Home » Struiken

Categorie: Struiken

Olijven in stad

Iedereen kent de haagliguster (Ligustrum ovalifolium). Vroeger zag je hem meer, maar met de opkomst van de lage heggen, heeft de buxus vaak zijn plaats ingenomen. Maar er gloort hoop voor de liguster sinds het verschijnen van de buxusmot.

Ovaal blad haagliguster

Wat niet iedereen zal weten is dat liguster tot de olijffamilie behoort. Proefondervindelijk is dat tegenwoordig ook zelf vast te stellen. In veel steden staan olijfbomen in grote kuipen. In Tilburg staan er in de Stationsstraat. Dat is de straat die vanuit de binnenstad recht op de hoofdingang van het NS-station uitkomt. Sommige van die bomen dragen zwarte olijven. Steek een olijf in je mond en kauw erop. Bah, wat bitter! Zoek dan een liguster met bessen en steek een bes in je mond. Bah wat bitter! Beide vruchten hebben een harde pit, de blaadjes een vergelijkbare vorm. Die smaken trouwens ook bitter.

Dat laatste zal ook wel een van de redenen reden zijn waarom de liguster al zo lang als haag voldoet: het vee vreet niet aan de bladen.

Bitter als olijven

Wie zijn ligusterhaag vlijtig knipt zal geen bloemen zien; dat is echter wel zonde. De bloemen ruiken heerlijk en bloeien lang. Zelf hebben wij in de tuin een enkele liguster als boompje uit laten groeien en die bloeit heel rijk. Er komen dagvlinders en bijen op af, en ook nachtvlinders. Voor een aantal soorten nachtvlinder zijn zelfs de bladen voedsel voor de rups. De bekendste daarvan is de mooie ligusterpijlstaart.

In de winter komt de merel de ligusterbessen eten. Kortom, een bloeiende liguster draagt bij aan de biodiversiteit van de omgeving. Zelfs bij een haag kun je op een hoek een plant door laten groeien.

De haagliguster komt uit Japan en er wordt aangenomen dat deze niet verwildert. Daar twijfel ik aan. In onze tuin is spontaan een haagliguster verschenen. Dan moet je toch aannemen dat het een zaailing is.

Blad van de wilde liguster is veel langer

Er bestaat ook een wilde, inlandse liguster (Ligustrum vulgare). Die vind je vooral op kalkhoudende grond: in de duinen en op klei. Toch kun je hem verwilderd aantreffen in plantsoenen, ruderale stukjes, bermen.

Het verschil tussen beide ligusters is tamelijk makkelijk. Het blad van de wilde liguster is veel langer. In de wetenschappelijke naam van de haagliguster wordt dat ook al aangegeven: ‘ovalifolium’ = ovaalvormig blad; in tegenstelling dus tot het langwerpige blad van de wilde liguster. Ovaal is hier tweemaal zo lang als breed. Langwerpig: viermaal zolang als breed.

De geslachtsnaam ‘liguster’ komt van ‘ligure’ = binden, vlechten. Twijgen voor vlechtwerk.

 

 

 

 

 

 

 

Fraaie exoot

  1. De Veelbloemige roos is van oorsprong afkomstig uit Zuid-Oost Azië. Hij wordt sinds het eind van de 19e eeuw in Europa ingevoerd. Deze botanische roos was indertijd, jaren ’70 en ’80, onderdeel van het verrijkt bosplantsoen. Verrijkt bosplantsoen bestond voor het overgrote deel uit inheemse bomen en struiken waaraan ook een aantal kleurrijke, meestal exotisch soorten werd toegevoegd.
    Veelbloemige roos (Rosa multiflora var. multiflora) is een gemakkelijk herkenbare en ingeburgerde soort. Vanwege zijn exotische achtergrond wordt hij waarschijnlijk niet door iedere florist gestreept. Het is een rozensoort die van mei tot in augustus geurende enkelbloemige witte rozen produceert die in losse trossen hangen, van 10 – 20 bloemen. Aan deze enigszins behaarde struik met teruggekromde stekels, die zo’n 5 meter hoog kan worden, ontstaan in het najaar kleine bottels (< 1cm) die qua kleur en formaat wel wat doen denken aan lijsterbessen. Opvallend aan deze roos zijn de franjeachtig ingesneden steunblaadjes. Zie foto.
Steunblaadjes met de karakteristieke franje.

NB: Naast deze witbloeiende variëteit bestaat er ook een variëteit met roze bloemen (var. cathayensis).
Uit de verspreiding tot nu toe valt af te lezen dat de zeer winterharde soort het meest wordt aangetroffen in antropogene milieus, in de nabijheid van bewoning. Denk aan spoorbermen, stortplaatsen, extensief beheerde groengebieden e.d.
In Zoetermeer komen exemplaren van deze roos vooral voor in natte groenstroken en aan oevers van waterpartijen in en om de stad. De vele geurende bloemen oefenen een grote aantrekkingskracht uit op veel insecten, waaronder bijen.
Verspreiding van zaden door vogels ligt voor de hand. Daarnaast vormt het wortelgestel, dat vaak gebruikt werd om andere gecultiveerde rozen op te enten, een mogelijkheid om zich alsnog als R. multiflora te manifesteren.
Hoewel er in onze streken bij mijn weten nog geen sprake is van overlast door woekering is dat in de Verenigde Staten wel anders. Daar Is sprake van een sterk woekerende invasieve exoot die lastig te bestrijden is. De soort duikt daar op in allerlei natuurgebieden, een gedrag vergelijkbaar met dat van de Rimpelroos in onze Hollandse duinen. Hopelijk blijft de Veelbloemige roos zich in ons land netjes gedragen.

Kamperfoelie, boomrank, honingzuiger

Het geslacht Kamperfoelie kent in Nederland twee inheemse soorten, waarvan de algemene Wilde kamperfoelie (Lonicera periclymenum) een klimmende groeivorm heeft. De zeldzamere Rode kamperfoelie (Lonicera xylosteum) heeft een staande, struikvormige groeivorm. De Engelse namen voor dit geslacht zijn woodbine (boomrank) en honeysuckle (honingzuiger). De soort wordt door veel insecten bezocht vanwege de nectar die de bloemen produceren. Er zijn echter nog een stuk of wat soorten meer, die als tuinplant aangeplant worden. Kamperfoeliesoorten maken bessen die gegeten worden door vogels en zo verspreid worden door het land. De verspreiding van de soorten lijkt vrij willekeurig, maar als je de verspreiding op km-hok niveau bekijkt, zie je dat Kamperfoelie voorkeur heeft voor zandgrond.

Wilde kamperfoelie, links op uurhok schaal (5 km2), rechts op km-hok schaal (1 km2).

Wat voor andere soorten zijn er dan? Bijzonder veel, ongeveer 17 in totaal, ze zijn in de meeste gevallen goed herkenbaar, al maakt bloei het wel een stuk gemakkelijker om ze te identificeren. De soorten verschillen in groeivorm, zoals al eerder bij Wilde kamperfoelie en Rode kamperfoelie toegelicht is, maar tevens in grootte, kleur en vorm van de bloemen, in kleur van de bessen en vorm en beharing van het blad. Het is niet altijd gemakkelijk om vast te stellen of er sprake is van verwildering of aanplant, maar in bosranden en in de duinen is verwildering van deze soorten niet zeldzaam. De soorten zijn ook zeker niet zeldzaam in het stedelijk gebied en gezien hun oorsprong beschouw ik de soorten dan ook al stadsplanten, al zul je ze vaker verwilderd in bosranden vinden, dan in steden.

Lonicera tatarica, o.a. herkenbaar aan de struikvormige groeivorm, de zachtbehaarde bladen en de meestal rode bloemen met vierlobbige bovenlip.

Struikvormige soorten zijn onder andere Lonicera nitida en Lonicera pileata, twee kleine soorten met kleine, glimmende bladen die voornamelijk in het stedelijk gebied aangetroffen worden. Er zijn ook een hoop grootbladige, struikvormige kamperfoeliesoorten, waaronder Lonicera x purpusii, herkenbaar aan het ontbreken van bladen tijdens de bloei. Verder zijn er nog de struikvormige Lonicera tatarica, herkenbaar aan de zachtharige stengelbladen en de vierlobbige bovenlip. Ten slotte zijn er nog Lonicera nigra met zwarte bessen en Lonicera maackii, herkenbaar aan de glimmende, lang toegespitste bladen.

Lonicera acuminata, herkenbaar aan de klimmende groeivorm, de blauzwarte bessen en de behaarde stengel.

Klimmende Kamperfoelie soorten kunnen onderaan de bloeiwijze vergroeide stengelbladen hebben, dit zijn Tuinkamperfoelie (Lonicera caprifolium), Lonicera x heckrottii, Lonicera x tellmanniana en Lonicera etrusca. Andere klimmende soorten zijn Japanse kamperfoelie (Lonicera japonica) met zwarte bessen, witte en gele, paarsgewijs staande bloemen. Ook is er nog Lonicera acuminata, herkenbaar aan de blauwzwarte bessen, de glimmende bladen en de behaarde stengel.

Heb je een soort uit het geslacht Lonicera gevonden, dan kan je deze met enkele buitenlandse determinatieboeken als New Flora of the British Isles (Stace, 2019) determineren. Als je dit boek niet hebt, adviseer ik de online determinatiesleutels Manual of the Alien Plants of Belgium (Engelstalig) en Blumen in Schwaben (Duitstalig).

Hop

Onlangs viel mij tijdens mijn werk als postbode natuurlijk weer een plantje op. Dit keer niet de echte bloemen maar het gevolg daarvan, de typische hopbellen. Laat ik beginnen bij het begin. Hop (Humulus lupulus) is een plant uit de hennepfamilie (Cannabaceae) maar de Hop hoef je niet in een sigaret te proberen; het is uitsluitend familie. Hop is een vaste plant die overwintert als wortelstok. Hop is geen zelfhechtende slingerplant maar heeft een gastheer nodig om omhoog te groeien. Hop is een rechtswindende slingerplant waarvan de stengels zich tegen de zon in naar boven werken.

De plant is een zogenaamde hemikryptofyt. Dat is een levensvorm van tweejarige- of vaste plant met de knoppen op of iets onder de grond, zodat ze worden beschermd door de strooisellaag. De knoppen bevinden zich vaak in basale delen van scheuten van het voorgaande jaar. Zo kunnen de planten een ongunstige periode, zoals een winter, hete zomer of periode met schaduw, overleven.

De naam hemikrypofyt komt uit het Grieks/Latijn. Hemi betekent “half”, krypto betekent “verscholen/verborgen” en phyte betekent “plant”. Dus totaal “half verscholen plant”.

De hopplant is een tweehuizige plant wat betekent dat er óf mannelijke óf vrouwelijke bloemen zitten aan de hopstruiken. Nooit samen. Juist deze mannelijke bloemen wilde ik fotograferen. Maar in tegenstelling tot veel andere bloemen zijn de mannelijke hopbloemen heel snel uitgebloeid. Dus wachten op mooi weer met niet al te veel wind is niet altijd een optie. En aangezien ze ook nog eens onopvallend zijn loop je er snel voorbij. Mij is het nog niet gelukt. U zult het dus moeten doen met een mooie botanische illustratie. De vrouwelijke bloemen zijn heel belangrijk want zij vormen de hopbellen. En juist aan deze bellen herken je de plant meteen. Anders heb je alleen met het blad te doen en dan wordt Hop snel uitgemaakt voor een of andere klimplant ontsnapt uit de tuin.

Mocht u toch iets meer willen weten over de het uiterlijk van deze plant dan is hier een korte omschrijving. Uiteraard is deze ook te vinden in elke flora of op internet. De stengel is knobbelig en daardoor ruw. De bladeren zijn tegenoverstaand, lang gesteeld met steunblaadjes aan basis van de bladsteel, en hebben een hartvormige voet en gezaagde rand. Meestal zijn ze gelobd, met drie, soms vijf lobben. De bladeren aan de top van de stengel kunnen ongedeeld zijn.

De bloemen, die verschijnen van juli tot september, groeien in pluimen in de bladoksels, bij de mannelijke bloeiwijzen staan de bloemen afzonderlijk aan het eind van de pluimsteeltjes, bij de vrouwelijke bloeiwijzen staan aan het eind van de pluimstelen aartjes met meer bloemen. Hieruit ontwikkelen zich de karakteristieke  eivormige vruchtkegels = hopbellen, die in augustus/september aan de vrouwelijke plant groeien.

De hopbellen worden al sinds de 9-de  eeuw gebruikt voor de productie van bier, daar kent iedereen ze van. Daarvoor als medische of culinaire toepassing. Hieronder dus die mooie botanische illustratie.

uit: Franz Eugen Köhler, Köhler’s Medizinal-Pflanzen / Public domain

Linksboven zijn de hangende vrouwelijke bloemen te zien die later zullen uitgroeien tot de typische hopbellen. Rechtsboven is te zien hoe de mannelijke bloemen zich hebben gevormd

Onsmakelijke bessen in een tros

Toen ik pas begon met planten te inventariseren kwam ik een enkele keer Oosterse karmozijnbes (Phytolacca esculenta) tegen. De bloemen van deze soort staan in een tros en zijn groenachtig wit. Later verkleuren ze tot vuilroze. De rijpe vruchten steken hier heel opvallend tegen af: zwartpaarse braamachtige vruchten met een vleeskleur als achtergrond. In de eerste instantie vond ik de bloeiwijze er onsmakelijk uitzien. Een associatie met slecht genezen vleeswonden was er debet aan. Toen ik de bessen beter bekeek bleken ze een sierlijke druppelvormige vorm te hebben en begon ik het geheel wat meer te waarderen.

De bladeren zijn elliptisch en vrij groot en staan aan stevige wijd uitstaande takken wat de plant een statig uiterlijk geeft.

Stevige elliptische bladeren

Ik vond Oosterse karmozijnbes in het begin vooral in tuinen. Ik noteerde ze niet vanwege het dogma dat in tuinen niets gestreept mocht worden. Wat mij wel opviel was dat de forse plant vaak op plekken stond waar een tuinier of hovenier ze van z’n lang zal ze leven niet zou planten. Net naast een boom bijvoorbeeld. Of midden in een buxushaag (toen nog wel) of net naast een oprit. Karmozijnbes heeft een struikvormig vorm, groeit ook snel en voordat de eigenaar in de gelegenheid is om de plant met wortel en al te verwijderen, presenteert zij haar opvallende sappige vruchten. Een aanleiding om toch maar even te wachten met de schoffel.

Vrucht van de Westerse karmozijnbes

Het is de eerste soort struik of boom waarvan ik duidelijk merkte dat vooral vogels er voor zorgen dat de soort op de gekste plekken opduikt. Dit heeft Oosterse karmozijnbes natuurlijk gemeen met vele besdragende houtige soorten als lijsterbes en meidoorn, maar in de stad valt het bij de karmozijnbes en andere zeldzame soorten zoals taxus en hulst echt op. Zo heb ik een keer in een steeg in Diemen kiemplanten van taxus, hulst én karmozijnbes op een kluitje gevonden. De witte strepen op een schutting gaven al aan dat in een boom die de steeg overhuifde een rustplek was van, waarschijnlijk, een houtduif. Lekker overdag besjes eten en dan ‘s nachts de pitjes lozen. Een overtuigender bewijs van zoöchorie heb ik zelden gevonden. Zoöchorie dat is botanisch potjeslatijn; komt dus van het Grieks (!) en zoö betekent dier of levend wezen en chorous betekent verspreiden.

Drie zaailingen van besdragende struiken: hulst, karmozijnbes, taxus.

Wildplukken en eten uit de natuur is nu dé mode. Ik krijg tegenwoordig dan ook vaak de vraag of iets eetbaar is. Als dit het geval is, voeg ik er altijd aan toe dat er een groot verschil is tussen eetbaar en lekker. Dit geldt bij uitstek voor de karmozijnbes. De rijpe bessen zijn eetbaar maar smakeloos. Het sap wordt wel gebruikt om eten te kleuren. De onrijpe bessen zijn giftig, evenals de rest van de plant, met name de penwortel.

Omdat het klimaat opwarmt, komt karmozijnbes tegenwoordig vaker voor en dan vooral langs muren en stegen. De soort houdt van zonnige tot licht beschaduwde, open plaatsen op vochtige, voedselrijke grond. Blijkbaar kan zij bij een warmer klimaat met minder zon toe en komt het nu ook in stegen en andere sombere plekken op.

Er is een tweede soort karmozijnbes en de lezer raadt het al: de Westerse karmozijnbes (Phytolacca americana). Komt de oosterse karmozijnbes oorspronkelijk uit Oost-Azië, de Westerse karmozijnbes heeft zijn thuisland in Noord-Amerika. De vruchtbeginsels zijn bij de westerse karmozijnbes vergroeid en leiden tot maar één grote bes. Bij de Oosterse karmozijnbes blijven vruchtbeginsels los van elkaar net zoals bij bramen. Ook verschilt het aantal meeldraden en stijlen tussen de twee soorten. Bij de Oosterse beide 8 en bij de westerse beide 10.

Ik kwam de Westerse karmozijnbes nooit tegen en kreeg het idee dat zij in Nederland niet meer voorkwam. Dat was een misvatting. Ik vond de soort midden een droog bos in het Leudal. Van een lokale florist begreep ik dat op de grens van Brabant en Limburg de Westerse karmozijnbes niet zeldzaam is en zich als een bosplant gedraagt. Dat is niet wat in de Heukels staat, maar wellicht is dat bijgewerkt in de nieuwe editie en misschien ook in de nieuwe stadsflora van Ton Denters.

 

Vlinderstruik

Een regelmatig verwilderende struik in het stedelijk gebied is de vlinderstruik (Buddleja davidii). Iedereen kent hem tegenwoordig. Daar hebben de tuincentra en de Vlinderstichting in eendrachtige samenwerking wel voor gezorgd. Toch is deze exoot uit China pas een jaar of 20 zo alomtegenwoordig. Eind 19de eeuw is de struik naar Europa gehaald. Door kwekers is vooral na de tweede wereldoorlog een variëteit aan kleuren ontwikkeld en door vergrote afzet daalde de prijs van de struiken. Toen ook nog de Vlinderstichting de struik aanbeval als bijdrage aan het behoud van vlinders, werd daar door het publiek zeer ontvankelijk op gereageerd. In elke straat vind je nu wel een of twee vlinderstruiken. De plant zelf liet zich ook niet onbetuigd. Vanaf 1980 heeft de plant zich langs de spoorwegen en in de stad explosief vermeerderd.

Een struik die zijn biotoop vindt.

De vlinderstruik is een pionier van droge stenige terreinen en vormt daardoor nauwelijks een bedreiging voor inlandse planten. En inderdaad, de plant heeft bloemen die bij uitstek geschikt zijn voor vlinders. De bloembuis is lang en smal, waardoor alleen insecten met een lange tong bij de nectar kunnen. Vlinders hebben zo een lange roltong. De vlinders hebben dus geen hinder van zweefvliegen en honingbijen. Maar op de vlinderstruik is meer te zien dan alleen dagvlinders, ook nachtvlinders komen er graag: gamma-uil, koperuil, goudvenstertje, huismoeder, witstipgrasuil en nog veel meer nachtvlinders zijn er op te vinden.

Vlinderstruik in de stad

De struik heeft nog een aanpassing aan insectenbestuiving: van een onbestoven bloem is het hartje geel, en daarmee goed zichtbaar voor insecten. Na bestuiving wordt het rood, een kleur die insecten slecht zien.

De geslachtsnaam ‘Buddleja’ is afgeleid van de Engelse botanicus Adam Buddle. De soortaanduiding ‘davidii’ verwijst naar pater Armand David, een Franse missionaris in China, die echter ook bioloog was en een groot aantal nieuwe planten en dieren ontdekte. Zijn bekendste ontdekking is het Pater-Davidshert.

Oranje boven

Voor iemand uit de gemeente Breda is het leuk een nieuwe plant tegen te komen die ‘Oranjeboompje’ heet. Breda noemt zich immers ‘Oranjestad’ omdat het huis van Oranje-Nassau zijn oorsprong heeft in Breda. De voormalige bierbrouwerij ‘Oranjeboom’ in Breda, heeft met die naam niets te maken, al wordt dat door sommigen wel kwaadsappig gesuggereerd.

Met een duidelijk herkenbare nachtschadebloem

Tijdens een planteninventarisatie in Wagenberg, een dorp ten noorden van Breda, kwamen we midden in dorp de plant tegen. Ingeklemd tussen een muur, een lantaarnpaal en een soort elektriciteitskastje; goed beschermd tegen branders en borstels. Je moet wat, als stadsplant. In Nederland is het een zeldzame stadsplant met ongeveer 20 vindplaatsen.

Het struikje is afkomstig uit de bergen van Ecuador en Peru en door de Portugezen als vroeg naar Europa gebracht. Daar was het allereerst een exclusieve sierplant voor de betere kringen. Nu is het boompje voor een breed publiek verkrijgbaar en worden er ook diverse cultuurvariëteiten aangeboden.

Heel veel vruchten

De wetenschappelijke naam is Solanum pseudocapsicum. De geslachtsnaam ‘Solanum’ betekent zoveel als ‘verlichtend’ vanwege de pijnstillend werking van een aantal soorten uit dit geslacht, o.a. doornappel. Denk ook aan het woord ‘soelaas’. De soortaanduiding ‘pseudocapsicum’ betekent letterlijk ‘neppeper’, van pseudo = schijn, en capsicum = Spaanse peper.

 

Struikrook

Sinds een half jaar kom ik regelmatig op een grote begraafplaats in Breda, Zuylen genaamd, voor de inventarisatie van wilde bijen. De directie van de begraafplaats is met het beheer een andere weg ingeslagen. Het terrein moet een grotere biodiversiteit krijgen. Men heeft zelfs de naam al veranderd in ‘Park Zuylen’, om deze ambitie aan te geven. Het terrein is behoorlijk groot,10 voetbalvelden minstens. Spuiten tegen onkruid wordt niet meer gedaan; op een gedeelte van het terrein is verleden jaar een mengsel ingezaaid van eenjarige bloemplanten. Op weer een ander deel zijn dit jaar heel veel vast planten van een soort neer gezet: grijs kattenkruid en een soort kleine anjer. Vooral het kattenkruid trekt bijen.

bovenzijde blad pruikenboom

Het oudste gedeelte is het meest romantisch met oude graven, wat verzakt, de gebeitelde teksten goed meer leesbaar, en vooral: er wordt al een paar jaar niet meer geschoffeld. Daar verschijnen dus de leukste planten. Omdat het terrein midden in de stedelijke omgeving ligt, duiken vreemde kostgangers op, zoals een zaailing van de pruikenboom (Cotinus coggyria).  Op de verspreidingsatlas zijn een negental plekken te zien waar in Nederland de pruikenboom ook is waargenomen. Hij is afkomstig uit Zuid-Europa en de Kaukasus en is met regelmaat in tuinen te zien. Het is meer een struik dan een boom en valt vooral in de nazomer op door nevelachtige sluiers boven de struik. Dat zijn de de verlengde en harige bloemstelen. Vanwege dit fenomeen, waardoor het wel lijkt of de struik door rook is omgeven, wordt de plant in het Engels ‘smoke tree’ genoemd, en in het Nederlands ‘pruikenboom’. Dat is wat minder beeldend.

onderzijde blad pruikenboom

Al in de oudheid werden de wortels gebruikt voor het bereiden van een rode verfstof. Blad en bast vonden toepassing bij het leerlooien.

De wetenschappelijke geslachtsnaam ‘Cotinus’ komt uit het Grieks en betekent  ‘olijf’; vanwege een zekere gelijkenis ? De soortaanduiding ‘coggyria komt eveneens uit het Grieks en was daar de lokale naam voor de boom. Kortom, we weten eigenlijk niets over de betekenis van beide namen.

Die is in nevelen gehuld, zoals de struik zelf.

Pruikenboom met bloemen

 

 

Hazelaar met

Eigenlijk is de tijd van de bloeiende hazelaar al weer bijna om. Valt het u ook zo op dat je hazelaar steeds vroeger ziet bloeien ? Op sommige plekken staat de hazelaar nog wel in bloei in februari, maar in Breda heb ik hem ook al in december zien bloeien. Ik meen ergens gelezen te hebben, dat die vroegbloeiende hazelaars van vreemde origine zijn.

Mannelijke bloem van hazelaar

Hazelaars hebben twee soorten bloemen: mannelijke en vrouwelijke. De vrouwelijke stampers zitten op een aparte bloem, en de mannelijke meeldraden hangen in aparte bloemen, die katjes worden genoemd. In die katjes kun je soms vreemde vergroeiingen tegenkomen. Die wordt veroorzaakt door een gal, Contarinia coryli , de springende hazelaarmug. Althans, dat dacht ik op basis van mijn oude gallenboek. Op internet evenwel wordt gesteld dat:  ‘alleen door de katjes te openen en te zoeken naar larven of mijten is de gal te onderscheiden van die van Phyllocoptruta coryli.’ , de hazelaarkatjesmijt. Op een Engelse site wordt zelfs gesteld dat het nogal eens voorkomt dat dat beide beesten huizen in hetzelfde katje. Beide galveroorzakers zijn algemeen, en ik heb de gallen niet opengemaakt, en dan nog….? Waar moet ik naar kijken ?

Hazelaarkatje met gal

De hazelaar is door de mijt of de mug gebeten of door allebei.

Veel gallen

Mahonia en mahonie

Al vroeg in de winter, vaak al in november, begint de mahonia geel te kleuren en de hele winter door blijft hij tussentijds ‘gas geven’. Uiteindelijk zal de struik in het vroege voorjaar volop gaan bloeien en vrucht zetten. Er zijn maar weinig struiken die zo een lange bloeitijd kennen. Mahonia is matig vertakt maar dichtbebladerd. De bladen zijn geveerd met vijf tot negen blaadjes. Alleen het topblaadje is gesteeld. De blaadjes zijn taai, leerachtig, glanzen en hebben scherpe stekelpuntige bladtanden. Hoewel mahonia groenblijvend is, verkleuren de bladeren toch in de herfst: van dofpurper tot dieprood. Dat maakt de struik te meer aantrekkelijk als tuinstruik.

De bladen vallen niet af maar verkleuren wel

De bloemen zijn goudgeel, aangenaam geurend en talrijk. Ze staan in trossen. In het voorjaar vormen ze een waardevolle voedselbron voor insecten; vooral voor de diverse soorten hommelkoninginnen. De meeldraden zijn tactiel: ze klappen bij aanraking plotseling naar binnen. Daardoor raken de bezoekende insecten met stuifmeel overladen.

De bloemen zijn aantrekkelijk voor vroege bijen zoals hommels

De vruchten zijn blauwzwarte bessen die door vogels worden gegeten. Die poepen de zaden weer uit en zo kan de struik overal verschijnen. Omdat de struik ook door de gemeente nogal eens wordt aangeplant, zijn ‘tuinplant’ en ‘verwildering’ in de plantsoenen, niet meer uit elkaar te houden. De plant is oorspronkelijk afkomstig uit het Westen van Noord-Amerika, maar is inmiddels in West-Europa plaatselijk ingeburgerd. Dat wil zeggen dat hij niet algemeen is.

Mahonia behoort tot de berberisfamilie. Dit is in Nederland een kleine familie met maar één inheemse soort; de zuurbes (Berberis vulgaris). De wetenschappelijke naam van mahonia is Berberis aquifolium. ‘Berberis’ en is afgeleid van ‘barbaris’, een Arabisch woord voor de plant. ‘Aquifolium’ betekent ‘met scherp blad’.

De Nederlandse naam ‘mahonia’ komt van Bernard MacMahon, Iers-Amerikaanse kweker (1775 – 1846). Deze naam heeft niets te maken met de houtsoort en de diverse boomsoorten ‘mahonie’. Al de mahoniesoorten behoren tot Meliaceae, de mahoniefamilie, die uitsluitend in de tropen en subtropen voorkomt.

De naam van de boom ‘mahonie’ is afgeleid van ‘mahagoni’. Dat woord is indiaans, mogelijk van de eiland-Arowakken van Puerto Rico en heeft dus een heel andere etymologie dan van onze struik ‘mahonia’.

een andere mahonia met meer deelblaadjes

Mahonia komt in Breda algemeen voor. Dat weten we omdat de aanwezigheid makkelijk is vast te stellen door het zeer speciale blad, dat in de winter nog meer opvalt, want de struik is groenblijvend. In de meeste gevallen staat het struikje er niet fraai bij, want moet hij genoegen nemen met een klein plekje in een ligusterhaag of onder andere struiken in het plantsoen. Krijgt hij wel een plek in de zon, dan staat hij schitterend geel te stralen in het vroege voorjaarslicht.

 

Naschrift

Rutger Barendse schreef me dat ik een plaatje van een ander soort mahonia had opgevoerd in mijn oorspronkelijke versie. Dat is de foto waar nu ‘andere mahonia’ bij staat. In mijn onschuld was ik er vanuit gegaan dat er maar een soort was. Volgens Rutger kan het  Berberis x media of B. japonica zijn.  Deze verwilderen nauwelijks volgens hem. Als je het eenmaal weet, is het verschil niet moeilijk. Deze tuinplant heeft veel meer deelblaadjes. De punten van dit blad zijn vlijmscherp, zoals ik inmiddels weet uit ondervinding. Rutger heeft het goed gezien, het is de Berberis x media.

Het blad met de vlijmscherpe punten van Berberis x media