Home » muurplanten

Tag: muurplanten

Tripmadam – Geen dame van plezier

Tripmadam (Sedum rupestre) behoort tot de vetplantenfamilie . Planten die in het algemeen duidelijk herkenbaar zijn door vlezige bladeren die ongedeeld zijn en vaak als een aar, ongesteeld (zittend) aan de stengel zitten. De bladeren hebben een blauw/groene kleur zijn aan de onderzijde bolvormig en versmallen naar boven toe. Zij eindigen in een stekelpuntje. Voor de determinatie en om snel onderscheid te kunnen maken met andere vetplanten zoals Muurpeper en Wit- en Zacht vetkruid, is het stekelpuntje een goed veldkenmerk.

De bloemen zijn heldergeel en staan op aparte bloeistengels. Deze bloeistengels zijn, voordat de bloemen tot bloei komen, omgebogen. In oudere flora wordt de wetenschappelijke naam Sedum reflexum gebruikt hetgeen duidt op de bloeistengels die voor de bloei zijn omgebogen. De wetenschappelijke naam die nu in de flora wordt gebruikt is Sedum rupestre. ‘Rupestre’ betekent ‘rots’. De bloemen vormen aan de top van de bloeistengel een schermpje. De kroonbladeren zijn 2 1/5 keer zo lang als de kelkbladeren en naar onderen toe samengevouwen. Ze zijn, zoals dat heet, gekield. De helmdraden zijn aan de voet kort behaard. Om zekerheid te krijgen of je te maken hebt met Muurpeper of Tripmadam kijk je eerst naar de aanwezigheid van het stekelpuntje aan het einde van het blad (Tripmadam) en vervolgens naar de voet van de kroonbladeren die bij Tripmadam smaller is dan bij Muurpeper.

De blaadjes van Tripmadame lopen uit in een klein stekeltje. Een goed kenmerk om Tripmadam te onderscheiden van b.v. Muurpeper.

Tripmadam is in Nederland vrij zeldzaam. De Floron Verspreidingsatlas geeft aan dat de soort sinds 1950 25-50% achteruit is gegaan op de Rode lijst als kwetsbaar staat genoteerd en tot de vrij zeldzamen soorten wordt gerekend.  De bekendste vindplaatsen zijn langs de rivierduinen en dijken van de grote rivieren, in duingrasland, van de zeeduinen, tegen de bebouwing aan. Tripmadam wordt ook vaak gevonden op een stenige ondergrond zoals op basaltglooiingen, kademuren en stadswallen. In Amersfoort en omgeving zijn mij twee vindplaatsen bekend. Eén op de kademuren van de wijk Vathorst die bekend zijn vanwege de vele varensoorten op de kademuren en één rijke vindplaats op muurtjes in het Park Schothorst.

De bloeistengels van Tripmadam onderscheiden zich duidelijk van de bladstengels. (Foto Ton Denters)

De naam Tripmadam doet misschien stiekem denken aan dames van plezier maar dat is niet juist. Tripmadam is te herleiden tot “tripe de madame” en het woord “tripe” tot trijp: een fluweelachtige kledingstof. Het berijpte blauwe patin dat over de blaadjes ligt zal de inspiratie voor de naam zijn. Natuurlijk zijn er boeken te vinden die aangeven dat de blaadjes eetbaar zijn en geneeskrachtige werkingen hebben maar daar ga ik mij – met uw goedvinden – toch maar niet aan wagen.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

 

 

Geschubde mannetjesvaren rukt op – een varen met een vlekje

 

De Geschubde mannetjesvaren rukt op in Nederland en is langzamerhand ook in de steden een regelmatig geziene gast. Soms in wat verwilderde groenstrookjes, soms gewoon langs groene paden tussen de huizen en een enkele keer op oude, verweerde muren. Het gaat daarbij om twee soorten die geen Nederlandse namen hebben: Dryopteris affinis en Dryopteris borrerri. Uit meldingen in de Nationale Databank Flora en Fauna, blijkt dat de soort in 1950 uiterst zeldzaam was. Zeven vondsten. In 1990 was sprake van 30 meldingen. Daarna zet een significante stijging in. In 2000 – 80, 2010 – 140 en vandaag de dag boven de 1000 meldingen per jaar.

Een Geschubde mannetjesvaren – in dit geval Dryopteris borreri – in een groenstrook in de stad.

De toename van het aantal vondsten is niet alleen te danken aan de uitbreiding van de soort, maar zeker ook omdat een aantal floristen gerichter is gaan zoeken en doordat er meer kennis is gekomen over een aantal veldkenmerken. De familienaam Dryopteris geeft al aan dat het om vertegenwoordigers uit de niervarenfamilie gaat. De naam “niervaren” duidt op de niervormige dekvliesjes over de sporenhoopjes. Andere varensoorten uit deze familie zijn o.a. Mannetjesvaren (Dryopteris filix-mas), Kamvaren (Dryopteris cristata), Brede stekelvaren (Dryopteris dilatata) en Smalle stekelvaren (Dryopteris carthusiana).

Kenmerkend voor de varens uit de niervarenfamilie zijn de niervormige dekvliesjes over de sporenhoopjes. Rechtsboven is de zwarte vlek zichtbaar op de aanhechting van het deelblaadje aan de bladspil

Bij oudere planten is het in het veld vrij eenvoudig om de Geschubde mannetjesvarens te onderscheiden van de gewone Mannetjesvaren. Daarvoor moet je het blad omdraaien en kijken naar de aanhechting van de deelblaadjes aan de bladspil. Bij de Geschubde mannetjesvaren is daar een zwarte vlek aanwezig. Bij bladeren die nog niet volledig zijn ontrold is die zwarte vlek nog niet aanwezig. De winter is een goede tijd om Geschubde mannetjesvarens op het spoor te komen. In tegenstelling tot de gewone Mannetjesvaren is de Geschubde mannetjesvaren winterhard. Terwijl de bladeren van de Mannetjesvaren aan het begin van de winter afsterven, staan die van de Geschubde mannetjesvaren de hele winter fier overeind.

Op de aanhechting van het deelblaadje aan de bladspil is een zwarte vlek aanwezig

Tot nu toe heb ik het gehad over het herkennen van de Geschubde mannetjesvaren maar we hebben het dan eigenlijk over twee verschillende soorten en een aantal kruisingen tussen verschillende soorten. De twee soorten waar het om gaat zijn Dryopteris affinis en Dryopteris borreri. Onderzoek heeft nog niet geleid tot het vaststellen van veldkenmerken waarbij onomstotelijk kan worden vastgesteld met welke soort men te maken heeft. Er is één veldkenmerk waarvan de waarde steeds sterker wordt. Om dat veldkenmerk te kunnen onderzoeken moet je goed weten naar welk deel van de plant je moet kijken.

Het blad van de Mannetjesvaren en de Geschubde mannetjesvaren bestaat uit een bladsteel waaraan aan de linker en de rechterzijde deelblaadjes zijn aangehecht. Er moet gekeken worden naar het onderste deelblaadje. Dat bestaat uit een nerf waar aan de boven en de onderzijde bladsegmenten groeien: deelblaadjes van de 2e orde. Bij het determineren gaat het om het onderste bladsegment van het onderste deelblaadje dat zich het dichtst bij bladspil bevindt. Met een loep moet je dan kijken naar de aanhechting van het bladsegment aan de bladnerf. Indien het bladsegment is vergroeid met de bladnerf dan gaat het om Dryopteris affinis. Indien het bladsegment vrij staat gaat het om Dryoperis borreri.

Er moet worden opgemerkt dat de hier beschreven veldkenmerken een eerste resultaat zijn van onderzoek van de afgelopen twee jaar. Beduidend meer waarnemingen zullen aan moeten tonen dat het inderdaad gaat om een betrouwbaar veldkenmerk.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Muurvaren

Het is altijd leuk om muurplanten tegen te komen. In Zoetermeer is dat niet heel vaak. Dat komt omdat Zoetermeer als een nieuwe stad weinig oude muren heeft. Oude muren hebben spleten en gaten waar planten zich in kunnen vestigen, en ouderwets, vaak zachter cement.

Je zou misschien denken dat wij hier dan helemaal geen planten op muren zien, toch valt dat mee. Relatief nieuwe muren van zo’n 20 à 30 jaar oud, kunnen prima begroeid zijn. Het gaat dan om vochtige en schaduwrijke muren, zoals bv. kademuren.

Maar ik wil het hebben over de Muurvaren, Asplenium ruta-muraria, naast Mannetjesvaren de meest geziene varen op muren. Ik was blij verrast hem onlangs aan te treffen op de muurtjes rond de Oude Kerk uit 1783, in Zoetermeer. Doorgaans worden deze muren heel goed ‘schoongehouden’. Misschien dat men vanwege de renovatiewerkzaamheden aan de kerk hier al een tijdje niet aan toegekomen is. Het betekent dat muurvaren zich niet zo makkelijk laat wegpoetsen, al lijkt dat net na een boenbeurt wel zo.
De Muurvaren is een winterharde plant, dus in deze tijd van het jaar prima te vinden. Draai het blad dan ook even om, zelfs de sporenhoopjes aan de onderzijde van het blad zijn nu aanwezig.

Onderkant van het blad met de sporen.

De plant is goed te herkennen aan de bladeren, waaiervormig met een getand randje. De bladschijf in zijn geheel is driehoekig tot ruitvormig. De soortaanduiding: ‘ruta-muraria’ betekent: op muren groeiende ‘ruta’, waarbij ‘ruta’ staat voor ruit. Ik denk dat dit verwijst naar de vorm van de deelblaadjes, maar eerlijk gezegd vind ik de blaadjes van Ruta (wijnruit) best iets weghebben van de blaadjes van Muurvaren. Dat zal komen door de textuur, glimmend, beetje leerachtig.

Het begin is er!

De geslachtsnaam ‘Asplenium’ komt van het Latijnse ‘splen’, dat milt betekent. Deze varens werden ooit gebruikt bij ziekten van de milt. Of dat voor alle vertegenwoordigers van dit geslacht geldt? Geen idee.
Je vindt Muurvaren dus op muurtjes. Ook op wat zonniger kanten. Waar geen muren zijn, groeit de varen op kalkrijke rotsen.
Hij stelt geen hoge eisen aan z’n standplaats. Bij de bouw van stenen steden kon hij moeiteloos ‘overstappen’, en een echte stadsplant worden.

Gele helmbloem – een stinsenplant op de muur

De Gele helmbloem (Pseudofumaria lutea) is van oorsprong inheems in het zuidelijke deel van de Alpen. De plant is in de negentiende eeuw in Nederland ingevoerd als stinsenplant. Stinsenplanten zijn planten die naar Nederland zijn gebracht om tuinen van kastelen, landgoederen en grote boerderijen kleur te geven. Vanuit die omgeving is de plant verwilderd. Aanvankelijk kwam Gele helmbloem alleen in het zuidelijk deel van Nederland voor met een voorkeur voor een kalkrijke, stenige ondergrond en voor de mergelomgeving van Limburg.

Gele helmbloem behoort tot de papaverfamilie waar ook Klaproos en Stinkende gouwe deel van uitmaken. De plant was zeldzaam en kwam in de vorige eeuw voor op de rode lijst van beschermde plantensoorten. Sinds 2017 heeft de plant zijn beschermde status verloren.

Gele helmbloem komt hoofdzakelijk voor op oude muren en wordt door de uitbundige groeiwijze vaak al van verre opgemerkt. In de stad groeit de Gele helmbloem vooral op oude stadsmuren, muren rond kerkhoven en kademuren.

De helder gele bloemen lijken met enige fantasie op een Romeinse helm en vormen rijke trossen. De bloemen zijn tweezijdig symmetrisch, wat betekent dat je de bloem maar op één manier kunt doorsnijden om te bereiken dat de twee bloemhelften elkaars spiegelbeeld zijn.

Gele helmbloem is tweezijdig symmetrisch. Je kunt de bloem maar op één manier doorsnijden om een spiegelbeeld van de linker en rechter helft te krijgen.

De plant bevat een giftige alkaloïde die bij paarden bv. ontstekingen en zweren kan veroorzaken in de bek, kan leiden tot koliek en zelfs tot de dood. De zwarte zaden zijn voorzien van een mierenbroodje. Dat maakt ze aantrekkelijk voor mieren die de zaden verslepen en zo bijdragen aan de verspreiding van de plant.

Gele helmbloem bevat een giftige alkaloïde die dodelijk kan zijn voor paarden

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Muurfijnstraal – het madeliefje van een rotsige ondergrond

Een blik op de bloemen van Muurfijnstraal (Erigeron karvinskianus) en het is overduidelijk dat we te maken hebben met een composiet. Een hart van heldergele buisbloemen, omringd met een krans van witte of lichtpaarse lintbloemen. De plant is oorspronkelijk afkomstig uit Mexico, kwam als tuinplant naar Europa en ontsnapte, zoals zoveel tuinplanten, naar de wereld buiten de tuin. In het bos, in wegbermen of akkers zal je hem niet vinden. In de naam Muurfijnstraal staat niet voor niets het woord “muur”. De plant houdt van een stenige ondergrond. Dat kunnen rotspartijen zijn, bestaande uit zwerfkeien, tussen straatstenen maar vooral op oude muren. Die rotsige ondergrond is overigens geen vereiste. In een border met goed doorlatende grond gedijt de plant ook uitstekend.

Muurfijnstraal houdt niet alleen van een stenige ondergrond maar ook van vocht. De plant kan daarom tot dicht op de waterlijn gevonden worden.

We kennen in Nederland verschillende plantensoorten die we fijnstraal noemen: Canadese fijnstraal, Hoge fijnstraal, Gevlamde fijnstraal, Ruige fijnstraal, Scherpe fijnstraal, Muurfijnstraal en Zomerfijnstraal. Je zou denken dat al deze soorten tot het zelfde geslacht behoren maar dat is niet waar. Het zijn allemaal composieten die zowel buisbloemen als lintbloemen hebben. De aanduiding fijnstraal heeft betrekking op de breedte van de lintbloemen. Deze vrouwelijke straalbloemen (lintbloemen) zijn hoogstens een millimeter breed en veel smaller dan lintbloemen van andere composieten. Dat Muurfijnstraal in een ander geslacht is ingedeeld (Erigeron) dan de Canadese-, de Hoge-, de Ruige- en de Gevlamde fijnstraal (Conyza) komt doordat er verschillen zijn in de lengte van de plaat van de lintbloemen en de verhouding tussen het aantal lintbloemen in vergelijking met de buisbloemen. Bij Erigeron is de plaat van de buisbloemen 2-10 mm lang en zijn er meer centrale buisbloemen dan lintbloemen. Bij Conyza is de plaat van de lintbloemen hoogstens 1 mm en zijn de lintbloemen talrijker dan de centrale buisbloemen.

Om tot de fijnstralen te kunnen moet de breedte van de lintbloemen beduidend minder breed zijn dan die van van andere composieten.

De plant heeft drie methoden om zich voort te planten. De meest voor de hand liggende methode is uiteraard de vorming en verspreiding van zaden. De tweede methode via de wortelstok is ook veel voorkomend. De derde methode heeft te maken met de stengels die vaak deels op de grond liggen om daarna op te stijgen. De op de ondergrond liggende stengels wortelen gemakkelijk en leiden op die manier tot de vorming van een nieuwe, zelfstandige plant. De eerste meldingen in Nederland van verwilderde Muurfijnstraal dateren uit eind negentiger jaren van de vorige eeuw. Nu is de plant bepaald geen zeldzaamheid meer. Vooral op oude muren en grachtenmuren wordt de plant steeds vaker gevonden.

De bloemen van Muurfijnstraal kunnen in kleur variëren van helder wit tot paars/roze.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde

Poetsmiddel voor glas

Wie bedenkt dat nu, een plant gebruiken als poetsmiddel voor glas? Nota bene nog een soort die familie is van de brandnetel. Blijkbaar moet het een in ieder geval in Friesland in gebruik zijn geweest, daar heet het namelijk Lytse glêspoetser, beter bekend als Klein glaskruid (Parietaria judaica).

In Deventer, met op een aantal plaatsen oude muren is het een redelijk veel voorkomende soort. In heel Nederland wel, althans in het stedelijk gebied, daarbuiten zeer zeldzaam.

Goed, bij die oude muren is Klein glaskruid eigenlijk overal te vinden. Zelfs al zijn die ‘behoorlijk goed gerestaureerd’ en er nauwelijks sprake is van een weelderige begroeiing.
Verder is in zowel de oude als de nieuwe delen van Deventer wel Klein glaskruid te vinden, maar toch het meest bij de oude muren. Hier een enkel exemplaar in een oud steegje in Deventer, Manhuissteeg.

Klein glaskruid in een oud steegje van Deventer

Aan het einde van de Manhuissteeg is de Welle, de kade aan de IJssel, met een stukje van de oude buitenmuur. Daar staat het massaal aan de voet van de muur.

Klein glaskruid aan de Welle

De planten zijn polygaam, ofwel hebben bloemen met mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen en bloemen met alleen mannelijke of alleen vrouwelijke geslachtsorganen. Klein glaskruid is een lid van de brandnetelfamilie.

Klein glaskruid kan zich goed handhaven op plaatsen waar geen betreding is. Aardig is dat op plaatsen waar fietsen langere tijd staan de soort gemakkelijk tegen de 50 cm hoog kan worden.

Het geslacht Parietaria had tot voor kort twee soorten in Nederland, Klein glaskruid en Groot glaskruid. Onlangs is op deze blog geschreven over een derde vertegenwoordiger van het geslacht, te weten Parietaria lusitanica, die nog geen Nederlandse naam heeft.

Bloeiwijze Grote brandnetel

Vooral in het westen van Nederland is het mogelijk om Klein en Groot glaskruid samen tegen te komen. De kenmerken hebben een zekere overlap waardoor verwarring kan ontstaan. Bij Groot glaskruid zijn de stengels recht opstaand en hol, terwijl Klein glaskruid liggende tot rechtopstaande gevulde stengels heeft die vaak dieprood van kleur zijn. De bladen van Groot glaskruid zijn langwerpig eirond en heldergroen met een grootte van 3-12 cm; in tegenstelling tot Klein glaskruid met verspreid staande stevige donkergroene en eironde bladeren van 2-5 cm.

Glaskruid is waarschijnlijk sinds de Romeinse tijd in Nederland. Naast poetsmiddel was het veelvuldig in gebruik als medicinale plant, vooral als diureticum maar ook bij de behandeling van ‘wild vuur’. Lees meer hierover in Kruidwis.

Schubvaren – varens in alle soorten en maten in Amersfoort

Tijdens onderhoudswerkzaamheden aan een kademuur in de wijk Vathorst in Amersfoort heb ik in november 2017 de zeldzame Schubvaren gevonden. Het was mij opgevallen dat in toenemende mate houtgewassen zoals berken, elzen en hazelaars bezit namen van kademuren waar veel muurplanten groeiden. Op een melding naar de stadsecoloog van Amersfoort, Renée van Assema, werd adequaat gereageerd. Er werd een boot georganiseerd en vrijwilligers van IVN Amersfoort verleende medewerking om de houtgewassen te verwijderen. De vaart werd door mij gebruikt om ook de groei van varens op de muren te monitoren. Daarbij viel mijn oog op de Schubvaren.

Nagenoeg alle varens op de kademuren van De Laak – Vathorst groeien in de voeg tussen de dekstenen en de kademuur. Op de foto is de eerste varen te zien die op de muur zelf groeit.

In 2014 en 2015 heeft de Werkgroep Wilde planten van de KNNV Amersfoort e.o. op verzoek van de gemeente een inventarisatie uitgevoerd van varens en specifieke muurplanten op kademuren in de wijk Vathorst in Amersfoort. Het rapport met de resultaten van dit onderzoek is te vinden op: http://www.floron.nl/Portals/1/Plaatjes/Projecten/muurplanten/2015-Muurvarens-Vathorst-Amersfoort.pdf

In de wijk Vathorst is een deelgebied dat De Laak heet. Het is een nieuwbouwwijk met grachtjes, bruggetjes en mooie karakteristieke huizen. Met de bouw werd begonnen in 2004. Er werd bewust gekozen voor kademuren die 5 graden achterover hellen en zijn gemetseld met kalkrijke mortel. De gemeente Amersfoort hoopte dat op die manier op langere termijn een net zo mooie muurbegroeiing zou ontstaan als op de muren van de grachten in de oude binnenstad. Normaal gesproken moet een muur 20 tot 30 jaar oud zijn om voldoende te eroderen om muurplanten een goede habitat te bieden. In De Laak in Vathorst gebeurde dat binnen tien jaar. Hoe kon dat gebeuren?

Het onderzoek heeft uitgewezen dat er een sterk bepalende factor een rol speelt. Alle varens groeien op kademuren waar de straten rechtstreeks aansluiten op de kademuren. Het gevolg is dat het regenwater rijkelijk over de achterover hellende kademuren vloeit waarbij er sprake is van een versneld uitlogings proces. Door Piet Bremer, die promoveerde op het onderzoek naar varens in het Kuinderbos, werd ik gewezen op de opmerkelijke rol die varensporen in de lucht kunnen vervullen als condensatiekernen voor regendruppels. Een regeldruppel kan in de meeste gevallen alleen ontstaan rond een condensatiekern. Doordat de sporen van varens bijzonder licht zijn kunnen zij gemakkelijk vanuit de hele wereld door de wind worden meegevoerd en zijn rijkelijk in de lucht aanwezig. Als condensatiekern worden zij ingevangen in regendruppels en vallen tijdens regen op de grond. In De Laak groeien vrijwel alle varens in de voeg tussen de dekstenen van de kademuur en de muur zelf. In deze diepe voeg zijn schijnbaar optimale groeimogelijkheden voor de varens aanwezig. Wat in zo’n geval noodzakelijk is is de aanvoer van voldoende sporen. Dat gebeurt mede door aanvoer van sporen in de neervallende regen en door sporen die via de wind in de voegen terecht komt.

  • Tot nu toe zijn de volgende varens door mij op de kademuren gevonden:
    Mannetjesvaren (Dryopteris filix-mas), Mannetjesvaren cristata (Dryopteris flix-mas-cristata), Olifantslurfvaren (Dryopteris cycadina), Stijve naaldvaren (Polystichum aculeatum), Zachte naaldvaren (Polystichum setiferum), Glansschildvaren (Polystichum polyphlebarum), Muurvaren (Asplenium ruta-muraria), Steenbreekvaren (Asplenium trichomanes subsp. quadrivalens), Tongvaren (Asplenium scolopendrium + verschillende tuinvarianten), Zwartsteel (Asplenium adiantum-nigrum), Smalle ijzervaren (Cyrtomium fortunei), Geschubde mannetjesvaren (Dryopteris affinis), Gewone eikvaren (Polypodium vulgare).
    Daar komt nu de Schubvaren (Asplenium ceterach) bij. Een onwaarschijnlijk groot aantal soorten voor muren die minder dan vijftien jaar oud zijn.

Dan toch nog even aandacht voor de plant waar het dit keer echt om gaat: de Schubvaren. Hij behoort tot de streepvarenfamilie (Asplenium) waartoe ook de Tongvaren, de Muurvaren, de Zwartsteel, de Steenbreekvaren en de Groensteel behoren. Een gemeenschappelijk kenmerk van deze varens zijn de lijnvormige tot langwerpig ovale sori of sporenhoopjes op de onderzijde van de bladeren. De sporenhoopjes liggen zijdelings langs de vrije zijnerven; ze bezitten een aan de nerf vastzittend dekvliesje (indusium).

Sporenhoopjes van schubvaren

De Schubvaren heeft altijd op de Rode Lijst gestaan en was wettelijk beschermd. De plant heeft een goede verdedigingstechniek tegen verdroging. Het rolt de bladeren op om verdamping van vocht te beperken. De linker en de rechter bladslippen krommen naar elkaar toe en passen bijna als een ritssluiting in elkaar en vormen dan een kokertje. Verdamping is dan beperkt, maar koolzuurassimilatie is dan ook vrijwel onmogelijk. Dat moet in vochtiger perioden worden ingehaald.

De schubvaren is zeldzaam en in grote delen van het land zeer zeldzaam. De verspreidingsatlas laat zien dat de plant vooral in het westen van het land voorkomt. Nederland ligt aan de noordrand van het verspreidingsgebied in Europa. In het verleden kende de varensoort ook medische toepassingen. De Schubvaren werd gebruikt bij miltkwalen en voor mensen die zich vaak inbeelden allerlei ziekten te hebben (hypochondrie).

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde

Een spoorbloem op een brug

Een spoorbloem op een brug lijkt tegenstrijdig. Een bloem die verdwaald is en terecht is gekomen op een brug in plaats van langs het spoor. De verklaring is eenvoudig. Het gaat om de Rode spoorbloem. De naam kreeg de plant vanwege de gespoorde bloemkroon. De kroonbladen zijn vergroeid tot een kroonbuis. Aan de onderzijde daarvan hebben de bloemen een spoor – een hol, conisch uitsteeksel. Een ander bekende bloem met een spoor is Vlasbekje. Vaak is een spoor een rijke verzamelplaats van nectar. Dat is ook het geval bij de Rode spoorbloem. De plant is daarom geliefd bij bijen, hommels en vlinders.

De kroonbladen zijn vergroeid tot een kroonbuis. Aan de onderzijde van de kroonbuis vind je het spoor.

De Rode spoorbloem behoort tot de valeriaanfamilie waarvan in Nederland de verschillende soorten veldsla en valeriaansoorten behoren. Omdat de plant tot de valeriaanfamilie behoort wordt hij ook wel Rode valeriaan genoemd. In Nederland komt de plant slechts sporadisch in het wild voor. Het is een veel gekweekte sierplant die af en toe uit tuinen ontsnapt. In Frankrijk en op de Britse eilanden wordt de plant vaak gevonden op muren. De Rode spoorbloem waar we het nu over hebben is een verwilderd exemplaar dat een plekje heeft gevonden op een van de muren van de stadsgrachten in Amersfoort. Het is een fors exemplaar dat al maandenlang veel bloemtrossen draagt. Zelfs nog in oktober.

De Spoorbloem heeft slechts één meeldraad en één stempel. Beiden steken ver boven de bloemkroon uit

De stengel en de bladeren ogen blauwgroen berijpt. De bloemen hebben één meeldraad en één stempel die beide ver uitsteken boven de bloemkroon. De vruchtjes hebben een mooi vertakt kroontje van veertjes. De bloemen zijn meestal rozerood maar er komen ook planten met witte bloemen voor. Omdat de plant zowel rozerode als witte bloemen kan hebben wordt in publikaties soms gesproken over de Spoorbloem en niet over de Rode spoorbloem.

De Rode spoorbloem groeit in Amersfoort op een brug die deel uit maakt van kademuur van één van de grachten. Het gaat om een forse plant.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Canadese guldenroede – De beharing verraadt de soort

 

Het is in deze tijd van het jaar bepaald niet moeilijk om Guldenroede te vinden. In tuinen, wegbermen, braakliggende stukjes land,…. overal zie je de wuivende, goudgele bloemtrossen van de Guldenroede. In 99 procent van de gevallen gaat het om de Late guldenroede. Een enkele keer gaat het om de Canadese guldenroede. En nog minder vaak gaat het om de Echte guldenroede. In Amersfoort ken ik maar één vindplaats van de Canadese guldenroede. Het is een bijzondere vindplaats want de plant groeit op één van de kademuren van een stadsgracht. Deze bijdrage aan “Stadsplanten van Nederland” is dus opgedragen aan de Canadese guldenroede maar de andere twee soorten komen ook ruim aan bod.

Alle drie de soorten Guldenroede hebben zowel buis- als lintbloemen. De soort behoort dus tot de composieten. De echte guldenroede is de enige van de drie soorten die hier echt thuis hoort. De Canadese- en de Late guldenroede zijn al lang geleden ingevoerd als tuinplant en als een plant die bijzonder in trek is bij honingbijen en andere insecten. Behalve dat de planten veel nectar bevatten, bloeien de planten later in het jaar. Veel andere planten zijn dan al uitgebloeid. Zij moeten wel tot de invasieve exoten gerekend worden. Vooral de Late guldenroede verdringt op veel plaatsen inheemse planten en is vaak moeilijk uit te roeien. Zowel de Late guldenroede als de Canadese guldenroede kunnen lange uitlopers aan de wortels vormen. Op deze worteluitlopers ontstaan nieuwe plantstengels. De twee soorten kunnen daardoor een redelijk oppervlak bedekken. Verwijderen van de planten is niet eenvoudig. Uit elk achtergebleven wortelrestant kan weer een nieuwe plant ontstaan.

De Echte guldenroede heeft een weinig vertakt wortelstelsel Daardoor vormt de plant geen “haarden” en is dus niet invasief. De Echte guldenroede is een vrij zeldzame plant die vrijwel alleen voorkomt in de hoger gelegen zand- en leemgronden in de oostelijke helft van het land en in het zuiden. Ook het uiterlijk van de plant wijkt af van de andere twee soorten. Terwijl de andere Guldenroedes bladeren hebben die vrijwel gelijk van vorm zijn, heeft de Echte guldenroede ruitvormige bladeren aan de onderkant van de stengel en lancetvormige bladeren hoger aan de stengel. Ook de bloeiwijze is duidelijk anders. De Canadese- en de Late guldenroede hebben een horizontaal afhangende, pluimvormige bloeiwijze. Bij de echte guldenroede is sprake van een veel meer open bloeiwijze langs schuin opstijgende bloeistengels.

De bladnerf van de Canadese guldenroede is sterk behaard

De Guldenroedesoorten hebben een goede reputatie als het gaat om geneeskrachtige stoffen. De planten werden in het verleden veel toegepast voor het helen van wonden, mede door de ontsmettende eigenschappen die de plant zou hebben.

Terug naar de kademuur van de Amersfoortse stadsgracht. Daar staat dus als een zeldzame muurplant een fraaie Canadese guldenroede. De laatste jaren heb ik uit nieuwsgierigheid ongeveer bij elke Guldenroede die ik tegenkwam naar de onderkant van de bladeren gekeken en naar de beharing van de stengel. Zonder één uitzondering allemaal Late guldenroede. Ook van andere floristen hoor ik dat ook zij vrijwel alleen maar Late guldenroede vinden. De vraag mag gesteld worden of de verspreidingsatlassen van de Canadese guldenroede niet een te optimistisch beeld tonen misschien doordat Canadese- en Late guldenroede met elkaar zijn verward.

De bladnerf van de Late guldenroede is (vrijwel) onbehaard

Er zijn een aantal veldkenmerken waarmee de twee soorten relatief eenvoudig van elkaar zijn te onderscheiden. Beharing is daarbij van belang. De Late guldenroede is kaal te noemen in vergelijking met de Canadese guldenroede. Alleen bij de bloeiwijze kan enige beharing aanwezig zijn. De stengel is kaal en ook op de bladeren is weinig haar te ontdekken. Soms zijn de bladeren gewimperd – dunne haartjes op de rand van het blad en soms wat kleine beharing op de bladnerf. Dat is bij de Canadese guldenroede wel anders. De stengel is over de volle lengte behaard en de onderzijde van de bladeren zijn volledig behaard.

De Canadese guldenroede als muurplant is nieuw voor mij maar zal ongetwijfeld vaker voorkomen.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde

Opmars van Glanzige ooievaarsbek

In de 20ste editie van de Heukels uit 1983, wordt Glanzige ooievaarsbek (Geranium lucidum) nog niet genoemd. In de 21e druk wordt de soort in kleine lettertjes afgedrukt en omschreven als “recent op enkele plaatsen opduikend in het westen van Nederland”. In de 22ste editie wordt Glanzige ooievaarsbek nu als een volwaardige soort gezien en als zeldzaam in het stedelijk gebied en de duinen omschreven. In de tot nu toe laatste editie van de Heukels uit 2005 wordt de soort ineens weer als zeer zeldzaam omschreven. Tenslotte wordt in Stadsplanten van Breda uit 2013 de soort omschreven als “neiging tot woekeren”.

Glanzige ooievaarsbek foto: Aad van Diemen
Glanzige ooievaarsbek. Foto: Aad van Diemen

Door het warmer worden van het klimaat is Glanzige ooievaarsbek inmiddels niet meer weg te denken uit het stedelijk gebied. De soort komt voor op schaduwrijke, vochtige, tamelijk voedselrijke stenige grond, onder heggen en aan de rand van plantsoenen. Dit werd in 2016 zeer goed duidelijk in de wijk Utrecht-Lunetten. Glanzige ooievaarsbek is daar inmiddels een

van de algemeenste soorten met naar schatting meer dan een half miljoen exemplaren! Bijna letterlijk zijn daar de brandgangen en plantsoenen vergeven van deze soort. Milieubewuste inwoners van Lunetten kunnen dit overigens lang niet altijd waarderen. Diverse brandgangen werden door hen ontdaan van deze soort, terwijl andere typische brandgangsoorten dan werden ontzien. Kortom, inmiddels zeker een woekerende soort, maar naar mijn mening wel een mooie….

Glanzige ooievaarsbek foto: Erik van der Hoeven
Glanzige ooievaarsbek. Foto: Erik van der Hoeven