Home » Verwilderd

Categorie: Verwilderd

Ondergronds

Straks als de winter ten einde is, met deze temperaturen al snel, zie je overal de eerste planten tevoorschijn komen. Vaak zijn het stinsenplanten die als eerste bloeien. In elke stad is wel een heemtuin of iets dergelijks te vinden waar deze planten voorkomen. En ik kom hier in Gouda ook regelmatig in de berm een stinsenplant tegen. Wat stinsenplanten precies zijn daar zijn boeken over vol geschreven. Een beknopte omschrijving staat op https://www.plantennamen.info/nader-uitgelegd/wat-zijn-stinzenplanten Maar daar gaat het hier niet om. Er verschijnen Sneeuwklokjes op plekken waar ze helemaal niet gepoot zijn! Ook bijvoorbeeld Vogelmelk (Ornitholagum umbellatum) of Daslook (Allium ursinum) lijkt overal heen te wandelen. Zeker de beginnende plantenliefhebber snapt hier niks van. Ik kom soms stinsenplanten tegen waar ik ze nog nooit gezien had. De verspreiding van planten vindt toch plaats met behulp van insecten? Ja, heel vaak wel. En een beetje nee.

 

Daslook bloeit in het voorjaar

Het antwoord is al snel gevonden op internet, het mierenbroodje! Wikipedia zegt het volgende: aan de onderzijde van de zaden zit soms een vlezig aangroeisel dat mierenbroodje wordt genoemd. Mierenbroodjes komen bij veel meer plantenvruchten voor. In België en Nederland zijn zo’n 200 plantensoorten bekend die zaden met een mierenbroodje hebben. Zij bevatten een olieachtige stof die zeer aantrekkelijk is voor mieren. De mieren slepen de zaadjes mee en leveren zo een bijdrage aan de verspreiding van de planten.

 

Mieren zijn dus voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor de verspreiding van onze flora. Natuurlijk zijn die insecten zeer belangrijk en moeten wij oprecht ons zorgen maken over de zeer snel afnemende hoeveelheid daarvan. Maar er zijn verschillende manieren voor een plant om zich te verspreiden.

De volgende lijst geeft ongeveer een beeld van de mogelijkheden:

  • Met behulp van insecten. Veel Lipbloemige en veel Schermbloemige.
  • Door middel van klitten of kleven. Denk bijv. aan Grote klit of Kleefkruid.
  • Door de lucht. Bijv. de Paardenbloem of de Gele morgenster.
  • Via spijsvertering van dieren. Bijvoorbeeld Heideplanten of Maretakken.
  • Springen of schieten Een invasieve exoot Springbalsemien maar ook Ooievaarsbek is een voorbeeld.
  • Over water. Bijv. Gele lis of de Witte waterlelie.
  • Het mierenbroodje. De hierboven genoemde Sneeuwklokjes maar ook de Paarse dovenetel (https://www.stadsplanten.nl/2019/01/paarse-dovenetel-gesloten-bloemen-en-mierenbroodjes/)
  • Klimmen/ranken. Denk aan Haagwinde of Heggenrank
  • Vegetatieve vermeerdering. Bijv. Heermoes of de zeer agressieve Japanse duizendknoop

 En dan zijn veel plantenzaden ook nog eens beperkt kiemkrachtig. Van enkele maanden tot meer jaren. Als je dan ook nog eens ziet dat de grond waar dit zaad neerkomt ook nog eens geschikt moet zijn qua bodemgesteldheid en de aanwezigheid van de juiste schimmels (zie mijn vorige stukje, Stadsschoonheden https://www.stadsplanten.nl/2019/02/__trashed-2/) dan mag het wonder heten dat planten zich verspreiden. Waar ik nieuwsgierig naar ben is of de insectenuitsterving bovengronds net zo erg is als ondergronds. Is hier ooit onderzoek naar gedaan? Het mierenbroodje blijkt best belangrijk. Ik heb meer keren gelezen dat zo’n 200 plantensoorten profijt hebben van deze verspreiding.

Trilgras

In de vorige stadsplantenbijdrage besprak ik slanke naaldaar (Setaria parviflora). De vindplaats is het KNSM-eiland, wat samen met het Java-eiland in het oostelijk havengebied van Amsterdam al decennia een hotspot is voor bijzondere plantvondsten. De twee eilanden, eigenlijk schiereilanden, waren ooit dé plek voor havenactiviteiten, maar die vielen in de loop der jaren weg door de opkomst van de luchtvaart en het stilvallen van de handel op de Oost. Dit desolate gebied werd vanaf het einde van de jaren zeventig in bezit genomen door krakers, kunstenaars en stadsnomaden. Nog geen 15 jaar later werd alles herontwikkeld tot een woonwijk.

Ondanks deze veranderingen bleef deze omgeving een plek om bijzondere soorten te spotten. Was ooit de scheepvaart de reden voor bijzondere vondsten, later gaf het massaal braakliggen genoeg plek voor allerhande soorten. Tegenwoordig wonen er mensen die geen behoefte hebben aan een steriel, schoongespoten en dito geborstelde straatbeeld. Integendeel; rijen plantenpotten en dito bakken, geveltuinen en overhoekjes geven wilde en verwilderde planten alle ruimte.

De gekste verwilderingen zijn hier te vinden alsmede de voorhoede van warmteminnende soorten uit het zuiden. Maar ik beperk me nu tot de grassen.

Aartje van groot trilgras

Zo worden er op deze twee schiereilanden naast slanke naaldaar meer bijzondere grassen gevonden zoals laksteeltje (Catapodium marinum), plat beemdgras (Poa compressa), knolbeemdgras (Poa bulbosa), rattenstaartgras (Sporobolus indicus), met duizenden exemplaren klein fakkelgras (Rostraria cristata) en al heel lang kransgras (Polypogon viridis). Kransgras is tegenwoordig niet meer zeldzaam te noemen, maar pas in deze eeuw begon de opmars in Nederland met het Java-eiland als een van de startpunten.

Groot trilgras gedijt ook op houten balken

Tenslotte wordt er ook nog groot trilgras (Briza maxima) gevonden. Deze soort is eigenlijk de enige bijzondere grassoort hier die een verwildering is. Ruim 20 jaar geleden ontsnapte deze soort uit plantenbakken en wist zich op straat en kademuur te vestigen. Net zoals ons inheems trilgras, bevertjes (Briza media), heeft het korte en afgeplat brede aartjes hangend aan dunne stelen die in bij het minste briesje al trillen: vandaar de namen. Ook de wetenschappelijk naam Briza houdt met het trillen verband. ‘Briza’ komt van het Griekse ‘brithó’ = ik balanceer, vanwege de zeer beweeglijke aartjes. Groot trilgras is in alles een maatje forser dan bevertjes, maar verder erg gelijkend. Het is een vroege bloeier die begin juni al geheel is verdord. Als plantelijkjes zijn ze echter tot in de herfst te vinden. Groot trilgras komt massaal voor op de kaderand, vooral tussen het straatmeubilair van de woonbootbewoners. Fietsrekken zijn ook een fijne en veilige plek. Ook op de houten balk, die voor de kademuur als stootrand fungeert, en op de dukdalven komt het weelderig voor.

En het groeit in spleten

Ooit ontsnapt uit plantenpotten, komt het in potten nu spontaan op als gewenst onkruid. De groeiplaats is een kleine 200 meter lang en vertoont al jaren geen uitbreiding. Het milieu lijkt verderop langs de kade identiek, maar wellicht zit het verschil in de bodem. Deze eilanden waren oorspronkelijk golfbrekers en zijn voornamelijk met slib uit de vaargeul verbreed en  opgehoogd. Het was ook een mooie plek om overtollige grond kwijt te raken en mijn vermoeden is dat op de groeiplaats andere grond is gestort en de bodem ter plekke wat kalkrijker is. Groot trilgras kwam tot eind de vorige eeuw alleen voor langs de kusten van de Middellandse Zee en de Atlantische kust tot in Frans Baskenland, met een paar voorposten in Normandië. Waarschijnlijk door de toepassing als siergras wordt de soort tegenwoordig sporadisch gevonden in een groot deel van Europa. Maar alleen in Engeland, Wales en Nederland lijken er bestendige populaties te zijn ontstaan.

Maar met vondsten in slechts 40 atlasblokken zijn dat er in Nederland nog niet veel.

Bron: https://www.verspreidingsatlas.nl/5612

Ook uitgedroogd, is groot trilgras nog te herkennen.
detail Lijmkruid

Plakkend hemelroosje

Rotstuinen en straattegels, wat is het verschil? Eén van de kenmerken van de stedelijke omgeving ook, dat ‘rotsige’. Zo ook daar in een bepaalde hoek, waar ik bij het langsfietsen altijd even wat langzamer ga. Het is altijd een boeiend hoekje, bij een flat in een net afgebouwde wijk. Beetje rommelig, veel nieuw materiaal voor bestrating, tuinen en bloembakken. Zoals wel vaker gebeurt knoeit men dan wel eens wat. Deze keer een Silene, dat was vrij snel duidelijk.

Maar dan. Volgens Blumen in Schwaben zijn er zo’n 720 soorten Silenes, of, zoals ze in het Duits heten Leimkraut. Dus …. gelukkig is daar altijd weer de gemeenschap van plantenkenners, want via de genoemde site is deze niet te vinden. Lijmkruid dus, of zoals ze op de site van de tuinen van Appeltern ook wel genoemd wordt Hemelroosje. Vandaar ook de titel ‘plakkend hemelroosje’. Ah, nog veel meer alternatieve namen, zoals Caucasian champion (Kaukasische silene), Autumn catchfly (Herfstsilene) en Persian carpet in het Engels. Dat zegt het een en ander over herkomst, bloeitijd en levensvorm. Van oorsprong dus een soort uit de Kaukasische regio, van Azerbeidzjaan tot aan een aantal noordelijke Iraanse provincies.
De bloeitijd loopt van juli tot in de herfst. De soort heeft liggende tot opstijgende stelen die 25-30 cm lang kunnen worden. Persian carpet is in een optimale situatie als meerjarige planten een deken over rotsen vormen. Het is een opvallende plant met tot 1 cm felroze bloemen en een lange, met klierharen bezette kelk. De kelk heeft meestal 10 paarse tot roze nerven en is tot 2.8 cm lang.

overzicht lijmkruid
Lijmkruid in de stad

Volgens Alien Plants of Belgium een soort die zelden wordt gevonden. Voor het eerst gevonden in 2002 in Luik en door Denters in 2004. Sinds 2012 ook in diverse steden in Vlaanderen. Voor Nederland geldt sinds 2004 in 16 km hokken gevonden, met als zwaartepunt Amsterdam (verspreidingsatlas).

Helaas heb ik laatst moeten constateren dat er iets te goed is schoongemaakt rondom de verkeersborden. Dus de soort is inmiddels weer verdwenen uit Deventer.

Bronnen:

 

 

 

Hemel of hel

Een aantal jaren geleden werd hier ter stede alarm  geroepen over de hemelboom (Ailanthus altissima). De reden was dat de gemeente Breda op een grote uitvalsweg nogal wat van die bomen in de middenberm plaatste. Naast het onloochenbare feit dat het hier een exoot betrof, zou deze ook nog invasief zijn.

Bomen groeien niet tot in de hemel en de hemelboom is daarop geen uitzondering. Zijn naam kreeg hij van de Engelsman Ph. Miller. Die beschreef in de achttiende eeuw de boom die hij gezien had in China. Hij noemde hem ‘hemelboom’. De geslachtsnaam ‘Ailanthus’ komt van het Maleise ‘aylanto’, dat boom van de hemel betekent. Onbekend is wat de boom hemels maakt. Wellicht vanwege het gebruik in de zijderupsteelt.

De Latijnse soortnaam ‘altissima’ betekent ‘de allerhoogste’. In feite wordt deze boom niet zo hoog, slechts 20 – 25 meter. Kortom, de naamgeving munt niet uit in adequaatheid.

Het meest opvallend aan de hemelboom zijn wel de bladeren. Die zijn 40 – 90 cm lang, oneven geveerd met 13 – 40 smalle, elliptische blaadjes, aan de voet grof getand. Van de blaadjes wordt beweerd dat ze onaangenaam ruiken. Dat hebben we bij de Bredase bomen niet kunnen vaststellen bij oudere bomen. Bij jonge bomen wel, en de geur heeft wel wat weg van aangebrande melk.

Groot, geveerd blad

De bladstengel is zacht behaard en bevat oranje merg. De schors is glad met lichte lengtestrepen.

De bloemen zijn klein, geelachtig wit in rechtopstaande pluimen en bloeien in juni-juli. Ook van de bloemen wordt beweerd dat ze stinken. Andere bronnen reppen van een vliergeur. Het vermoeden van demonisering door hemelboomhaters dringt zich op, want die zijn er.

De vruchten zijn gevleugelde nootjes, in grote, oranjekleurige trossen.

 

Vrolijk gekleurde vruchtjes in de nazomer

De hemelboom is tweehuizig. Man en vrouw wonen in aparte huizen. De bomen zijn dus eenslachtig, net als wilgen of hulst. De boom groeit ook verder uit wortelopslag en vanuit de stronk na kap.

Deelblad met zeer karakteristieke tand aan de voet.

In 1750 wordt hij voor het eerst ingevoerd in Frankrijk en van daaruit raakt hij verspreid over Europa.

In Nederland wordt hij als straat- en parkboom aangeplant. De boom heeft namelijk geen last van luchtvervuiling. Vooral Rotterdam is koploper geweest in het aanplanten van de hemelboom. Daar dragen de zaailingen zelf al weer vrucht.

De hemelboom vertoont dus alle trekken van een moderne stadsplant: mondiale verspreiding, snelle groeier, taai, thuis op verschillende grondsoorten en milieus, omstreden, maar onmiskenbaar aanwezig in onze wereld en een blijver.

Niettemin valt de woekering van de boom in Breda reuze mee: geen hemel en geen hel; meer iets er tussenin: een vagevuurboom.

 

 

 

 

 

vagevuurboom

Mottenkruid, detail bloem

Gelijkend op een mot

Volgens een Amerikaanse site is de naam Mottenkruid afkomstig van gelijkenis van de meeldraden met de antennen van een mot! De etymologische verklaring van de wetenschappelijke naam Verbascum blattaria is misschien nog wel specialer. Verbascum is een verbastering van barbascum = gebaard. Het zijn planten bedekt met vilt en voorzien van gebaarde meeldraden. Zie ook detailfoto van de bloemen. Blattaria komt van het Latijnse blatte = kakkerlak. Een extract van Mottenkruid schijnt een goed middel tegen kakkerlakken te zijn. Zie Engelstalig wikipedia- artikel. In de Oecologische Flora (deel 3, pagina 200) staat een wat ander verhaal. Kakkerlakken zouden graag in de afgevallen bloemen kruipen, zodat met het opvegen van afgevallen bloemen gelijk alle kakkerlakken zijn verwijderd.

Mottenkruid is van de familie van de Helmkruiden (Scrophulariaceae). Zeker goed te zien aan de zaden die een mooi bolletje vormen.

Mottenkruid, rijpe zaden
Mottenkruid met rijpe zaden
Mottenkruid, vruchtbeginsel
Mottenkruid, vruchtbeginsel

Het is een tweejarige plant, startend met een wortelrozet en in het tweede jaar een lange bloeistengel met tientallen bloemen.  De plant is van onder naar boven bezaaid met klierharen, tot op vruchtbeginsel aan toe. Mottenkruid kan zowel gele als witte bloemen hebben. In het geval van gele bloemen, is het de aanbeveling om goed te kijken naar de andere kenmerken: te weten de grootte van de bloemen en de grootte van de plant in het algemeen. Waar Mottenkruid meestal minder hoog is dan 1.20 meter is er het Beklierde mottenkruid dat tot 2 meter kan worden, met 3-4 centimeter grote bloemen. Deze uit het zuiden afkomstige soort wordt met enige regelmaat waargenomen, vooral op plaatsen met aangevoerde grond. Meer informatie en diagnostische kenmerken zijn te vinden op Alienplantsbelgium.be.

Mottenkruid is een van oorsprong inheemse soort. De soort is volgens verspreidingsatlas een vrij zeldzame soort en soortenbank.nl rept zelfs over zeer zeldzaam in het Gelders district en elders onbestendig of adventief en uitgezaaid. De Oecologische flora schrijft dat “Mottenkruid nauwelijkse tot de Nederlandse inheemse flora gerekend kan worden”.

Op de vindplaats is inzaai is niet erg waarschijnlijk: geen huizen en geen groenstrook.  Het is er op de een of andere manier terechtgekomen. De standplaats in Deventer voldoet echter wel heel erg aan zijn natuurlijke voorkeurshabitat, te weten kalkrijke stenige en voedselrijke plaatsen. Diverse planten staan er in een regengoot aan de voormalige binnenhaven van Deventer.

Mottenkruid, groeiplaats
Mottenkruid, groeiplaats

Bijzonder overigens dat Waarneming.nl op de soortbeschrijving weet te vermelden dat de soort vooral op klei voorkomt, terwijl het kaartje op verspreidingsatlas een redelijk gelijkmatig verspreiding over Nederland laat zien. De bijbehorende tekst vermeldt, zonnige, warme, open plaatsen op droge, matig voedselrijke, kalkhoudende grond (zand en stenige plaatsen). Deze laatste beschrijving is gelijk aan die van de Heukels’ (23ste druk).

Deze blog begon met een citaat uit een Amerikaanse site. In de Verenigde Staten is de soort sinds begin 19de eeuw een exoot; voor het eerst in 1818 in Pennsylvania. Wij hebben het vaak over exoten vanuit Amerika, maar andersom gebeurd natuurlijk ook. Mottenkruid is daar een mooi voorbeeld van.

Bron: o.a. Nederlandse Oecologische Flora, 3, Weeda et al, 1988

De wilde tuin

Deze bijdrage is van de hand van Peter Wetzels (Districtscoördinator Floron-afdeling Groot-Amsterdam). Hij vervangt Ton Denters op diens verzoek. Ton heeft het druk met het nieuwe boek ‘Stadsplanten van Nederland en Vlaanderen’.

 

In een stad vormen tuinen een belangrijke gebied voor wilde planten. Tuinen nemen een groot deel van de stadsruimte in en, belangrijker, er zijn tuinen waar niet zo strak onkruid wordt bestreden als door de gemeentelijke diensten. Ook het milieu is anders dan aan de voorkant van het thuis: vaak minder steen, koeler, rijkere grond en vochtiger.

Aangeplante of ingezaaide planten in tuinen tellen niet mee voor onze wilde flora. Anderzijds zijn paarse dovenetel (Lamium purpureum), schijnaardbei (Potentilla indica) en tuinwolfsmelk (Euphorbia peplus) voorbeelden van soorten die in de stad voornamelijk in tuinen te vinden zijn. Het zijn vaste gasten. Die tellen wel mee want tuinen zijn hun biotoop.

Er is echter een vrij grote groep soorten waar het minder eenduidig is. Dat zijn soorten die spontaan in tuinen voorkomen, maar worden ook aangeplant of ingezaaid. Of ze in sommige gevallen als  spontaan en wild of verwilderd gekenmerkt mogen worden leidt soms tot uitvoerige discussies.

Zo zijn in mijn tuin soorten als gele helmbloem, betonie en hartgespan spontaan opgekomen. Omdat deze soorten ook regelmatig in tuinen aangeplant of ingezaaid worden worden ook spontane opkomst in tuinen door velen niet als wild geaccepteerd. Betonie en hartgespan had ik te danken aan excursies in fraaie natuurgebieden. Na afloop de schoenen uitkloppen in mijn tuin was een cruciale stap.

Van betonie (Stachys officinalis) is duidelijk dat mijn locatie niet meetelt voor zijn natuurlijke verspreiding: deze soort komt vooral voor in Zuid-Limburg en de tuin is geen normale biotoop.

Bij hartgespan (Leonurus cardiaca) is het iets minder helder. De soort groeit vaak op omgewerkte, humeuze grond en ruderale plaatsen en een tuin past binnen zijn natuurlijke milieuvoorkeur.

De gele helmbloem (Pseudofumaria lutea) had ik te danken aan de ontlasting van houtduiven, die op een schutting loerden op een kans om mij van mijn kersen te beroven. Houtduiven zie je vaak op straat pikken op zoek naar zaadjes. Niet alles wordt verteerd en de restanten lozen ze natuurlijk op de meest onhandige plekken. Op deze wijze hebben ze mijn tuin verrijkt met deze fraaie soort. Mijn gele helmbloemen zijn een stadse soort, groeiend in een gebruikelijke biotoop en geheel natuurlijk verspreid. Als ik het zo beschrijf zal iedereen beamen dat dit wilde exemplaren zijn, maar dan word ik wel op mijn bruine ogen geloofd.

Er groeien vier leuke soorten in mijn tuin die minder discussie zullen geven. Al was het maar dat ze in de stad vooral te vinden zijn in de voegen van de bestrating. Zo ook in mijn tuin.

Gehoornde klaverzuring loopt vaak wat rood aan

Het gaat om stijve klaverzuring, gehoornde klaverzuring, kransgras en stijf hardgras die allen het stukje steenwerk in mijn tuin verfraaien. Natuurlijk zijn ze in mijn tuin terecht gekomen als zaad aan mijn schoenen klevend, opgepikt tijdens mijn stadse planteninventarisaties.

Stijve klaverzuring

Stijve klaverzuring (Oxalis stricta), afkomstig uit Noord-Amerika en in de 17e eeuw in Europa ingeburgerd, is het minst gebonden aan een steenwoestijn. Menig tuin wordt verfraaid door deze sierlijke plant. Haar uiterlijk heeft zij mee en wordt bij het wieden vaak gespaard. Haar zusje gehoornde klaverzuring (Oxalis corniculata) is wat meer gebonden aan de straat. Met haar fraaie bruinrode bladeren werd het vroeger als tuinplant verkocht. Ooit inheems in Zuid-Europa komt het nu wereldwijd voor.

Kransgras en stijf hardgras zijn mijn kampioenen van de straat. Deze soorten zijn vrijwel uitsluitend op stenige plaatsen te vinden. Tot deze eeuw waren dit zeer zeldzame grasjes en ze zijn pas in de laatste jaren sterk opkomend. Kransgras (Polypogon viridis) heb ik al enige jaren in mijn tuin. Deze Zuid-Europese soort heeft eind vorige eeuw op eigen kracht Nederland bereikt. Meestal kleine groeiplekken in de schaduwrijke stegen en langs gevels. In het nabijgelegen Amsterdam-Oost kwam er echter een groeiplaats van enige duizenden exemplaren voor. Het is dan ook niet raar dat deze soort in mijn tuin opdook.

Mijn kampioen: stijf hardgras

De laatste aanwinst is stijf hardgras (Catapodium rigidum). Deze soort leek een halve eeuw geleden uit Nederland te verdwijnen. Het stond vooral op oude muren en steile wanden in steengroeven en nam in aantal af. Door de opwarming heeft het een nieuwe biotoop kunnen vinden: de straat en komt nu vooral in de Randstad voor. Een paar weken geleden plukte in gedachteloos een halm van een miniem grasje. Tot mijn verbazing was het stijf hardgras, een toch nog zeldzame soort. Ik had begin mei deze soort aangetroffen bij de Buiksloterwegveer in Amsterdam-Noord. Kwam het zaad daar vandaan? Bij nader inzien denk ik van niet. Gaandeweg doken er namelijk meer exemplaren op in alle hoeken van mijn tuin. Nu zijn er ruim dertig: van minieme verkreukelde exemplaren in de looproute tot forse exemplaren langs de muur en borderrand. De soort moet er minstens een jaar aanwezig zijn en vermoedelijk wel langer. Domweg over het hoofd gezien. Het Japanse spreekwoord: ‘Aan de voet van de vuurtoren is het donker’, vind ik hier zeer toepasselijk.

 

Amerikaan verspreidt zich over Nederland

21 mei 2019 vond ik tijdens een inventarisatie met de Rotterdamse Florawerkgroep voor het eerst Amerikaanse droogbloem (Gnaphalium pensylvanicum) in Rotterdam.  En niet zo zuinig ook, er stonden er tientallen verspreid over de kade van ‘het Haringvliet’.

De eerste waarneming van Amerikaanse droogbloem in Nederland was in 1967 in Baarn tussen parkbeplanting; waarschijnlijk meegekomen als onkruid. Daarna bleef het zo’n dertig jaar stil. Rond 2000 werd hij in Nijmegen gesignaleerd en vanaf 2007 wordt hij daar regelmatig gemeld. In 2007 wordt hij ook gespot in Amsterdam en in het buitengebied bij Sint Oedenrode. In 2008 is Wageningen aan de beurt. Daarna duikt hij ieder jaar op nieuwe plaatsen op. De meeste zijn stedelijk zoals: Culemborg (2010), Eindhoven (2013), Maastricht (2014), Breda (2014), Utrecht (2014), Huizen (2014). Hij is echter ook in het buitengebied gevonden zoals in een maisakkerrand en in de Overloonse duinen. In 2015 was de eerste vondst in Rotterdam.

Verspreidingskaartje Amerikaanse droogbloem d.d. mei 2019. Die ene stip in het Noorden, op Ameland is een waarneming waarbij de plant nog in de olijfboomkuip stond.

Het gebied in Nederland waar Amerikaanse droogbloem is gesignaleerd breidt zich gestaag uit. Het lijkt erop dat hij niet gelijk hele steden verovert, maar stukje bij beetje. Van diverse plekken is bekend dat de bron van de verwildering een kuip met olijfbomen is geweest, die met aarde en mediterrane onkruiden naar Nederland zijn gekomen. In Rotterdam was de eerste vondst (2015) in Kralingen. Opvallend is dat de tweede vindplek (2019) hemelsbreed slechts 500 meter daarvandaan is en we hem de afgelopen vier jaar niet op andere plekken in Rotterdam zijn tegengekomen. Ik vermoed dat de nieuwe vindplaats vanuit eerdere verwildering is gekoloniseerd, we hebben geen olijfboomkuipen in de nabije omgeving gezien.

Hoe de soort in het buitengebied terecht komt is mij onbekend, maar het lijkt me waarschijnlijk dat ook dat niet direct vanuit de olijvenkuipen gebeurt, maar vanuit al eerder ontstane stadspopulaties.

Amerikaanse droogbloem krijgt paarsbruinige bloemhoofdjes in knoedels langs de stengel in plaats van de lichtgele tuilen bij de Bleekgele droogbloem. Het blad is ook minder witviltig behaard en de hogere bladeren zijn breder dan bij de Bleekgele. De soort is in de eerste jaren dat hij in Nederland werd gevonden aangezien voor Paarse droogbloem, maar die heeft tweekleurige bladeren: groenglanzend van boven en witviltig van onderen; er zijn intussen wel een paar Nederlandse waarnemingen van Paarse droogbloem.

Ik ben benieuwd of de Amerikaanse droogbloem heel Rotterdam gaat veroveren.

 

Explosieve exoot

Midden in oude binnenstad van Breda ligt het Begijnhof. Daar wordt een prachtige kruidentuin onderhouden. Vanwege de de bezoekers worden de paden rond de tuin schoongehouden van wilde planten en ontsnapte planten uit de perken. Heel soms ontkomt een zaadje aan het smoren in de wieg. In dit geval waarschijnlijk omdat het net binnen een privédomein terecht was gekomen, al blijft zoiets in een begijnhof, moeilijk af te bakenen.

veilig op privéterrein ?

De plant in kwestie is de springkommer (Ecballium elaterium). Hij behoort tot de komkommerfamilie, hetgeen ook aan de bloem is te zien.

komkommerachtiige bloem

De plant is thuis in het gehele gebied rond de Middellandse Zee. Wie daar wel eens is geweest, weet dat springkomkommer daar groeit als onkruid. Liefst op ruderale plekken, naast de weg, parkeerplaatsjes met steenslag, e.d.

De plant ontleent zijn naam aan het feit dat als de rijpe vrucht neerploft, de zaden explosief worden weggeslingerd. Veel leuker is, als de rijpe vrucht nog hangt, een kind te vragen in de vrucht te knijpen. Pang!

De vrucht is giftig, dus het kind moet wel gereinigd worden en een aai over de bol voor de schrik.

harige bladeren met hartvormige voet

De wetenschappelijke naam Ecballium elaterium betekent tweemaal ‘uitwerpen’ . Eenmaal in het Grieks en eenmaal in het Latijn.

 

 

Zilverschildzaad: een nieuwe Diemenaar

Deze bijdrage is van de hand van Peter Wetzels (Districtscoördinator Floron-afdeling Groot-Amsterdam). Hij vervangt Ton Denters op diens verzoek. Ton heeft het druk met een bijdrage aan de ‘Nieuwe Heukels’.

 

Zilverschildzaad is een vaak gebruikte tuinplant die in de stad regelmatig verwildert. De algemene opvatting is dat de soort niet winterhard is, en zich elk jaar opnieuw uitzaait uit vers aangeschafte tuinplanten.

Straatbeeld

In mijn directe omgeving in Diemen komt de soort veel op straat voor en ik had het idee dat de soort jaarrond voorkwam: een paar honderd exemplaren verspreid over een tiental groeiplekken, alle binnen een straal van 300 meter. Ik kreeg het idee dat de soort in Diemen niet meer verwildert maar stevig was ingeburgerd. Het criterium voor inburgering is dat de soort een aantal jaren op eigen kracht een populatie vormt. Tijd om mijn idee om te zetten in een aangetoond feit. Het boek ‘Planten tellen’ van Eelke Jongejans over monitoring en demografisch onderzoek aan plantenpopulaties gaf mij het zetje om te onderzoeken of er sprake was van een ingeburgerde populatie.

Door consequent, van 2013 tot 2015, elke maand de aantallen van verschillende groeiplekken te tellen kreeg ik een goede indruk van de ontwikkelingen: geboorte, groei en sterfte.

Na het wieden toch niet weg

In geef hier de belangrijkste conclusies.

Dat deze soort niet winterhard is te nuanceren. Ik heb de groeiplekken drie jaar gevolgd en het werd duidelijk dat de planten met hun wortels de winter kunnen overleven. Een vorstperiode doet alle planten bovengronds afsterven, maar binnen twee maanden staan ze alweer te bloeien. In een zachte winter bloeit de soort gewoon door zoals de Eindejaarsplantenjacht aantoont.

Gek genoeg is zilverschildzaad wel erg gevoelig is voor borstelen. Na een borstelbeurt blijft de straat vrij lang kaal. Snelle hergroei vanuit de wortels treedt dan niet op. Wellicht is het seizoen van belang en hebben de wortels van de straatexemplaren in de zomer weinig reserves. In de tuinen is een keer wieden niet effectief. Een week of wat later komen de eerste groeischeuten weer boven het maaiveld uit.

Zilverschildzaad bloeit lang en rijk en produceert vermoedelijk veel zaden. De kieming is nooit massaal en verspreid over het zomerhalfjaar. De originele groeiplaatsen van de soort zijn te vinden langs de mediterrane kusten net buiten de zeereep. Een verspreide kieming is een strategie van risicospreiding die bij een dynamische omgeving past.

De zaden komen op straat niet ver. Kiemplanten vond ik bijna altijd binnen 20 meter van een populatie.

Tuinbeeld

Zilverschildzaad komt ook in een aantal tuinen voor en uit navraag bleek dat ze daar al vele jaren voorkomen zonder aanplant of uitzaai. Menige tuin werd heringericht met meestal een overgroot aandeel bestrating en zelfs dat deed de soort niet verdwijnen.

De groeiplaatsen wandelen een beetje heen en weer tussen de straat en de naastgelegen bestrate tuinen, afhankelijk van de onkruidbestrijding in tuin of op straat. Zelden vond die onkruidbestrijding gelijktijdig plaats.

Meeste planten staan in de goot

De grootste herinrichting in de wijk is de periodieke ophoging. De wijk verzakt elk jaar met twee centimeter. Dus elke vijftien jaar wordt er in de hele wijk dertig centimeter zand gestort. In 2016 na mijn telling was het weer zover en ik verwachtte een complete verdwijning. Tot mijn verbazing bleef de grootste groeiplaats bestaan en floreert tot op heden. Her en der heb ik ook nog wel losse exemplaren gevonden maar die bleken niet bestendig. In twee ook opgehoogde tuinen komt de soort ook nog steeds massaal voor. Ik vind dit ook wel inburgering, maar laat dat andere floristen maar niet weten.

 

Palmlelie

Vaak zijn nieuwe stadsplanten onopvallend. Dat kan niet worden gezegd van de palmlelie (Yucca gloriosa). In oktober 2018 staat de plant hier volop te bloeien. Het zou kunnen dat dit aan de warme zomer ligt, maar een paar jaar geleden bloeide dezelfde plant half mei. Op internet geeft de ene kweker als bloeitijd juli en augustus aan, de andere september en oktober. Kortom, de palmlelie trekt zich niet veel aan van door ons bedachte tijdstippen.

roomwit en appelrood

De palmlelie komt uit het Zuidoosten van de Verenigde Staten, en is inmiddels ingeburgerd in Frankrijk, Italië, Turkije en in België in de duinen. De plant kan zich niet geslachtelijk voortplanten door het ontbreken van de yuccamot hier. Toch kan hij hele haarden vormen in de duinen van o.a Belgie. Filip Verloove schrijft: ‘Een veel voorkomende tuinplant, die in toenemende mate wordt gezien als een tuinuitwerping in ruderale gebieden of op stortplaatsen. Min of meer duidelijk te onderscheiden populaties zijn vanaf 2001 vanaf een aantal locaties in kustduinen bekend, vaak in of nabij natuurgebieden (bijvoorbeeld Houtsaegherduinen tussen De Panne en Sint-Idesbald, Fonteintjes tussen Blankenberge en Zeebrugge, Ter Yde in Oostduinkerke, etc.)’. http://alienplantsbelgium.be/content/yucca

Deze plant heeft een dubbelganger: de Yucca flaccida die sprekend lijkt op de Yucca gloriosa. Toch zijn de twee makkelijk uit elkaar te houden: de bladeren van de Y. gloriosa zijn kaal en stijf. Die van de Y. flaccida hebben dunne, lange draden en de bladen zijn slapper.

blad stijf en kaal

Ook deze soort verwildert, maar minder vaak.

De geslachtsnaam ´Yucca´ is de Spaanse en van oorsprong West-Indische, indiaanse naam voor cassave of maniok. Linnaeus heeft per vergissing de verkeerde naam aan deze plant gegeven. De soortaanduiding ‘gloriosa’ betekent ‘stralend’. ‘Flaccida’ betekent ‘slap’ en heeft betrekking op de bladen die slapper zijn dan die van Yucca gloriosa.