Tag: voedselgewas

Het eten ligt op straat

Een aparte groep planten die je in de stad kunt onderkennen wordt gevormd door voedselgewassen. Als voorbeeld heb ik nu het meest Nederlandse volksvoedsel: de aardappel, gekozen, maar er zijn er veel meer in de stad aan te wijzen. Wie de leek wil interesseren voor stadsnatuur vormen deze ‘dwalingen’ een mooi aangrijppunt. Ze zijn vaak een wonderlijke brug tussen bord en asfalt. Zoals melk al lang niet meer uit de fabriek komt, maar van AH, weet de burger niet van de tomatenplant, de rucolaplant, de veldslaplant, de goudbesplant, noch van haver en gort.

Overigens was het de eerste Europeanen, die in Europa met de aardappel in aanraking kwamen, ook niet direct duidelijk dat de knol eetbaar was. De geschiedenis wil dat in het begin van de zeventiende eeuw de eerste aardappelknollen het Franse hof bereikten. De knollen werden in de grond gezet en enkele maanden later werd er een feestmaal gehouden, gemaakt van de groene vruchtjes. Alle disgenoten werden prompt ziek. Pas veel later zou de aardappel volksvoedsel worden in Noord-West Europa. Al met al zit er  300 jaar tussen ontdekking van de knol en acceptatie als voedsel, terwijl de Inca’s het gewas al honderden jaren aten.

voedselplant op straat

De plant komt oorspronkelijk uit de Andes. De wetenschappelijke naam is Solanum tuberosum. De geslachtsnaam ‘Solanum’ is afgeleid van het Latijnse ‘solari’ dat ‘troosten’ of ‘verzachten’ betekent; denk aan het Nederlandse woord ‘soelaas’. De soortaanduiding ‘tuberosum’ betekent ‘knol’.

Als solitaire plant in de stad is de bloem leuk, en opvallend afstekend tegen het donkere matte groen van de bladen.

Boekje open over boekweit

Bij boekweit (Fagopyrum esculentum) denk je niet meteen aan stadsplanten. Het lijkt meer iets voor heemkundekringen en voor bijenhouders. Toch trof ik in de zomer van 2016 een boekweitplant aan op een stoep in het centrum van Breda. Hoogstwaarschijnlijk daar terecht gekomen door een zaadje uit een pak vogelvoer.

Ooit was boekweit een belangrijk gewas op de arme zand- en veengronden, bijvoorbeeld in de Peel. In Deurne bereikte de teelt van boekweit qua omvang een hoogtepunt in de tweede helft van de negentiende eeuw. Het gewas was, als alles meezat, makkelijk te verbouwen. Het leverde meel op, dat geschikt was om er pap en pannenkoeken van te maken.  Voor de teelt van boekweit op veengrond werd de bovenste laag van de grond, nadat deze in het voorjaar gedroogd was, verbrand waardoor voedingsstoffen vrijkwamen. Dit ‘boekweitbranden’ gaf een enorme rookontwikkeling. In de twintigste eeuw steeg de productie graangewassen als tarwe en rogge enorm door grondverbetering en bemesting. Het rendement van boekweit ging juist achteruit. Na de Tweede Wereldoorlog was het zo goed als afgelopen met de boekweitcultuur.

De in augustus bloeiende boekweit is een goede bijenplant. De voormalige boekweitvelden vormden voor de imkers een ideale plek om hun korven te plaatsen vóórdat de oogst van de heidehoning enkele weken later kon beginnen.  Boekweithoning heeft een specifieke intense smaak en is donker van kleur.

boekweit op de stoep

De laatste decennia wint boekweit weer enigszins aan populariteit. Boekweit wordt toegepast in het agrarisch natuurbeheer bij de aanleg van bloemrijke akkerranden en wildweides.

In de gezondheidsvoedingsbranche wordt boekweit aangeprezen vanwege de aanwezigheid van belangrijke mineralen en van zogeheten fytonutriënten. Daarnaast wordt een afvalproduct van de verwerking van boekweit, de ‘boekweitdoppen’, gebruikt voor de vulling van gezondheidskussens. Zo’n boekweitkussen schijnt therapeutisch te werken.

En dan is er natuurlijk de toepassing van boekweit in vogelvoer en in lokaas in de karpervisserij.

Boekweit (Fagopyrum esculentum) is een plant uit de duizendknoopfamilie. De plant is waarschijnlijk afkomstig uit Centraal- of Oost-Azië. Over de gevolgde route naar Europa bestaan uiteenlopende verklaringen. Uit pollenonderzoek is gebleken dat boekweit al voor het begin van onze jaartelling in ons land voorkwam.

De naam ‘boekweit’ betekent simpelweg ‘beuktarwe’. De vruchten hebben de vorm van beukennootjes. Ook de wetenschappelijk geslachtsnaam ‘Fagopyrum’ betekent ‘beuktarwe’. Fagus is beuk en ‘puros’ tarwe. De soortaanduiding ‘esculentum’ wil zeggen ‘eetbaar’.

 

Goud in de mond

Nota bene tegenover de uitgang van AH had mijn vrouw een vreemde plant gezien, die nachtschade-achtig was. Die plant blijkt de goudbes (Physalis peruviana) te zijn. Het is een eetbare plant die tijdens de kerstdagen wel wordt aangeboden bij AH. De smaak is niet onaardig: fris zoetzuur. Zoals de naam al doet vermoeden komt de plant uit de Andes, maar wordt inmiddels wereldwijd geteeld.

goudbes vrucht
goudbes vrucht

De geslachtsnaam ‘Physalis’ betekent letterlijk ‘waterblaas’ en slaat op de opgeblazen kelkbladen. Die hebben precies dezelfde vorm als van zijn naaste verwant de lampionplant (Physalis alkekengi). Die opgeblazen kelk schijnt te dienen als middel om door de wind te worden verplaatst. Hij is eenjarig en behoort inderdaad tot de nachtschadefamilie. In de verspreidingsatlas van FLORON wordt de plant als vrij zeldzaam en niet ingeburgerd betiteld. Het is een nieuwe stadsplant voor Breda.

goudbes bloem
goudbes bloem