Home » Archieven voor Erik van der Hoeven

Auteur: Erik van der Hoeven

Ergens in mijn jeugd is het begonnen: het plukken en drogen van 'leuke' plantjes. Het stelde allemaal niet zoveel voor totdat ik in de jaren'60 de colleges van prof. H.C.D. de Wit (hoogleraar algemene plantensystematiek en -geografie) in Wageningen ging volgen. Wat een fantastische wereld opende zich. Vooral tijdens vakanties in verre en minder verre landen genoot ik van de wondere wereld der planten.
Maar pas na het einde van mijn loopbaan als biologiedocent ben ik er wat serieuzer naar gaan kijken.
In mijn woonplaats Breda ben ik actief in de plantenwerkgroep van de KNNV en ik ben mede-auteur van 'Stadsplanten van Breda'.

Winterpostelein

Op relatief veel plaatsen in de stad, in ieder geval in Breda, woekert Winterpostelein (Claytonia perfoliata). Meestal in perken van het openbaar groen en in brandgangen. Soms op onverwachte plaatsen, zoals muren en de voeten van laanbomen. Soms zelfs wat hoger op de stam. Je zou denken dat het een epifyt was. En eigenlijk is dat ook wel zo. Volgens een al wat oudere versie van de Heukels uit 1990 kan dat wel kloppen. Daar staat de vermelding “soms als epifyt op Vlier en andere houtgewassen”. In diezelfde versie van de Heukels heet bedoelde soort ’Witte winterpostelein’. Die naam werd waarschijnlijk ingevoerd omdat er sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw een andere winterpostelein bezig was in te burgeren: de Roze winterpostelein (Claytonia sibirica). Maar gek genoeg heet de meest voorkomende, witbloeiende soort in de Heukels van 2005, en ook in de allernieuwste druk, gewoon weer ‘Winterpostelein’.

Groeiend op de stam

Winterpostelein hoort oorspronkelijk thuis in het westen van Noord-Amerika. Als groente is hij in andere delen van de wereld ingevoerd. In Nederland is de plant sinds de tweede helft van de 19e eeuw bekend. De soort wordt in West-Europa verbouwd als winterharde groente, maar komt in al deze landen ook verwilderd voor. Vanwege de route via Cuba waarlangs de plant in Europa arriveerde, wordt de plant in Duitsland ‘Kubaspinat’ genoemd. De plant is 15-40 cm hoog en tijdens de bloei gemakkelijk te herkennen aan de schotelvormige bladeren, waar de stengel door heen lijkt te groeien. Het betreft hier een tweetal bladeren, die tezamen vergroeid zijn. Het lijkt op een schoteltje. De gewone blaadjes eronder zijn ruitvormig.
De zaden zijn gitzwart en hebben een wit mierenbroodje. Dit olie- en vetrijke aanhangsel maakt de zaden aantrekkelijk voor mieren. Die verslepen de zaden in de richting van het nest en verliezen onderweg een deel van de lading. Zo verspreiden ze het zaad van de plant. Overigens gaat het maar om kleine afstanden, vaak niet meer dan zo’n twee meter. Winterpostelein kan zich op deze manier massaal op een bepaalde plek uitbreiden. Soms kiemen de zaden al in het voorjaar, maar vaak al in de herfst. De jonge plantjes kunnen goed tegen winterse omstandigheden en hebben daardoor een voorsprong op allerlei éénjarige planten.

Aan de boomvoet omhoog

Nog even terug naar die exemplaren die hoger in bomen groeien. Hoe zouden die zaden daar terecht komen? Zouden mieren zaden zomaar naar boven slepen? Ze hebben daar geen nest denk ik. Hoe dan wel? Menselijke activiteiten?
Winterpostelein kan gegeten worden als salade en ook als stamppot. De plant bevat mineralen als calcium, magnesium, en ijzer. En ook nog vitamine C. In salade is het lekker knapperig en de smaak is zacht.
De geslachtsnaam ‘Claytonia’ komt van John Clayton een botanicus uit de 17e eeuw. De soortaanduiding ‘perfoliata’ wil letterlijk zeggen ‘door het blad’. Zoals hierboven uitgelegd, lijkt de stengel het bovenste blad te doorboren. De Nederlandse naam ‘winterpostelein ’is gegeven vanwege de gelijkenis met postelein (Portulaca oleracea), een soort die al vóór 1500 werd ingevoerd in Nederland. En heb je ook nog waterpostelein (Lythrum portula). Om het makkelijk te maken: de drie soorten met ‘postelein’ in de naam behoren tot nogal verschillende plantenfamilies.

Ook als muurplant

Bingelkruid uit de tuin

Tot voor kort stonden er ongeveer 70 jaar oude woonblokken in de Hudsonstraat in Breda. Met de sloop in 2019 verdween een mooie populatie steenbreekvarens. Op de overgebleven kale vlakte verschijnen intussen planten die waarschijnlijk in de achtertuinen hebben gestaan. Een mooi voorbeeld is Tuinbingelkruid (Mercurialis annua). In januari stonden zij al of nog in bloei. Aanvankelijk had ik me niet zo in die plant verdiept en dacht dat sommige exemplaren in bloei stonden en anderen niet. Na enige tijd drong tot me door dat de duidelijke bloeiende exemplaren mannelijke planten waren en die anderen de vrouwelijke planten. Die vrouwen bloeien gewoon minder opvallend; de bloemen zitten wat verstopt onder en tussen de bladeren in de bladoksels.

Tuinbingelkruid, detail vrouwelijke plant

Tuinbingelkruid behoort tot de wolfsmelkfamilie. Dat is een familie waarvan de meeste soorten melksap bezitten. Dat melksap staat onder druk en bij beschadiging van de plant komt het meteen naar buiten. Het sap is meestal sterk tot dodelijk giftig en dient voor de plant als wondafdekking en bescherming tegen vraat. Tuinbingelkruid bezit echter geen melksap, maar is wel giftig. De zaden en de wortels bevatten stoffen die diarree, bloed in de urine en verlamming van blaas- en darmspieren kunnen veroorzaken. Zoals met zoveel giftige planten, werd ook deze plant medicinaal gebruikt en wel als purgeermiddel. Eén van de volksnamen in Frankrijk is dan ook ‘caquenlit’. Denk hierbij ook maar aan ‘pissenlit’, de Franse naam voor paardenbloem. In Frankrijk gebeurt de narigheid kennelijk meestal in bed.

Tuinbingelkruid, mannelijke plant

Er is nog een andere soort bingelkruid, namelijk Bosbingelkruid (Mercurialis perennis), vroeger ook wel Overblijvend bingelkruid genoemd. Bij deze soort zitten de vrouwelijke bloemen aan een lange steel. In tegenstelling tot tuinbingelkruid heeft deze soort uitlopers in de grond.
Bingelkruid komt van een woord uit de oudheid namelijk “bongo” wat “knol” betekent. Dit vanwege de vorm van de vruchten. De geslachtsnaam ‘Mercurialis’ komt van Mercurius. Mercurius is de god van de handel en reizigers en daarom zegt een Franse bron dat de vernoeming komt vanwege de zaden die door schoenen worden verspreid. Een Duitse bron zegt dat Mercurius de heilzame werking van het kruid heeft ontdekt. De soortaanduiding ‘annua’ betekent ‘eenjarig’.

Zonnetjes in de stad

Op een braakliggend terrein in het centrum van Breda stond in september een flink aantal stijve zonnebloemen te bloeien. Op hetzelfde terrein stonden op een meter afstand vergelijkbare planten nog in knop. Bij nader inzien bleek het te gaan om een forse groep aardperen. In de praktijk worden die twee soorten, beide behorend tot het geslacht Helianthum, weleens door elkaar gehaald. De wetenschappelijke naam van de aardpeer is Helianthum tuberosus en die van de stijve zonnebloem H. laetiflorus. Sommige auteurs plaatsen een vermenigvuldigingsteken tussen de geslachtsnaam en de soortaanduiding. Zo dus: Helianthum x laetiflorus. Dat betekent dat de auteur veronderstelt dat het gaat om een kruising, een hybride, tussen twee soorten. Volgens de Flora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden tussen H.laetiflorus en H.rigidus. De laatstgenoemde heeft een mooie Nederlandse naam: ‘stijve aardpeer’.

Wortelknollen aardpeer

Beide soorten zijn afkomstig uit Noord-Amerika. De aardpeer, ook wel topinamboer of Jeruzalemartisjok genoemd, werd al ruim voor de komst van Europeanen door de indianen gebruikt als voedsel. De stijve zonnebloem wordt alleen als sierplant gebruikt. Beide soorten ontsnappen van tijd tot tijd uit siertuinen en moestuinen. Ze kruipen soms gewoon onder muurtjes de straat op.

Stijve zonnebloem kruipt onder muur door

Het verschil tussen de aardpeer en de stijve zonnebloem is niet heel groot, maar toch wel duidelijk: de aardpeer heeft wortelknollen, het blad is sterk getand en de bladsteel is 1-4 cm lang. De  stijve zonnebloem heeft géén wortelknollen, de bladrand is gaaf/enigszins getand en de bladsteel is korter dan 1 cm. De aardpeer heeft sterker behaarde stengels dan de stijve zonnebloem.

Aardpeer: meer behaard, lange bladsteel
Stijve zonnebloem: weinig behaarde steel, korte bladsteel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Als je de bloeiwijzen vergelijkt dan valt op dat bij de aardpeer de omwindselblaadjes afstaand zijn en bij de stijve zonnebloem aanliggend.

Links: stijve zonnebloem. Rechts: aardpeer.

De aardpeer kan gemiddeld wat hoger worden dan de stijve zonnebloem: respectievelijk 2,40 m en 2,00 meter. Aan dat laatste verschil heb je natuurlijk niet zo veel.

Of de bloemhoofden net als bij de ‘gewone’ zonnebloem de richting van de zon aan de hemel volgen heb ik niet gecontroleerd.

Roestige melk

Ergens in het voorjaar meende ik een voor mij onbekende plantensoort te hebben ontdekt op korte afstand van spoorlijn aan de oostzijde van Breda. Ik maakte wat foto’s en stuurde die naar onze Floron-coördinator Jacques Rovers. Ik kreeg per ommegaande antwoord: roest op heksenmelk. Je moet er maar opkomen. Toen ik nog eens goed naar de foto’s keek zag ik het ook: overduidelijke vruchtlichamen van een roest. Roesten zijn schimmels met vaak een zeer ingewikkelde levenscyclus .Gelukkig heb ik het boek ‘Roesten van Nederland’ van Termorshuizen en Swertz in huis en kon ik vaststellen dat het zeer waarschijnlijk gaat om Uromyces fischeri-eduardi.

Maar het moet hier natuurlijk over de stadsplant gaan en niet over een schimmel. Heksenmelk (Euphorbia esula) komt in Nederland vooral voor langs de grote rivieren, maar staat ook bekend als spoorwegbegeleider. In Breda klopt dat dus. De plant heeft een stevige, vertakte wortelstok waaraan diverse stengeltjes van 30-60 cm hoog met langwerpige bladeren verschijnen. Bij afplukken van de stengel komt er, net bij de meeste leden van de wolfsmelkfamilie, wit melksap tevoorschijn. Het sap heeft een bijtend en branderig effect op huid en ogen en de wolf werd ooit gezien als de veroorzaker. Een wolf heeft geen positieve reputatie en een heks al helemaal niet.

Vruchtlichamen van heksenmelk

Het geslacht Euphorbia telt wereldwijd ruim 2000 soorten. Voor de wetenschappelijke naam van het geslacht bestaan twee verklaringen. De eerste is dat de naam verwijst naar ene Euphorbus, een lijfarts van een koning van een Berberrijk aan het begin van onze jaartelling. De tweede verklaring is dat het woord is samengesteld uit ‘eu’ =goed en ‘pherboo’=voeden. Het melksap schijnt ooit gebruikt te zijn ter genezing van teringlijders.
De soortaanduiding ‘esula’ betekent bijtend. Dat slaat op het melksap.

Heksenmelk met roest

De bloeiwijze van de leden van het geslacht Euphorbia wordt cyathium genoemd. Dit bestaat uit een buitenste bekervormig orgaan met randstandige hoefijzervormige klieren, waarbinnen een krans van uit één meeldraad bestaande mannelijke bloemen en in het midden de vrouwelijke bloem, bestaande uit een gesteeld vruchtbeginsel met vertakte stempels. Dat klinkt ingewikkeld en dat is het ook. De bloeitijd van heksenmelk is van mei tot eind augustus. De vrucht bestaat uit drie hokken met elk één zaad.

De plant komt in heel Europa en grote stukken van Azië voor. In de VS wordt heksenmelk als een invasieve exoot gezien. Je kunt hem beter niet in je tuin zetten, want voor je het weet neemt hij heel veel plaats in.

Behalve een plant is heksenmelk ook nog de naam van het vocht dat weleens door de tepels van pasgeboren baby’s wordt afgescheiden.

Plant met sterallures

De Bleke morgenster (Tragopogon dubius) houdt zich in Breda keurig aan zijn profiel. We vonden hem op korte afstand van de spoorweg aan de westkant van het centrum. Volgens de veldgids “Stadsplanten” van Ton Denters (2004) heeft deze soort zich vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw via het spoor over het westen van Nederland verspreid. Het oorspronkelijke verspreidingsgebied van de Bleke morgenster bestaat uit Midden- en Zuid-Europa en Zuidwest-Azië.

De Bleke morgenster onderscheidt zich van wat bekendere Gele morgenster doordat de groene omwindselblaadjes duidelijk buiten de gele lintbloemen uitsteken, door de opgezwollen stengeltop onder de bloeiwijze en natuurlijk door de wat blekere bloemen. Met een loep, maar ook met goede blote ogen, kun je ook zien dat de stijlen van de Bleke morgenster paarsachtig zijn, terwijl die van de Gele morgenster geel zijn.

De naam ‘morgenster’ is volstrekt logisch:  de bloem sluit zich wanneer de zon op zijn hoogste punt is gekomen om zich de volgende ochtend weer te openen. Ook een geplukt exemplaar in mijn vensterbank hield zich eraan. De toevoeging ‘bleke’ is heel begrijpelijk. Vergeleken met de Gele morgenster (Tragopogon pratensis) is het geel van de bloemen wat bleker.

Pluizenbol

Na succesvolle bestuiving en bevruchting vormt zich een prachtige pluizenbol. Deze bestaat uit vruchten, de nootjes, met gesteeld vruchtpluis. Dat vruchtpluis is gevormd uit de pappusharen en heeft veervormige haren die in elkaar grijpen.

Vooral in wat oudere literatuur is ‘Boksbaard’ de Nederlandse naam voor het geslacht Tragopogon. Dat is de letterlijke vertaling van ‘Tragopogon.  De betekenis van ‘Tragos’  is bok en ‘pogon’ is baard. Deze naam dankt het geslacht aan het gegeven dat het omwindsel na de bloei weer dichtvouwt. De lange spitse punten van de omwindselbladen zien er wat rafelig uit. De gelijkenis met de baard van een bok heeft tot deze Nederlandse naam geleid. De botanicus die de wetenschappelijk heeft gegeven blijkt zijn/haar twijfels te hebben gehad want ‘dubius’ betekent gewoon ‘twijfelachtig’.

Pluizenbol vergroot

 

 

Slaapmuts bij lantaarnpaal

Het gaat te ver om Dongen een slaperig dorp te noemen, maar je zou het bijna zeggen. In de Gerardus Majellastraat in deze Brabantse gemeente trof ik slaapmutsen aan bij een lantaarnpaal. Slaapmuts of ook wel Goudpapaver genoemd heeft een de prachtige wetenschappelijke naam Eschscholzia californica  en behoort tot de Papaverfamilie. Het geslacht is genoemd naar de arts en zoöloog J.F. von Eschscholz (1793-1831). De soortaanduiding heeft te maken met de staat Californië (VS), waar de plant voor het eerst werd gevonden. De bloem dient als symbool voor de staat Californië. In het zuidwesten van de VS kleurt de Sonorawoestijn oranjegeel wanneer de ‘Californian Poppy’ bloeit.

De muts van de slaapmuts

De meest gangbare Nederlandse naam ‘slaapmuts’ is afgeleid van de vorm van de bloemknop. Het lijkt een hele lange puntmuts. De plant schijnt, toevallig of niet, slaapverwekkende eigenschappen te bezitten. Dat is bij wel meer leden van de Papaverfamilie het geval. Indianenstammen in het zuidwesten van Noord-Amerika gebruiken de bovengrondse delen van de plant  als een licht verdovend middel tegen allerlei pijnen en kwalen, met name kolieken en tandpijn. Het schijnt niet verslavend te werken.

De eerst bekende waarneming van verwildering in Nederland stamt uit 1898 en werd gedaan op een spoorwegemplacement in Dordrecht. Met enige regelmaat wordt de plant als adventief gemeld. In de wat oudere versies van de Heukels  staat ‘zeld.verw.’ Je kunt je afvragen hoe die slaapmuts daar bij die lantaarnpaal terecht is gekomen. Hoogstwaarschijnlijk is daar wat zaad gevallen uit een bloembak of zomaar uit een zakje. Aanplant lijkt onwaarschijnlijk omdat de zaailingen zeer lastig te verspenen zijn.

 

Straprika

In de afgelopen herfst vond ik aan het begin van de straat waar ik woon een plant die, gelet op de bloemen, duidelijk tot de Nachtschadefamilie behoorde. Hij stond in een kier tussen een stoeptegel en de gevel van een winkel. Enkele weken later begonnen zich vruchten te ontwikkelen. Waren dat pepers of paprika’s? De eigenaar van de winkel had geen idee hoe die plant daar gekomen was. Omdat de plant in zo’n klein kiertje stond is het zeer onwaarschijnlijk dat iemand hem daar had geplant. Er moet dus iemand een zaadje hebben laten vallen.

Nu de vraag ‘paprika of peper?’. Het zijn verschillende rassen van dezelfde soort, namelijk Capsicum annuum. Het betreft hier wellicht een zogenaamde ‘puntpaprika’. De meeste paprika’s die we in de winkel aantreffen zijn  ‘blokpaprika’s’. De paprika die hier in Breda zomaar op straat groeit is volgens de literatuur een echte kasplant die een temperatuur nodig heeft van 16 tot 25 graden Celsius. Paprika’s werden al voor de tijd van Columbus in Midden- en Zuid-Amerika gekweekt. Veel mensen denken dat de paprika afkomstig is uit Hongarije. Dat is niet zo gek want het woord ‘paprika’stamt uit het Hongaars en betekent ‘peper’. En paprika’s vormen een wezenlijk onderdeel van goulash.

Niet alle kleurige pepers behoren tot de soort C. annuum. De beroemde, en ook wel beruchte Madame Jeanette uit Suriname, behoort tot de soort Capsicum chinensis. Een onverwachte soortaanduiding voor een geslacht uit Midden- en Zuid-Amerika.

Intussen is onze straatpaprika verdwenen. Het schijnt een meerjarige plant te zijn, dus wie weet kan ik er volgend jaar wel van eten. Dat was ik nu vergeten.

Probleemviolen

Je zou het niet zeggen, maar voor sommige mensen vormen prachtige plantjes als bosviooltjes toch een probleem.

Ergens op een stoep in een nieuwbouwwijk van Breda zag ik vanaf mijn fiets een blauwe gloed. Dichterbij gekomen bleek het om een ‘monocultuur’ van het bleeksporig bosviooltje (Viola riviniana) te gaan. Toen ik knielde op dat bed violen om er foto’s van te maken kwamen de aanwonenden tevoorschijn. Vindt u dat mooi? Ze vertelden dat ze al jaren probeerden van dat onkruid af te komen. Het stond niet alleen op de oprit maar ook al op de openbare weg. Of ik soms raad wist. “U mag ze allemaal hebben hoor!”.

Het bleke spoor is duidelijk te zien

Hoe komen daar nu zoveel van die planten terecht? Volgens de literatuur vormen Maartse viooltjes enorme tapijten door hun bovengrondse uitlopers, en bosviooltjes kunnen dat niet. Dan is het waarschijnlijk een kwestie van kiemkrachtige zaden.

 

Straatspinazie

In de meimaand kwam ik in Breda op straat een niet-bloeiende plant tegen die ik in de verste verte niet thuis kon brengen. Na een paar weken ontdekte ik dat er iets van bloemetjes te zien waren. Na nog wat gepuzzel kwam ik erachter dat het om spinazie (Spinacia oleracea) ging. Ik ben duidelijk geen moestuinier. Ik ken spinazie uit de supermarkt en had geen idee hoe de bloemen eruitzagen. Nu wel.
De spinazieplant is meestal tweehuizig, dat wil zeggen dat de vrouwelijke en de mannelijke bloemen op verschillende planten te vinden zijn. De mannelijke bloeiwijze is aarvormig en de vrouwelijke bloeiwijzen zijn okselstandig met per bloem 4 of 5 witte stempels (zie foto 2). De bladschijf is eirond tot driehoekig spiesvormig.

Vrouwelijke bloeiwijze van spinazie

Het woord spinazie is afkomstig van het Perzische woord ‘esfenaj. De soortaanduiding ‘oleracea’ betekent ‘als groente gebruikt ‘of ‘n moestuinen groeiend’.

Spinacea oleracea behoort tot de familie van de Amaranthaceae. Tot deze familie behoren ook allerlei soorten bieten en ook quinoa. Spinazie is een snelgroeiend, eenjarige bladgroente, die naar het schijnt al heel lang geleden in Perzië werd geteeld. De plant stamt uit West-Azië, maar is niet als wild bekend. De stamvorm is waarschijnlijk Spinacia tetranda, eveneens uit West-Azië. De ‘wilde spinazie”uit de winkel is de gewone spinazie die wat langer doorgegroeid is.

Van spinazie word je sterk. Dat kregen we vroeger vaak te horen. Het verhaal erachter was dat er veel ijzer in spinazie zou zitten en van ijzer word je sterk. Het idee werd nog versterkt door de avonturen van Popeye the sailor man. Hij opende in benarde situaties een blik spinazie, gooide de inhoud naar binnen en loste met de kracht van ijzer de problemen meteen op. De achtergrond hiervan is dat de regering van de Verenigde Staten tijdens de Tweede Wereldoorlog de vleesconsumptie wilde beteugelen en daarom de consumptie van spinazie wilde bevorderen. Popeye bleek de ideale promotor.

Spinazie is iets voor kwekers met weinig geduld. Na ongeveer vier tot zes weken kun je al oogsten. In spinazie zit inderdaad ijzer, 3 tot 4 mg per 100 gram versproduct en dat is niet bijzonder veel. Daarnast zit er allerlei gezonds in: caroteen, vitaminen en anti-oxidanten. Maar er zitten ook lichtgiftige stoffen in, nl. oxaalzuur en nitraat. Je moet er dus niet zoveel van eten als Popeye.

Nog even terug naar de vindplaats. In dezelfde straat en op precies dezelfde plaats werden in 2014 Chia-planten gevonden. Je vraagt je af of er een guerilla-tuinier actief is. Zie website www.stadsplantenbreda.nl.

Straatwalstro rukt op in Breda

Straatwalstro (Galium murale) is van oorsprong een mediterrane soort die de laatste jaren steeds vaker in ons land wordt gesignaleerd. Op de verspreidingskaart van Floron staan nu een twintigtal rode stippen van waarnemingen vanaf 1990. En slechts één van vóór 1990.

Het is een onaanzienlijk plantje dat wellicht regelmatig over het hoofd wordt gezien. Een lid van de plantenwerkgroep van de KNNV Breda ontdekte het plantje vorig jaar in de omgeving van het centrum van de stad. Een maandje geleden trof ik op een andere plek, eveneens in het centrum, een forse populatie aan. Zelfs meer dan 100 exemplaren. Vanaf mijn fiets gezien dacht ik aanvankelijk aan breukkruid. Zoals Grada Menting al opmerkte in haar bijdrage van 24 september 2017 is dit walstro een echte voegenvuller.

Straatwalstro is een voegenvuller

Zonder loep is er niet veel te zien aan straatwalstro. De gelige bloemetjes zijn minuscuul. Met enige moeite zijn er met het blote oog opvallend behaarde vruchtjes te zien.

Buiten haar natuurlijke verspreidingsgebied werd Galium muralis al aangetroffen in België, Engeland, Californië, Argentinië, Chili, Nieuw-Zeeland en Australië. Nog even en het is een wereldburger.

Uit onderzoek van Sipke Gonggrijp (‘de enthousiaste florist’) blijkt dat straatwalstro niet alleen een straatplant is maar ook een campingplant.