
Koninginnenkruid is een plant van vochtige standplaatsen: oevers en vochtige graslanden. In de stad kom je deze plant toch op allerlei andere plaatsen tegen, bijvoorbeeld op bouw- en sloopplaatsen, op oude muren, gevels en ook midden op straat. Op deze, voor de plant ongebruikelijke groeiplaatsen, blijven ze wel een stuk kleiner.
In mijn jeugd in de jaren ’50 had deze plant een andere naam: leverkruid. In de 15e druk (1962 ) van de Heukels staat die naam er nog, maar in de 21ste druk (1990) staat alleen de naam ‘Koninginnekruid’. Ergens las ik dat republikeinse botanici daar niet blij mee waren.

Verspreiding
In Nederland en België vrij algemeen. Minder in gebieden met zware zeeklei, op de Waddeneilanden en in de Ardennen. Algemeen verspreid in heel Europa, Noord-Afrika en het Nabije Oosten. Als exoot op beperkte schaal ingeburgerd in Noord-Amerika en Australië.
Kenmerken
Koninginnenkruid (Eupatorium cannabinum) behoort tot de Composietenfamilie. De plant is kort en dicht behaard. De bloeiwijze bestaat uit dichte, schermvormige pluimen met daarin heel veel kleine, langwerpige bloemhoofdjes. Een bloemhoofdje bevat slechts vier tot zes roze buisbloempjes. De buisbloempjes zijn zelden wit. Er zijn geen lintbloemen. De buisbloempjes zijn tweeslachtig: vijf meeldraden en één stamper met lange, draadvormige stijltakken. De bloeiwijzen, met name de lange stijltakken, geven de plant een wollig uiterlijk. De bloemen blijven tot in de nazomer nectar en stuifmeel leveren en zijn daardoor zeer aantrekkelijk voor allerhande insecten: bijen, dag- en nachtvlinders en vooral zweefvliegen. De plant is daarom zeer geschikt om de biodiversiteit te bevorderen.
De bladeren staan tegenover elkaar en kruisgewijs langs de stengel. De bladeren zijn meestal drietallig, in de top van de plant en aan de voet is dit niet altijd het geval. De stengels zijn roodachtig.
Koninginnenkruid is meerjarig en bloeit van juli tot in oktober. Afhankelijk van de groeiplaats worden de planten 0,5 tot bijna 2 m hoog.
De kleine nootjes (3 mm) worden door de wind verspreid. Een nootje is uitgerust met een harig kroontje of haarkrans (pappus). Dit werkt als een ingebouwde parachute. Na de bloei wordt het wollige uiterlijk van de plant in stand gehouden door de kransen van bruinachtig witte pappusharen die de nootjes bekronen.

Bestuiving
Over de bestuiving valt heel veel te vertellen. Op waarneming.nl staat hierover het volgende:
”De stijlen zijn bij Koninginnenkruid anders dan bij de andere Composieten, omdat zij tot de helft van hun lengte gespleten zijn en de takken alleen aan de voet het stempelweefsel dragen, terwijl de rest tot aan het vrije einde dicht met korte borstels bezet is. Zolang de stijltakken in de buis van de helmknopjes zitten, liggen zij tegen elkaar, dit is ook nog enige tijd het geval als zij er uit steken. Bij het naar boven groeien van de takken hebben de haren het stuifmeel uit de buis geborsteld en zij zijn dus aan de top met stuifmeel bedekt, dat o.a. door insecten weggehaald wordt. Zodra zij uiteen gaan wijken en onder een hoek van 40° à 50° gaan staan, gaan zij elkaar kruisen, het stuifmeel komt bij de wrijving vrij en valt op het stempelweefsel. Ook raken de stijltakken wel de stempeloppervlakten van naburige bloemen en geven daaraan stuifmeel af. Is dus in het begin alleen kruisbestuiving door insecten mogelijk, zo volgt daarna spontane zelfbestuiving met zelf- en kruisbestuiving door insecten, terwijl uiteindelijk kruisbestuiving van naburige bloemen plaats heeft.”
Beter kan ik het niet uitleggen.

Naam
De geslachtsnaam ‘Eupatorium’ komt waarschijnlijk van Eupator, een koning in het Verre Oosten, die leefde voor het begin van onze jaartelling. Deze koning kweekte kruiden om zich te wapenen tegen vergiftiging. Een andere mogelijke verklaring is dat de naam een verbastering is van het Griekse woord ‘hêpar’ voor lever. De soortaanduiding ‘cannadium’ heeft de plant gekregen omdat de bladeren lijken op die van de hennepplant (Cannabis sativa).
De huidige Nederlandse naam is een verbastering van de Duitse naam: ‘Kunigunden-kraut’. Genoemd naar de heilige Kunigunde (ca. 975–1033) die het kruid gebruikte tegen leverkwalen. Er is dus een Duitse connectie met een koningin. De naam ‘leverkruid’ is nu ook meteen duidelijk.
Nog een greep uit de vele volksnamen: hommelkruid, hennep-agrimonie, waterhennep, hertsklaver en boelkenskruid. Over de laatste schrijft H.C.D. de Wit in ‘De Wereld der Planten (1965) het volgende: ‘….de plant de reputatie had zweren van o.a. geslachtsziekten te genezen; een ‘boelken’ was een vrouw van weinig solide gedrag….’.
Gelijkende soorten
Uit de verte lijkt koninginnenkruid op valeriaan, maar dichtbij gezien wordt meteen duidelijk dat er weinig verwantschap is. In Europa komt oorspronkelijk maar één vertegenwoordiger voor van het geslacht Eupatorium. Dat is dus koninginnenkruid. Er kunnen wel verwilderende exemplaren worden aangetroffen van E. purpureum. Dat is een tuinplant uit Noord-Amerika en wordt doorgaans wat forser dan onze inlandse. De bladeren van deze plant staan in kransen van drie tot vijf bladeren rondom de stengel.


