Home » sporenplanten

Tag: sporenplanten

Geschubde mannetjesvaren rukt op – een varen met een vlekje

 

De Geschubde mannetjesvaren rukt op in Nederland en is langzamerhand ook in de steden een regelmatig geziene gast. Soms in wat verwilderde groenstrookjes, soms gewoon langs groene paden tussen de huizen en een enkele keer op oude, verweerde muren. Het gaat daarbij om twee soorten die geen Nederlandse namen hebben: Dryopteris affinis en Dryopteris borrerri. Uit meldingen in de Nationale Databank Flora en Fauna, blijkt dat de soort in 1950 uiterst zeldzaam was. Zeven vondsten. In 1990 was sprake van 30 meldingen. Daarna zet een significante stijging in. In 2000 – 80, 2010 – 140 en vandaag de dag boven de 1000 meldingen per jaar.

Een Geschubde mannetjesvaren – in dit geval Dryopteris borreri – in een groenstrook in de stad.

De toename van het aantal vondsten is niet alleen te danken aan de uitbreiding van de soort, maar zeker ook omdat een aantal floristen gerichter is gaan zoeken en doordat er meer kennis is gekomen over een aantal veldkenmerken. De familienaam Dryopteris geeft al aan dat het om vertegenwoordigers uit de niervarenfamilie gaat. De naam “niervaren” duidt op de niervormige dekvliesjes over de sporenhoopjes. Andere varensoorten uit deze familie zijn o.a. Mannetjesvaren (Dryopteris filix-mas), Kamvaren (Dryopteris cristata), Brede stekelvaren (Dryopteris dilatata) en Smalle stekelvaren (Dryopteris carthusiana).

Kenmerkend voor de varens uit de niervarenfamilie zijn de niervormige dekvliesjes over de sporenhoopjes. Rechtsboven is de zwarte vlek zichtbaar op de aanhechting van het deelblaadje aan de bladspil

Bij oudere planten is het in het veld vrij eenvoudig om de Geschubde mannetjesvarens te onderscheiden van de gewone Mannetjesvaren. Daarvoor moet je het blad omdraaien en kijken naar de aanhechting van de deelblaadjes aan de bladspil. Bij de Geschubde mannetjesvaren is daar een zwarte vlek aanwezig. Bij bladeren die nog niet volledig zijn ontrold is die zwarte vlek nog niet aanwezig. De winter is een goede tijd om Geschubde mannetjesvarens op het spoor te komen. In tegenstelling tot de gewone Mannetjesvaren is de Geschubde mannetjesvaren winterhard. Terwijl de bladeren van de Mannetjesvaren aan het begin van de winter afsterven, staan die van de Geschubde mannetjesvaren de hele winter fier overeind.

Op de aanhechting van het deelblaadje aan de bladspil is een zwarte vlek aanwezig

Tot nu toe heb ik het gehad over het herkennen van de Geschubde mannetjesvaren maar we hebben het dan eigenlijk over twee verschillende soorten en een aantal kruisingen tussen verschillende soorten. De twee soorten waar het om gaat zijn Dryopteris affinis en Dryopteris borreri. Onderzoek heeft nog niet geleid tot het vaststellen van veldkenmerken waarbij onomstotelijk kan worden vastgesteld met welke soort men te maken heeft. Er is één veldkenmerk waarvan de waarde steeds sterker wordt. Om dat veldkenmerk te kunnen onderzoeken moet je goed weten naar welk deel van de plant je moet kijken.

Het blad van de Mannetjesvaren en de Geschubde mannetjesvaren bestaat uit een bladsteel waaraan aan de linker en de rechterzijde deelblaadjes zijn aangehecht. Er moet gekeken worden naar het onderste deelblaadje. Dat bestaat uit een nerf waar aan de boven en de onderzijde bladsegmenten groeien: deelblaadjes van de 2e orde. Bij het determineren gaat het om het onderste bladsegment van het onderste deelblaadje dat zich het dichtst bij bladspil bevindt. Met een loep moet je dan kijken naar de aanhechting van het bladsegment aan de bladnerf. Indien het bladsegment is vergroeid met de bladnerf dan gaat het om Dryopteris affinis. Indien het bladsegment vrij staat gaat het om Dryoperis borreri.

Er moet worden opgemerkt dat de hier beschreven veldkenmerken een eerste resultaat zijn van onderzoek van de afgelopen twee jaar. Beduidend meer waarnemingen zullen aan moeten tonen dat het inderdaad gaat om een betrouwbaar veldkenmerk.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Kroosvaren – Hoe een Klein Duimpje de sloten verovert

Tijdens lezingen houd ik ze graag naast elkaar. Een Adelaarsvaren van twee en een halve meter groot, naast een Kroosvaren die met gemak op de nagel van mijn grote duim past. Beide een volwassen plant, maar een wereld van verschil. Dit najaar waren veel sloten massaal rood door kroosvarens in herfstkleuren

Terug kijkend op de vele jaren die zijn voorbij gegaan sinds mijn geboorte moet ik vaststellen dat de mariene biologie altijd een belangrijke plaats heeft gehad in mijn belangstelling voor de natuur. Ruim 1.200 duiken op koraalriffen, in grotten, onder het ijs, wrakonderzoek op de Noordzee en duiken in Hollandse poldersloten hebben mij geleerd dat de flora en fauna onder water en aan de oppervlakte van sloten, meren en zoute wateroppervlakten een fascinerende leefwereld vormen. Met dat in het achterhoofd is het niet zo verwonderlijk dat er dit najaar redelijk wat alarmbellen gingen rinkelen toen in steeds meer plassen en sloten het oppervlak rood begon te kleuren. Het antwoord was: Azolla – oftewel Kroosvaren.

Officieel zijn er twee soorten: Grote kroosvaren en Kleine kroosvaren. Er wordt vaak gezegd dat in het verleden Kleine kroosvaren overheerste en Grote kroosvaren zeldzaam was. In de loop der jaren is Grote kroosvaren van zeldzaam tot zeer algemeen uitgegroeid en heeft Kleine kroosvaren volledig verdrongen. Dat moet al zijn gebeurd in het begin van de 20ste eeuw. In “De Levende Natuur” van december 1915 schrijft Jac. P. Thijsse over slootjes in de bollenstreek: “In die buurten is tegenwoordig alleen de groote soort, A. flliculoides, vroeger kwam daar juist de kleine soort, A. caroliniana voor maar deze schijnt er zoowat geheel verdwenen te zijn, blijkbaar verdrongen door de groote. Die heeft zich dan ook geweldig uitgebreid in de laatste jaren. Naar het zuiden tot op de Zuid-Hollandsche eilanden, naar het noorden tot ver benoorden Alkmaar. Ook ten oosten van het Merwedekanaal zag ik ze reeds (o.a. bij Muiden). A. caroliniana heeft tegenwoordig z’n verspreiding om Utrecht, in het Gooi en het oosten van Zuid-Holland”.

Zoals het vaak in de natuur gaat waren er invloeden – soms onbekend – die er voor zorgden dat Kleine kroosvaren steeds meer terrein moest prijsgeven en Grote kroosvaren uiteindelijk een dominante positie veroverde. Zelfs zo sterk dat van Kleine kroosvaren momenteel geen vindplaats in Nederland meer bekend is.

Kroosvaren kan wateroppervlakten volledig bedekken

Dit jaar lagen de sloten ineens vol met kroosvaren. U begrijpt dat dat voor mij een uitdaging was om een Kleine kroosvaren te vinden. Uit iedere sloot of plas, waar ik kroosvaren vond, werden de nodige plantjes mee naar huis genomen om onder de microscoop te bekijken. Om het sluitend bewijs te vinden met welke soort men te maken heeft is niet eenvoudig. Er is één veldkenmerk waarmee een aanwijzing te vinden is. Met een sterke loep zou je kunnen kijken of de haartjes op de bladeren van het kleine plantje eencellig of tweecellig zijn. Je moet daar hele goede ogen voor hebben en een sterke loep. Anders is er maar één oplossing: mee naar huis nemen en onder de binoculair leggen. Toch zijn eencellige haartjes geen sluitend bewijs. Om er echt zeker van te zijn of we met de Kleine of de Grote kroosvaren te maken hebben moet de vergrotingsmaatstaf worden opgevoerd tot ongeveer 600 maal.

Op het plantje, niet groter dan een pinknagel, moeten we op zoek naar sporen. Om het ingewikkeld te maken vormt kroosvaren een uitzondering in sporenland. Normaal gesproken vormen varensporen onder gunstige omstandigheden een voorkiem (prothallium) waarbinnen zich vrouwelijke en mannelijke cellen ontwikkelen waaruit uiteindelijk na samenvloeien zich een nieuwe plant kan ontwikkelen.

Eén mannelijke en twee vrouwelijke sporenhoopjes

Kroosvaren vormt een uitzondering doordat er zich op de plant afzonderlijke mannelijke en vrouwelijke sporenkapsels vormen (sporocarpen). Die zijn onder de binoculair met een vergrotingsmaatstaf van 45x goed te onderscheiden. Normaal vormen varens sporenhoopjes (sori) die worden afgedekt door een dekvliesje (indusium). Bij kroosvaren zijn de sporenhoopjes (sporocarpen) niet afgedekt maar omgeven door een “dekvliesje”. Een klein ballonnetje waar de sporenhoopjes in zijn opgesloten. Een mannelijke sporenhoopje wordt gevormd door sporenkapsels waarbinnen zich de sporen bevinden. Waar het bij het onderzoek vooral om gaat is het isoleren van mannelijke sporocarpen en daarbinnen de sporenkapsels en uiteindelijk de sporen.

In het mannelijke sporenhoopje bevinden zich sporenkapsels

Het vraagt om hele kleine pincetjes en een vaste hand om de sporocarpen te openen en de sporenkapsels te isoleren. Daarna moeten de uiterst kleine sporenkapsels worden open gepeuterd om de sporen te isoleren. We hebben het bereik van de binoculair inmiddels verlaten en zijn aangeland op microscoop niveau in de orde van grote van plusminus 600 maal vergroten. Uiteindelijk is dat het niveau waarop we met zekerheid kunnen vaststellen of we te maken hebben met Grote of Kleine kroosvaren.

Glochidia van Grote (filiculoides) en Kleine (cristata) kroosvaren (bron internet)

Waar het om gaat is dat aan de mannelijke sporen van kroosvaren zich orgaantjes ontwikkelen waarmee de mannelijke sporen zich kunnen vasthechten aan de vrouwelijke sporen. Deze orgaantjes heten glochidia. Ze lijken een beetje op twee evenwijdige lijntjes met aan het uiteinde een uitstulping zoals je die kent van de kop van een hamerhaai. Belangrijk is de ruimte tussen de twee evenwijdige lijntjes. Is die ruimte leeg dat gaat het om Grote kroosvaren, Als er zich tussen de evenwijdige lijntjes tussenschotjes bevinden dan hebben we te maken met Kleine kroosvaren.

Glochidia op een mannelijk spoor

Kroosvaren kan zich bijzonder snel vermeerderen. In de bladholten van de plant leven bacteriën die stikstof uit de lucht kunnen binden en beschikbaar stellen aan de plant. Dankzij deze voedingsstoffen kan Kroosvaren wel binnen twee tot drie dagen in massa verdubbelen. Per hectare kan per jaar 50 kg stikstof per hectare gebonden worden. Dat is de reden dat kroosvaren in Aziatische landen wel gebruikt wordt als groenbemesting. Als het plantje afsterft wordt de stikstof opgenomen in de grond. Door de snelle toename in massa kunnen binnen een zeer korte periode vijvers en sloten volledig bedekt zijn door dit varentje. De voedingswaarde van Azolla voor vee is hoog. Daarom worden er momenteel proeven uitgevoerd waarbij Kroosvaren wordt gekweekt en jonge varkens geleerd wordt het als voedsel te accepteren.

Na 25 vijvers en 30 sloten, slechts om een orde van grote aan te geven, heb ik alleen maar Grote kroosvaren kunnen vinden. Maar ik geef de moed niet op en blijf verder zoeken.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde