Home » Archieven voor Aad van Diemen

Auteur: Aad van Diemen

Biografie

Na een studie Sociale wetenschappen enige tijd werkzaam geweest als onderzoeker en docent.
Daarna tot het pensioen als beleidsmedewerker Sociale Zaken bij de gemeente Rotterdam. Van jongs af aan met de verrekijker op stap voor vogels. Daarna ook planten, paddenstoelen en bijen, wespen en dagvlinders. Een dag in de week werk ik als conservator bijen en wespen in het Natuurmuseum Brabant. Ben bestuurslid IVN en natuurgids bij die club en bij SBB. Verder was ik eindredacteur, medeauteur en medefotograaf van het boek ‘Stadsplanten van Breda’ dat een paar jaar geleden is uitgebracht.

Olijven in stad

Iedereen kent de haagliguster (Ligustrum ovalifolium). Vroeger zag je hem meer, maar met de opkomst van de lage heggen, heeft de buxus vaak zijn plaats ingenomen. Maar er gloort hoop voor de liguster sinds het verschijnen van de buxusmot.

Ovaal blad haagliguster

Wat niet iedereen zal weten is dat liguster tot de olijffamilie behoort. Proefondervindelijk is dat tegenwoordig ook zelf vast te stellen. In veel steden staan olijfbomen in grote kuipen. In Tilburg staan er in de Stationsstraat. Dat is de straat die vanuit de binnenstad recht op de hoofdingang van het NS-station uitkomt. Sommige van die bomen dragen zwarte olijven. Steek een olijf in je mond en kauw erop. Bah, wat bitter! Zoek dan een liguster met bessen en steek een bes in je mond. Bah wat bitter! Beide vruchten hebben een harde pit, de blaadjes een vergelijkbare vorm. Die smaken trouwens ook bitter.

Dat laatste zal ook wel een van de redenen reden zijn waarom de liguster al zo lang als haag voldoet: het vee vreet niet aan de bladen.

Bitter als olijven

Wie zijn ligusterhaag vlijtig knipt zal geen bloemen zien; dat is echter wel zonde. De bloemen ruiken heerlijk en bloeien lang. Zelf hebben wij in de tuin een enkele liguster als boompje uit laten groeien en die bloeit heel rijk. Er komen dagvlinders en bijen op af, en ook nachtvlinders. Voor een aantal soorten nachtvlinder zijn zelfs de bladen voedsel voor de rups. De bekendste daarvan is de mooie ligusterpijlstaart.

In de winter komt de merel de ligusterbessen eten. Kortom, een bloeiende liguster draagt bij aan de biodiversiteit van de omgeving. Zelfs bij een haag kun je op een hoek een plant door laten groeien.

De haagliguster komt uit Japan en er wordt aangenomen dat deze niet verwildert. Daar twijfel ik aan. In onze tuin is spontaan een haagliguster verschenen. Dan moet je toch aannemen dat het een zaailing is.

Blad van de wilde liguster is veel langer

Er bestaat ook een wilde, inlandse liguster (Ligustrum vulgare). Die vind je vooral op kalkhoudende grond: in de duinen en op klei. Toch kun je hem verwilderd aantreffen in plantsoenen, ruderale stukjes, bermen.

Het verschil tussen beide ligusters is tamelijk makkelijk. Het blad van de wilde liguster is veel langer. In de wetenschappelijke naam van de haagliguster wordt dat ook al aangegeven: ‘ovalifolium’ = ovaalvormig blad; in tegenstelling dus tot het langwerpige blad van de wilde liguster. Ovaal is hier tweemaal zo lang als breed. Langwerpig: viermaal zolang als breed.

De geslachtsnaam ‘liguster’ komt van ‘ligure’ = binden, vlechten. Twijgen voor vlechtwerk.

 

 

 

 

 

 

 

Oosterse raket in drukwerk

Ik werd begin deze eeuw gebeld door een fervente vogelaar of ik met hem naar een rare plant wilde kijken. Dit was heel bijzonder want planten vond hij tot dan toe alleen interessant indien eetbare het groente betrof.

Hij woonde bij de verbindingsdam naar het KNSM-eiland in de Oostelijke Eilanden in Amsterdam waar de plant in de flink vergraven berm stond. Het was een koolzaadachtige en met de Heukels was ik er vlot uit: oosterse raket. De plant heeft een habitus als gewone raket en lange hauwen als Hongaarse raket. De hauwsteel is net zo dik als de vrucht en de fijnbehaarde kelkbladen en hauw maken deze plant makkelijk herkenbaar.

De hauwsteel is net zo dik als de vrucht

Deze soort was voor mij nieuw. Hij blij, ik blij. De volgende kennismaking met deze soort was met het project DNA-BARcoding van FlORON in 2011. Van alle vaatplanten in Nederland werden exemplaren verzameld om een DNA- profiel te maken. Ik koos onder meer de oosterse raket uit. Via waarneming.nl wist ik dat er een waarneming was bij de nieuwe hoofdvestiging van de bibliotheek in Amsterdam. Het was nog flink zoeken want de planten groeiden op de rand van de kade, goed verstopt achter een schakelkast. Ik tevreden naar huis fietsen en halverwege op het Zeeburgerpad zag ik opeens langs de gevel van de bedrijfsgebouwen tientallen oosterse raketten staan. Nu ik het zoekbeeld had vielen ze me opeens op. De oosterse raket groeide er pluksgewijs over een lengte van een kilometer en dat doet het er nog steeds.

De kelkbladen en hauw zijn fijnbehaard

In Amsterdam, Den Haag en Rotterdam heeft de soort sinds 1990 stevige bolwerken gevormd. Het oorspronkelijke areaal is het Middellandse Zeegebied en werd in Nederland voor het eerst gevonden in 1877; in Vlaanderen pas in 1973.

oosterse raket in voeg tussen muur en plaveisel

Ik documenteer me voor mijn blogjes met verschillende bronnen waaronder de Stadsplanten van Ton Denters.Voor de Covid-19 uitbraak had ik het idee om deze aflevering van stadsplanten te wijden aan de nieuwe Stadsflora van Ton Denters. Deze week zou dit boek, ‘Stadsflora van de lage landen’ verschijnen en het leek me leuk om over mijn eerste indrukken te verhalen aan de hand van een soort zoals de oosterse raket. Nu is alles anders. Bijna. Ik heb een aantal hoofdstukken digitaal mogen inzien en ik kreeg een goede indruk. Dit boek is meer dan een opvolger van de gids ‘Stadsplanten’ uit 2011. Het behandelde gebied is vergroot: Vlaanderen is nu meegenomen en dat levert steden op met een rijke flora zoals Gent en Antwerpen. Het betekent dat wel dat de steden in Noord- en Oost-Nederland ontbreken. Met Vlaanderen er bij is er natuurlijk ook meer te kiezen en in het Zuidwesten zijn de steden rijker aan bijzondere soorten. Het aantal behandelde soorten is gestegen van 700 naar 800, waarvan 80 nieuwkomers. Een aantal algemeen voorkomende soorten, die niet zo specifiek aan de stad zijn gebonden zoals blaartrekkende boterbloem, die in Stadsplanten stonden zijn afwezig in de Stadsflora. De opmaak is anders. De tekst is tweekoloms en dat leest prettiger. Hoewel digitaal lezen en een echt boek vasthouden niet helemaal te vergelijken zijn. De soortteksten zijn herschreven, soms is het alleen anders geformuleerd, maar vaker met een andere invalshoek.

Vanzelfsprekend zijn de beschrijvingen geactualiseerd.  Dit wordt mooi geïllustreerd door de oosterse raket. De soort heeft sinds het verschijnen van de Stadsplanten 14 jaar geleden de straat veroverd: eerst vooral ruderale terreinen als vestigingsplaats en nu ook gevelvoeten volgens de Stadsflora. Exact wat mijn ervaring is. De beschrijvingen van de flora in de steden van onze zuiderburen in de Stadsflora doen mij zeer verlangen naar stedentripjes in het Vlaamse land. Struinen in een minder bekende omgeving, met een andersoortige ruimtelijke ordening met een andere sfeer en taal en dan af te sluiten met een lokaal biertje… Als de Corona voorbij is, als…

te vinden in rommelhoekjes

Daslook – uien in het wild

Op de één of andere manier heeft Daslook mij altijd gefascineerd. De helder witte kleur en de vorm van de bloemen zorgden er voor dat de plant bij mij zeker in het lijstje van favoriete voorjaarsbloeiers staat. Daarnaast triggert de naam “look” altijd mijn nieuwsgierigheid. Wie het woord “look” hoort denkt onmiddellijk aan uien maar verwacht niet onmiddellijk dat de plant behoort tot het geslacht Allium uit de narcissenfamilie.

Daslook tussen Zevenblad en Gele dovenetel in een groenstrookje langs een wandelpad tussen de huizen

Bij alle ui-achtige planten is het overduidelijk dat er sprake is van bollen. Uien, bieslook, daslook, knoflook, sjalot, bosui maar ook prei horen tot dezelfde familie. Ze hebben in ieder geval één ding gemeen: als je de bladeren fijn wrijft of de bollen snippert is er een sterke uienlucht. Deze wordt veroorzaakt door zwavelverbindingen die er ook voor kunnen zorgen dat de tranen over je wangen rollen. Een uitzondering is Look zonder look. Een plant die ook in het voorjaar rijkelijk aanwezig is in bermen en groenstroken. Als je het blad van Look zonder look fijn wrijft ruik je overduidelijk een uienlucht maar de plant is totaal verschillend van de planten die deel uit maken van de narcissenfamilie en behoort tot de kruisbloemige. Het is dus eigenlijk een plant die naar uien ruikt maar geen ui is – Look zonder look.

Hoewel Daslook tot het geslacht Allium (uien) hoort vormt het niet echte bollen. Duidelijk is ook te zien dat Daslook slechts één blad per stengel heeft.

Als we nog even kijken naar het rijtje “look planten” ui, bieslook, sjalot, knoflook, bosui en prei dan kunnen we onderscheid maken tussen soorten met zeer uitgesproken bollen zoals ui, knoflook en sjalot . Bij prei, bosui en bieslook is minder sprake van een overduidelijke bolvorming maar eerder van een langwerpige verdikking. Bij die planten snipperen we in de keuken niet alleen de voet van de planten maar ook het blad. Bij ui, knoflook en sjalot versnipperen we alleen de bollen en niet het blad. Daslook kan zeker in de keuken worden gebruikt maar bij Daslook gaat het dan om het blad. Daarbij moet wel enige voorzichtigheid in acht worden genomen. Als de plant geen bloemen heeft en de determinatie alleen kan gebeuren aan de hand van het blad is er een groot risico. Het blad lijkt sterk op het blad van Lelietje-van-dalen en dat blad is giftig. Hoewel de bladeren sterk op elkaar lijken is het toch niet moeilijk de twee plantensoorten uit elkaar te houden. Als je het blad van Daslook fijn wrijft ruikt het naar uien. Bij Lelietje-van-dalen is dat niet het geval. Daslook heeft één blad per stengel, Lelietje-van-dalen twee á drie bladeren per stengel.

Wie Daslook in de keuken wil gebruiken moet er voor oppassen niet per ongeluk het giftige blad van Lelietje-van-dalen te mee te nemen. Daslook heeft maar één blad per stengel; – Lelietje-van-dalen twee of meer.

Daslook is eigenlijk een bosplant die houdt van voedsel- en humusrijke, kalkhoudende grond. De plant was zeldzaam en had jarenlang een beschermde status. Die situatie is de laatste jaren veranderd doordat de plant door het storten van tuinafval op steeds meer plekken zich heeft weten te vestigen in groenstroken binnen de stadsgrenzen. Ook is de plant veel aangeplant als stinzenplant.

De meeste soorten binnen het geslacht Allium (bolgewassen) vermenigvuldigen zich door de vorming van nevenbollen. Bij Daslook is dat in veel mindere mate het geval. Er vindt overvloedige zaadvorming plaats die een belangrijke bijdrage levert aan de verspreiding van de plant.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

 

 

Winterakoniet

In 2016 kwam ik net buiten het dorp voor het eerst winterakoniet (Eranthis hyemalis) tegen aan de rand van een bosje. Niet echt als een stadsplant van de stenen stad, maar duidelijk een tuinstortoverlever in de groene stad. Dit jaar vond ik er een aantal midden in de stenen stad. Het waren duidelijk zaailingen. Op de foto is te zien dat de moederplanten aan de rand van het tuinmuurtje staan en hun zaden over de rand hebben laten vallen, waarna kieming op een favoriete stadsplantenplek heeft plaatsgevonden: precies op de naad van muur en stoep.

Zaailingen op de naad van muur en stoep

De geslachtsnaam ‘Eranthis’ komt van het Grieks eros=lente en anthos=bloem. De soortaanduiding ‘hyemalis’ van het Latijnse hyemis=winter.

Winterakonieten zijn al lang ingeburgerde planten. De herkomst is weliswaar zuidelijk, maar ze zijn hier vanaf de zeventiende  eeuw als stinzenplant.  In Brabant is het zeker geen gewone verschijning. Je moet winterakonieten zoeken langs de kust, Noord-Friesland en Zuid-Limburg.

Winterakoniet als stadsplant

Maar gelukkig duikt hij soms op als stadsplant in Breda. Het is een van de leukste voorjaarsplanten met zijn olijke kraag waar de gele bloem zo mooi bij afsteekt.

 

Onsmakelijke bessen in een tros

Toen ik pas begon met planten te inventariseren kwam ik een enkele keer Oosterse karmozijnbes (Phytolacca esculenta) tegen. De bloemen van deze soort staan in een tros en zijn groenachtig wit. Later verkleuren ze tot vuilroze. De rijpe vruchten steken hier heel opvallend tegen af: zwartpaarse braamachtige vruchten met een vleeskleur als achtergrond. In de eerste instantie vond ik de bloeiwijze er onsmakelijk uitzien. Een associatie met slecht genezen vleeswonden was er debet aan. Toen ik de bessen beter bekeek bleken ze een sierlijke druppelvormige vorm te hebben en begon ik het geheel wat meer te waarderen.

De bladeren zijn elliptisch en vrij groot en staan aan stevige wijd uitstaande takken wat de plant een statig uiterlijk geeft.

Stevige elliptische bladeren

Ik vond Oosterse karmozijnbes in het begin vooral in tuinen. Ik noteerde ze niet vanwege het dogma dat in tuinen niets gestreept mocht worden. Wat mij wel opviel was dat de forse plant vaak op plekken stond waar een tuinier of hovenier ze van z’n lang zal ze leven niet zou planten. Net naast een boom bijvoorbeeld. Of midden in een buxushaag (toen nog wel) of net naast een oprit. Karmozijnbes heeft een struikvormig vorm, groeit ook snel en voordat de eigenaar in de gelegenheid is om de plant met wortel en al te verwijderen, presenteert zij haar opvallende sappige vruchten. Een aanleiding om toch maar even te wachten met de schoffel.

Vrucht van de Westerse karmozijnbes

Het is de eerste soort struik of boom waarvan ik duidelijk merkte dat vooral vogels er voor zorgen dat de soort op de gekste plekken opduikt. Dit heeft Oosterse karmozijnbes natuurlijk gemeen met vele besdragende houtige soorten als lijsterbes en meidoorn, maar in de stad valt het bij de karmozijnbes en andere zeldzame soorten zoals taxus en hulst echt op. Zo heb ik een keer in een steeg in Diemen kiemplanten van taxus, hulst én karmozijnbes op een kluitje gevonden. De witte strepen op een schutting gaven al aan dat in een boom die de steeg overhuifde een rustplek was van, waarschijnlijk, een houtduif. Lekker overdag besjes eten en dan ‘s nachts de pitjes lozen. Een overtuigender bewijs van zoöchorie heb ik zelden gevonden. Zoöchorie dat is botanisch potjeslatijn; komt dus van het Grieks (!) en zoö betekent dier of levend wezen en chorous betekent verspreiden.

Drie zaailingen van besdragende struiken: hulst, karmozijnbes, taxus.

Wildplukken en eten uit de natuur is nu dé mode. Ik krijg tegenwoordig dan ook vaak de vraag of iets eetbaar is. Als dit het geval is, voeg ik er altijd aan toe dat er een groot verschil is tussen eetbaar en lekker. Dit geldt bij uitstek voor de karmozijnbes. De rijpe bessen zijn eetbaar maar smakeloos. Het sap wordt wel gebruikt om eten te kleuren. De onrijpe bessen zijn giftig, evenals de rest van de plant, met name de penwortel.

Omdat het klimaat opwarmt, komt karmozijnbes tegenwoordig vaker voor en dan vooral langs muren en stegen. De soort houdt van zonnige tot licht beschaduwde, open plaatsen op vochtige, voedselrijke grond. Blijkbaar kan zij bij een warmer klimaat met minder zon toe en komt het nu ook in stegen en andere sombere plekken op.

Er is een tweede soort karmozijnbes en de lezer raadt het al: de Westerse karmozijnbes (Phytolacca americana). Komt de oosterse karmozijnbes oorspronkelijk uit Oost-Azië, de Westerse karmozijnbes heeft zijn thuisland in Noord-Amerika. De vruchtbeginsels zijn bij de westerse karmozijnbes vergroeid en leiden tot maar één grote bes. Bij de Oosterse karmozijnbes blijven vruchtbeginsels los van elkaar net zoals bij bramen. Ook verschilt het aantal meeldraden en stijlen tussen de twee soorten. Bij de Oosterse beide 8 en bij de westerse beide 10.

Ik kwam de Westerse karmozijnbes nooit tegen en kreeg het idee dat zij in Nederland niet meer voorkwam. Dat was een misvatting. Ik vond de soort midden een droog bos in het Leudal. Van een lokale florist begreep ik dat op de grens van Brabant en Limburg de Westerse karmozijnbes niet zeldzaam is en zich als een bosplant gedraagt. Dat is niet wat in de Heukels staat, maar wellicht is dat bijgewerkt in de nieuwe editie en misschien ook in de nieuwe stadsflora van Ton Denters.

 

Klimopbij erbij

Klimop (Hedera helix) is een stadsplant die zich in mijn bijzondere belangstelling mag verheugen. Dat heeft alles te maken met mijn belangstelling voor insecten; wilde bijen en wespen in het bijzonder.

In de stad is klimop de laatste jaren toegenomen, is mijn indruk. De reden is dat klimop als onderdeel van tuinafscheiding in de mode is geraakt. Al heel simpel is wat betonijzer tussen twee palen gezet en dan klimop ertegenaan. Min of meer gelijktijdig arriveerde een zuidelijke bij, de klimopbij (Colletes hederae) in Limburg. We spreken over 10 jaar geleden. Vanuit Limburg begint de klimopbij een gestage opmars naar het Noorden. In 2017 trof een collega de eerste in een plantsoen in Breda aan. In 2018 vond ik de eerste in mijn tuin, en in dat zelfde jaar werden door mij en anderen tientallen klimopbijen in Breda gesignaleerd. De klimopbij is een forse bij, zo groot als een honingbij en lijkt er ook wel op. Je moet letten op de bandjes op het achterlijf. Die heeft de klimopbij wel en de honingbij niet.

De klimop moet wel bloeien voor veel insecten.

Klimop is uit ecologisch standpunt een belangrijke stadsplant. Vogels vinden er dekking in en vooral merels nestelen er graag in. Het is daar doorgaans veiliger voor katten dan in struiken en ook voor andere predatoren als eksters biedt klimop goede dekking.

Het is een waardplant voor het boomblauwtje, kolonies mieren lopen meters omhoog en omlaag om luizen te melken, er huizen vele soorten spinnen en kevers. Om klimop te laten bloeien moet je in ieder geval een deel niet snoeien. Bij voorkeur het deel dat in de zon staat, vaak de bovenkant.

Bloeit de klimop dan sta je verbaasd over de hoeveelheid insecten die wekenlang op de bloemen afkomt.

Het zoemt op zonnige dagen van jewelste: klimopbijen, blinde bijen, limonadewespen, hoornaars, diverse hommelsoorten, atalanta’s, aurelia’s, diverse graafwespen, sluipwespen, vleesvliegen, enz. In de winter tot in de vroege lente vormen de zwarte bessen voedsel voor lijsters en spreeuwen.

Heb je geluk, zoals ik, dan kun je in je eigen tuin ook nog de klimopbremraap scoren.

Klimopbremraap heeft een mooie, snel verwelkende bloem.
Klimopbremraap is ongeveer 10 cm hoog.

Trilgras

In de vorige stadsplantenbijdrage besprak ik slanke naaldaar (Setaria parviflora). De vindplaats is het KNSM-eiland, wat samen met het Java-eiland in het oostelijk havengebied van Amsterdam al decennia een hotspot is voor bijzondere plantvondsten. De twee eilanden, eigenlijk schiereilanden, waren ooit dé plek voor havenactiviteiten, maar die vielen in de loop der jaren weg door de opkomst van de luchtvaart en het stilvallen van de handel op de Oost. Dit desolate gebied werd vanaf het einde van de jaren zeventig in bezit genomen door krakers, kunstenaars en stadsnomaden. Nog geen 15 jaar later werd alles herontwikkeld tot een woonwijk.

Ondanks deze veranderingen bleef deze omgeving een plek om bijzondere soorten te spotten. Was ooit de scheepvaart de reden voor bijzondere vondsten, later gaf het massaal braakliggen genoeg plek voor allerhande soorten. Tegenwoordig wonen er mensen die geen behoefte hebben aan een steriel, schoongespoten en dito geborstelde straatbeeld. Integendeel; rijen plantenpotten en dito bakken, geveltuinen en overhoekjes geven wilde en verwilderde planten alle ruimte.

De gekste verwilderingen zijn hier te vinden alsmede de voorhoede van warmteminnende soorten uit het zuiden. Maar ik beperk me nu tot de grassen.

Aartje van groot trilgras

Zo worden er op deze twee schiereilanden naast slanke naaldaar meer bijzondere grassen gevonden zoals laksteeltje (Catapodium marinum), plat beemdgras (Poa compressa), knolbeemdgras (Poa bulbosa), rattenstaartgras (Sporobolus indicus), met duizenden exemplaren klein fakkelgras (Rostraria cristata) en al heel lang kransgras (Polypogon viridis). Kransgras is tegenwoordig niet meer zeldzaam te noemen, maar pas in deze eeuw begon de opmars in Nederland met het Java-eiland als een van de startpunten.

Groot trilgras gedijt ook op houten balken

Tenslotte wordt er ook nog groot trilgras (Briza maxima) gevonden. Deze soort is eigenlijk de enige bijzondere grassoort hier die een verwildering is. Ruim 20 jaar geleden ontsnapte deze soort uit plantenbakken en wist zich op straat en kademuur te vestigen. Net zoals ons inheems trilgras, bevertjes (Briza media), heeft het korte en afgeplat brede aartjes hangend aan dunne stelen die in bij het minste briesje al trillen: vandaar de namen. Ook de wetenschappelijk naam Briza houdt met het trillen verband. ‘Briza’ komt van het Griekse ‘brithó’ = ik balanceer, vanwege de zeer beweeglijke aartjes. Groot trilgras is in alles een maatje forser dan bevertjes, maar verder erg gelijkend. Het is een vroege bloeier die begin juni al geheel is verdord. Als plantelijkjes zijn ze echter tot in de herfst te vinden. Groot trilgras komt massaal voor op de kaderand, vooral tussen het straatmeubilair van de woonbootbewoners. Fietsrekken zijn ook een fijne en veilige plek. Ook op de houten balk, die voor de kademuur als stootrand fungeert, en op de dukdalven komt het weelderig voor.

En het groeit in spleten

Ooit ontsnapt uit plantenpotten, komt het in potten nu spontaan op als gewenst onkruid. De groeiplaats is een kleine 200 meter lang en vertoont al jaren geen uitbreiding. Het milieu lijkt verderop langs de kade identiek, maar wellicht zit het verschil in de bodem. Deze eilanden waren oorspronkelijk golfbrekers en zijn voornamelijk met slib uit de vaargeul verbreed en  opgehoogd. Het was ook een mooie plek om overtollige grond kwijt te raken en mijn vermoeden is dat op de groeiplaats andere grond is gestort en de bodem ter plekke wat kalkrijker is. Groot trilgras kwam tot eind de vorige eeuw alleen voor langs de kusten van de Middellandse Zee en de Atlantische kust tot in Frans Baskenland, met een paar voorposten in Normandië. Waarschijnlijk door de toepassing als siergras wordt de soort tegenwoordig sporadisch gevonden in een groot deel van Europa. Maar alleen in Engeland, Wales en Nederland lijken er bestendige populaties te zijn ontstaan.

Maar met vondsten in slechts 40 atlasblokken zijn dat er in Nederland nog niet veel.

Bron: https://www.verspreidingsatlas.nl/5612

Ook uitgedroogd, is groot trilgras nog te herkennen.

Vlinderstruik

Een regelmatig verwilderende struik in het stedelijk gebied is de vlinderstruik (Buddleja davidii). Iedereen kent hem tegenwoordig. Daar hebben de tuincentra en de Vlinderstichting in eendrachtige samenwerking wel voor gezorgd. Toch is deze exoot uit China pas een jaar of 20 zo alomtegenwoordig. Eind 19de eeuw is de struik naar Europa gehaald. Door kwekers is vooral na de tweede wereldoorlog een variëteit aan kleuren ontwikkeld en door vergrote afzet daalde de prijs van de struiken. Toen ook nog de Vlinderstichting de struik aanbeval als bijdrage aan het behoud van vlinders, werd daar door het publiek zeer ontvankelijk op gereageerd. In elke straat vind je nu wel een of twee vlinderstruiken. De plant zelf liet zich ook niet onbetuigd. Vanaf 1980 heeft de plant zich langs de spoorwegen en in de stad explosief vermeerderd.

Een struik die zijn biotoop vindt.

De vlinderstruik is een pionier van droge stenige terreinen en vormt daardoor nauwelijks een bedreiging voor inlandse planten. En inderdaad, de plant heeft bloemen die bij uitstek geschikt zijn voor vlinders. De bloembuis is lang en smal, waardoor alleen insecten met een lange tong bij de nectar kunnen. Vlinders hebben zo een lange roltong. De vlinders hebben dus geen hinder van zweefvliegen en honingbijen. Maar op de vlinderstruik is meer te zien dan alleen dagvlinders, ook nachtvlinders komen er graag: gamma-uil, koperuil, goudvenstertje, huismoeder, witstipgrasuil en nog veel meer nachtvlinders zijn er op te vinden.

Vlinderstruik in de stad

De struik heeft nog een aanpassing aan insectenbestuiving: van een onbestoven bloem is het hartje geel, en daarmee goed zichtbaar voor insecten. Na bestuiving wordt het rood, een kleur die insecten slecht zien.

De geslachtsnaam ‘Buddleja’ is afgeleid van de Engelse botanicus Adam Buddle. De soortaanduiding ‘davidii’ verwijst naar pater Armand David, een Franse missionaris in China, die echter ook bioloog was en een groot aantal nieuwe planten en dieren ontdekte. Zijn bekendste ontdekking is het Pater-Davidshert.

Een zwammige zijsprong

Deze bijdrage is van Coby Stapel op verzoek van de redactie. Coby heeft verstand van paddenstoelen. Aan de redactie kwam de vraag van Pepijn Rijnja, aandacht te besteden aan de geschubde inktzwam. Bij dezen.

 

 

Deze website heet ‘Stadsplanten’.

Toch komt hier voor een keer een zijsprongetje naar een stadspaddenstoel. Waarmee niet gezegd wil zijn, dat planten en paddenstoelen aan elkaar verwant zijn. In elk geval niet meer, dan wij mensen verwant zijn aan salamanders.

In parken, plantsoenen, boomspiegels en bermen zien we natuurlijk wel eens paddenstoelen staan, maar in de echt stedelijke stenen omgeving komt dat toch maar zelden voor. De geschubde inktzwam (Coprinus comatus) durft echter ook de stenen stadsbiotoop te testen.

Hij staat dan zomaar in de goot of tussen trottoirband en trottoirtegels. Of tussen de kasseien.

Ook in stedelijke omgeving

Wie kent hem niet, deze opvallende van wit naar zwart verkleurende zwam. Hij doorloopt een ware metamorfose, van witte stevige, ovale cilinder via een klokvorm naar klein, ingekruld zwart hoedje op een hoge dunne steel. Langs de hoedrand druipen slierten zwarte inktdruppels.

Bijzonder is, dat deze gedaanteverwisseling wordt veroorzaakt door zelfconsumptie. Nadat de sporen zijn losgelaten, gaan de lamellen zichzelf  verteren. Ze krullen dan op, zodat de nog hoog in de nu klokvormige hoed aanwezige sporen, ook vrijkomen. Dit proces gaat door tot van het hele vruchtlichaam niets anders resteert dan zwarte inkt. Vroeger werd deze inkt wel gebruikt om te schrijven, maar was niet bestendig: verbleekte te snel.

De geschubde inktzwam is saprotroof, d.w.z dat hij vooral leeft van afgestorven vegetatie. Maar hij heeft nog een voedselbron : de geschubde inktzwam “eet” nematoden, bodemaaltjes. De zwamvlok scheidt een gifstof af, die de aaltjes verlamt. Vervolgens worden ze ingepakt met zwamdraden en in enkele dagen geheel verteerd.

Geschubde inktzwam iets rijper

Er zijn meer dan 100 soorten inktzwam, die door DNA-onderzoek zijn onderverdeeld in diverse geslachten :  Coprinus, Coprinellus, Croprinopsis. De naam zal zijn afgeleid van ‘coprea’, dat ‘vuilbek’ betekent en ja, inktzwammen lusten alles, sommige soorten zijn gespecialiseerd op uitwerpselen.

‘Comatus’ betekent ‘gekuifd’, vanwege de afstaande schubben aan de hoed.

 

Hemel of hel

Een aantal jaren geleden werd hier ter stede alarm  geroepen over de hemelboom (Ailanthus altissima). De reden was dat de gemeente Breda op een grote uitvalsweg nogal wat van die bomen in de middenberm plaatste. Naast het onloochenbare feit dat het hier een exoot betrof, zou deze ook nog invasief zijn.

Bomen groeien niet tot in de hemel en de hemelboom is daarop geen uitzondering. Zijn naam kreeg hij van de Engelsman Ph. Miller. Die beschreef in de achttiende eeuw de boom die hij gezien had in China. Hij noemde hem ‘hemelboom’. De geslachtsnaam ‘Ailanthus’ komt van het Maleise ‘aylanto’, dat boom van de hemel betekent. Onbekend is wat de boom hemels maakt. Wellicht vanwege het gebruik in de zijderupsteelt.

De Latijnse soortnaam ‘altissima’ betekent ‘de allerhoogste’. In feite wordt deze boom niet zo hoog, slechts 20 – 25 meter. Kortom, de naamgeving munt niet uit in adequaatheid.

Het meest opvallend aan de hemelboom zijn wel de bladeren. Die zijn 40 – 90 cm lang, oneven geveerd met 13 – 40 smalle, elliptische blaadjes, aan de voet grof getand. Van de blaadjes wordt beweerd dat ze onaangenaam ruiken. Dat hebben we bij de Bredase bomen niet kunnen vaststellen bij oudere bomen. Bij jonge bomen wel, en de geur heeft wel wat weg van aangebrande melk.

Groot, geveerd blad

De bladstengel is zacht behaard en bevat oranje merg. De schors is glad met lichte lengtestrepen.

De bloemen zijn klein, geelachtig wit in rechtopstaande pluimen en bloeien in juni-juli. Ook van de bloemen wordt beweerd dat ze stinken. Andere bronnen reppen van een vliergeur. Het vermoeden van demonisering door hemelboomhaters dringt zich op, want die zijn er.

De vruchten zijn gevleugelde nootjes, in grote, oranjekleurige trossen.

 

Vrolijk gekleurde vruchtjes in de nazomer

De hemelboom is tweehuizig. Man en vrouw wonen in aparte huizen. De bomen zijn dus eenslachtig, net als wilgen of hulst. De boom groeit ook verder uit wortelopslag en vanuit de stronk na kap.

Deelblad met zeer karakteristieke tand aan de voet.

In 1750 wordt hij voor het eerst ingevoerd in Frankrijk en van daaruit raakt hij verspreid over Europa.

In Nederland wordt hij als straat- en parkboom aangeplant. De boom heeft namelijk geen last van luchtvervuiling. Vooral Rotterdam is koploper geweest in het aanplanten van de hemelboom. Daar dragen de zaailingen zelf al weer vrucht.

De hemelboom vertoont dus alle trekken van een moderne stadsplant: mondiale verspreiding, snelle groeier, taai, thuis op verschillende grondsoorten en milieus, omstreden, maar onmiskenbaar aanwezig in onze wereld en een blijver.

Niettemin valt de woekering van de boom in Breda reuze mee: geen hemel en geen hel; meer iets er tussenin: een vagevuurboom.

 

 

 

 

 

vagevuurboom