Home » Archieven voor Maarten van der Veer

Auteur: Maarten van der Veer

Sinds mijn jeugd ben ik geïnteresseerd in de natuur in het algemeen. In het begin in vogels. Door mijn vader ben geïnfecteerd geraakt door het NJN virus. En zoals vele oud leden later lid geworden van de KNNV. Toen kreeg ik ook interesse in planten. Ik zeg wel eens voor de grap “ik heb eerst 10 jaar naar boven gekeken en toen 10 jaar jaar naar beneden”.

Aan de top

Begin deze zomer kreeg ik foto’s opgestuurd van Vingerhoedskruid (Digitalis purperea) met een zogenaamde pelorische top. Dit is een soort vergroeiing waarbij een grote bloem aan de top van de bloemstengel ontstaat. Google dit en je ziet op bijna elke site dezelfde tekst: 

‘In bijzondere omstandigheden ontstaat er een pelorische topbloem op de bloemstengel van het vingerhoedskruid. Die is niet tweezijdig symmetrisch (een verticale symmetrieas), maar alzijdig symmetrisch. Bij normale bloemen is het aantal bloembladen altijd vijf. Ze zijn met elkaar vergroeid, maar aan het aantal schulpjes is dat nog zichtbaar. Pelorische bloemen hebben wel 8 tot 14 schulpjes. De akkerhommel heeft een voorkeur voor deze bijzondere bloemen.’

Leuk hoor zo’n tekst maar waarom die uitgebreide informatie over symmetrie. En waar komt die term schulpjes vandaan? Mij werd altijd verteld dat je informatie op internet niet klakkeloos mag kopiëren maar ik kom echt overal dezelfde tekst tegen en vaak zonder bronvermelding. En als die tekst nu zinvol was. Nou nee! Wat ik wil weten:

  1. Waarom ontstaat die pelorische top alleen bij Vingerhoedskruid ?
  2. Is het hetzelfde als bandvorming of fasciatie  zoals dat vaak bij Paardenbloemen voorkomt ?
  3. Wat betekent het woord ‘pelorische’ ?

Gelukkig bood het Engelstalige internet wel uitkomst. Om te beginnen met de eerste vraag. Een pelorische top is een genetische mutatie. Deze komt waarschijnlijk alleen voor bij Vingerhoedskruiden. Heel soms ook bij het Vlasbekje. Een nadere verklaring heb ik niet kunnen vinden. Het antwoord op de tweede vraag  is dan ook moeilijk te geven. Carl Linneaus was zo gefascineerd dat hij dit verschijnsel betitelde met het Griekse woord pelōros, dat ‘monsterlijke’ betekent. Vingerhoedskruid met de pelorische topbloem heette vroeger ook wel Digitalis purpurea monstrosa. Dit dus het antwoord op de derde vraag.

Het woord ‘fasciatie’ komt van het Latijnse woord ‘fascea’ en betekent ‘band’. Dit brengt ons meteen naar de Nederlandse term ‘bandvorming’ en het antwoord op mijn tweede vraag. Bandvorming is een niet veel voorkomend fenomeen van plantencellen die worden beïnvloed door een genetische afwijking of door schimmels en bacteriën en waardoor de groei loodrecht verlengd wordt op de groeirichting waardoor afgeplatte, lintvormig of kuifvormige vergroeiingen ontstaan. In tegenstelling tot de pelorische vervorming kan bandvorming  overal optreden, zowel de stengel , wortel , vrucht als het bloemhoofd.

Het hele ingewikkelde verhaal heb ik versimpeld weergegeven en ik heb o.a. gebruik gemaakt van deze sites. Nogmaals mijn verbazing dat er niet een eenduidig verhaal is op de Nederlandse wikipagina’s. En oh ja, schulpjes heten normaal ‘lobben’ bij vergroeide kroonbladen.

https://www.kew.org/read-and-watch/weird-and-wonderful-foxgloves

https://en.wikipedia.org/wiki/Fasciation

Als laatste een foto uit een twitterbericht dat ik tegenkwam. Dit had ik nog nooit gezien. Een Madeliefje met gemuteerde kroonblaadjes.

Cultuur in de stad

Nee het gaat hier niet over een balletvoorstelling of de laatste voorstelling van Andre Rieu, maar over cultuurplanten die ik tegenwoordig vaak zie in de stad. Officieel is de definitie voor deze planten als volgt: een cultuurgewas of cultuurplant is een plantensoort die voor menselijk gebruik wordt geteeld en uit wilde planten is veredeld. De reden daarvoor is de toepassing voor  voedsel of medicijnen.
Er bestaat ook zoiets als secundaire cultuurgewassen. Dit zijn planten die als on- of bijkruiden werden meegecultiveerd met andere cultuurgewassen en later zelf ook werden gebruikt als cultuurgewassen. Voorbeelden zijn haver, rogge, tomaat, maanzaad en huttentut.

Om te beginnen is er Hop (Humulus lupulus). Meestal valt deze plant niet op. De stengelbladeren zitten verstopt tussen ander groen en ook lijken deze bladeren op die van de braam. En dan bedoel ik de cultuurbraam die in vele varianten in tuinen staat. Hop werd en word veel gekweekt voor de bierproductie. De plant valt ook dan pas op als de typische hopbellen verschijnen.

Ook een plant die ik regelmatig in de stad tegenkom is Cichorei (Cichorium intybus). Officieel komt de plant komt voor in wegbermen Hieraan dankt Cichorei de Nederlands/Duitse volksnaam Wegenwachter. Maar de plant komt ook voor langs dijken en in droog grasland. Cichorei is waarschijnlijk door de Romeinen meegebracht. We kennen de plant ten eerste goed van het gebruik als koffiesurrogaat. Ten tweede is er een variant van Cichorei, andijvie. Dus als andijvie gaat bloeien krijg je ook die fantastische mooi blauwe bloemen. Tegenwoordig wordt een variant van de plant gekweekt voor de productie van insuline.

Raapzaad/koolzaad

Soms zie je op onverwachte plekken graan groeien. Dit gewas is al 7000 jaar bekend bij de mensheid. Dus niet zo gek al je dit in een stad tegenkomt. Graan is een verzamelnaam voor de vele planten die gebruikt worden voor de productie van voedsel zoals Rogge, Haver, Gerst etc.

De Slaapbol en de verwante Papaver zijn natuurlijk bekend. De zaden kunnen prima verwerkt worden als maanzaad of voor het maken van tafelolie en verfolie maar iedereen kent de plant natuurlijk voor de productie van opiumpreparaten. Het is in ieder geval een prachtige plant die overal plotseling kan opduiken.

De Aardappel/Tomaat/Paprika/Aubergine plant. Deze staan bij elkaar genoemd want ze behoren alle tot dezelfde familie. Je komt ze in ieder geval vaak tegen.

Een hele mooie maar ook beruchte plant is de Hennep. Wereldwijd in veel steden te zien. Hennep is meer bekend onder zijn wetenschappelijke naam: Cannabis sativa. Deze plant wordt vandaag de dag maar voor één reden gekweekt: weed.

In het voorjaar kleurt alles geel. Een grote verantwoordelijke voor deze kleur is Kool/Raapzaad. Beide planten lijken zo op elkaar dat ik ze in een adem noem. Ze worden geteeld voor de olieproductie, al sinds 2000 jaar, en de stad staat er vol mee.

De kiwi is relatief kort in Nederland. De kiwi of Chinese kruisbes (Actinidia chinensis) kennen wij pas pas zo’n 100 jaar. In 1906 werden de eerste zaden uit China gehaald. De plant heette toen nog Chinese kruisbes. Pas in 1956 werd het in Nieuw-Zeeland een succesvol exportproduct. Sindsdien heet de plant Kiwi. Toch kom je de plant zo hier en daar in de stad tegen.

De vijgenboom of vijg (Ficus carica). Dat is er ook een die mij de laatste tijd opvalt. Of het nu door klimaatverandering komt of dat mensen gaan inzien dat je voor de deur je eigen voedsel kan verbouwen weet ik niet. Maar deze boom valt mij steeds vaker op, mede door zijn enorme stengelbladeren. Die kennen wij ook van de bekende Ficus-kamerplant.

Ik besef heel goed dat deze lijst lang niet compleet is. Maar deze cultuurgewassen zie ik vaak tijdens mijn ronde als postbode.

Paard

Een heel oud geslacht dat bij veel tuinliefhebbers grote irritatie kan oproepen is Heermoes (Equisetum arvense). Dit komt o.a doordat als de wortels van Heermoes stuk worden geschoffeld, deze stukjes weer in staat zijn nieuwe planten te vormen. Eigenlijk gedraagt Heermoes zich precies zoals een agressieve exoot zoals bijvoorbeeld Japanse duizendknoop (Fallopia japonica). Als je bij Google Heermoes in typt is de eerste zoeksuggestie dus ook “heermoes bestrijden” en gaan veel zoekresultaten hier ook over.

Waarom dit stukje ‘Paard’ heet is als volgt. Heermoes is onderdeel van het geslacht van de Paardenstaarten De Equisetaceae. Een geslacht dat al miljoenen jaren bestaat op de wereld. Toen de mensheid er nog lang niet was: namelijk 350 miljoen jaar geleden toen de dinosauriërs nog rondliepen, werden deze planten boomhoog! Het gaat om de gelijkenis. Equisetaceae is afgeleid van Equisetum en komt van Equus (Latijn) en dat betekent “paard”, en Seta (Latijn) en dat betekent “borstel/haren”. 

Deze groep planten behoort tot de sporenplanten. Dus als je denkt aan een stengel met bladeren, een bloem met kroonbladeren, stamper, meeldraden etc. dan lijkt Heermoes hier totaal niet op. Elk voorjaar als de lente echt is begonnen komen eerst bleke bladgroenloze stengels verdeeld in  gelijke stukken (leden). Op elke overgang van twee leden, een zogenaamde knoop, bevindt zich een krans van vergroeide schubben met tanden en aan de top van de stengel een langwerpig-eivormige kop met sporenaren erboven op. Het ziet er eigenlijk niet uit vergeleken met andere opkomende planten en elke beginnende florist denk zoiets van “wat is dat nu weer!”. Enkele weken later als deze merkwaardige stengels verdord zijn, verschijnen er groene stengels met zijtakken in kransen om heen. Pas dan wordt deze plant herkend als een van de Paardenstaarten.

De bladen van Heermoes zijn kransstandig om de knopen geplaatst

De verspreiding vindt in eerste instantie plaats door middel van de sporen. Die in de lente door de wind rond worden geblazen. Maar de grootste verspreiding  vindt onder de grond plaats. Zoals ik al schreef in het begin, de wortels groeien meters onder de grond!

Stadsschoonheden

 

Niet bepaald een plant waarbij je denkt dat je die in de stad tegenkomt. Wel dus! De Brede wespenorchis (Epipactis helleborine subs. helleborine) is op elke hoek van de straat en soms in uw eigen tuin te vinden.

Dit heeft enige uitleg nodig. Zo’n 3/4 van al onze plantensoorten gaat een symbiose (samenwerking) aan met bodemschimmels (mycorrhiza). Van de meeste planten hebben de zaden genoeg reserve om tot volledige vruchtontwikkeling te komen. Er is dus tijd genoeg om een symbiose plaats te laten vinden. Een uitzondering zijn de zaden van orchissen. Deze planten hebben geen reserve. Er is meestal te weinig tijd voor de orchiszaden om een symbiose aan te gaan met de bodemschimmels. Alleen in heel specifieke milieus dringt een schimmeldraad in het zaad en maakt zo kieming mogelijk. De meeste orchissen parasiteren daarna in feite op de schimmel.

Dit is ook de reden dat het uitsteken van orchissen niet werkt. Die mooie uitgestoken orchis komt nooit tot bloei door het ontbreken van de schimmel, dan wel het afsterven ervan. De meeste schimmels zijn heel gevoelig voor kunstmestachtige stoffen. De Brede wespenorchis is lijkt een uitzondering.

Hij stelt kennelijk minder zware eisen aan de bodemsamenstelling dan veel andere orchissen. Een schaduwrijk plekje onder aan een boom of in de tuin is vaak genoeg. Verder is opvallend dat de bloeitijd niet het het hoogtepunt betreft van veel andere orchissen, namelijk juni, maar juist iets later. In juli zie je de meeste bloeiende exemplaren. Maar planten die echt in de schaduw staan bloeien pas in augustus.

De bestuiving gebeurt door via insecten. De naam zegt het al. De limonadewesp (Vespa vulgaris), zeg maar onze huis-tuin-en keukenwesp, zorgt hier voor.

Rietorchis en/of Brede orchis

De Riet/Brede orchis is ook een geval van een orchidee die je in het stedelijk gebied kan tegenkomen. Ik noem beide namen omdat het best wel moeilijk is deze twee planten uit elkaar te houden. Ook kruisen ze vaak met elkaar. Hier in Gouda heeft deze plant ook profijt van de Grote ratelaar (Rinhanthus angustifolius). Deze plant groeit hier erg veel in wegbermen is een halfparasiet. Dat wil zeggen dat de Ratelaar parasiteert op diverse grassen om te groeien. Hierdoor krijgen deze grassen geen kans om erg hoog te worden en kan de Riet/Brede orchis zich goed uitbreiden.

 

 

 

Migranten

Ook onder planten is de migratiedruk hoog. In de loop van eeuwen zijn er heel veel planten bijgekomen en weer verdwenen. Als je mensen, die maar ook iets van planten afweten, vraagt naar een voorbeeld van migrerende planten, noemen ze vaak Bezemkruiskruid (Senecio inaequidens). Het is een relatief jong voorbeeld van succesvolle migratie. Van origine komt deze plant uit Zuid-Afrika. Na 1970 heeft deze plant zich in Nederland razendsnel verspreid via spoor, weg en water. Met als resultaat dat Bezemkruiskruid nu een normale verschijning is in de stad.

Via ons dicht bespoorde Nederland verspreiden zich meer soorten die je tegenwoordig overal tegen komt. Denk maar aan Wilde reseda (Reseda lutea) of aan Vlasbekje (Linaria vulgaris).

Ook de grote Rivieren, Rijn, Maas en Waal zorgen voor een prima verspreiding. De naam van dit voorbeeld zegt het al: Rivierkruiskruid. Op het verspreidingskaartje van Floron zie je precies de loop van deze rivieren terug.

Deens lepelblad (foto AvD)

Een echt heel leuke waarneming in de stad is Deens lepelblad (Cochleraria danica). Vroeger een toch wel zeldzaam plantje. Nu een echte “pekelplant”. Doordat we nogal royaal strooien op de autowegen en Deens lepelblad zoutminnend is kan deze plant zich over de rest van Nederland verspreiden. Ons wegennetwerk is op menig verspreidingskaartje dan ook goed te zien.

Ook honderden jaren geleden zijn planten ons land al binnengekomen. Een goed voorbeeld is Harig knopkruid (Galinsoga quadriradiata). Deze plant werd al in de 19-de eeuw ingevoerd uit Zuid- en Midden-Amerika. Door diverse oorlogen is Knopkruid letterlijk Europa binnengewandeld. De plant ontleent zijn naam aan Ignacio Mariano de Galinsoga. Deze Spaanse arts aan het hof was ook beheerder van de botanische tuinen in Madrid. Vanuit die tuin ontsnapte de plant. Harig knopkruid werd in 1925 voor het eerst in Nederland gezien. Nu is deze plant overal in de stad een gewone verschijning.

Gele maskerbloem (Mimulus guttatus) en Gewoon sneeuwklokje (Galanthus nivalis) zijn maar twee voorbeelden van de vele soorten die ooit in botanische tuinen zijn geplant. Vaak vanwege uiterlijke schoonheid of geneeskrachtige eigenschappen. Maar altijd “ontsnapten” deze planten en zo verspreidden ze zich over heel het land.

Ook door ons uitbundige reisgedrag nu en in het verleden krijgen veel planten de kans zich te verspreiden. Strandrupsklaver (Medicago littoralis) blijkt een echte campingadventief te zijn. Door intensief heen-en-weer-gesleur van caravans worden de zaden van deze plant overal in Europa verspreid. Goed voor te stellen is dat door ons intensieve reisgedrag veel zaden van andere planten ook worden verspreid.

Als laatste moeten toch de invasieve exoten genoemd worden. De Reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum), Japanse duizendknoop (Fallopia japonica) en de Grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides) zijn maar enkele voorbeelden. Deze zijn of ooit door botanisten meegenomen of ze zijn “ontsnapt” uit tuincentra. Een goed voorbeeld van zo’n geïntroduceerde plant is de Japanse duizendknoop. Philipp Franz von Siebold heeft deze plant al in 1823 uit Japan meegenomen naar de Hortus Botanicus in Leiden. Niet wetende dat dit een echte probleemexoot zou worden die nauwelijks te bestrijden is en zich steeds beter verspreidt door het als maar warmere klimaat. Grote waternavel is door de handel in vijver- en aquariumplanten over de wereld verspreid. Ook deze plant vaart wel bij het warmer wordende klimaat.

Krossknapp

We zullen er met z’n allen weer een paar maanden op moeten wachten. Want pas in april gaat Hondsdraf weer bloeien. En dan mag april niet te koud zijn. Als de lente al lang en breed is begonnen is dit plantje weer te zien. Bij de eerste keer denk je: “Wat is dat nou?” en dan: “oh ja, Hondsdraf”. Pas in mei is het hoogtepunt van bloei van Hondsdraf. Volgens de verspreidingsatlas van Floron wordt Hondsdraf overal waargenomen, maar in de praktijk zie ik hem het meest langs de waterkant. Behalve dat ik het persoonlijk een erg mooi plantje vind, was het eerste dat mij opviel de naam. Zowel de Nederlandse als de wetenschappelijke naam zijn het bespreken waard. Ook de Noorse/Deense naam is zeer leuk, maar daarover straks meer.

Er zijn minstens twee verklaringen voor de naam Hondsdraf:

  1. In de middeleeuwen heette deze plant “wondrav”. Dit werd later wondrank. De plant was vroeger een handzaam middel om wonden mee te behandelen en het hielp tegen zweren, jeuken en zwellingen. Ook komt de naam van het Gotische woord gunderaba dat ook weer wondrank betekent.
  2. Een andere verklaring is dat de plant zijn naam dankt aan het feit dat deze na de bloei, d.m.v. bovengrondse stengeluitlopers, snel een groot oppervlak kan innemen. Deze woekerende eigenschap zou “honds” genoemd kunnen worden.

Honden waren, in tegenstelling tot nu, vroeger niet veel waard. Een plant die niet nuttig was, kreeg al snel het predikaat “honds”opgespeld. Denk maar aan Hondspeterselie of Hondsviooltje. De wetenschappelijke naam is Glechoma hederacae. Met name het woord Hederacae is interessant. Dit betekent “klimop”. Dit vanwege de gelijkenis van sommige stengelbladeren met die van Klimop (Hedera helix). Ook heel veel planten hebben het woord Klimop in zich. Denk maar aan Klimopereprijs, Klimopbremraap, etc.

Het kruis is duidelijk te zien

Nu de meest interessante naam, Krossknapp (Kruisknop). Dit is de Noors/Deense naam. Eerst dacht ik “wat moet ik daar nu mee!”. Maar als je volgroeide exemplaren beter bekijkt. Van heel dichtbij, en een beetje op z’n kop, snap je het. Het uiteinde van het vruchtbeginsel is kruisvormig. Dus u weet wat u te doen staat komend voorjaar!

 

Bleekgele droogbloem

Eigenlijk is dit een reactie op een vorige publicist. Ik woon en werk in een zogenaamde vinexwijk. Ook hier zijn veel half-leegstaande bedrijfsgebouwen. Bij een van die gebouwen staat ons Postnldepot om de post voor deze wijk op te slaan. Als postbode zie ik dus veel stadsplanten. Laat nou naast dit depot de Bleekgele droogbloem (Gnaphalium luteoalbum) bloeien. Wel ongeveer 30 exemplaren. Volgens de vele beschrijvingen is dit plantje een echte pionierssoort die ook nog eens op natte en kalkrijke bodem groeit. Niks van dat dus. Joke de Ridder schreef dit in september 2017 ook al op deze site.

Wat eigenlijk jammer is dat veel mensen de Bleekgele droogbloem niet zien. Vaak zien ze alleen een “uitgebloeide” bloem. En omdat deze op een bedrijventerrein staat moet hij zo snel mogelijk weg om toekomstige bezoekers een opgeruimde frisse blik te geven. Jammer want oh, oh wat is hij mooi van dichtbij. En wat een mooie bladeren met lange haren heeft dit plantje. Eigenlijk gewoon laten staan. Want als je de schoonheid van die details ziet ben je pas echt goed bezig als ondernemer.

Het mooie harige blad

Uiteraard heb ik ook gekeken naar de namen. De naam Bleekgele droogbloem behoeft natuurlijk geen uitleg. De wetenschappelijke naam Gnaphalium is des te bijzonderder. Zo vaak komt de lettercombinatie GN niet voor. “Gnaphalium” is afgeleid van het Oudgriekse γνάφαλον, Gnaphalon, dat “wolstreng” betekent. Dit verwijst naar het harige karakter van de plant o.a. de stengelbladeren. “Luteo”komt van het Latijnse luteum. Dit betekent “geel”. Album is ook Latijn en betekent “wit”. Dus een witviltige plant met gele “bloemen”. De Engels naam is Jersey Cudweed. Hiervoor heb ik nog geen verklaring. Wie het weet mag het zeggen.

Plant(en)namen

 

Tijdens een van die vele KNNV-excursies met de plantenwerkgroep wist iemand bij veel planten leuke anekdotes te vertellen. Soms religieus soms mythologisch maar altijd om de naam van een plant te verklaren.

Een nieuwe interesse was geboren. Want hoe zit dat nu met die naamgeving. Waarom heet een plant zo als hij heet en waarom die dubbele wetenschappelijke naamgeving. Daarvoor moet je terug in de tijd. Carl Linnaeus (1707-1778) bedacht een systeem waarin hij de natuur in drie rijken verdeelde: stenen-, planten- en dierenrijk. Daarna deelde hij deze rijken in klassen, ordes, geslachten en soorten. Er ontstonden wetenschappelijke namen. Elke botanicus of plantenliefhebber heeft hier nu nog profijt van.

Het probleem was namelijk dat veel planten per regio/streek een andere naam hadden. Denk maar aan bijv. Pispotje, Heelblaadjes of Heksenkruid etc. Welke soort werd dan bedoeld: Haagwinde, Akkerwinde, een willekeurige medicinale plant? Carl Linnaeus bracht structuur in deze onoverzichtelijke situatie. Bijvoorbeeld de Haagwinde kreeg twee namen. Een geslachtsnaam Convolvulus en een soortnaam sepium. Een duidelijke naam voor iedereen in Nederland en…….in de rest van de wereld. Als Nederlandse naam werd de meest gebruikte naam toegepast.

Nu komt het thema van deze site, Stadsplanten, om de hoek kijken. Tijdens mijn werk als postbode ben ik het gehele jaar buiten en zie in mijn stadsdeel de plantengroei in elk seizoen. Wat mij o.a. opviel was een plant die in sommige delen van het land niet zo vaak te zien is maar waar je hier in Gouda bijna over struikelt, de Grote ratelaar (Rhinanthus angustifolius).

De verklaring voor de Nederlandse naam is als volgt. Groot omdat er ook een minder vaak voorkomende Kleine ratelaar bestaat en als de zaden van deze plant rijp zijn rammelen ze in hun opgedroogde zaaddoos als een soort ratelaar. Al heel leuk om te weten. Maar de wetenschappelijke naam zegt weer iets heet anders over deze plant. “Rinanthus” is afgeleid van rhinos (Grieks) en betekent “neus”, en ‘Anthos’ (Grieks) dat “bloem” betekent. Dit omdat de bovenlip van de bloem neusvormig is. “Angustifolius” komt van “angustus” (Latijn) en betekent “smal”, en van “folia” (Latijn) en betekent “blad”, verwijzend naar de lancetvormige bladeren. Dus twee verklaringen voor een dezelfde plant die helpen deze soort beter te duiden. Nu geldt dit niet voor elke soort. Soms is de Nederlandse naam hetzelfde als de wetenschappelijke naam. Maar vaak niet.

De zaaddozen van de Grote Ratelaar
  • Ook in andere landen hebben planten vaak weer een andere naam. Het is niet,  zoals Louis van Gaal doet, dat je de Nederlandse naam letterlijk  kan vertalen in elke willekeurige taal. Soms wel maar vaak niet. Een goed voorbeeld is Muurleeuwenbek (Cymbalaria muralis/ Linaria cymbalaria). Een soort die ik tegenwoordig bijna overal tegen kom en dus niet meer alleen op kademuren e.d.. De Noorse naam voor deze plant is Torksemunn. “Torskemunn” betekent “kabeljouwmond”. Kennelijk vinden de Noren een vis beter passen bij het uiterlijk van deze bloem dan een leeuw: de Nederlandse naam voor Muurleeuwenbek of een pad: de Engelse naam.
Muurleeuwenbek (Cymbalaria muralis/ Linaria cymbalaria)

Zo heb ik tijdens mijn zoektocht naar naam verklaringen heel veel geleerd. Al deze en vele honderden andere zijn te vinden op mijn website  www.plantennamen.info Ik heb lang niet elke wetenschappelijke of soortnaam kunnen achterhalen. Er staan nog veel vragen open. Maar dat is het leuke!