Tag: Zoetermeer

Waar een bedrijventerrein goed voor is

Dit jaar hebben we met onze plantenwerkgroep een thema: bedrijventerreinen. Dit heeft mij in ieder geval al een paar wandelingen door onbekend gebied opgeleverd. Ik wist niet dat er zoveel leegstaande panden, vergeten parkeervakken, rommelhoekjes en braakliggende veldjes op een bedrijventerrein te vinden zijn. Kortom, het blijken paradijsjes voor de florist!

Wij hoopten dat de wielen van vrachtwagens leuke soorten naar Zoetermeer zouden brengen. Maar we vonden nog geen nieuwe soorten; die blijken toch eerder in de woonwijken op te duiken. Auto’s van particulieren rijden natuurlijk ook net zo ver. Een soort die ons opviel omdat hij op diverse plekken uitbundig bloeide, is de Ronde ooievaarsbek (Geranium rotundifolium).

In Zoetermeer komt de Ronde ooievaarsbek al sinds de jaren ’90 voor. Regelmatig komen we hem tegen in de wijk maar meestal op een enkele groeiplek.
De kroonbladeren van deze ooievaarsbek zijn roze met een witte voet en niet ingesneden of ingestulpt. Z’n bladeren zijn niet zo ver ingesneden als bij andere ooievaarsbekjes. Verder heeft de plant klierharen en gewone haren, maar deze zijn korter dan bij de Zachte ooievaarsbek waardoor hij iets kaler oogt. Een onderscheidend kenmerk zijn de spitse paarse steunblaadjes.

detail bloem en steunblaadjes

Volgens de stadsplantengids van Ton Denters houdt deze plant van droge, zonnige en stenige plekken. Het is de meest warmteminnende ooievaarsbek in Nederland. Als ik dit schrijf is het overal al een tijd droog en zonnig en de eenjarige Ronde ooievaarsbek is allang verdroogd tussen de stenen. Maar het veranderende klimaat biedt goede kansen voor deze soort, en ik ben benieuwd hoeveel we er volgend jaar zien.

 

Steeds meer haar in de stad

Kaal (Galinsoga parviflora) en Harig knopkruid (Galinsoga quadriradiata) komen tegenwoordig algemeen voor in steden en dorpen. Het gaat om twee sterk op elkaar lijkende neofyten, beide afkomstig uit midden Amerika en ingeburgerd in Europa in de 19de eeuw.
De Heukels’ flora geeft aan dat beide soorten een voorkeur hebben voor open, vochtige tot droge, zandige grond. Omstandigheden die bepaald niet schaars zijn in een stad of dorp. De theorie leert ons dat van twee soorten die een zelfde ecologische niche bezetten er uiteindelijk  de concurrentie wint en de andere zal verdrijven. Het is niet erg waarschijnlijk dat dat in dit geval opgaat.

Kaal knopkruid op kale grond

In Zoetermeer inventariseren we al sinds het begin van de jaren ’90 van de vorige eeuw de stad op systematische wijze. Zowel Kaal als Harig knopkruid worden regelmatig gestreept (totaal zo’n 150 keer) al heb ik zelf de indruk dat we de laatste jaren nog maar zelden Kaal knopkruid aantreffen. Als we de periode 1993 – 2003 vergelijken met de periode 2004 – 2014 dan zien we dat de verhouding Kaal/Harig knopkruid in 20 jaar totaal gewijzigd is. Zie figuur hieronder.

Als we de groeiplaatsen van beide soorten nauwkeuriger vergelijken zien we in Zoetermeer wel degelijk verschillen. Kaal knopkruid prefereert vooral open grond en schuwt daarbij de zware Zoetermeerse klei niet. Harig knopkruid daarentegen heeft vooral de stenen ruimte weten te veroveren en profiteert zo optimaal van de warmte en de zandige condities die de stad biedt.
Als we de gewijzigde inrichtingseisen van de openbare ruimte door de jaren heen hierbij betrekken lijkt de toename van Harig ten koste van Kaal knopkruid een logisch gevolg hiervan. Veel open geschoffelde plantvakken hebben in de loop der jaren plaatsgemaakt voor verharding of groensoorten waarbij schoffelen niet noodzakelijk is. Dit als gevolg van de neiging van gemeenten om bezuinigingen af te wentelen op het beheer van de openbare ruimte. En daar profiteren soorten als Harig knopkruid dan weer van, met die kanttekening dat enige kruidengroei op de verharding getolereerd wordt.

Geschreven door Johan Vos.

Een bosplant in de stad

Geschiedenis lezen aan planten. Dat was de titel van een lezing op de FLORONdag in december 2017, door Piet Bremer. Nu houd ik best wel van geschiedenis èn van planten, dus was ik meteen geïnteresseerd. Bovendien deed de titel me onmiddellijk denken aan een gras in het centrum van Zoetermeer. Piet Bremer vertelde dat de flora in een gebied gerelateerd kan zijn aan gebeurtenissen uit het verleden. Bekend voorbeeld is natuurlijk de stinsenflora. Ik kijk niet gek op als ik sneeuwklokjes vind in het jonge Balijbos, net buiten Zoetermeer. Daar stonden vroeger boerderijen.

Midden in de stad, aan de ene kant de oude Dorpsstraat en aan de andere kant het nieuwe stadshart, staat aan de rand van een parkeerterrein, in het groen, een flinke hoeveelheid Reuzenzwenkgras (Festuca gigantea).

Als je denkt de grassen in Zoetermeer een beetje te kennen, kijk je heel raar op bij deze soort.

Reuzenzwenkgras is een behoorlijk fors gras, tot wel 1,5 m hoog, de bladschijven kunnen 50 cm lang zijn. Tijdens de bloei hangen de grote pluimen sterk over naar één kant. De glanzende bladeren draaien  een halve slag zodat halverwege het blad de onderkant juist de bovenkant wordt.

De bladschijf draait zich om zodat de onderkant boven komt.

Het is een bosplant die je in onze regio niet snel zult aantreffen.

De plek waar het Reuzenzwenkgras staat, heet in Zoetermeer: het Pastoorsbos. Het ‘bos’ ligt achter de katholieke kerk aan de Dorpsstraat, met een heel klein kerkhofje er aan vast. En dit gras is het bewijs dat hier al heel lang een bos is! Het leuke aan deze plek is dat de grond daar eeuwenoud is. Vanwege de bijzondere situatie is het veen hier nooit afgegraven, en is deze plek godzijdank ontsnapt aan de nieuwbouw. Dit soort plekken hebben we maar weinig in Zoetermeer, maar je vindt er de leukste planten.

Waar het Pastoorsbos ook helemaal vol mee stond: Sneeuwklokjes. Helaas moest het bosje vorig jaar worden ’aangepakt’, en is het inmiddels omgevormd tot een modern parkje. De Sneeuwklokjes zijn helaas flink in aantal achteruit gegaan. Hopelijk herstellen ze zich snel.

Tja, de plant waar het hier om gaat is dus eigenlijk helemaal geen stadsplant. Maar wel een leuke vondst in een historisch stukje van de stad. En zulke historische plekjes horen er toch ook bij?

De bloeiwijze.

 

 

Bleekgele droogbloem

Toen ik de Bleekgele droogbloem leerde kennen vond ik de naam zo apart, dat ik hem nooit meer vergeten ben. Waren alle namen maar zo duidelijk! Ik denk dat ik het ook eigenlijk een vreemde naam vond, zelden wordt een plant zo precies beschreven met zijn naam. Hij is bleek, heeft een ietsepietsie geel, en hij schijnt leuk te zijn als droogbloem.
De wetenschappelijke naam is Gnaphalium luteo-album. ‘Gnaphalium’ komt uit het Grieks en betekent: gekaarde wol. Dit duidt het uiterlijk van de plant wel enigszins aan, hoewel gevilte wol dan beter in de buurt komt. ‘Luteo-album’ betekent letterlijk ‘geel-wit’. 

de bloemtrosjes van Bleekgele droogbloem

De plant doet een beetje ielig aan, omdat de stengels niet vertakt zijn en maar kleine blaadjes hebben. De hele plant is witviltig behaard, en zelfs een nieuw rozetje valt daarom al meteen op.
Aan de top van de stengeltjes bevinden zich kluwentjes van bloemhoofdjes. Deze hebben alleen buisbloemen, die iets roodachtig zijn.

Bleekgele droogbloem houdt van zandige, stenige grond op een zonnig plekje. Vroeger zocht hij daarvoor de duinen op, en zandgebieden in het binnenland. Sinds een jaar of veertig heeft hij de stad ontdekt als nieuw biotoop. Hij doet het goed in de bestrating. Ik kan me zo voorstellen dat met de nog immer toenemende verharding van de steden, de plant zich nog verder uit zal breiden.

de buisbloemen zijn iets roodachtig

Zoetermeer volgt het landelijke beeld wat deze plant betreft. In de jaren ’80 was het een zeldzaamheid, daarna een gigantische opmars en tegenwoordig komt hij redelijk algemeen voor. In de helft van de kilometerhokken van Zoetermeer is de plant al aangetroffen. Wij vinden hem vaak op parkeerterreinen en soms op de stoep of in de goot.

Vreemd genoeg zien wij de Moerasdroogbloem in Zoetermeer tegenwoordig veel minder vaak. Hoe zou dat in andere steden zijn?

 

 

Kransgras tussen de fietsenklemmen in Amersfoort

In een bijdrage aan Stadplanten in januari 2017 wijst Joke de Ridder op de opmars van Kransgras in Zoetermeer. Zij vraagt zich af of ook in andere steden deze, tot nu toe zeldzame grassoort, gevonden wordt. Voor Amersfoort is sinds deze week het antwoord: ja. Midden in een drukke winkelstraat, in het hartje van de stad, tussen een aantal fietsklemmen staan een groot aantal planten. De vondst is op een mooi moment omdat het gras volop in bloei staat.

Het winkelend publiek zal zich niet realiseren langs een zeldzame plantensoort te lopen

Kransgras is goed te onderscheiden van andere grassoorten. Vanuit de graspol lopen de stengels horizontaal over de grond om vervolgens met een scherpe knik op te stijgen. De schuin afstaande zijtakken zijn tot aan de voet met aartjes bedekt. In de bloei hangen de bleke wit/gele helmknoppen uit de aartjes. Met een loep zijn op de kelkkafjes kleine stekeltjes te zien. Als de aartjes zijn uitgebloeid en de vrucht rijp is vallen zij in hun geheel af.
Tot nu toe werd Kransgras als zeldzaam beschouwd. In het standaardgrassenboek van Landwehr en de Oecologische flora van Weeda komt de plant nog niet voor. Ook in de toelichting bij de verspreidingskaart van Floron wordt de plant als zeldzaam aangeduid. Het lijkt er wel op dat Kransgras in ieder geval binnen het stedelijk gebied, aan een opmars bezig is. De plant komt oorspronkelijk uit het Middellandse Zeegebied.

Wie verwacht er een zeldzame grassoort als Kransgras tussen de fietsenrekken in een winkelstraat in Amersfoort

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Het geluk ligt soms op straat

Wie kent dit plantje niet? Als kamerplant dan weliswaar. Maar het is ook op straat te vinden!

Slaapkamergeluk is een plant uit de Brandnetelfamilie, een familie met in Nederland maar drie geslachten. In tegenstelling tot zijn neef de Brandnetel is dit een zeer aaibaar plantje, dat zijn geluk dus ook op straat blijkt te zoeken.

Slaapkamergeluk komt oorspronkelijk voor in het westelijk Middellands Zeegebied. Op Corsica schijnt het volop te staan, en ja, zelfs zo’n aandoenlijk plantje kan daar een plaag worden.
Slaapkamergeluk houdt niet van de volle zon, maar doet het goed op een koele, beschaduwde plek. Precies waar je je slaapkamer ook zou situeren, en daar heeft de plant zijn naam aan te danken.
En natuurlijk heeft hij een voorkeur voor de stenen in de stad, het blijft daar meestal een beetje vochtig, en in de winter heeft hij minder snel kans op bevriezen. De plant is namelijk niet erg winterhard. In Nederland vind je hem het meest in het westen van ons land, daar is het toch net iets warmer. En buiten de stad komt hij nog niet voor.

Een jaar of 20 geleden dook het plantje voor het eerst op in Nederland, sindsdien breiden de vindplaatsen zich uit. In Zoetermeer vonden we het voor het eerst in 2005, en laatst kwamen we het weer tegen, in een wijk uit de jaren 70. We waren er blij mee, ook in een jonge stad kunnen we deze echte stadsplanten tegenkomen! Er stonden in deze wijk trouwens veel ‘ontsnapte’ tuinplanten op straat.

Het kruipt over straat en probeert tegen een muur op te klimmen.

Met zijn zeer dunne stengeltjes kruipt Slaapkamergeluk over de stoep. Het plantje lijkt een voorkeur te hebben voor de overgang straat-muur.
Als kamerplant is hij makkelijk te stekken, leg wat stengeltjes op de aarde en hou het vochtig, en zie, er worden makkelijk nieuwe worteltjes gevormd. Zo ook op straat dus, en voor je het weet woekert het flink.

Tot nu toe plant hij zich alleen vegetatief voort maar misschien is dat, gezien het opwarmend klimaat, slechts een kwestie van tijd.

Maarts viooltje, een heerlijke geur in de lente

 

Een van mijn lievelingsplanten is het Maarts viooltje (Viola odorata). Dat komt omdat ik erg van het voorjaar hou en dit plantje een echte lentebode is. De naam zegt het al, maart, hoewel in een zachte winter dit ook een januari’s viooltje zou kunnen heten. Ik heb hem zelfs al eens vóór de kerst zien bloeien.
Maar wat hem zo leuk maakt, is de verrassend lekkere geur. Je verwacht zoiets niet bij zo’n eenvoudig klein bloempje. Het Latijnse ‘odorata’ betekent ‘welriekend’. Ik kan er nooit genoeg van krijgen de geur op te snuiven. Dat heeft waarschijnlijk ook te maken met het feit dat de geur niet lang blijft hangen in je neus. Je moet telkens opnieuw ruiken. Het Maarts viooltje bevat een stof die de geurreceptoren in je neus voor korte tijd verdooft.

Maarts viooltje komt vrij algemeen voor in Zoetermeer, maar omdat het een klein plantje is moet je er toch een beetje naar zoeken. Kijk onder de heg, en in boomgroepen. Hij houdt van schaduw maar dat moet je ook weer niet overdrijven. Buiten de bloeitijd valt hij eigenlijk niet erg op, en wordt het ook moeilijk om hem te determineren. Zo haalde ik jaren geleden Maartse viooltjes mijn tuin in. Helaas bleken het, toen ik wat meer leerde over blauwe viooltjes, Bleeksporige bosviooltjes te zijn. Zónder die lekkere geur. Nu weet ik dat je op de kelkbladeren moet letten, en op de spoor. Je moet eigenlijk de achterkant van de bloemetje bekijken dus.

De bloem: stompe kelkbladeren en rechte spoor.

Al sinds vele eeuwen wordt het Maarts viooltje geroemd om zijn verleidelijke geur. En het is ook al lang bekend als geneeskrachtig plantje, evenals het Driekleurig viooltje. Viooltjes doen het vooral goed bij huidproblemen.
Je kunt de bloemetjes ook eten, in de sla bijvoorbeeld. Of, eventueel versuikerd, op een dessert. Ik zou dat zelf alleen doen als het plantje een plaag is geworden in je tuin. Voorlopig is het bij mij nog niet zover.

 

Nieuwkomers in de stad

Aarpluim Kransgras (Polypogon viridis) foto: Tilly Kester

Dit artikel is geschreven door Johan Vos, die 31 jaar stadsecoloog van Zoetermeer was.

Hierbij wil ik uw aandacht vragen voor de gestage opmars van Kransgras in Zoetermeer. Samen met een aantal andere, typisch stedelijke soorten als Gehoornde klaverzuring, Straatliefdegras, Groene en/of Geelrode naaldaar en Harig vingergras, is Kransgras tegenwoordig een vaste bewoner van de verharding in bijna alle Zoetermeerse wijken. Hoe snel deze inburgering is gegaan blijkt o.a. uit de tekst uit de meest recente Heukels’ flora (2005) die over deze soort meldt: ‘recent op een aantal plaatsen in het urbane gebied ingeburgerd’. In ‘Stadsplanten, veldgids voor de stad’ uit 2004 noemt Ton Denters Kransgras nog niet.
In Zoetermeer is Kransgras voor het eerst in 2008 waargenomen. Hoewel we nooit gericht gezocht hebben naar Kransgras kunnen we melden dat de soort zeven jaar later 22 keer in 13 Zoetermeerse km-hokken is waargenomen.
Kransgras is een vrij onopvallend éénjarig grasje dat, als zoveel andere stedelijke soorten, afkomstig is uit het Middellandse Zeegebied. Op het eerste gezicht heeft het wel wat weg van Fioringras. Toch kan voor de herkenning de Heukels’ flora meestal wel in de rugzak blijven: als je er oog voor hebt herken je ze al op afstand hoor ik vaak om me heen.
Ook deze soort behoort tot de steeds groeiende groep stedelijke grassen, van zuidelijke herkomst, die na de langste dag in bloei komt.
Qua voorkomen gaat het om warme, vochtige en stenige groeiplaatsen, waaronder verwaarloosde stadstuinen met veel verharding; op de overgang van horizontale en verticale verharding, tegelpaadjes tussen achtertuinen, e.d.
Ik maak me sterk dat Zoetermeer niet de enige stad is waar deze ontwikkeling plaatsvindt en ben dan ook nieuwsgierig naar ervaringen uit andere steden.

Kransgras tussen gewassen grindtegels in een verwaarloosde voortuin. foto: Johan Vos

Nieuwe soort in Zoetermeer

Een nieuwe soort ontdekken klinkt ietwat romantisch. Een journalist die ons eens volgde veronderstelde dat wij met enthousiaste kreten op de knieën vielen bij het ontwaren van een ‘nieuwe soort’. De praktijk is ontnuchterend. De nieuwe soort is een onbeduidend plantje zoals Aziatische veldkers, of het is een nieuw soort brandnetel, daar wordt toch bijna niemand enthousiast voor.

Een soort die in 2016 nieuw is voor Zoetermeer is de Oeverbies, Bolboschoenus laticarpus. En deze begon zijn bestaan ook onopgemerkt. Misschien stond hij zelfs al langer in de stad. Deze zomer vond iemand hem langs de Meerpolder aan de noordkant van de stad. De Bolboschoenus laticarpus lijkt heel veel op de Bolboschoenus maritimus (Heen). Een mooie oeverplant waar ik altijd wel een beetje blij van wordt.

De verschillen in het kort: Oeverbies kent een vertakte bloeiwijze, met een centrale groep zittende aartjes en 2-7 gesteelde stralen met aartjes. Deze stralen zijn meer dan 2 maal zo lang als de aartjes. Heen is compacter, heeft ook de zittende aartjes, met maar 1-2 gesteelde stralen met aartjes. Deze stralen zijn minder dan 2 maal zo lang als de aartjes.

Op de plek waar de Oeverbies gevonden was, had ik kortgeleden al hardlopend nog gedacht: ah mooi, Heen! Deze nieuwe look-a-like werd mijn kleine projectje; samen met de hond liep ik langs alle waterkanten in de buurt. We hebben er nogal wat in Zoetermeer. En warempel: overal waar ik vroeger Heen dacht te zien, stond de Oeverbies. Ik heb geen Heen meer gezien sinds deze zomer!