Home » Verwilderd

Categorie: Verwilderd

Olympisch hertshooi

Het geslacht Hypericum (Hertshooi) kent in Nederland maar liefst 10 wilde soorten. Sint-Janskruid (Hypericum perforatum) is hiervan de meest bekende en meest algemene soort, zeker wanneer je over stadsflora praat. Er zijn echter diverse uitheemse soorten die als tuinplant toegepast worden en sporadisch tot frequent weten te verwilderen. Van de uitheemse soorten is Mansbloed (Hypericum androsaemum) de meest bekende soort, al betreffen de meeste waarnemingen kruising Hypericum x inodorum. Al met al zijn er zo’n 18 soorten uit het geslacht te ontdekken in Nederland. Een van deze nieuwkomers zou zich zomaar kunnen gaan ontwikkelen tot typische stadsplant.

De bloemen van Hypericum olympicum hebben een diameter van 5-6 cm.

Gisterochtend moest ik naar de kaakchirurg om twee verstandskiezen te laten verwijderen. Gelukkig viel het verwijderen erg mee, maar het was nog steeds bepaald geen pretje. Als beloning voor mijn dapperheid werd ik op de terugweg getrakteerd op een voor mij nieuwe stadsplant: Olympisch hertshooi (Hypericum olympicum). Deze soort is ondanks haar geringe grootte erg opvallend vanwege de gigantische bloemen (5-6 cm in diameter) en de blauwgroene stengelbladen. De soort lijkt sterk op Hypericum polyphyllum, mogelijk betreft zelfs een deel van de vondsten zelfs deze soort. Maar dat is een klusje voor de winter, eerst maar weer lekker op pad gaan!

De stengelbladen van Hypericum olympicum zijn opvallend blauwgroen van kleur. De stengelbladen kunnen relatief smal zijn zoals hier, maar ook een stuk breder zijn. Net als bij Sint-Janskruid zit het blad vol met kleine gaatjes.

De soort is inheems in Zuid-Oost Europa, o.a. Servië, Griekenland, Bulgarije en Turkije, en staat hier op zandige tot stenige biotopen. De plant kan verder goed tegen droogte en groeit prima op voedselarme bodems. De soort is inmiddels 14 keer verwilderd aangetroffen, waarvan 13 vondsten in het stedelijk gebied. Met klimaatverandering verwacht ik dat de soort vaker gaat opduiken en mogelijk zelfs plaatselijk zal gaan inburgeren.

De kelkbladen van Hypericum olympicum zijn breed en spits.

Olijven in stad

Iedereen kent de haagliguster (Ligustrum ovalifolium). Vroeger zag je hem meer, maar met de opkomst van de lage heggen, heeft de buxus vaak zijn plaats ingenomen. Maar er gloort hoop voor de liguster sinds het verschijnen van de buxusmot.

Ovaal blad haagliguster

Wat niet iedereen zal weten is dat liguster tot de olijffamilie behoort. Proefondervindelijk is dat tegenwoordig ook zelf vast te stellen. In veel steden staan olijfbomen in grote kuipen. In Tilburg staan er in de Stationsstraat. Dat is de straat die vanuit de binnenstad recht op de hoofdingang van het NS-station uitkomt. Sommige van die bomen dragen zwarte olijven. Steek een olijf in je mond en kauw erop. Bah, wat bitter! Zoek dan een liguster met bessen en steek een bes in je mond. Bah wat bitter! Beide vruchten hebben een harde pit, de blaadjes een vergelijkbare vorm. Die smaken trouwens ook bitter.

Dat laatste zal ook wel een van de redenen reden zijn waarom de liguster al zo lang als haag voldoet: het vee vreet niet aan de bladen.

Bitter als olijven

Wie zijn ligusterhaag vlijtig knipt zal geen bloemen zien; dat is echter wel zonde. De bloemen ruiken heerlijk en bloeien lang. Zelf hebben wij in de tuin een enkele liguster als boompje uit laten groeien en die bloeit heel rijk. Er komen dagvlinders en bijen op af, en ook nachtvlinders. Voor een aantal soorten nachtvlinder zijn zelfs de bladen voedsel voor de rups. De bekendste daarvan is de mooie ligusterpijlstaart.

In de winter komt de merel de ligusterbessen eten. Kortom, een bloeiende liguster draagt bij aan de biodiversiteit van de omgeving. Zelfs bij een haag kun je op een hoek een plant door laten groeien.

De haagliguster komt uit Japan en er wordt aangenomen dat deze niet verwildert. Daar twijfel ik aan. In onze tuin is spontaan een haagliguster verschenen. Dan moet je toch aannemen dat het een zaailing is.

Blad van de wilde liguster is veel langer

Er bestaat ook een wilde, inlandse liguster (Ligustrum vulgare). Die vind je vooral op kalkhoudende grond: in de duinen en op klei. Toch kun je hem verwilderd aantreffen in plantsoenen, ruderale stukjes, bermen.

Het verschil tussen beide ligusters is tamelijk makkelijk. Het blad van de wilde liguster is veel langer. In de wetenschappelijke naam van de haagliguster wordt dat ook al aangegeven: ‘ovalifolium’ = ovaalvormig blad; in tegenstelling dus tot het langwerpige blad van de wilde liguster. Ovaal is hier tweemaal zo lang als breed. Langwerpig: viermaal zolang als breed.

De geslachtsnaam ‘liguster’ komt van ‘ligure’ = binden, vlechten. Twijgen voor vlechtwerk.

 

 

 

 

 

 

 

Nieuwe stadsplanten in de nieuwe Heukels’ Flora

 

Breed lampenpoetsergras (Cenchrus purpurascens) uit de tuinprairie ontsnapt. Hier tussen de stoeptegels te Antwerpen in 2011.

In februari ontvingen de botanici een cadeautje van Naturalis en Leni Duistermaat; een zelf aan te schaffen nieuwe Heukels’ Flora, 24ste druk. Er zat 15 jaar tussen deze en de vorige druk en er is heel veel toegevoegd. En dan voor een aanzienlijk deel natuurlijk de immer veranderende en qua diversiteit toenemende stadsflora.

In deze digitale tijden is het de vraag of een papieren versie nog wel nodig is, maar ik ga daar dan snel op antwoorden: ja! In de wereld van de floristen is een ‘standstill’, en dat is zo’n standaardwerk feitelijk, noodzakelijk om alles op orde te stellen. Voor vele databases, de streeplijsten, de rode lijsten en de wettelijke beschermde soorten is het handig dat niet alles in constante beweging is. Het is natuurlijk nuttig om te weten dat er iets gaat veranderen, maar een tussenstand, de standaardflora of een standaardlijst, is nodig om te weten dat het daadwerkelijk veranderd is. En dan kunnen we weer even wennen aan deze nieuwe situatie. Dat een boek ook fijn is om vast te houden, om in een stoel of onder een boom eens te hand te nemen en om er desgewenst een blaadje of bloemetje tussen te steken, dat spreekt voor zich.

Japanse hulst (Ilex crenata), een onderhoudsvriendelijk struik. Hier ontsnapt in een bosrand te Genk in 2020

Welke rol de stadsflora in het boek speelt is op zich een hele studie waard en niet direct te vatten in een bondig zondags bericht. Welke stadsflora er überhaupt is, is een extra boek en website waard, en niet toevallig zijn deze er, maar ik hoop een paar voorbeelden te noemen waardoor blijkt dat de nieuwe Heukels’ Flora voor een belangrijk deel ook verandert dankzij de stadsflora.

De nieuwe soorten in de nieuwste Heukels’ Flora, een 500-tal hetgeen maar liefst 20% toename betekent, zijn voor een aanzienlijk deel ingeburgerde of beter; inburgerende soorten. Dat inburgeren gebeurt in eerste instantie veelal in of nabij bebouwing. Natuurlijk zijn er ook een select aantal ingeburgerde soorten die ‘in de natuur’ hun best doen en eventueel ook voor schade en soms grote schade zorgen, maar de meeste daarvan kenden we al uit de vorige editie van de flora.  De meer tijdelijke soorten, ook wel bekend als adventieven,  zijn grotendeels niet opgenomen. Dan zou het aantal soorten in de Heukels’ Flora al snel verdubbelen van 2500 naar 5000!

Chia (Salvia hispanica) is een van de nieuwe ‘Toiletplanten’. Hier op rioolslib te Genk in 2019

Over welke extra inburgerende soorten hebben we het? Een overzicht van de nieuwe soorten staat op pag 825 van de Heukels’ Flora. Heel veel van die soorten kennen we uit de tuinen. Wat te denken van het fenomeen prairietuinen en hun impact op de omgeving? Er zijn nu zeker vier soorten lampenpoetsersgras (Cenchrus) die buiten hun perkjes teruggevonden worden. Onze drang naar onderhoudsvriendelijk tuinen met de nodige traaggroeidende, al dan niet groenblijvende struikjes vertaalt zich in een lange serie toegevoegde dwergmispels (Cotoneasters) en bijvoorbeeld de alternatieven voor buxus; Japanse hulst (IIex crenata) en buxuskamperfoelie (Lonicera nitida). Maar er zijn in de lijst van nieuwe soorten ook verbanden te leggen naar onze tuinvijvercultuur, vogelvoercultuur, begraafplaatsen(bloemen-op-het-graf-)cultuur, bloemenweide(berm-)cultuur, bloemenakker(braakliggende-grond-inzaai-)cultuur en zelfs onze afvalwatercultuur.

Bij die laatste cultuurvorm is de nieuwe cultuurvolger chia (Salvia hispanica) als voorbeeld te noemen. Dat is, zeker gedeeltelijk, een ‘toiletplant‘ , zoals een vriend van me die laatst noemde.  Planten volgen je dus echt tot in het kleinste kamertje.. De nieuwe Heukels’ met daarin dergelijke nieuwe cultuurvolgers zullen in ieder geval veel inspiratie geven op het Stadsplantenblog.

Groeiplaats Aziatische veldkers

Een Veldkers in een bloembak

In deze tijd,maart, van het jaar zijn er allemaal kleine plantjes met witte bloemen te zien. Veldkersen behoren daar in ieder geval toe.

Veldkersen behoren toch wel tot de koplopers van de vroegbloeiers met als laatbloeiers de Pinksterbloem (Cardamine pratensis) en de veel zeldzamere Bolletjeskers (Cardamine bulbilifera). Maar die zijn niet zozeer aan de stad gebonden. Een soort die ik vooral van de stad ken, is de Aziatische veldkers (Cardamine occulta), en niet te vergeten de Kleine veldkers; al komt die eigenlijk wel overal voor.
Intrigerend is natuurlijk direct de wetenschappelijke naam, occulta, wat overigens niet een heel spannende verklaring heeft en verstoppen, geheim of mysterieus betekent.
Is dat misschien de oorzaak dat de soort vaak over het hoofd wordt gezien? Aziatische veldkers is waarschijnlijk sinds 2009 in Nederland te vinden.

Groeiplaats Aziatische veldkers
Groeiplaats Aziatische veldkers
detail blad
detail blad Aziatische veldkers

Kleine veldkers is een heel rank opstijgend plantje. Een rozet, een wat ijl setje bloemen met ver daarboven uitstekende hauwen. Bosveldkers heeft lang geveerd blad en heeft een ‘kroontje’ van bloemen en hauwen die meestal niet ver boven de bloeiwijze uitsteken. Voor de volledigheid zijn een paar foto’s van beide soorten opgenomen.

Kleine veldkers
Kleine veldkers
Bosveldkers
Bosveldkers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Samenvattend, kijk in bloembakken in de stad. Vind je een veldkers zonder rozet, zonder enkelvoudige haren op het blad, bloemen met 6 meeldraden, 3-lobbige bladeren en een wat warrige habitus, dan heb je met de Aziatische veldkers te maken.

Winterakoniet

In 2016 kwam ik net buiten het dorp voor het eerst winterakoniet (Eranthis hyemalis) tegen aan de rand van een bosje. Niet echt als een stadsplant van de stenen stad, maar duidelijk een tuinstortoverlever in de groene stad. Dit jaar vond ik er een aantal midden in de stenen stad. Het waren duidelijk zaailingen. Op de foto is te zien dat de moederplanten aan de rand van het tuinmuurtje staan en hun zaden over de rand hebben laten vallen, waarna kieming op een favoriete stadsplantenplek heeft plaatsgevonden: precies op de naad van muur en stoep.

Zaailingen op de naad van muur en stoep

De geslachtsnaam ‘Eranthis’ komt van het Grieks eros=lente en anthos=bloem. De soortaanduiding ‘hyemalis’ van het Latijnse hyemis=winter.

Winterakonieten zijn al lang ingeburgerde planten. De herkomst is weliswaar zuidelijk, maar ze zijn hier vanaf de zeventiende  eeuw als stinzenplant.  In Brabant is het zeker geen gewone verschijning. Je moet winterakonieten zoeken langs de kust, Noord-Friesland en Zuid-Limburg.

Winterakoniet als stadsplant

Maar gelukkig duikt hij soms op als stadsplant in Breda. Het is een van de leukste voorjaarsplanten met zijn olijke kraag waar de gele bloem zo mooi bij afsteekt.

 

Kerstrozen en nieskruiden

Kerstroos op een begraafplaats te Aachen. Nog vroeger dan Krokus.

In de winter, en zeker zo’n zachte als deze van 2019-2020, komen de Kerstrozen al weer boven de grond met als eerste hun bloeistengel.  Maar zijn meer wintervroege Helleborussen, nieskruiden. Een beetje tuinliefhebber heeft ook een Nieskruid (Helleborus) in de tuin en sommigen zelfs meer soorten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er wel eens eentje verwildert en dan vooral in het mildere klimaat in en rond de steden. Botanisten staan dan al gauw met de mond vol tanden. Dat het een nieskruid is dat weten ze wel, maar welke?

Stinkend nieskruid. Verwilderd bij Borgloon. De plant heeft vele gewone bladeren langs de overblijvende bovengrondse stengels.

Het geluk bij deze kwestie is dat bijna alle échte soorten, we laten nu de vele gekweekte hybriden even buiten beschouwing, in Europa  voorkomen en dat daar ook een zeer degelijke flora voor bestaat: Flora Europaea. Bovendien is dat het recentste boek, 1993,  uit deze 5-delige serie en het enige gereviseerde deel. Dat lijkt oud, maar er zijn heel wat oudere delen ook.  Ik vertaalde de sleutel en voegde wat extra info toe om het iedereen wat gemakkelijker te maken: https://waarneming.nl/soort/info/196853 . Lees ook graag de eerdere Stadplantenpost De-a-van-aquilegia-akelei  als het gaat om het updaten van dergelijke soortbeschrijvingen.

Wrangwortel, hier in het wild bij Esneux, heeft ook alleen echt blad, hier nog samengevouwen, aangehecht op de ondergrondse delen. De rest van het bladeren die je ziet zijn schutbladeren.

Terug naar die onbekende Nieskruiden. De algemeenste in Nederland en België zijn Wrangwortel en Stinkend nieskruid. Deze worden nogal door elkaar gehaald, maar het onderscheid is vrij gemakkelijk. Wrangwortel heeft geen stengelbladeren en in de winter geen blijvende bovengrondse delen. Stinkend nieskruid wel. De bloemen van Wrangwortel zijn groot en eenkleurig groen en staan vrij wijd uiteen. Die van Stinkend nieskruid zijn geclusterd en meestal overhangend, klokvormig en vaak rood gerand. Overigens zijn beide soorten inheems in België ,vooral Wallonië, en uitheems in Nederland.   Beide soorten zijn in Nederland niet echt stadsplanten, maar eerder stinzenplanten.

Helleborus orientalis agg. , hier bij Landen (B.), is er in vele kleuren. Van wit, groen, tot rood, paars en donkerbruin.

In potten, maar ook recht in de grond in vele tuinen en bijvoorbeeld op begraafplaatsen, is in deze tijd van het jaar de bloeiende Kerstroos te vinden. Ze valt op door de grote witte bloemen, maar vooral door het enkelvoudige steunblad. Daarmee vallen vele andere soorten Helleborus af. Echt verwilderen doet Kerstroos niet, maar ze wil nog wel eens in een bosrandje staan waar iemand tuinafval kwijt moest. Daar kun je ook planten vinden die gerekend worden tot Helleborus orientalis agg.  Dit is een lastig complex omdat kwekers deze planten nogal onder handen namen. Er zijn er met dubbele bloemen en in vele kleurschakeringen en de overgangen tussen wat kruisingen Helleborus x hybridus en de echte Helleborus orientalis lijken te zijn, zijn vrij algemeen.

Helleborus lividus in Antwerpen tussen de tegels. Hier mogelijk de ondersoort lividus vanwege de minder getande bladeren.

Als je daadwerkelijk rond de stadstuinen en stadsparken gaat neuzen kun je nog vreemdere soorten vinden. Tussen de tegels in steegjes vind je dan nog wel eens Helleborus lividus. Het blad is overblijvend, dik, glimmend groen, staat langs bovengronds blijvende stengels. Er bestaan twee ondersoorten. De meeste in Nederland en België behoren  tot subsp. corsicus vanwege de steevast zeer sterk getande bladrand. Recent (in 2010) is ook een andere vreemde vogel opgedoken in Nederland:  Helleborus cyclophyllus . Dit vereist studie van de vruchten, geur van de bloemen en natuurlijk ook van de bloeiwijze en het blad en schutblad. Dat er in de toekomst nog een aantal soorten zouden kunnen verwilderen is niet ondenkbaar en hopelijk helpt de sleutel van nies!kruid (gezondheid!) daar een beetje mee.

 

Ondergronds

Straks als de winter ten einde is, met deze temperaturen al snel, zie je overal de eerste planten tevoorschijn komen. Vaak zijn het stinsenplanten die als eerste bloeien. In elke stad is wel een heemtuin of iets dergelijks te vinden waar deze planten voorkomen. En ik kom hier in Gouda ook regelmatig in de berm een stinsenplant tegen. Wat stinsenplanten precies zijn daar zijn boeken over vol geschreven. Een beknopte omschrijving staat op https://www.plantennamen.info/nader-uitgelegd/wat-zijn-stinzenplanten Maar daar gaat het hier niet om. Er verschijnen Sneeuwklokjes op plekken waar ze helemaal niet gepoot zijn! Ook bijvoorbeeld Vogelmelk (Ornitholagum umbellatum) of Daslook (Allium ursinum) lijkt overal heen te wandelen. Zeker de beginnende plantenliefhebber snapt hier niks van. Ik kom soms stinsenplanten tegen waar ik ze nog nooit gezien had. De verspreiding van planten vindt toch plaats met behulp van insecten? Ja, heel vaak wel. En een beetje nee.

 

Daslook bloeit in het voorjaar

Het antwoord is al snel gevonden op internet, het mierenbroodje! Wikipedia zegt het volgende: aan de onderzijde van de zaden zit soms een vlezig aangroeisel dat mierenbroodje wordt genoemd. Mierenbroodjes komen bij veel meer plantenvruchten voor. In België en Nederland zijn zo’n 200 plantensoorten bekend die zaden met een mierenbroodje hebben. Zij bevatten een olieachtige stof die zeer aantrekkelijk is voor mieren. De mieren slepen de zaadjes mee en leveren zo een bijdrage aan de verspreiding van de planten.

 

Mieren zijn dus voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor de verspreiding van onze flora. Natuurlijk zijn die insecten zeer belangrijk en moeten wij oprecht ons zorgen maken over de zeer snel afnemende hoeveelheid daarvan. Maar er zijn verschillende manieren voor een plant om zich te verspreiden.

De volgende lijst geeft ongeveer een beeld van de mogelijkheden:

  • Met behulp van insecten. Veel Lipbloemige en veel Schermbloemige.
  • Door middel van klitten of kleven. Denk bijv. aan Grote klit of Kleefkruid.
  • Door de lucht. Bijv. de Paardenbloem of de Gele morgenster.
  • Via spijsvertering van dieren. Bijvoorbeeld Heideplanten of Maretakken.
  • Springen of schieten Een invasieve exoot Springbalsemien maar ook Ooievaarsbek is een voorbeeld.
  • Over water. Bijv. Gele lis of de Witte waterlelie.
  • Het mierenbroodje. De hierboven genoemde Sneeuwklokjes maar ook de Paarse dovenetel (https://www.stadsplanten.nl/2019/01/paarse-dovenetel-gesloten-bloemen-en-mierenbroodjes/)
  • Klimmen/ranken. Denk aan Haagwinde of Heggenrank
  • Vegetatieve vermeerdering. Bijv. Heermoes of de zeer agressieve Japanse duizendknoop

 En dan zijn veel plantenzaden ook nog eens beperkt kiemkrachtig. Van enkele maanden tot meer jaren. Als je dan ook nog eens ziet dat de grond waar dit zaad neerkomt ook nog eens geschikt moet zijn qua bodemgesteldheid en de aanwezigheid van de juiste schimmels (zie mijn vorige stukje, Stadsschoonheden https://www.stadsplanten.nl/2019/02/__trashed-2/) dan mag het wonder heten dat planten zich verspreiden. Waar ik nieuwsgierig naar ben is of de insectenuitsterving bovengronds net zo erg is als ondergronds. Is hier ooit onderzoek naar gedaan? Het mierenbroodje blijkt best belangrijk. Ik heb meer keren gelezen dat zo’n 200 plantensoorten profijt hebben van deze verspreiding.

Trilgras

In de vorige stadsplantenbijdrage besprak ik slanke naaldaar (Setaria parviflora). De vindplaats is het KNSM-eiland, wat samen met het Java-eiland in het oostelijk havengebied van Amsterdam al decennia een hotspot is voor bijzondere plantvondsten. De twee eilanden, eigenlijk schiereilanden, waren ooit dé plek voor havenactiviteiten, maar die vielen in de loop der jaren weg door de opkomst van de luchtvaart en het stilvallen van de handel op de Oost. Dit desolate gebied werd vanaf het einde van de jaren zeventig in bezit genomen door krakers, kunstenaars en stadsnomaden. Nog geen 15 jaar later werd alles herontwikkeld tot een woonwijk.

Ondanks deze veranderingen bleef deze omgeving een plek om bijzondere soorten te spotten. Was ooit de scheepvaart de reden voor bijzondere vondsten, later gaf het massaal braakliggen genoeg plek voor allerhande soorten. Tegenwoordig wonen er mensen die geen behoefte hebben aan een steriel, schoongespoten en dito geborstelde straatbeeld. Integendeel; rijen plantenpotten en dito bakken, geveltuinen en overhoekjes geven wilde en verwilderde planten alle ruimte.

De gekste verwilderingen zijn hier te vinden alsmede de voorhoede van warmteminnende soorten uit het zuiden. Maar ik beperk me nu tot de grassen.

Aartje van groot trilgras

Zo worden er op deze twee schiereilanden naast slanke naaldaar meer bijzondere grassen gevonden zoals laksteeltje (Catapodium marinum), plat beemdgras (Poa compressa), knolbeemdgras (Poa bulbosa), rattenstaartgras (Sporobolus indicus), met duizenden exemplaren klein fakkelgras (Rostraria cristata) en al heel lang kransgras (Polypogon viridis). Kransgras is tegenwoordig niet meer zeldzaam te noemen, maar pas in deze eeuw begon de opmars in Nederland met het Java-eiland als een van de startpunten.

Groot trilgras gedijt ook op houten balken

Tenslotte wordt er ook nog groot trilgras (Briza maxima) gevonden. Deze soort is eigenlijk de enige bijzondere grassoort hier die een verwildering is. Ruim 20 jaar geleden ontsnapte deze soort uit plantenbakken en wist zich op straat en kademuur te vestigen. Net zoals ons inheems trilgras, bevertjes (Briza media), heeft het korte en afgeplat brede aartjes hangend aan dunne stelen die in bij het minste briesje al trillen: vandaar de namen. Ook de wetenschappelijk naam Briza houdt met het trillen verband. ‘Briza’ komt van het Griekse ‘brithó’ = ik balanceer, vanwege de zeer beweeglijke aartjes. Groot trilgras is in alles een maatje forser dan bevertjes, maar verder erg gelijkend. Het is een vroege bloeier die begin juni al geheel is verdord. Als plantelijkjes zijn ze echter tot in de herfst te vinden. Groot trilgras komt massaal voor op de kaderand, vooral tussen het straatmeubilair van de woonbootbewoners. Fietsrekken zijn ook een fijne en veilige plek. Ook op de houten balk, die voor de kademuur als stootrand fungeert, en op de dukdalven komt het weelderig voor.

En het groeit in spleten

Ooit ontsnapt uit plantenpotten, komt het in potten nu spontaan op als gewenst onkruid. De groeiplaats is een kleine 200 meter lang en vertoont al jaren geen uitbreiding. Het milieu lijkt verderop langs de kade identiek, maar wellicht zit het verschil in de bodem. Deze eilanden waren oorspronkelijk golfbrekers en zijn voornamelijk met slib uit de vaargeul verbreed en  opgehoogd. Het was ook een mooie plek om overtollige grond kwijt te raken en mijn vermoeden is dat op de groeiplaats andere grond is gestort en de bodem ter plekke wat kalkrijker is. Groot trilgras kwam tot eind de vorige eeuw alleen voor langs de kusten van de Middellandse Zee en de Atlantische kust tot in Frans Baskenland, met een paar voorposten in Normandië. Waarschijnlijk door de toepassing als siergras wordt de soort tegenwoordig sporadisch gevonden in een groot deel van Europa. Maar alleen in Engeland, Wales en Nederland lijken er bestendige populaties te zijn ontstaan.

Maar met vondsten in slechts 40 atlasblokken zijn dat er in Nederland nog niet veel.

Bron: https://www.verspreidingsatlas.nl/5612

Ook uitgedroogd, is groot trilgras nog te herkennen.
detail Lijmkruid

Plakkend hemelroosje

Rotstuinen en straattegels, wat is het verschil? Eén van de kenmerken van de stedelijke omgeving ook, dat ‘rotsige’. Zo ook daar in een bepaalde hoek, waar ik bij het langsfietsen altijd even wat langzamer ga. Het is altijd een boeiend hoekje, bij een flat in een net afgebouwde wijk. Beetje rommelig, veel nieuw materiaal voor bestrating, tuinen en bloembakken. Zoals wel vaker gebeurt knoeit men dan wel eens wat. Deze keer een Silene, dat was vrij snel duidelijk.

Maar dan. Volgens Blumen in Schwaben zijn er zo’n 720 soorten Silenes, of, zoals ze in het Duits heten Leimkraut. Dus …. gelukkig is daar altijd weer de gemeenschap van plantenkenners, want via de genoemde site is deze niet te vinden. Lijmkruid dus, of zoals ze op de site van de tuinen van Appeltern ook wel genoemd wordt Hemelroosje. Vandaar ook de titel ‘plakkend hemelroosje’. Ah, nog veel meer alternatieve namen, zoals Caucasian champion (Kaukasische silene), Autumn catchfly (Herfstsilene) en Persian carpet in het Engels. Dat zegt het een en ander over herkomst, bloeitijd en levensvorm. Van oorsprong dus een soort uit de Kaukasische regio, van Azerbeidzjaan tot aan een aantal noordelijke Iraanse provincies.
De bloeitijd loopt van juli tot in de herfst. De soort heeft liggende tot opstijgende stelen die 25-30 cm lang kunnen worden. Persian carpet is in een optimale situatie als meerjarige planten een deken over rotsen vormen. Het is een opvallende plant met tot 1 cm felroze bloemen en een lange, met klierharen bezette kelk. De kelk heeft meestal 10 paarse tot roze nerven en is tot 2.8 cm lang.

overzicht lijmkruid
Lijmkruid in de stad

Volgens Alien Plants of Belgium een soort die zelden wordt gevonden. Voor het eerst gevonden in 2002 in Luik en door Denters in 2004. Sinds 2012 ook in diverse steden in Vlaanderen. Voor Nederland geldt sinds 2004 in 16 km hokken gevonden, met als zwaartepunt Amsterdam (verspreidingsatlas).

Helaas heb ik laatst moeten constateren dat er iets te goed is schoongemaakt rondom de verkeersborden. Dus de soort is inmiddels weer verdwenen uit Deventer.

Bronnen:

 

 

 

Hemel of hel

Een aantal jaren geleden werd hier ter stede alarm  geroepen over de hemelboom (Ailanthus altissima). De reden was dat de gemeente Breda op een grote uitvalsweg nogal wat van die bomen in de middenberm plaatste. Naast het onloochenbare feit dat het hier een exoot betrof, zou deze ook nog invasief zijn.

Bomen groeien niet tot in de hemel en de hemelboom is daarop geen uitzondering. Zijn naam kreeg hij van de Engelsman Ph. Miller. Die beschreef in de achttiende eeuw de boom die hij gezien had in China. Hij noemde hem ‘hemelboom’. De geslachtsnaam ‘Ailanthus’ komt van het Maleise ‘aylanto’, dat boom van de hemel betekent. Onbekend is wat de boom hemels maakt. Wellicht vanwege het gebruik in de zijderupsteelt.

De Latijnse soortnaam ‘altissima’ betekent ‘de allerhoogste’. In feite wordt deze boom niet zo hoog, slechts 20 – 25 meter. Kortom, de naamgeving munt niet uit in adequaatheid.

Het meest opvallend aan de hemelboom zijn wel de bladeren. Die zijn 40 – 90 cm lang, oneven geveerd met 13 – 40 smalle, elliptische blaadjes, aan de voet grof getand. Van de blaadjes wordt beweerd dat ze onaangenaam ruiken. Dat hebben we bij de Bredase bomen niet kunnen vaststellen bij oudere bomen. Bij jonge bomen wel, en de geur heeft wel wat weg van aangebrande melk.

Groot, geveerd blad

De bladstengel is zacht behaard en bevat oranje merg. De schors is glad met lichte lengtestrepen.

De bloemen zijn klein, geelachtig wit in rechtopstaande pluimen en bloeien in juni-juli. Ook van de bloemen wordt beweerd dat ze stinken. Andere bronnen reppen van een vliergeur. Het vermoeden van demonisering door hemelboomhaters dringt zich op, want die zijn er.

De vruchten zijn gevleugelde nootjes, in grote, oranjekleurige trossen.

 

Vrolijk gekleurde vruchtjes in de nazomer

De hemelboom is tweehuizig. Man en vrouw wonen in aparte huizen. De bomen zijn dus eenslachtig, net als wilgen of hulst. De boom groeit ook verder uit wortelopslag en vanuit de stronk na kap.

Deelblad met zeer karakteristieke tand aan de voet.

In 1750 wordt hij voor het eerst ingevoerd in Frankrijk en van daaruit raakt hij verspreid over Europa.

In Nederland wordt hij als straat- en parkboom aangeplant. De boom heeft namelijk geen last van luchtvervuiling. Vooral Rotterdam is koploper geweest in het aanplanten van de hemelboom. Daar dragen de zaailingen zelf al weer vrucht.

De hemelboom vertoont dus alle trekken van een moderne stadsplant: mondiale verspreiding, snelle groeier, taai, thuis op verschillende grondsoorten en milieus, omstreden, maar onmiskenbaar aanwezig in onze wereld en een blijver.

Niettemin valt de woekering van de boom in Breda reuze mee: geen hemel en geen hel; meer iets er tussenin: een vagevuurboom.

 

 

 

 

 

vagevuurboom