Home » Archieven voor Aad van Diemen

Auteur: Aad van Diemen

Biografie

Na een studie Sociale wetenschappen enige tijd werkzaam geweest als onderzoeker en docent.
Daarna tot het pensioen als beleidsmedewerker Sociale Zaken bij de gemeente Rotterdam. Van jongs af aan met de verrekijker op stap voor vogels. Daarna ook planten, paddenstoelen en bijen, wespen en dagvlinders. Een dag in de week werk ik als conservator bijen en wespen in het Natuurmuseum Brabant. Ben bestuurslid IVN en natuurgids bij die club en bij SBB. Verder was ik eindredacteur, medeauteur en medefotograaf van het boek ‘Stadsplanten van Breda’ dat een paar jaar geleden is uitgebracht.

Winterakoniet

In 2016 kwam ik net buiten het dorp voor het eerst winterakoniet (Eranthis hyemalis) tegen aan de rand van een bosje. Niet echt als een stadsplant van de stenen stad, maar duidelijk een tuinstortoverlever in de groene stad. Dit jaar vond ik er een aantal midden in de stenen stad. Het waren duidelijk zaailingen. Op de foto is te zien dat de moederplanten aan de rand van het tuinmuurtje staan en hun zaden over de rand hebben laten vallen, waarna kieming op een favoriete stadsplantenplek heeft plaatsgevonden: precies op de naad van muur en stoep.

Zaailingen op de naad van muur en stoep

De geslachtsnaam ‘Eranthis’ komt van het Grieks eros=lente en anthos=bloem. De soortaanduiding ‘hyemalis’ van het Latijnse hyemis=winter.

Winterakonieten zijn al lang ingeburgerde planten. De herkomst is weliswaar zuidelijk, maar ze zijn hier vanaf de zeventiende  eeuw als stinzenplant.  In Brabant is het zeker geen gewone verschijning. Je moet winterakonieten zoeken langs de kust, Noord-Friesland en Zuid-Limburg.

Winterakoniet als stadsplant

Maar gelukkig duikt hij soms op als stadsplant in Breda. Het is een van de leukste voorjaarsplanten met zijn olijke kraag waar de gele bloem zo mooi bij afsteekt.

 

Onsmakelijke bessen in een tros

Toen ik pas begon met planten te inventariseren kwam ik een enkele keer Oosterse karmozijnbes (Phytolacca esculenta) tegen. De bloemen van deze soort staan in een tros en zijn groenachtig wit. Later verkleuren ze tot vuilroze. De rijpe vruchten steken hier heel opvallend tegen af: zwartpaarse braamachtige vruchten met een vleeskleur als achtergrond. In de eerste instantie vond ik de bloeiwijze er onsmakelijk uitzien. Een associatie met slecht genezen vleeswonden was er debet aan. Toen ik de bessen beter bekeek bleken ze een sierlijke druppelvormige vorm te hebben en begon ik het geheel wat meer te waarderen.

De bladeren zijn elliptisch en vrij groot en staan aan stevige wijd uitstaande takken wat de plant een statig uiterlijk geeft.

Stevige elliptische bladeren

Ik vond Oosterse karmozijnbes in het begin vooral in tuinen. Ik noteerde ze niet vanwege het dogma dat in tuinen niets gestreept mocht worden. Wat mij wel opviel was dat de forse plant vaak op plekken stond waar een tuinier of hovenier ze van z’n lang zal ze leven niet zou planten. Net naast een boom bijvoorbeeld. Of midden in een buxushaag (toen nog wel) of net naast een oprit. Karmozijnbes heeft een struikvormig vorm, groeit ook snel en voordat de eigenaar in de gelegenheid is om de plant met wortel en al te verwijderen, presenteert zij haar opvallende sappige vruchten. Een aanleiding om toch maar even te wachten met de schoffel.

Vrucht van de Westerse karmozijnbes

Het is de eerste soort struik of boom waarvan ik duidelijk merkte dat vooral vogels er voor zorgen dat de soort op de gekste plekken opduikt. Dit heeft Oosterse karmozijnbes natuurlijk gemeen met vele besdragende houtige soorten als lijsterbes en meidoorn, maar in de stad valt het bij de karmozijnbes en andere zeldzame soorten zoals taxus en hulst echt op. Zo heb ik een keer in een steeg in Diemen kiemplanten van taxus, hulst én karmozijnbes op een kluitje gevonden. De witte strepen op een schutting gaven al aan dat in een boom die de steeg overhuifde een rustplek was van, waarschijnlijk, een houtduif. Lekker overdag besjes eten en dan ‘s nachts de pitjes lozen. Een overtuigender bewijs van zoöchorie heb ik zelden gevonden. Zoöchorie dat is botanisch potjeslatijn; komt dus van het Grieks (!) en zoö betekent dier of levend wezen en chorous betekent verspreiden.

Drie zaailingen van besdragende struiken: hulst, karmozijnbes, taxus.

Wildplukken en eten uit de natuur is nu dé mode. Ik krijg tegenwoordig dan ook vaak de vraag of iets eetbaar is. Als dit het geval is, voeg ik er altijd aan toe dat er een groot verschil is tussen eetbaar en lekker. Dit geldt bij uitstek voor de karmozijnbes. De rijpe bessen zijn eetbaar maar smakeloos. Het sap wordt wel gebruikt om eten te kleuren. De onrijpe bessen zijn giftig, evenals de rest van de plant, met name de penwortel.

Omdat het klimaat opwarmt, komt karmozijnbes tegenwoordig vaker voor en dan vooral langs muren en stegen. De soort houdt van zonnige tot licht beschaduwde, open plaatsen op vochtige, voedselrijke grond. Blijkbaar kan zij bij een warmer klimaat met minder zon toe en komt het nu ook in stegen en andere sombere plekken op.

Er is een tweede soort karmozijnbes en de lezer raadt het al: de Westerse karmozijnbes (Phytolacca americana). Komt de oosterse karmozijnbes oorspronkelijk uit Oost-Azië, de Westerse karmozijnbes heeft zijn thuisland in Noord-Amerika. De vruchtbeginsels zijn bij de westerse karmozijnbes vergroeid en leiden tot maar één grote bes. Bij de Oosterse karmozijnbes blijven vruchtbeginsels los van elkaar net zoals bij bramen. Ook verschilt het aantal meeldraden en stijlen tussen de twee soorten. Bij de Oosterse beide 8 en bij de westerse beide 10.

Ik kwam de Westerse karmozijnbes nooit tegen en kreeg het idee dat zij in Nederland niet meer voorkwam. Dat was een misvatting. Ik vond de soort midden een droog bos in het Leudal. Van een lokale florist begreep ik dat op de grens van Brabant en Limburg de Westerse karmozijnbes niet zeldzaam is en zich als een bosplant gedraagt. Dat is niet wat in de Heukels staat, maar wellicht is dat bijgewerkt in de nieuwe editie en misschien ook in de nieuwe stadsflora van Ton Denters.

 

Klimopbij erbij

Klimop (Hedera helix) is een stadsplant die zich in mijn bijzondere belangstelling mag verheugen. Dat heeft alles te maken met mijn belangstelling voor insecten; wilde bijen en wespen in het bijzonder.

In de stad is klimop de laatste jaren toegenomen, is mijn indruk. De reden is dat klimop als onderdeel van tuinafscheiding in de mode is geraakt. Al heel simpel is wat betonijzer tussen twee palen gezet en dan klimop ertegenaan. Min of meer gelijktijdig arriveerde een zuidelijke bij, de klimopbij (Colletes hederae) in Limburg. We spreken over 10 jaar geleden. Vanuit Limburg begint de klimopbij een gestage opmars naar het Noorden. In 2017 trof een collega de eerste in een plantsoen in Breda aan. In 2018 vond ik de eerste in mijn tuin, en in dat zelfde jaar werden door mij en anderen tientallen klimopbijen in Breda gesignaleerd. De klimopbij is een forse bij, zo groot als een honingbij en lijkt er ook wel op. Je moet letten op de bandjes op het achterlijf. Die heeft de klimopbij wel en de honingbij niet.

De klimop moet wel bloeien voor veel insecten.

Klimop is uit ecologisch standpunt een belangrijke stadsplant. Vogels vinden er dekking in en vooral merels nestelen er graag in. Het is daar doorgaans veiliger voor katten dan in struiken en ook voor andere predatoren als eksters biedt klimop goede dekking.

Het is een waardplant voor het boomblauwtje, kolonies mieren lopen meters omhoog en omlaag om luizen te melken, er huizen vele soorten spinnen en kevers. Om klimop te laten bloeien moet je in ieder geval een deel niet snoeien. Bij voorkeur het deel dat in de zon staat, vaak de bovenkant.

Bloeit de klimop dan sta je verbaasd over de hoeveelheid insecten die wekenlang op de bloemen afkomt.

Het zoemt op zonnige dagen van jewelste: klimopbijen, blinde bijen, limonadewespen, hoornaars, diverse hommelsoorten, atalanta’s, aurelia’s, diverse graafwespen, sluipwespen, vleesvliegen, enz. In de winter tot in de vroege lente vormen de zwarte bessen voedsel voor lijsters en spreeuwen.

Heb je geluk, zoals ik, dan kun je in je eigen tuin ook nog de klimopbremraap scoren.

Klimopbremraap heeft een mooie, snel verwelkende bloem.
Klimopbremraap is ongeveer 10 cm hoog.

Trilgras

In de vorige stadsplantenbijdrage besprak ik slanke naaldaar (Setaria parviflora). De vindplaats is het KNSM-eiland, wat samen met het Java-eiland in het oostelijk havengebied van Amsterdam al decennia een hotspot is voor bijzondere plantvondsten. De twee eilanden, eigenlijk schiereilanden, waren ooit dé plek voor havenactiviteiten, maar die vielen in de loop der jaren weg door de opkomst van de luchtvaart en het stilvallen van de handel op de Oost. Dit desolate gebied werd vanaf het einde van de jaren zeventig in bezit genomen door krakers, kunstenaars en stadsnomaden. Nog geen 15 jaar later werd alles herontwikkeld tot een woonwijk.

Ondanks deze veranderingen bleef deze omgeving een plek om bijzondere soorten te spotten. Was ooit de scheepvaart de reden voor bijzondere vondsten, later gaf het massaal braakliggen genoeg plek voor allerhande soorten. Tegenwoordig wonen er mensen die geen behoefte hebben aan een steriel, schoongespoten en dito geborstelde straatbeeld. Integendeel; rijen plantenpotten en dito bakken, geveltuinen en overhoekjes geven wilde en verwilderde planten alle ruimte.

De gekste verwilderingen zijn hier te vinden alsmede de voorhoede van warmteminnende soorten uit het zuiden. Maar ik beperk me nu tot de grassen.

Aartje van groot trilgras

Zo worden er op deze twee schiereilanden naast slanke naaldaar meer bijzondere grassen gevonden zoals laksteeltje (Catapodium marinum), plat beemdgras (Poa compressa), knolbeemdgras (Poa bulbosa), rattenstaartgras (Sporobolus indicus), met duizenden exemplaren klein fakkelgras (Rostraria cristata) en al heel lang kransgras (Polypogon viridis). Kransgras is tegenwoordig niet meer zeldzaam te noemen, maar pas in deze eeuw begon de opmars in Nederland met het Java-eiland als een van de startpunten.

Groot trilgras gedijt ook op houten balken

Tenslotte wordt er ook nog groot trilgras (Briza maxima) gevonden. Deze soort is eigenlijk de enige bijzondere grassoort hier die een verwildering is. Ruim 20 jaar geleden ontsnapte deze soort uit plantenbakken en wist zich op straat en kademuur te vestigen. Net zoals ons inheems trilgras, bevertjes (Briza media), heeft het korte en afgeplat brede aartjes hangend aan dunne stelen die in bij het minste briesje al trillen: vandaar de namen. Ook de wetenschappelijk naam Briza houdt met het trillen verband. ‘Briza’ komt van het Griekse ‘brithó’ = ik balanceer, vanwege de zeer beweeglijke aartjes. Groot trilgras is in alles een maatje forser dan bevertjes, maar verder erg gelijkend. Het is een vroege bloeier die begin juni al geheel is verdord. Als plantelijkjes zijn ze echter tot in de herfst te vinden. Groot trilgras komt massaal voor op de kaderand, vooral tussen het straatmeubilair van de woonbootbewoners. Fietsrekken zijn ook een fijne en veilige plek. Ook op de houten balk, die voor de kademuur als stootrand fungeert, en op de dukdalven komt het weelderig voor.

En het groeit in spleten

Ooit ontsnapt uit plantenpotten, komt het in potten nu spontaan op als gewenst onkruid. De groeiplaats is een kleine 200 meter lang en vertoont al jaren geen uitbreiding. Het milieu lijkt verderop langs de kade identiek, maar wellicht zit het verschil in de bodem. Deze eilanden waren oorspronkelijk golfbrekers en zijn voornamelijk met slib uit de vaargeul verbreed en  opgehoogd. Het was ook een mooie plek om overtollige grond kwijt te raken en mijn vermoeden is dat op de groeiplaats andere grond is gestort en de bodem ter plekke wat kalkrijker is. Groot trilgras kwam tot eind de vorige eeuw alleen voor langs de kusten van de Middellandse Zee en de Atlantische kust tot in Frans Baskenland, met een paar voorposten in Normandië. Waarschijnlijk door de toepassing als siergras wordt de soort tegenwoordig sporadisch gevonden in een groot deel van Europa. Maar alleen in Engeland, Wales en Nederland lijken er bestendige populaties te zijn ontstaan.

Maar met vondsten in slechts 40 atlasblokken zijn dat er in Nederland nog niet veel.

Bron: https://www.verspreidingsatlas.nl/5612

Ook uitgedroogd, is groot trilgras nog te herkennen.

Vlinderstruik

Een regelmatig verwilderende struik in het stedelijk gebied is de vlinderstruik (Buddleja davidii). Iedereen kent hem tegenwoordig. Daar hebben de tuincentra en de Vlinderstichting in eendrachtige samenwerking wel voor gezorgd. Toch is deze exoot uit China pas een jaar of 20 zo alomtegenwoordig. Eind 19de eeuw is de struik naar Europa gehaald. Door kwekers is vooral na de tweede wereldoorlog een variëteit aan kleuren ontwikkeld en door vergrote afzet daalde de prijs van de struiken. Toen ook nog de Vlinderstichting de struik aanbeval als bijdrage aan het behoud van vlinders, werd daar door het publiek zeer ontvankelijk op gereageerd. In elke straat vind je nu wel een of twee vlinderstruiken. De plant zelf liet zich ook niet onbetuigd. Vanaf 1980 heeft de plant zich langs de spoorwegen en in de stad explosief vermeerderd.

Een struik die zijn biotoop vindt.

De vlinderstruik is een pionier van droge stenige terreinen en vormt daardoor nauwelijks een bedreiging voor inlandse planten. En inderdaad, de plant heeft bloemen die bij uitstek geschikt zijn voor vlinders. De bloembuis is lang en smal, waardoor alleen insecten met een lange tong bij de nectar kunnen. Vlinders hebben zo een lange roltong. De vlinders hebben dus geen hinder van zweefvliegen en honingbijen. Maar op de vlinderstruik is meer te zien dan alleen dagvlinders, ook nachtvlinders komen er graag: gamma-uil, koperuil, goudvenstertje, huismoeder, witstipgrasuil en nog veel meer nachtvlinders zijn er op te vinden.

Vlinderstruik in de stad

De struik heeft nog een aanpassing aan insectenbestuiving: van een onbestoven bloem is het hartje geel, en daarmee goed zichtbaar voor insecten. Na bestuiving wordt het rood, een kleur die insecten slecht zien.

De geslachtsnaam ‘Buddleja’ is afgeleid van de Engelse botanicus Adam Buddle. De soortaanduiding ‘davidii’ verwijst naar pater Armand David, een Franse missionaris in China, die echter ook bioloog was en een groot aantal nieuwe planten en dieren ontdekte. Zijn bekendste ontdekking is het Pater-Davidshert.

Een zwammige zijsprong

Deze bijdrage is van Coby Stapel op verzoek van de redactie. Coby heeft verstand van paddenstoelen. Aan de redactie kwam de vraag van Pepijn Rijnja, aandacht te besteden aan de geschubde inktzwam. Bij dezen.

 

 

Deze website heet ‘Stadsplanten’.

Toch komt hier voor een keer een zijsprongetje naar een stadspaddenstoel. Waarmee niet gezegd wil zijn, dat planten en paddenstoelen aan elkaar verwant zijn. In elk geval niet meer, dan wij mensen verwant zijn aan salamanders.

In parken, plantsoenen, boomspiegels en bermen zien we natuurlijk wel eens paddenstoelen staan, maar in de echt stedelijke stenen omgeving komt dat toch maar zelden voor. De geschubde inktzwam (Coprinus comatus) durft echter ook de stenen stadsbiotoop te testen.

Hij staat dan zomaar in de goot of tussen trottoirband en trottoirtegels. Of tussen de kasseien.

Ook in stedelijke omgeving

Wie kent hem niet, deze opvallende van wit naar zwart verkleurende zwam. Hij doorloopt een ware metamorfose, van witte stevige, ovale cilinder via een klokvorm naar klein, ingekruld zwart hoedje op een hoge dunne steel. Langs de hoedrand druipen slierten zwarte inktdruppels.

Bijzonder is, dat deze gedaanteverwisseling wordt veroorzaakt door zelfconsumptie. Nadat de sporen zijn losgelaten, gaan de lamellen zichzelf  verteren. Ze krullen dan op, zodat de nog hoog in de nu klokvormige hoed aanwezige sporen, ook vrijkomen. Dit proces gaat door tot van het hele vruchtlichaam niets anders resteert dan zwarte inkt. Vroeger werd deze inkt wel gebruikt om te schrijven, maar was niet bestendig: verbleekte te snel.

De geschubde inktzwam is saprotroof, d.w.z dat hij vooral leeft van afgestorven vegetatie. Maar hij heeft nog een voedselbron : de geschubde inktzwam “eet” nematoden, bodemaaltjes. De zwamvlok scheidt een gifstof af, die de aaltjes verlamt. Vervolgens worden ze ingepakt met zwamdraden en in enkele dagen geheel verteerd.

Geschubde inktzwam iets rijper

Er zijn meer dan 100 soorten inktzwam, die door DNA-onderzoek zijn onderverdeeld in diverse geslachten :  Coprinus, Coprinellus, Croprinopsis. De naam zal zijn afgeleid van ‘coprea’, dat ‘vuilbek’ betekent en ja, inktzwammen lusten alles, sommige soorten zijn gespecialiseerd op uitwerpselen.

‘Comatus’ betekent ‘gekuifd’, vanwege de afstaande schubben aan de hoed.

 

Hemel of hel

Een aantal jaren geleden werd hier ter stede alarm  geroepen over de hemelboom (Ailanthus altissima). De reden was dat de gemeente Breda op een grote uitvalsweg nogal wat van die bomen in de middenberm plaatste. Naast het onloochenbare feit dat het hier een exoot betrof, zou deze ook nog invasief zijn.

Bomen groeien niet tot in de hemel en de hemelboom is daarop geen uitzondering. Zijn naam kreeg hij van de Engelsman Ph. Miller. Die beschreef in de achttiende eeuw de boom die hij gezien had in China. Hij noemde hem ‘hemelboom’. De geslachtsnaam ‘Ailanthus’ komt van het Maleise ‘aylanto’, dat boom van de hemel betekent. Onbekend is wat de boom hemels maakt. Wellicht vanwege het gebruik in de zijderupsteelt.

De Latijnse soortnaam ‘altissima’ betekent ‘de allerhoogste’. In feite wordt deze boom niet zo hoog, slechts 20 – 25 meter. Kortom, de naamgeving munt niet uit in adequaatheid.

Het meest opvallend aan de hemelboom zijn wel de bladeren. Die zijn 40 – 90 cm lang, oneven geveerd met 13 – 40 smalle, elliptische blaadjes, aan de voet grof getand. Van de blaadjes wordt beweerd dat ze onaangenaam ruiken. Dat hebben we bij de Bredase bomen niet kunnen vaststellen bij oudere bomen. Bij jonge bomen wel, en de geur heeft wel wat weg van aangebrande melk.

Groot, geveerd blad

De bladstengel is zacht behaard en bevat oranje merg. De schors is glad met lichte lengtestrepen.

De bloemen zijn klein, geelachtig wit in rechtopstaande pluimen en bloeien in juni-juli. Ook van de bloemen wordt beweerd dat ze stinken. Andere bronnen reppen van een vliergeur. Het vermoeden van demonisering door hemelboomhaters dringt zich op, want die zijn er.

De vruchten zijn gevleugelde nootjes, in grote, oranjekleurige trossen.

 

Vrolijk gekleurde vruchtjes in de nazomer

De hemelboom is tweehuizig. Man en vrouw wonen in aparte huizen. De bomen zijn dus eenslachtig, net als wilgen of hulst. De boom groeit ook verder uit wortelopslag en vanuit de stronk na kap.

Deelblad met zeer karakteristieke tand aan de voet.

In 1750 wordt hij voor het eerst ingevoerd in Frankrijk en van daaruit raakt hij verspreid over Europa.

In Nederland wordt hij als straat- en parkboom aangeplant. De boom heeft namelijk geen last van luchtvervuiling. Vooral Rotterdam is koploper geweest in het aanplanten van de hemelboom. Daar dragen de zaailingen zelf al weer vrucht.

De hemelboom vertoont dus alle trekken van een moderne stadsplant: mondiale verspreiding, snelle groeier, taai, thuis op verschillende grondsoorten en milieus, omstreden, maar onmiskenbaar aanwezig in onze wereld en een blijver.

Niettemin valt de woekering van de boom in Breda reuze mee: geen hemel en geen hel; meer iets er tussenin: een vagevuurboom.

 

 

 

 

 

vagevuurboom

Een raar gras

Deze bijdrage is van de hand van Peter Wetzels (Districtscoördinator Floron-afdeling Groot-Amsterdam). Hij vervangt Ton Denters op diens verzoek. Ton heeft het druk met het nieuwe boek ‘Stadsplanten van Nederland en Vlaanderen’.

 

Soorten die nieuw verschijnen in Nederland worden nogal eens niet herkend. Vooral als ze enigszins lijken op een andere soort die vrij vaak gevonden wordt. Het kan jaren duren voordat duidelijk wordt dat een vondst een nieuwkomer betreft.

Zo werd een nieuwe naaldaarsoort jarenlang niet werd opgemerkt. Er kwamen tot dan in Nederland een half dozijn soorten naaldaren voor. Het zijn eenjarige grassen met de aartjes in een dichte bloeiaar. Op de aarstelen staan stijve borstelharen, de ‘naalden’, die langer zijn dan het aartje en dus uit de bloeiaar steken. Vandaar de naam van het geslacht: naaldaar. In Nederland komen in de stad groene naaldaar (Setaria viridis) en geelrode naaldaar (Setaria pumila) als stadsplant voor waarbij de laatste soort beduidend zeldzamer is. Er zijn daarnaast nog drie andere naaldaren bekend, zeldzamer en voornamelijk akkeronkruiden. Tenslotte wordt teff of trosgierst (Setaria italica) regelmatig verwilderd gevonden.

Slanke (rechts) met groene (links) naaldaar KNSM-eiland 2016

De nieuwe niet herkende naaldaarsoort heeft in het Oostelijk Havengebied van Amsterdam een grote groeiplek. Het gaat om smalle naaldaar (Setaria parviflora); een soort die inheems is in het grootste deel van de Verenigde Staten. Deze soort werd eerst jarenlang aangezien voor geelrode naaldaar. Dat is niet zo vreemd want ook in de Verenigde Staten worden deze soorten soms met elkaar verward omdat beide soorten geelrode naalden hebben. Wat wel duidelijk verschilt zijn de aartjes van smalle naaldaar die de helft smaller zijn dan die van geelrode naaldaar. Maar er zijn meer kenmerken waarin ze verschillen. Smalle naaldaar is de enige naaldaar in Nederland die niet eenjarig is. De plant heeft ondergrondse uitlopers (stolonen) die op de op het KNSM eiland in het Oostelijk Havengebied langs een gevel tientallen meters aan spruiten vormt.

Smalle naaldaar met stolonen

Deze stolonen kruipen ook onder de bestrating door en in allerlei voegen komen de bladeren tevoorschijn. Ook de stoepranden en allerlei straatmeubilair zijn voorzien van een groen randje. Dus een stuk straat van 60 bij 20 meter wordt goeddeels gedomineerd door deze plant die eigenlijk één individu is.

Dat het geen eenjarige soort is, is eenvoudig te testen door een spruit uit de grond te trekken. Komen alle fijne wortels mee zonder veel kracht nodig te hebben dan is de plant eenjarig. Is de plant meerjarig dan kost het veel kracht en breekt de plant meestal bij de wortel af of er komt een stevig stuk afgebroken wortel mee. Bij slanke naaldaar breken de bladspruiten  meestal bij de wortels af. Tussen de straatstenen is de smalle naaldaar er niet uit te krijgen en alleen een vasthoudende florist is het een keer gelukt. Al met al lijkt de soort in zijn groeiwijze op een verkleinde versie van duinriet (Calamagrostis epigejos)

Omdat slanke naaldaar een vaste plant is bloeit hij ook vroeger dan de ander naaldaren. Al in juni zijn de aren met paarsrode helmhokjes te vinden. De ander soorten bloeien veel later in het seizoen vanaf eind juli. De donkerpaarse helmhokken zijn zeer opvallend en al voldoende om de soort op meters afstand te herkennen.

Smalle naaldaar heeft paars-rode helmhokken

Maar deze kennis is wijsheid achteraf. Daarom is de soort niet eerder herkend door verschillende waarnemers. Het was wel opgevallen dat de bloei vroeg was en dat de aren raar smal waren. Bij gebrek aan een alternatief werd het als geelrode naaldaar benoemd. Maar echt bevredigend was dit niet. Dit gevoel werd weggeredeneerd als zijnde een plant met een virus.

Afijn, dit had zo lang kunnen blijven als niet twee jaar later tijdens een Floron-excursie in 2016 door een deelnemer geopperd werd dat het raar was dat smalle naaldaar nog niet was gevonden in Nederland en bij een ander deelnemer het kwartje viel toen hij een beschrijving van de soort hoorde. Binnen een paar dagen was de groeiplaats bezocht en de nieuwe soort bevestigd. Tot groot enthousiasme van beiden. De één omdat hij eindelijk de langverwachte soort had gevonden en de ander omdat die eindelijk wist waarom dat gras zo raar oogde.

 

Wauw het is wouw

Niet ver van mijn woning ligt langs de A-27 bij Bavel een zeer hoge geluidswal. Bijna 2 km lang en 15 m hoog. De zijde aan de snelweg is stijl, de andere zijde is glooiend, zodat er een behoorlijk oppervlak voor begroeiing is. Ongeveer 10 jaar geleden heeft de toenmalige stadsecoloog van de gemeente Breda een tamelijk uitzinnig mengsel van ongeveer 80 soorten van Zuid-Franse origine doen uitzaaien.

Wilde reseda, meer bossig

Het resultaat was en is ernaar. Natuurlijk zijn er een aantal soorten verdwenen, maar een groot aantal floreert en enkele trekken zelfs de omgeving in. Het omgekeerde gebeurt natuurlijk ook. Wat helpt is de zuidwestelijke projectie van de glooiende kant, de warme zomers en het feit dat aan de schanskorven bovenin, kalksteen is toegevoegd.

Blad wilde reseda gegolfd in Bavel

Al jaren meen ik daar alleen wilde reseda (Reseda lutea) te zien, totdat tijdens een inventarisatie elders, iemand bij de melding ‘reseda’ vroeg naar het blad te kijken. Het bleek wouw (Reseda luteola) te zijn. Terug naar mijn geluidswal bleek daar dat de helft van de ‘reseda’ , wouw te zijn. Ja, je ziet het pas als je het door hebt.

Goed, dan nu de verschillen. Het meest zekere kenmerk om op te letten is de vrucht. Bij wilde reseda is dit een vierkantig kokertje op een duidelijke steel. Bij wouw is dit een propje met geprononceerde, uitspringende hoeken en kort gesteeld.

Blad wouw zwak gegolfd in Bavel

De stengelbladen bij wilde reseda zijn diep ingesneden. Bij wouw is het stengelblad ongedeeld, maar heeft wel tandjes aan de voet. Bij de voet zit soms ook de aanzet van andere stengelbladen. Dat maakt het lastig om te zien of je met een of meer bladen hebt te maken. Daar komt bij dat zowel in Heukels 2005 als in de oecologische Flora staat dat alleen bij wouw het blad sterk gegolfd is. Op de geluidswal golft juist het blad van wilde reseda sterk. Vergeten dus dit kenmerk als onderscheidend.

Vrucht van wouw
Vrucht wilde reseda

Verder is er een habitusverschil. Wouw is hoger, slanker. Reseda is korter, bossiger, meer vertakt.

Wouw is vanouds een verfplant voor gele kleurstof. De verklaring voor de Nederlandse naam is niet zeker. Als meest waarschijnlijke wordt genoemd ‘hoog opschietend’. Vergelijk ‘woud’. Gelet op de habitus is die betekenis niet onlogisch.

De wetenschappelijke naam ‘reseda’ betekent ‘weer stillen” , ‘weer helen’. De plant werd gebruikt als geneesmiddel tegen gezwellen en ontstekingen. De soortaanduiding ‘lutea’ voor wilde reseda, betekent ‘geel’. De soortaanduiding ‘luteola’ voor wouw, betekent ‘geelachtig’.

Die soortaanduidingen horen dus eigenlijk gewisseld te worden. Helaas, gaat niet meer. Voor eeuwig verkeerd.

Bloem wouw
Bloem wilde reseda

Klimopbremraap

Zowel in de voortuin als de achtertuin staat bij ons klimop. Sinds een jaar of vijf verschijnt om de paar jaar, onregelmatig, dan wel in de voortuin, dan wel in de achtertuin, klimopbremraap (Orobanche hederae). Het is niet uitgesloten dat hij vaker is verschenen en niet opgemerkt. Per definitie groeit hij in de schaduw van klimop en de plant is van een afstand niet heel opvallend. Van dichtbij blijkt hij toch wel mooi en bijzonder met zijn crêpepapier-achtige bloemen met geel hart op een rode, behaarde achtergrond.

Bremrapen zijn parasitaire planten die alle een specifieke gastheer hebben. Zo zie je klavervreter bij klaver, de distelbremraap bij distel en de klimopbremraap bij klimop. Er zijn in Nederland ongeveer tien en ze zijn eigenlijk allemaal tamelijk zeldzaam. De meeste groeien op open terrein, want houden van warmte. Ik herinner me woekeringen van bremraap in het Middellandse Zeegebied.

Klimopbremraap is dus de uitzondering omdat hij in de schaduw groeit. Ook in zeldzaamheid is hij een uitzondering omdat hij wat lijkt toe te nemen.

Klimop en bremraap

Tot de bremraapfamilie behoort ook ratelaar en ogentroost. Dat zijn halfparasieten, want ze hebben nog wel bladgroen. Bremraap niet.

De Nederlandse naam ‘bremraap’ is afkomstig van de grote bremraap die op brem parasiteert met een ondergronds knol- of raapachtig orgaan. De wetenschappelijke geslachtsnaam ‘orobanche’ en betekent iets als ‘peulvruchtenwurger’. Ook hier is de geslachtsnaam afkomstig van een soort, die kennelijk nogal in gaten liep: hij dook op in de moestuinen van de Grieken en Romeinen.

De wetenschappelijke soortaanduiding ‘hederae’ betekent ‘klimop’.