Home » muurplanten

Categorie: muurplanten

Avant-garde

Planten zijn een beetje mijn dada. De dada van mijn dada zijn deze die onverwacht komen te groeien in de stad, fabrieksterreinen, autostrades, puinhopen ..… Planten waarvan men graag zegt: “die horen hier niet thuis”. Het feit dat ze er gezond en wel groeien, bewijst het tegendeel.

Naar Fijn venushaar was ik al lang heimelijk op zoek. Hij was reeds gevonden in Gent, Antwerpen, Veurne …. maar ik bleef op mijn honger zitten. Gisteren kneep ik in Brugge ter hoogte van een gevel van een statig herenhuis, de remmen dicht voor een verwilderde Tuinlobelia -ook mooi- en toen werden mijn ogen alsmaar groter voor iets dat in het keldergat groeide. Fijn venushaar (Adiantum raddianum).  Een betere naam is amper mogelijk voor deze plantgeworden elegantie.

Tuinlobelia

Fobie voor exoten is mij vreemd, tenzij ze van een andere planeet zouden komen. Een status quo in de evolutie bestaat enkel in de hoofden van mensen. Een status quo is voor reservaten. Ik heb respect voor reservaten. Alhoewel, ze doen mij ook een beetje te veel denken aan indianenreservaten.

Geef mij maar natuur die zich géén ballen aantrekt van al te theoretische afbakeningen. Het is zó veel boeiender en eigenlijk zó veel echter. Voor wie wil, dit is fascinerende lectuur : “Reizend groen” van Stefano Manusco. Onder andere.  De manier waarop planten en dieren in het menselijk vehikel dé ideale transportgelegenheid zien is al een fascinerende gebeurtenis op zich.

Terug naar het Fijn venushaar. Waar komt dit plantje oorspronkelijk vandaan ? In ieder geval van onze planeet. Beetje concreter : uit Zuid-Amerika ! Heeft zich ondertussen over alle tropische gebieden van de wereld verspreid. En het lukt ook in onze steden, die, naar het voorkomen van andere soorten te zien, vaak fungeren als subtropische oases binnen onze koelere streken. Hoewel, de laatste tijd zijn ze wat minder koeler, onze streken.

Fijn venushaar op een onverwachte plek

Wikipedia is ondertussen hopeloos achterhaald : “De soort is in België en Nederland verwilderd aangetroffen, onder andere op oude muren, zoals in Antwerpen, Brussel, Gent, Delft en mogelijk in Utrecht. “ Het groeit dus wel degelijk ook in Brugge !  Echt venushaar (Adiantum capillus-veneris) is ook te vinden in Brugge. Op de muur van een spoorwegbrug. Tamelijk open en bloot. Ze werd er voor het eerst gevonden door Filip Verloove. Sindsdien ga ik er wel eens op bedevaart.

Voor de verschillen tussen beide soorten verwijs ik naar de vakliteratuur. Het zit ‘m in de vorm van de sporenhoopjes én de plaats waar de nerven eindigen aan de bladrand.  Qua habitat komen ze ook overeen : op de bodem of op steen, maar Fijn venushaar heeft wel een voetje voor omdat het ook kan groeien op silicaatrijke gesteenten zoals graniet. Echt venushaar heeft daar dus blijkbaar wat moeite mee. In Brugge althans zijn de groeiplaatsen van de beide soorten echt wel verschillend. Hoe dan ook, ze groeien.

Met dank aan de wilde Tuinlobelia.

 

 

Geschubde mannetjesvaren rukt op – een varen met een vlekje

 

De Geschubde mannetjesvaren rukt op in Nederland en is langzamerhand ook in de steden een regelmatig geziene gast. Soms in wat verwilderde groenstrookjes, soms gewoon langs groene paden tussen de huizen en een enkele keer op oude, verweerde muren. Het gaat daarbij om twee soorten die geen Nederlandse namen hebben: Dryopteris affinis en Dryopteris borrerri. Uit meldingen in de Nationale Databank Flora en Fauna, blijkt dat de soort in 1950 uiterst zeldzaam was. Zeven vondsten. In 1990 was sprake van 30 meldingen. Daarna zet een significante stijging in. In 2000 – 80, 2010 – 140 en vandaag de dag boven de 1000 meldingen per jaar.

Een Geschubde mannetjesvaren – in dit geval Dryopteris borreri – in een groenstrook in de stad.

De toename van het aantal vondsten is niet alleen te danken aan de uitbreiding van de soort, maar zeker ook omdat een aantal floristen gerichter is gaan zoeken en doordat er meer kennis is gekomen over een aantal veldkenmerken. De familienaam Dryopteris geeft al aan dat het om vertegenwoordigers uit de niervarenfamilie gaat. De naam “niervaren” duidt op de niervormige dekvliesjes over de sporenhoopjes. Andere varensoorten uit deze familie zijn o.a. Mannetjesvaren (Dryopteris filix-mas), Kamvaren (Dryopteris cristata), Brede stekelvaren (Dryopteris dilatata) en Smalle stekelvaren (Dryopteris carthusiana).

Kenmerkend voor de varens uit de niervarenfamilie zijn de niervormige dekvliesjes over de sporenhoopjes. Rechtsboven is de zwarte vlek zichtbaar op de aanhechting van het deelblaadje aan de bladspil

Bij oudere planten is het in het veld vrij eenvoudig om de Geschubde mannetjesvarens te onderscheiden van de gewone Mannetjesvaren. Daarvoor moet je het blad omdraaien en kijken naar de aanhechting van de deelblaadjes aan de bladspil. Bij de Geschubde mannetjesvaren is daar een zwarte vlek aanwezig. Bij bladeren die nog niet volledig zijn ontrold is die zwarte vlek nog niet aanwezig. De winter is een goede tijd om Geschubde mannetjesvarens op het spoor te komen. In tegenstelling tot de gewone Mannetjesvaren is de Geschubde mannetjesvaren winterhard. Terwijl de bladeren van de Mannetjesvaren aan het begin van de winter afsterven, staan die van de Geschubde mannetjesvaren de hele winter fier overeind.

Op de aanhechting van het deelblaadje aan de bladspil is een zwarte vlek aanwezig

Tot nu toe heb ik het gehad over het herkennen van de Geschubde mannetjesvaren maar we hebben het dan eigenlijk over twee verschillende soorten en een aantal kruisingen tussen verschillende soorten. De twee soorten waar het om gaat zijn Dryopteris affinis en Dryopteris borreri. Onderzoek heeft nog niet geleid tot het vaststellen van veldkenmerken waarbij onomstotelijk kan worden vastgesteld met welke soort men te maken heeft. Er is één veldkenmerk waarvan de waarde steeds sterker wordt. Om dat veldkenmerk te kunnen onderzoeken moet je goed weten naar welk deel van de plant je moet kijken.

Het blad van de Mannetjesvaren en de Geschubde mannetjesvaren bestaat uit een bladsteel waaraan aan de linker en de rechterzijde deelblaadjes zijn aangehecht. Er moet gekeken worden naar het onderste deelblaadje. Dat bestaat uit een nerf waar aan de boven en de onderzijde bladsegmenten groeien: deelblaadjes van de 2e orde. Bij het determineren gaat het om het onderste bladsegment van het onderste deelblaadje dat zich het dichtst bij bladspil bevindt. Met een loep moet je dan kijken naar de aanhechting van het bladsegment aan de bladnerf. Indien het bladsegment is vergroeid met de bladnerf dan gaat het om Dryopteris affinis. Indien het bladsegment vrij staat gaat het om Dryoperis borreri.

Er moet worden opgemerkt dat de hier beschreven veldkenmerken een eerste resultaat zijn van onderzoek van de afgelopen twee jaar. Beduidend meer waarnemingen zullen aan moeten tonen dat het inderdaad gaat om een betrouwbaar veldkenmerk.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Muurvaren

Het is altijd leuk om muurplanten tegen te komen. In Zoetermeer is dat niet heel vaak. Dat komt omdat Zoetermeer als een nieuwe stad weinig oude muren heeft. Oude muren hebben spleten en gaten waar planten zich in kunnen vestigen, en ouderwets, vaak zachter cement.

Je zou misschien denken dat wij hier dan helemaal geen planten op muren zien, toch valt dat mee. Relatief nieuwe muren van zo’n 20 à 30 jaar oud, kunnen prima begroeid zijn. Het gaat dan om vochtige en schaduwrijke muren, zoals bv. kademuren.

Maar ik wil het hebben over de Muurvaren, Asplenium ruta-muraria, naast Mannetjesvaren de meest geziene varen op muren. Ik was blij verrast hem onlangs aan te treffen op de muurtjes rond de Oude Kerk uit 1783, in Zoetermeer. Doorgaans worden deze muren heel goed ‘schoongehouden’. Misschien dat men vanwege de renovatiewerkzaamheden aan de kerk hier al een tijdje niet aan toegekomen is. Het betekent dat muurvaren zich niet zo makkelijk laat wegpoetsen, al lijkt dat net na een boenbeurt wel zo.
De Muurvaren is een winterharde plant, dus in deze tijd van het jaar prima te vinden. Draai het blad dan ook even om, zelfs de sporenhoopjes aan de onderzijde van het blad zijn nu aanwezig.

Onderkant van het blad met de sporen.

De plant is goed te herkennen aan de bladeren, waaiervormig met een getand randje. De bladschijf in zijn geheel is driehoekig tot ruitvormig. De soortaanduiding: ‘ruta-muraria’ betekent: op muren groeiende ‘ruta’, waarbij ‘ruta’ staat voor ruit. Ik denk dat dit verwijst naar de vorm van de deelblaadjes, maar eerlijk gezegd vind ik de blaadjes van Ruta (wijnruit) best iets weghebben van de blaadjes van Muurvaren. Dat zal komen door de textuur, glimmend, beetje leerachtig.

Het begin is er!

De geslachtsnaam ‘Asplenium’ komt van het Latijnse ‘splen’, dat milt betekent. Deze varens werden ooit gebruikt bij ziekten van de milt. Of dat voor alle vertegenwoordigers van dit geslacht geldt? Geen idee.
Je vindt Muurvaren dus op muurtjes. Ook op wat zonniger kanten. Waar geen muren zijn, groeit de varen op kalkrijke rotsen.
Hij stelt geen hoge eisen aan z’n standplaats. Bij de bouw van stenen steden kon hij moeiteloos ‘overstappen’, en een echte stadsplant worden.

Gele helmbloem – een stinsenplant op de muur

De Gele helmbloem (Pseudofumaria lutea) is van oorsprong inheems in het zuidelijke deel van de Alpen. De plant is in de negentiende eeuw in Nederland ingevoerd als stinsenplant. Stinsenplanten zijn planten die naar Nederland zijn gebracht om tuinen van kastelen, landgoederen en grote boerderijen kleur te geven. Vanuit die omgeving is de plant verwilderd. Aanvankelijk kwam Gele helmbloem alleen in het zuidelijk deel van Nederland voor met een voorkeur voor een kalkrijke, stenige ondergrond en voor de mergelomgeving van Limburg.

Gele helmbloem behoort tot de papaverfamilie waar ook Klaproos en Stinkende gouwe deel van uitmaken. De plant was zeldzaam en kwam in de vorige eeuw voor op de rode lijst van beschermde plantensoorten. Sinds 2017 heeft de plant zijn beschermde status verloren.

Gele helmbloem komt hoofdzakelijk voor op oude muren en wordt door de uitbundige groeiwijze vaak al van verre opgemerkt. In de stad groeit de Gele helmbloem vooral op oude stadsmuren, muren rond kerkhoven en kademuren.

De helder gele bloemen lijken met enige fantasie op een Romeinse helm en vormen rijke trossen. De bloemen zijn tweezijdig symmetrisch, wat betekent dat je de bloem maar op één manier kunt doorsnijden om te bereiken dat de twee bloemhelften elkaars spiegelbeeld zijn.

Gele helmbloem is tweezijdig symmetrisch. Je kunt de bloem maar op één manier doorsnijden om een spiegelbeeld van de linker en rechter helft te krijgen.

De plant bevat een giftige alkaloïde die bij paarden bv. ontstekingen en zweren kan veroorzaken in de bek, kan leiden tot koliek en zelfs tot de dood. De zwarte zaden zijn voorzien van een mierenbroodje. Dat maakt ze aantrekkelijk voor mieren die de zaden verslepen en zo bijdragen aan de verspreiding van de plant.

Gele helmbloem bevat een giftige alkaloïde die dodelijk kan zijn voor paarden

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Mosbloempje

‘Mossig steengewas’

‘Mossig steengewas’ is de letterlijke vertaling van de Engelse naam: Mossy stonecrop, van het Mosbloempje (Crassula tillaea). Dit vanwege het vermogen om op schijnbare kale stenen ondergrond te groeien. Een vermogen dat meer leden van de orde van Saxifragales hebben, denk aan Muurpeper.
Van de familie Crassula hebben we er in Nederland twee, de Watercrassula (Crassula helmsii) en het Mosbloempje. Watercrassalula is een ontsnapte soort uit vijvers en aquaria en oorspronkelijk uit Australië, Tasmanië en Nieuw Zeeland. Meer informatie over deze soort is te vinden in de factsheet over Watercrassula van DAISIE en via de Veldgids invasieve waterplanten in Nederland.

Mosbloempje heeft blijkbaar een voorkeur voor bepaalde steden steden in Nederland waar het als voegenvuller wordt gezien, bijvoorbeeld in Vlissingen en volgens de Verspreidingsatlas ook Harderwijk. Nou, in Deventer zou ik het leuk vinden om deze soort als voegenvuller te hebben.  Mosbloempje is in Deventer zeer zeldzaam en is volgens Waarneming.nl maar twee keer eerder gevonden in Deventer en beide keren op één van de begraafplaatsen.

De nieuwste vondst is niet in Deventer gedaan, maar in het nabij gelegen dorpje Diepenveen. Mosbloempje is gevonden op een stoepje naast een bruggetje over de Zandwetering. Samen met Liggend vetmuur, Veldereprijs en ook nog Rivierduinzegge!!

De Verspreidingsatlas laat zien dat de soort vooral in het kustgebied wordt gevonden op voedselarme bodem. Maar ook op begraafplaatsen en in een brede strook in Utrecht en de Veluwe. Dat het redelijk zeldzaam is, en in delen van Nederland helemaal niet wordt gevonden, is opmerkelijk. Want volgens de Oecologische Flora (deel 1: pagina 276) kan elk stukje dat op een geschikte plek blijf liggen uitgroeien tot een nieuwe plant. Dat kennen we maar al te goed van de Watercrassula dat zich zeer gemakkelijk verspreidt. Blijkbaar zijn er weinig geschikte plekken voor het Mosbloempje, of wordt het veel over het hoofd gezien?

Mosbloempje detail met bloeiwijzen
Mosbloempje detail met drie rondachtige kelkbladen en vruchtbeginsels

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik ga er vanuit dat er meer waarnemingen gaan volgen in Deventer. Habitat genoeg die geschikt lijkt. De grootte van het plantje echter zal ervoor zorgen dat het vaak over het hoofd wordt gezien, zeker als het groen is. Ik ga nog beter opletten.

 

Muurfijnstraal – het madeliefje van een rotsige ondergrond

Een blik op de bloemen van Muurfijnstraal (Erigeron karvinskianus) en het is overduidelijk dat we te maken hebben met een composiet. Een hart van heldergele buisbloemen, omringd met een krans van witte of lichtpaarse lintbloemen. De plant is oorspronkelijk afkomstig uit Mexico, kwam als tuinplant naar Europa en ontsnapte, zoals zoveel tuinplanten, naar de wereld buiten de tuin. In het bos, in wegbermen of akkers zal je hem niet vinden. In de naam Muurfijnstraal staat niet voor niets het woord “muur”. De plant houdt van een stenige ondergrond. Dat kunnen rotspartijen zijn, bestaande uit zwerfkeien, tussen straatstenen maar vooral op oude muren. Die rotsige ondergrond is overigens geen vereiste. In een border met goed doorlatende grond gedijt de plant ook uitstekend.

Muurfijnstraal houdt niet alleen van een stenige ondergrond maar ook van vocht. De plant kan daarom tot dicht op de waterlijn gevonden worden.

We kennen in Nederland verschillende plantensoorten die we fijnstraal noemen: Canadese fijnstraal, Hoge fijnstraal, Gevlamde fijnstraal, Ruige fijnstraal, Scherpe fijnstraal, Muurfijnstraal en Zomerfijnstraal. Je zou denken dat al deze soorten tot het zelfde geslacht behoren maar dat is niet waar. Het zijn allemaal composieten die zowel buisbloemen als lintbloemen hebben. De aanduiding fijnstraal heeft betrekking op de breedte van de lintbloemen. Deze vrouwelijke straalbloemen (lintbloemen) zijn hoogstens een millimeter breed en veel smaller dan lintbloemen van andere composieten. Dat Muurfijnstraal in een ander geslacht is ingedeeld (Erigeron) dan de Canadese-, de Hoge-, de Ruige- en de Gevlamde fijnstraal (Conyza) komt doordat er verschillen zijn in de lengte van de plaat van de lintbloemen en de verhouding tussen het aantal lintbloemen in vergelijking met de buisbloemen. Bij Erigeron is de plaat van de buisbloemen 2-10 mm lang en zijn er meer centrale buisbloemen dan lintbloemen. Bij Conyza is de plaat van de lintbloemen hoogstens 1 mm en zijn de lintbloemen talrijker dan de centrale buisbloemen.

Om tot de fijnstralen te kunnen moet de breedte van de lintbloemen beduidend minder breed zijn dan die van van andere composieten.

De plant heeft drie methoden om zich voort te planten. De meest voor de hand liggende methode is uiteraard de vorming en verspreiding van zaden. De tweede methode via de wortelstok is ook veel voorkomend. De derde methode heeft te maken met de stengels die vaak deels op de grond liggen om daarna op te stijgen. De op de ondergrond liggende stengels wortelen gemakkelijk en leiden op die manier tot de vorming van een nieuwe, zelfstandige plant. De eerste meldingen in Nederland van verwilderde Muurfijnstraal dateren uit eind negentiger jaren van de vorige eeuw. Nu is de plant bepaald geen zeldzaamheid meer. Vooral op oude muren en grachtenmuren wordt de plant steeds vaker gevonden.

De bloemen van Muurfijnstraal kunnen in kleur variëren van helder wit tot paars/roze.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde

De ene eikvaren is de andere niet

De eikvaren is al eerder voorbij gekomen op Stadsplanten – De urbane flora van Nederland. Zie de bijdrage van Ton Denters over eikvarens op bomen. De reden om opnieuw aandacht te besteden aan de eikvaren is dat het afgelopen jaren in Amersfoort gericht onderzoek is gedaan naar de verschillende soorten.

De afgelopen drie jaar heb ik onderzoek gedaan naar het voorkomen van verschillende varensoorten in Amersfoort. Dat heeft geresulteerd in een uitgebreid rapport over de muurvarens op de kademuren in de wijk Vathorst en een rapport van de Werkgroep Wilde Planten van de KNNV, Afdeling Amersfoort over de flora en fauna op de begraafplaats Rusthof. Beide rapporten zijn terug te vinden op internet. In het verslag over de begraafplaats Rusthof is een voorpublicatie van mijn hand opgenomen over een varenonderzoek dat op de begraafplaats wordt uitgevoerd. In het onderzoek, dat nog steeds loopt, is onder andere gekeken naar het voorkomen van de eikvaren. Deze varensoort is ook rijkelijk aanwezig op de kademuren van de binnenstad van Amersfoort.

De eikvaren gedijt uitermate goed op de grachtenmuren van de binnenstad van Amersfoort

Soorten

Eikvarens zijn, in vergelijking met andere varensoorten, eenvoudig te herkennen. Zij zijn, in tegenstelling tot de meeste andere varen families, enkelvoudig geveerd. Alle blaadjes zijn aangehecht aan de bladsteel en zijn niet verder ingesneden waardoor deelblaadjes ontstaan. Verder zijn de sporenhoopjes geplaatst op de achterzijde van de bladeren. Dit in tegenstelling van b.v. Dubbelloof waar de sporen op aparte vruchtbare bladeren staan. De bladstelen zijn glad en hebben geen schubben.

Wereldwijd telt de eikvaren familie meer dan duizend soorten maar in Nederland maar twee en één kruising. Zij groeien zowel op de grond ( terrestrisch ), op bomen (epifytisch) als op rotsen (lithofitisch). Dat is ook in Nederland zo. Eikvarens hebben kruipende wortelstokken waaruit ieder jaar opnieuw nieuwe loten groeien. De wortelstokken kunnen een dicht netwerk vormen waardoor je vaak vele eikvarens dicht bij elkaar ziet staan. Soms in cirkels met een doorsnede van anderhalve meter of meer.

Via wortelstokken kunnen eikvarens grote “plakkaten” vormen zoals hier op een graf van de begraafplaats Rusthof in Amersfoort

Er zijn in Nederland twee soorten eikvarens bekend en één kruising. Het gaat om de Gewone eikvaren (Polypodium vulgare), de Brede eikvaren (Polypodium interjectum) en de kruising tussen deze twee de Bastaardeikvaren (Polypodium x mantoniae). In het veld zijn er wel veldkenmerken die kunnen wijzen in een bepaalde richting als het gaat om determinatie van de planten, maar het zijn niet meer dan aanwijzingen. Met welke eikvaren je echt van doen hebt kan alleen maar worden vastgesteld met microscopisch onderzoek of door metingen van het celkerngewicht of dna-onderzoek. In dit artikel geven we eerst een aantal veldkenmerken van de verschillende soorten om daarna dieper in te gaan op het microscopisch onderzoek. Het onderzoek naar celkerngewicht of dna blijft buiten beschouwing omdat floristen dat niet zelf kunnen uitvoeren.

Gewone eikvaren of Brede eikvaren

De Gewone eikvaren is ruimschoots de meest voorkomende eikvaren in Nederland. De Brede eikvaren wordt beduidend minder vaak aangetroffen. De flora van Heukels waagt zich niet aan onderscheidende kenmerken in het uiterlijk van de twee soorten. Standaardwerken als ‘The Ferns of Britain and Ireland’ en ‘The Fern guide’ doen dat wel maar mijn ervaring zegt dat de meeste mensen daar in het veld weinig aan hebben. Alleen floristen met een grote ervaring in het determineren van varens zullen de verschillende soorten op het oog herkennen. Voor mij is duidelijk dat er één kenmerk is dat een duidelijke aanwijzing kán zijn. Dat is de vorm en de kleur van de sori (sporenhoopjes).Rond en bruin bij de Gewone eikvaren. Ovaal en oranjekleurig bij de Brede eikvaren. Maar nogmaals het is niet meer dan een mogelijke aanwijzing! Te vaak blijkt uit microscopisch onderzoek dat je vermoeden op basis van dit gegeven niet uitkomt. De bastaardvaren (Polypodium x.mantoniae) is een kruising van de Gewone en Brede eikvaren en heeft dus kenmerken van beide ouders.

Microscopisch onderzoek

Onderzoek onder de binoculair geeft veel meer zekerheid. Een sterke vergroting is wel gewenst. De aandacht moet zich richten op de sporangiën – de sporenkapsels waarin zich te sporen bevinden – en op de sporen zelf. Elk sporenkapsel wordt omgeven door een ring (annulus) van een aantal verdikte cellen. Deze cellen zorgen er voor dat aan het einde van de rijpingstijd een sporenkapsel openklapt, net als bij springzaad, waardoor de sporen naar buiten toe wegschieten. Aan de voet van deze ring, naast de steel van het sporenkapsel, bevinden zich één of meer onverdikte cellen. Vind je maar één onverdikte cel dan heb je te maken met de Gewone eikvaren. Zijn er twee of meer onverdikte cellen dan gaat het om de Brede eikvaren of de Bastaardeikvaren. Sporenonderzoek kan dan uitwijzen om welke soort het gaat.

Links Brede eikvaren met twee basale cellen en rechts de Gewone eikvaren met één basale cel (foto Wim de Winter)

De Brede eikvaren vormt normaal gesproken vruchtbare sporen. Deze zijn gelig van kleur. De Bastaardeikvaren is een hybride die onvruchtbare sporen vormt. Deze zijn veelal grijs van kleur. Vaak komen daarbij ook misvormde sporen voor. Een sporenkapsel met ten minste twee onverdikte annulicellen met vruchtbare sporen wijst dus op de Brede eikvaren. Een sporenkapsel met ten minste twee onverdikte annulicellen en onvruchtbare sporen wijst op de Bastaardeikvaren. Bij twijfel kan alleen dna onderzoek of onderzoek naar het celkerngewicht in het laboratorium uitsluitsel geven.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde

Rolling Stones?

Stel je voor: je hebt een leuk huis, mooie tuin ervoor met een leuk oud muurtje daar om heen. Op dat muurtje groeien wat plantjes en dat vind je best leuk. Als je lekker aan het werk bent in de tuin komt er een florist langs die tegen je zegt: wat een mooie Steenbreekvaren heeft u daar op uw muurtje staan. Dan schrik je je toch een hoedje. Steenbreekvaren! Je ziet je mooie muurtje al volledig instorten …

Nu weten wij floristen wel dat dat zo’n vaart niet zal lopen. De tere wortels van de Steenbreekvaren (Asplenium trichomanes) maken gebruik van de reeds bestaande verwering van de muur en hebben in de verste verte niet de kracht om die muur te beschadigen. Maar hoe komt die varen dan aan die naam?

Volgens de website Stadsplanten van Breda heeft de naam te maken met het feit dat deze varen vaak in scheuren van de muur groeit. Een weinig spectaculaire verklaring dus. Als dat zo is dan zijn eigenlijk al die muurvarens steenbreekvarens.
Veel buitenlandse namen van deze varen hebben het woord “haar” in de naam: Maagdenhaar, English maidenhair of trichomanes, Duitse Jungfrauenhaar, Frans capillaire en trichomane. Die naam heeft het te danken aan de vele zwart glanzende steeltjes als fijne haartjes.

De Steenbreekvaren is vrij gemakkelijk te herkennen. De varen heeft vrij lange smalle bladeren met veel kleine helder lichtgroene deelblaadjes. Hij blijft ’s winters groen en heeft in de zomer rijpe sporen die zich in langwerpige hoopjes in strepen onder de deelblaadjes bevinden.

Floristen zouden geen floristen zijn als ze niet enkele ondersoorten zouden vinden. Zo groeit er in ons land ook de IJle steenbreekvaren (Asplenium trichomanes subsp. trichomanes). Zonder hier verder op in te gaan kan je er van uit gaan dat de plant een ijlere indruk maakt, de deelblaadjes staan wat verder van elkaar af. Voor de volledigheid, de Gewone steenbreekvaren heet in het Latijn Asplenium trichomanes subsp. quadrivalens. Maar dat mag je van mij best in je pet gooien. Ga eerst maar eens genieten van die prachtige, subtiele Steenbreekvarens die onze muren verlevendigen.

Steenbreekvarens op een kademuur.

Waar vind je ze? Steenbreekvarens groeien op vochtige muren en rotsen. Je vindt ze dus op kademuren maar ook op oude tuinmuurtjes en zelfs in brandgangen op stenen tuinhuisjes. De varen kan echter ook op de grond groeien en soms op zelfs op boomstronken. Dat vind ik geen echte Steenbreekvarens.  Dat zijn gewoon mietjes. De echte Steenbreekvaren staat natuurlijk met zijn wortels in de mortel.

Kling klokje klingelingeling

Toen Erik van der Hoeven en ik zo tien jaar geleden serieus naar stadsplanten begonnen te kijken, als een soort subgroepje binnen de plantenwerkgroep in Breda, kwamen we hier en daar het kruipklokje (Campanula poscharskyana) tegen. Van jaar tot jaar zagen wij het aantal planten toenemen en zich verspreiden over over de stad en het buitengebied. Dit tot onze vreugde en wij hieven dan het lied aan met de tekst zoals die in de titel van dit stukje staat. Meer tekst hebben we niet. Het betere is de vijand van het goede, moet u maar denken.

Er blijkt in de verspreiding van het kruipklokje wel een voorkeur voor een stenige, warme omgeving. Je ziet dit klokje nauwelijks verwilderd in natuurgebieden.

Kruipklokje goed voor diverse soorten bijen

Ik houd me ook bezig met het inventariseren van wilde bijen, en was benieuwd of dit klokje ook aantrekkelijk was voor bijen. Recent ontdekte ik op diverse plaatsen op de begraafplaats Zuylen in Breda flink uitgegroeide kruipklokjes op diverse plaatsen. Deze werden behoorlijk bezocht door een diversiteit aan wilde bijen: diverse hommels, groefbijen, zandbijen en klokjesbijen. De lange bloeitijd van het kruipklokje maakt hem des te waardevoller.

Kortom, een reden te meer te zingen over dit klokje.

 

Friet en muurvaren

Ik mag dan wel bekend staan als natuurliefhebber, ik blijf een stadsbewoner. En stadbewoners hebben ongezonde gewoontes. Zoals alsmaar druk met zichzelf en hun werk bezig zijn, en af en toe bij de snackbar een frietje halen. Voor het gemak. Zo ook vorige week, een wandelingetje van zes minuutjes van mijn huis naar de Balijelaan, een grijze racebaan zonder kraak of smaak. Afgezien van het lichtpuntje dan: de Snackbar Balije Big Snack met hun aardige Chinese uitbaters.

Na mijn friet met en een Mexicano besteld te hebben, liep ik naar buiten om mijn kleren niet deelgenoot te hoeven laten zijn van de vette dampen die de wasemkappen onvoldoende wegfilteren. Doelloos op straat staand, viel mijn oog op de goedkope gevelreclame, en toen iets hoger op het raam van de bovenburen, en toen nog maar iets hoger. Daar, op 5 meter hoog, was de beloning: een enorme bos muurvarens, Asplenium ruta-muraria.

Snackbar Big Snack Balije en interessante alternatieven in de omgeving in Utrecht

Muurvaren staat bekend als algemene soort, maar ik vind hem toch altijd weer bijzonder als ik hem aantref. Opvallend als de tongvaren is hij niet, en zelfs de steenbreekvaren, toch ongeveer even groot, steelt eerder de show. Maar de muurvaren is wel een van de weinige varens die je  ook op droge op het zuiden gerichte muren aantreft. Mijn eerste bewuste waarneming van een muurvaren was in een spleet van een betonnen waterkering van een inmiddels opgedoekt militair terrein bij de Europalaan. Ik dacht dat ik de ontdekking van de eeuw gedaan had. Dat bleek mee te vallen. En op oudere tuinmuurtjes in de buitenwijken moet je gewoon je ogen openhouden, daar is hij een graag geziene gast. Muurvaren, mijn bescheiden, betrouwbare vriend.

Muurvaren naast de vlaggenhouder, op fotografenvriendelijke hoogte van 2,50 meter.

PS

Van mijn kinderen begrijp ik dat een bezoek aan een snackbar sneu is. Niet omdat de jeugd van tegenwoordig opeens voor gezond gaat. Maar je laat je frietje tegenwoordig comfortabel thuis bezorgen met een electrische scooter of een slechtbetaalde fietser met een vierkante rugzak. Floristen aller steden: blijf uw gang naar afhaalchinezen, pizzeria’s en snackbars gewoon maken. Of begin ermee. Kijk daarbij dan wel even om u heen, een bijzonder ontdekking ligt immers op de loer.