voor kademuren die 5 graden achterover hellen en zijn gemetseld met kalkrijke mortel. De gemeente Amersfoort hoopte dat op die manier op langere termijn een net zo mooie muurbegroeiing zou ontstaan als op de muren van de grachten in de oude binnenstad. Normaal gesproken moet een muur 20 tot 30 jaar oud zijn om voldoende te eroderen om muurplanten een goede habitat te bieden. In De Laak in Vathorst gebeurde dat binnen tien jaar. Hoe kon dat gebeuren?

Het onderzoek heeft uitgewezen dat er een sterk bepalende factor een rol speelt. Alle varens groeien op kademuren waar de straten rechtstreeks aansluiten op de kademuren. Het gevolg is dat het regenwater rijkelijk over de achterover hellende kademuren vloeit waarbij er sprake is van een versneld uitlogings proces. Door Piet Bremer, die promoveerde op het onderzoek naar varens in het Kuinderbos, werd ik gewezen op de opmerkelijke rol die varensporen in de lucht kunnen vervullen als condensatiekernen voor regendruppels. Een regeldruppel kan in de meeste gevallen alleen ontstaan rond een condensatiekern. Doordat de sporen van varens bijzonder licht zijn kunnen zij gemakkelijk vanuit de hele wereld door de wind worden meegevoerd en zijn rijkelijk in de lucht aanwezig. Als condensatiekern worden zij ingevangen in regendruppels en vallen tijdens regen op de grond. In De Laak groeien vrijwel alle varens in de voeg tussen de dekstenen van de kademuur en de muur zelf. In deze diepe voeg zijn schijnbaar optimale groeimogelijkheden voor de varens aanwezig. Wat in zo’n geval noodzakelijk is is de aanvoer van voldoende sporen. Dat gebeurt mede door aanvoer van sporen in de neervallende regen en door sporen die via de wind in de voegen terecht komt.

  • Tot nu toe zijn de volgende varens door mij op de kademuren gevonden:
    Mannetjesvaren (Dryopteris filix-mas), Mannetjesvaren cristata (Dryopteris flix-mas-cristata), Olifantslurfvaren (Dryopteris cycadina), Stijve naaldvaren (Polystichum aculeatum), Zachte naaldvaren (Polystichum setiferum), Glansschildvaren (Polystichum polyphlebarum), Muurvaren (Asplenium ruta-muraria), Steenbreekvaren (Asplenium trichomanes subsp. quadrivalens), Tongvaren (Asplenium scolopendrium + verschillende tuinvarianten), Zwartsteel (Asplenium adiantum-nigrum), Smalle ijzervaren (Cyrtomium fortunei), Geschubde mannetjesvaren (Dryopteris affinis), Gewone eikvaren (Polypodium vulgare).
    Daar komt nu de Schubvaren (Asplenium ceterach) bij. Een onwaarschijnlijk groot aantal soorten voor muren die minder dan vijftien jaar oud zijn.

Dan toch nog even aandacht voor de plant waar het dit keer echt om gaat: de Schubvaren. Hij behoort tot de streepvarenfamilie (Asplenium) waartoe ook de Tongvaren, de Muurvaren, de Zwartsteel, de Steenbreekvaren en de Groensteel behoren. Een gemeenschappelijk kenmerk van deze varens zijn de lijnvormige tot langwerpig ovale sori of sporenhoopjes op de onderzijde van de bladeren. De sporenhoopjes liggen zijdelings langs de vrije zijnerven; ze bezitten een aan de nerf vastzittend dekvliesje (indusium).

Sporenhoopjes van schubvaren

De Schubvaren heeft altijd op de Rode Lijst gestaan en was wettelijk beschermd. De plant heeft een goede verdedigingstechniek tegen verdroging. Het rolt de bladeren op om verdamping van vocht te beperken. De linker en de rechter bladslippen krommen naar elkaar toe en passen bijna als een ritssluiting in elkaar en vormen dan een kokertje. Verdamping is dan beperkt, maar koolzuurassimilatie is dan ook vrijwel onmogelijk. Dat moet in vochtiger perioden worden ingehaald.

De schubvaren is zeldzaam en in grote delen van het land zeer zeldzaam. De verspreidingsatlas laat zien dat de plant vooral in het westen van het land voorkomt. Nederland ligt aan de noordrand van het verspreidingsgebied in Europa. In het verleden kende de varensoort ook medische toepassingen. De Schubvaren werd gebruikt bij miltkwalen en voor mensen die zich vaak inbeelden allerlei ziekten te hebben (hypochondrie).

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde