Home » Archieven voor Aad van Diemen

Auteur: Aad van Diemen

Biografie

Na een studie Sociale wetenschappen enige tijd werkzaam geweest als onderzoeker en docent.
Daarna tot het pensioen als beleidsmedewerker Sociale Zaken bij de gemeente Rotterdam. Van jongs af aan met de verrekijker op stap voor vogels. Daarna ook planten, paddenstoelen en bijen, wespen en dagvlinders. Een dag in de week werk ik als conservator bijen en wespen in het Natuurmuseum Brabant. Ben bestuurslid IVN en natuurgids bij die club en bij SBB. Verder was ik eindredacteur, medeauteur en medefotograaf van het boek ‘Stadsplanten van Breda’ dat een paar jaar geleden is uitgebracht.

Klimopbij erbij

Klimop (Hedera helix) is een stadsplant die zich in mijn bijzondere belangstelling mag verheugen. Dat heeft alles te maken met mijn belangstelling voor insecten; wilde bijen en wespen in het bijzonder.

In de stad is klimop de laatste jaren toegenomen, is mijn indruk. De reden is dat klimop als onderdeel van tuinafscheiding in de mode is geraakt. Al heel simpel is wat betonijzer tussen twee palen gezet en dan klimop ertegenaan. Min of meer gelijktijdig arriveerde een zuidelijke bij, de klimopbij (Colletes hederae) in Limburg. We spreken over 10 jaar geleden. Vanuit Limburg begint de klimopbij een gestage opmars naar het Noorden. In 2017 trof een collega de eerste in een plantsoen in Breda aan. In 2018 vond ik de eerste in mijn tuin, en in dat zelfde jaar werden door mij en anderen tientallen klimopbijen in Breda gesignaleerd. De klimopbij is een forse bij, zo groot als een honingbij en lijkt er ook wel op. Je moet letten op de bandjes op het achterlijf. Die heeft de klimopbij wel en de honingbij niet.

De klimop moet wel bloeien voor veel insecten.

Klimop is uit ecologisch standpunt een belangrijke stadsplant. Vogels vinden er dekking in en vooral merels nestelen er graag in. Het is daar doorgaans veiliger voor katten dan in struiken en ook voor andere predatoren als eksters biedt klimop goede dekking.

Het is een waardplant voor het boomblauwtje, kolonies mieren lopen meters omhoog en omlaag om luizen te melken, er huizen vele soorten spinnen en kevers. Om klimop te laten bloeien moet je in ieder geval een deel niet snoeien. Bij voorkeur het deel dat in de zon staat, vaak de bovenkant.

Bloeit de klimop dan sta je verbaasd over de hoeveelheid insecten die wekenlang op de bloemen afkomt.

Het zoemt op zonnige dagen van jewelste: klimopbijen, blinde bijen, limonadewespen, hoornaars, diverse hommelsoorten, atalanta’s, aurelia’s, diverse graafwespen, sluipwespen, vleesvliegen, enz. In de winter tot in de vroege lente vormen de zwarte bessen voedsel voor lijsters en spreeuwen.

Heb je geluk, zoals ik, dan kun je in je eigen tuin ook nog de klimopbremraap scoren.

Klimopbremraap heeft een mooie, snel verwelkende bloem.
Klimopbremraap is ongeveer 10 cm hoog.

Trilgras

In de vorige stadsplantenbijdrage besprak ik slanke naaldaar (Setaria parviflora). De vindplaats is het KNSM-eiland, wat samen met het Java-eiland in het oostelijk havengebied van Amsterdam al decennia een hotspot is voor bijzondere plantvondsten. De twee eilanden, eigenlijk schiereilanden, waren ooit dé plek voor havenactiviteiten, maar die vielen in de loop der jaren weg door de opkomst van de luchtvaart en het stilvallen van de handel op de Oost. Dit desolate gebied werd vanaf het einde van de jaren zeventig in bezit genomen door krakers, kunstenaars en stadsnomaden. Nog geen 15 jaar later werd alles herontwikkeld tot een woonwijk.

Ondanks deze veranderingen bleef deze omgeving een plek om bijzondere soorten te spotten. Was ooit de scheepvaart de reden voor bijzondere vondsten, later gaf het massaal braakliggen genoeg plek voor allerhande soorten. Tegenwoordig wonen er mensen die geen behoefte hebben aan een steriel, schoongespoten en dito geborstelde straatbeeld. Integendeel; rijen plantenpotten en dito bakken, geveltuinen en overhoekjes geven wilde en verwilderde planten alle ruimte.

De gekste verwilderingen zijn hier te vinden alsmede de voorhoede van warmteminnende soorten uit het zuiden. Maar ik beperk me nu tot de grassen.

Aartje van groot trilgras

Zo worden er op deze twee schiereilanden naast slanke naaldaar meer bijzondere grassen gevonden zoals laksteeltje (Catapodium marinum), plat beemdgras (Poa compressa), knolbeemdgras (Poa bulbosa), rattenstaartgras (Sporobolus indicus), met duizenden exemplaren klein fakkelgras (Rostraria cristata) en al heel lang kransgras (Polypogon viridis). Kransgras is tegenwoordig niet meer zeldzaam te noemen, maar pas in deze eeuw begon de opmars in Nederland met het Java-eiland als een van de startpunten.

Groot trilgras gedijt ook op houten balken

Tenslotte wordt er ook nog groot trilgras (Briza maxima) gevonden. Deze soort is eigenlijk de enige bijzondere grassoort hier die een verwildering is. Ruim 20 jaar geleden ontsnapte deze soort uit plantenbakken en wist zich op straat en kademuur te vestigen. Net zoals ons inheems trilgras, bevertjes (Briza media), heeft het korte en afgeplat brede aartjes hangend aan dunne stelen die in bij het minste briesje al trillen: vandaar de namen. Ook de wetenschappelijk naam Briza houdt met het trillen verband. ‘Briza’ komt van het Griekse ‘brithó’ = ik balanceer, vanwege de zeer beweeglijke aartjes. Groot trilgras is in alles een maatje forser dan bevertjes, maar verder erg gelijkend. Het is een vroege bloeier die begin juni al geheel is verdord. Als plantelijkjes zijn ze echter tot in de herfst te vinden. Groot trilgras komt massaal voor op de kaderand, vooral tussen het straatmeubilair van de woonbootbewoners. Fietsrekken zijn ook een fijne en veilige plek. Ook op de houten balk, die voor de kademuur als stootrand fungeert, en op de dukdalven komt het weelderig voor.

En het groeit in spleten

Ooit ontsnapt uit plantenpotten, komt het in potten nu spontaan op als gewenst onkruid. De groeiplaats is een kleine 200 meter lang en vertoont al jaren geen uitbreiding. Het milieu lijkt verderop langs de kade identiek, maar wellicht zit het verschil in de bodem. Deze eilanden waren oorspronkelijk golfbrekers en zijn voornamelijk met slib uit de vaargeul verbreed en  opgehoogd. Het was ook een mooie plek om overtollige grond kwijt te raken en mijn vermoeden is dat op de groeiplaats andere grond is gestort en de bodem ter plekke wat kalkrijker is. Groot trilgras kwam tot eind de vorige eeuw alleen voor langs de kusten van de Middellandse Zee en de Atlantische kust tot in Frans Baskenland, met een paar voorposten in Normandië. Waarschijnlijk door de toepassing als siergras wordt de soort tegenwoordig sporadisch gevonden in een groot deel van Europa. Maar alleen in Engeland, Wales en Nederland lijken er bestendige populaties te zijn ontstaan.

Maar met vondsten in slechts 40 atlasblokken zijn dat er in Nederland nog niet veel.

Bron: https://www.verspreidingsatlas.nl/5612

Ook uitgedroogd, is groot trilgras nog te herkennen.

Vlinderstruik

Een regelmatig verwilderende struik in het stedelijk gebied is de vlinderstruik (Buddleja davidii). Iedereen kent hem tegenwoordig. Daar hebben de tuincentra en de Vlinderstichting in eendrachtige samenwerking wel voor gezorgd. Toch is deze exoot uit China pas een jaar of 20 zo alomtegenwoordig. Eind 19de eeuw is de struik naar Europa gehaald. Door kwekers is vooral na de tweede wereldoorlog een variëteit aan kleuren ontwikkeld en door vergrote afzet daalde de prijs van de struiken. Toen ook nog de Vlinderstichting de struik aanbeval als bijdrage aan het behoud van vlinders, werd daar door het publiek zeer ontvankelijk op gereageerd. In elke straat vind je nu wel een of twee vlinderstruiken. De plant zelf liet zich ook niet onbetuigd. Vanaf 1980 heeft de plant zich langs de spoorwegen en in de stad explosief vermeerderd.

Een struik die zijn biotoop vindt.

De vlinderstruik is een pionier van droge stenige terreinen en vormt daardoor nauwelijks een bedreiging voor inlandse planten. En inderdaad, de plant heeft bloemen die bij uitstek geschikt zijn voor vlinders. De bloembuis is lang en smal, waardoor alleen insecten met een lange tong bij de nectar kunnen. Vlinders hebben zo een lange roltong. De vlinders hebben dus geen hinder van zweefvliegen en honingbijen. Maar op de vlinderstruik is meer te zien dan alleen dagvlinders, ook nachtvlinders komen er graag: gamma-uil, koperuil, goudvenstertje, huismoeder, witstipgrasuil en nog veel meer nachtvlinders zijn er op te vinden.

Vlinderstruik in de stad

De struik heeft nog een aanpassing aan insectenbestuiving: van een onbestoven bloem is het hartje geel, en daarmee goed zichtbaar voor insecten. Na bestuiving wordt het rood, een kleur die insecten slecht zien.

De geslachtsnaam ‘Buddleja’ is afgeleid van de Engelse botanicus Adam Buddle. De soortaanduiding ‘davidii’ verwijst naar pater Armand David, een Franse missionaris in China, die echter ook bioloog was en een groot aantal nieuwe planten en dieren ontdekte. Zijn bekendste ontdekking is het Pater-Davidshert.

Een zwammige zijsprong

Deze bijdrage is van Coby Stapel op verzoek van de redactie. Coby heeft verstand van paddenstoelen. Aan de redactie kwam de vraag van Pepijn Rijnja, aandacht te besteden aan de geschubde inktzwam. Bij dezen.

 

 

Deze website heet ‘Stadsplanten’.

Toch komt hier voor een keer een zijsprongetje naar een stadspaddenstoel. Waarmee niet gezegd wil zijn, dat planten en paddenstoelen aan elkaar verwant zijn. In elk geval niet meer, dan wij mensen verwant zijn aan salamanders.

In parken, plantsoenen, boomspiegels en bermen zien we natuurlijk wel eens paddenstoelen staan, maar in de echt stedelijke stenen omgeving komt dat toch maar zelden voor. De geschubde inktzwam (Coprinus comatus) durft echter ook de stenen stadsbiotoop te testen.

Hij staat dan zomaar in de goot of tussen trottoirband en trottoirtegels. Of tussen de kasseien.

Ook in stedelijke omgeving

Wie kent hem niet, deze opvallende van wit naar zwart verkleurende zwam. Hij doorloopt een ware metamorfose, van witte stevige, ovale cilinder via een klokvorm naar klein, ingekruld zwart hoedje op een hoge dunne steel. Langs de hoedrand druipen slierten zwarte inktdruppels.

Bijzonder is, dat deze gedaanteverwisseling wordt veroorzaakt door zelfconsumptie. Nadat de sporen zijn losgelaten, gaan de lamellen zichzelf  verteren. Ze krullen dan op, zodat de nog hoog in de nu klokvormige hoed aanwezige sporen, ook vrijkomen. Dit proces gaat door tot van het hele vruchtlichaam niets anders resteert dan zwarte inkt. Vroeger werd deze inkt wel gebruikt om te schrijven, maar was niet bestendig: verbleekte te snel.

De geschubde inktzwam is saprotroof, d.w.z dat hij vooral leeft van afgestorven vegetatie. Maar hij heeft nog een voedselbron : de geschubde inktzwam “eet” nematoden, bodemaaltjes. De zwamvlok scheidt een gifstof af, die de aaltjes verlamt. Vervolgens worden ze ingepakt met zwamdraden en in enkele dagen geheel verteerd.

Geschubde inktzwam iets rijper

Er zijn meer dan 100 soorten inktzwam, die door DNA-onderzoek zijn onderverdeeld in diverse geslachten :  Coprinus, Coprinellus, Croprinopsis. De naam zal zijn afgeleid van ‘coprea’, dat ‘vuilbek’ betekent en ja, inktzwammen lusten alles, sommige soorten zijn gespecialiseerd op uitwerpselen.

‘Comatus’ betekent ‘gekuifd’, vanwege de afstaande schubben aan de hoed.

 

Hemel of hel

Een aantal jaren geleden werd hier ter stede alarm  geroepen over de hemelboom (Ailanthus altissima). De reden was dat de gemeente Breda op een grote uitvalsweg nogal wat van die bomen in de middenberm plaatste. Naast het onloochenbare feit dat het hier een exoot betrof, zou deze ook nog invasief zijn.

Bomen groeien niet tot in de hemel en de hemelboom is daarop geen uitzondering. Zijn naam kreeg hij van de Engelsman Ph. Miller. Die beschreef in de achttiende eeuw de boom die hij gezien had in China. Hij noemde hem ‘hemelboom’. De geslachtsnaam ‘Ailanthus’ komt van het Maleise ‘aylanto’, dat boom van de hemel betekent. Onbekend is wat de boom hemels maakt. Wellicht vanwege het gebruik in de zijderupsteelt.

De Latijnse soortnaam ‘altissima’ betekent ‘de allerhoogste’. In feite wordt deze boom niet zo hoog, slechts 20 – 25 meter. Kortom, de naamgeving munt niet uit in adequaatheid.

Het meest opvallend aan de hemelboom zijn wel de bladeren. Die zijn 40 – 90 cm lang, oneven geveerd met 13 – 40 smalle, elliptische blaadjes, aan de voet grof getand. Van de blaadjes wordt beweerd dat ze onaangenaam ruiken. Dat hebben we bij de Bredase bomen niet kunnen vaststellen bij oudere bomen. Bij jonge bomen wel, en de geur heeft wel wat weg van aangebrande melk.

Groot, geveerd blad

De bladstengel is zacht behaard en bevat oranje merg. De schors is glad met lichte lengtestrepen.

De bloemen zijn klein, geelachtig wit in rechtopstaande pluimen en bloeien in juni-juli. Ook van de bloemen wordt beweerd dat ze stinken. Andere bronnen reppen van een vliergeur. Het vermoeden van demonisering door hemelboomhaters dringt zich op, want die zijn er.

De vruchten zijn gevleugelde nootjes, in grote, oranjekleurige trossen.

 

Vrolijk gekleurde vruchtjes in de nazomer

De hemelboom is tweehuizig. Man en vrouw wonen in aparte huizen. De bomen zijn dus eenslachtig, net als wilgen of hulst. De boom groeit ook verder uit wortelopslag en vanuit de stronk na kap.

Deelblad met zeer karakteristieke tand aan de voet.

In 1750 wordt hij voor het eerst ingevoerd in Frankrijk en van daaruit raakt hij verspreid over Europa.

In Nederland wordt hij als straat- en parkboom aangeplant. De boom heeft namelijk geen last van luchtvervuiling. Vooral Rotterdam is koploper geweest in het aanplanten van de hemelboom. Daar dragen de zaailingen zelf al weer vrucht.

De hemelboom vertoont dus alle trekken van een moderne stadsplant: mondiale verspreiding, snelle groeier, taai, thuis op verschillende grondsoorten en milieus, omstreden, maar onmiskenbaar aanwezig in onze wereld en een blijver.

Niettemin valt de woekering van de boom in Breda reuze mee: geen hemel en geen hel; meer iets er tussenin: een vagevuurboom.

 

 

 

 

 

vagevuurboom

Een raar gras

Deze bijdrage is van de hand van Peter Wetzels (Districtscoördinator Floron-afdeling Groot-Amsterdam). Hij vervangt Ton Denters op diens verzoek. Ton heeft het druk met het nieuwe boek ‘Stadsplanten van Nederland en Vlaanderen’.

 

Soorten die nieuw verschijnen in Nederland worden nogal eens niet herkend. Vooral als ze enigszins lijken op een andere soort die vrij vaak gevonden wordt. Het kan jaren duren voordat duidelijk wordt dat een vondst een nieuwkomer betreft.

Zo werd een nieuwe naaldaarsoort jarenlang niet werd opgemerkt. Er kwamen tot dan in Nederland een half dozijn soorten naaldaren voor. Het zijn eenjarige grassen met de aartjes in een dichte bloeiaar. Op de aarstelen staan stijve borstelharen, de ‘naalden’, die langer zijn dan het aartje en dus uit de bloeiaar steken. Vandaar de naam van het geslacht: naaldaar. In Nederland komen in de stad groene naaldaar (Setaria viridis) en geelrode naaldaar (Setaria pumila) als stadsplant voor waarbij de laatste soort beduidend zeldzamer is. Er zijn daarnaast nog drie andere naaldaren bekend, zeldzamer en voornamelijk akkeronkruiden. Tenslotte wordt teff of trosgierst (Setaria italica) regelmatig verwilderd gevonden.

Slanke (rechts) met groene (links) naaldaar KNSM-eiland 2016

De nieuwe niet herkende naaldaarsoort heeft in het Oostelijk Havengebied van Amsterdam een grote groeiplek. Het gaat om smalle naaldaar (Setaria parviflora); een soort die inheems is in het grootste deel van de Verenigde Staten. Deze soort werd eerst jarenlang aangezien voor geelrode naaldaar. Dat is niet zo vreemd want ook in de Verenigde Staten worden deze soorten soms met elkaar verward omdat beide soorten geelrode naalden hebben. Wat wel duidelijk verschilt zijn de aartjes van smalle naaldaar die de helft smaller zijn dan die van geelrode naaldaar. Maar er zijn meer kenmerken waarin ze verschillen. Smalle naaldaar is de enige naaldaar in Nederland die niet eenjarig is. De plant heeft ondergrondse uitlopers (stolonen) die op de op het KNSM eiland in het Oostelijk Havengebied langs een gevel tientallen meters aan spruiten vormt.

Smalle naaldaar met stolonen

Deze stolonen kruipen ook onder de bestrating door en in allerlei voegen komen de bladeren tevoorschijn. Ook de stoepranden en allerlei straatmeubilair zijn voorzien van een groen randje. Dus een stuk straat van 60 bij 20 meter wordt goeddeels gedomineerd door deze plant die eigenlijk één individu is.

Dat het geen eenjarige soort is, is eenvoudig te testen door een spruit uit de grond te trekken. Komen alle fijne wortels mee zonder veel kracht nodig te hebben dan is de plant eenjarig. Is de plant meerjarig dan kost het veel kracht en breekt de plant meestal bij de wortel af of er komt een stevig stuk afgebroken wortel mee. Bij slanke naaldaar breken de bladspruiten  meestal bij de wortels af. Tussen de straatstenen is de smalle naaldaar er niet uit te krijgen en alleen een vasthoudende florist is het een keer gelukt. Al met al lijkt de soort in zijn groeiwijze op een verkleinde versie van duinriet (Calamagrostis epigejos)

Omdat slanke naaldaar een vaste plant is bloeit hij ook vroeger dan de ander naaldaren. Al in juni zijn de aren met paarsrode helmhokjes te vinden. De ander soorten bloeien veel later in het seizoen vanaf eind juli. De donkerpaarse helmhokken zijn zeer opvallend en al voldoende om de soort op meters afstand te herkennen.

Smalle naaldaar heeft paars-rode helmhokken

Maar deze kennis is wijsheid achteraf. Daarom is de soort niet eerder herkend door verschillende waarnemers. Het was wel opgevallen dat de bloei vroeg was en dat de aren raar smal waren. Bij gebrek aan een alternatief werd het als geelrode naaldaar benoemd. Maar echt bevredigend was dit niet. Dit gevoel werd weggeredeneerd als zijnde een plant met een virus.

Afijn, dit had zo lang kunnen blijven als niet twee jaar later tijdens een Floron-excursie in 2016 door een deelnemer geopperd werd dat het raar was dat smalle naaldaar nog niet was gevonden in Nederland en bij een ander deelnemer het kwartje viel toen hij een beschrijving van de soort hoorde. Binnen een paar dagen was de groeiplaats bezocht en de nieuwe soort bevestigd. Tot groot enthousiasme van beiden. De één omdat hij eindelijk de langverwachte soort had gevonden en de ander omdat die eindelijk wist waarom dat gras zo raar oogde.

 

Wauw het is wouw

Niet ver van mijn woning ligt langs de A-27 bij Bavel een zeer hoge geluidswal. Bijna 2 km lang en 15 m hoog. De zijde aan de snelweg is stijl, de andere zijde is glooiend, zodat er een behoorlijk oppervlak voor begroeiing is. Ongeveer 10 jaar geleden heeft de toenmalige stadsecoloog van de gemeente Breda een tamelijk uitzinnig mengsel van ongeveer 80 soorten van Zuid-Franse origine doen uitzaaien.

Wilde reseda, meer bossig

Het resultaat was en is ernaar. Natuurlijk zijn er een aantal soorten verdwenen, maar een groot aantal floreert en enkele trekken zelfs de omgeving in. Het omgekeerde gebeurt natuurlijk ook. Wat helpt is de zuidwestelijke projectie van de glooiende kant, de warme zomers en het feit dat aan de schanskorven bovenin, kalksteen is toegevoegd.

Blad wilde reseda gegolfd in Bavel

Al jaren meen ik daar alleen wilde reseda (Reseda lutea) te zien, totdat tijdens een inventarisatie elders, iemand bij de melding ‘reseda’ vroeg naar het blad te kijken. Het bleek wouw (Reseda luteola) te zijn. Terug naar mijn geluidswal bleek daar dat de helft van de ‘reseda’ , wouw te zijn. Ja, je ziet het pas als je het door hebt.

Goed, dan nu de verschillen. Het meest zekere kenmerk om op te letten is de vrucht. Bij wilde reseda is dit een vierkantig kokertje op een duidelijke steel. Bij wouw is dit een propje met geprononceerde, uitspringende hoeken en kort gesteeld.

Blad wouw zwak gegolfd in Bavel

De stengelbladen bij wilde reseda zijn diep ingesneden. Bij wouw is het stengelblad ongedeeld, maar heeft wel tandjes aan de voet. Bij de voet zit soms ook de aanzet van andere stengelbladen. Dat maakt het lastig om te zien of je met een of meer bladen hebt te maken. Daar komt bij dat zowel in Heukels 2005 als in de oecologische Flora staat dat alleen bij wouw het blad sterk gegolfd is. Op de geluidswal golft juist het blad van wilde reseda sterk. Vergeten dus dit kenmerk als onderscheidend.

Vrucht van wouw
Vrucht wilde reseda

Verder is er een habitusverschil. Wouw is hoger, slanker. Reseda is korter, bossiger, meer vertakt.

Wouw is vanouds een verfplant voor gele kleurstof. De verklaring voor de Nederlandse naam is niet zeker. Als meest waarschijnlijke wordt genoemd ‘hoog opschietend’. Vergelijk ‘woud’. Gelet op de habitus is die betekenis niet onlogisch.

De wetenschappelijke naam ‘reseda’ betekent ‘weer stillen” , ‘weer helen’. De plant werd gebruikt als geneesmiddel tegen gezwellen en ontstekingen. De soortaanduiding ‘lutea’ voor wilde reseda, betekent ‘geel’. De soortaanduiding ‘luteola’ voor wouw, betekent ‘geelachtig’.

Die soortaanduidingen horen dus eigenlijk gewisseld te worden. Helaas, gaat niet meer. Voor eeuwig verkeerd.

Bloem wouw
Bloem wilde reseda

Klimopbremraap

Zowel in de voortuin als de achtertuin staat bij ons klimop. Sinds een jaar of vijf verschijnt om de paar jaar, onregelmatig, dan wel in de voortuin, dan wel in de achtertuin, klimopbremraap (Orobanche hederae). Het is niet uitgesloten dat hij vaker is verschenen en niet opgemerkt. Per definitie groeit hij in de schaduw van klimop en de plant is van een afstand niet heel opvallend. Van dichtbij blijkt hij toch wel mooi en bijzonder met zijn crêpepapier-achtige bloemen met geel hart op een rode, behaarde achtergrond.

Bremrapen zijn parasitaire planten die alle een specifieke gastheer hebben. Zo zie je klavervreter bij klaver, de distelbremraap bij distel en de klimopbremraap bij klimop. Er zijn in Nederland ongeveer tien en ze zijn eigenlijk allemaal tamelijk zeldzaam. De meeste groeien op open terrein, want houden van warmte. Ik herinner me woekeringen van bremraap in het Middellandse Zeegebied.

Klimopbremraap is dus de uitzondering omdat hij in de schaduw groeit. Ook in zeldzaamheid is hij een uitzondering omdat hij wat lijkt toe te nemen.

Klimop en bremraap

Tot de bremraapfamilie behoort ook ratelaar en ogentroost. Dat zijn halfparasieten, want ze hebben nog wel bladgroen. Bremraap niet.

De Nederlandse naam ‘bremraap’ is afkomstig van de grote bremraap die op brem parasiteert met een ondergronds knol- of raapachtig orgaan. De wetenschappelijke geslachtsnaam ‘orobanche’ en betekent iets als ‘peulvruchtenwurger’. Ook hier is de geslachtsnaam afkomstig van een soort, die kennelijk nogal in gaten liep: hij dook op in de moestuinen van de Grieken en Romeinen.

De wetenschappelijke soortaanduiding ‘hederae’ betekent ‘klimop’.

 

 

De wilde tuin

Deze bijdrage is van de hand van Peter Wetzels (Districtscoördinator Floron-afdeling Groot-Amsterdam). Hij vervangt Ton Denters op diens verzoek. Ton heeft het druk met het nieuwe boek ‘Stadsplanten van Nederland en Vlaanderen’.

 

In een stad vormen tuinen een belangrijke gebied voor wilde planten. Tuinen nemen een groot deel van de stadsruimte in en, belangrijker, er zijn tuinen waar niet zo strak onkruid wordt bestreden als door de gemeentelijke diensten. Ook het milieu is anders dan aan de voorkant van het thuis: vaak minder steen, koeler, rijkere grond en vochtiger.

Aangeplante of ingezaaide planten in tuinen tellen niet mee voor onze wilde flora. Anderzijds zijn paarse dovenetel (Lamium purpureum), schijnaardbei (Potentilla indica) en tuinwolfsmelk (Euphorbia peplus) voorbeelden van soorten die in de stad voornamelijk in tuinen te vinden zijn. Het zijn vaste gasten. Die tellen wel mee want tuinen zijn hun biotoop.

Er is echter een vrij grote groep soorten waar het minder eenduidig is. Dat zijn soorten die spontaan in tuinen voorkomen, maar worden ook aangeplant of ingezaaid. Of ze in sommige gevallen als  spontaan en wild of verwilderd gekenmerkt mogen worden leidt soms tot uitvoerige discussies.

Zo zijn in mijn tuin soorten als gele helmbloem, betonie en hartgespan spontaan opgekomen. Omdat deze soorten ook regelmatig in tuinen aangeplant of ingezaaid worden worden ook spontane opkomst in tuinen door velen niet als wild geaccepteerd. Betonie en hartgespan had ik te danken aan excursies in fraaie natuurgebieden. Na afloop de schoenen uitkloppen in mijn tuin was een cruciale stap.

Van betonie (Stachys officinalis) is duidelijk dat mijn locatie niet meetelt voor zijn natuurlijke verspreiding: deze soort komt vooral voor in Zuid-Limburg en de tuin is geen normale biotoop.

Bij hartgespan (Leonurus cardiaca) is het iets minder helder. De soort groeit vaak op omgewerkte, humeuze grond en ruderale plaatsen en een tuin past binnen zijn natuurlijke milieuvoorkeur.

De gele helmbloem (Pseudofumaria lutea) had ik te danken aan de ontlasting van houtduiven, die op een schutting loerden op een kans om mij van mijn kersen te beroven. Houtduiven zie je vaak op straat pikken op zoek naar zaadjes. Niet alles wordt verteerd en de restanten lozen ze natuurlijk op de meest onhandige plekken. Op deze wijze hebben ze mijn tuin verrijkt met deze fraaie soort. Mijn gele helmbloemen zijn een stadse soort, groeiend in een gebruikelijke biotoop en geheel natuurlijk verspreid. Als ik het zo beschrijf zal iedereen beamen dat dit wilde exemplaren zijn, maar dan word ik wel op mijn bruine ogen geloofd.

Er groeien vier leuke soorten in mijn tuin die minder discussie zullen geven. Al was het maar dat ze in de stad vooral te vinden zijn in de voegen van de bestrating. Zo ook in mijn tuin.

Gehoornde klaverzuring loopt vaak wat rood aan

Het gaat om stijve klaverzuring, gehoornde klaverzuring, kransgras en stijf hardgras die allen het stukje steenwerk in mijn tuin verfraaien. Natuurlijk zijn ze in mijn tuin terecht gekomen als zaad aan mijn schoenen klevend, opgepikt tijdens mijn stadse planteninventarisaties.

Stijve klaverzuring

Stijve klaverzuring (Oxalis stricta), afkomstig uit Noord-Amerika en in de 17e eeuw in Europa ingeburgerd, is het minst gebonden aan een steenwoestijn. Menig tuin wordt verfraaid door deze sierlijke plant. Haar uiterlijk heeft zij mee en wordt bij het wieden vaak gespaard. Haar zusje gehoornde klaverzuring (Oxalis corniculata) is wat meer gebonden aan de straat. Met haar fraaie bruinrode bladeren werd het vroeger als tuinplant verkocht. Ooit inheems in Zuid-Europa komt het nu wereldwijd voor.

Kransgras en stijf hardgras zijn mijn kampioenen van de straat. Deze soorten zijn vrijwel uitsluitend op stenige plaatsen te vinden. Tot deze eeuw waren dit zeer zeldzame grasjes en ze zijn pas in de laatste jaren sterk opkomend. Kransgras (Polypogon viridis) heb ik al enige jaren in mijn tuin. Deze Zuid-Europese soort heeft eind vorige eeuw op eigen kracht Nederland bereikt. Meestal kleine groeiplekken in de schaduwrijke stegen en langs gevels. In het nabijgelegen Amsterdam-Oost kwam er echter een groeiplaats van enige duizenden exemplaren voor. Het is dan ook niet raar dat deze soort in mijn tuin opdook.

Mijn kampioen: stijf hardgras

De laatste aanwinst is stijf hardgras (Catapodium rigidum). Deze soort leek een halve eeuw geleden uit Nederland te verdwijnen. Het stond vooral op oude muren en steile wanden in steengroeven en nam in aantal af. Door de opwarming heeft het een nieuwe biotoop kunnen vinden: de straat en komt nu vooral in de Randstad voor. Een paar weken geleden plukte in gedachteloos een halm van een miniem grasje. Tot mijn verbazing was het stijf hardgras, een toch nog zeldzame soort. Ik had begin mei deze soort aangetroffen bij de Buiksloterwegveer in Amsterdam-Noord. Kwam het zaad daar vandaan? Bij nader inzien denk ik van niet. Gaandeweg doken er namelijk meer exemplaren op in alle hoeken van mijn tuin. Nu zijn er ruim dertig: van minieme verkreukelde exemplaren in de looproute tot forse exemplaren langs de muur en borderrand. De soort moet er minstens een jaar aanwezig zijn en vermoedelijk wel langer. Domweg over het hoofd gezien. Het Japanse spreekwoord: ‘Aan de voet van de vuurtoren is het donker’, vind ik hier zeer toepasselijk.

 

Droogteprofiteurs?

De auteur van dit stukje is Erik van der Hoeven. Door een tijdelijk technisch probleem kan hij dit keer niet met eigen account publiceren.

Het is meer floristen in mijn omgeving opgevallen: in stedelijke gazons staan dit voorjaar opmerkelijk veel reigersbekken (Erodium cicutarium). Het ziet soms helemaal roze. Zie foto boven.

Hoe zou dat komen? Heeft de droge zomer van 2018 de concurrentie verzwakt? Of is het aantal zaden als reactie op de droogte toegenomen? Je zou ook kunnen denken dat de kiemkracht van de zaden door de droogtebehandeling is toegenomen. Wat het ook mag zijn, de gevolgen zijn prachtig.

In Nederland worden meestal twee ondersoorten van Erodium cicutarium onderscheiden. Ten eerste de gewone reigersbek (E.cicutarium subsp.cicutarium) en daarnaast de duinreigersbek (E.cicutarium subsp. dunense). De reigersbek in de stedelijke gazons van Breda is de gewone reigersbek.

De bloemen zijn tweezijdig symmetrisch

Dat kun je zien aan de donkere vlekken aan de voet van de twee bovenste, korte kroonbladeren. Zie foto. Op het eerste gezicht lijken die bloemen gewoon heel regelmatig, maar je ziet dat de kroonbaden niet allemaal gelijk zijn. De bloemen zijn derhalve tweezijdig symmetrisch.

Er zijn meer soorten die ons, wat betreft uitbundigheid betreft, opgevallen zijn. Een voorbeeld is de paarse dovenetel (Lamium purpureum). Zie ook Paarse dovenetel – gesloten bloemen en mierenbroodjes.

De paarse dovenetel bloeit ook uitbundig.

Op een of andere manier trekt die wat minder aandacht. Misschien omdat hij er wat ‘slordig’ uitziet. Maar al vroeg in het jaar kwamen we forse oppervlakten met deze plant tegen. Er was kennelijk veel zaad aanwezig, want de paarse dovenetel staat bekend als éénjarig. En de concurrentie om een plekje was wellicht afgenomen.