Home » Amersfoort

Tag: Amersfoort

Tripmadam – Geen dame van plezier

Tripmadam (Sedum rupestre) behoort tot de vetplantenfamilie . Planten die in het algemeen duidelijk herkenbaar zijn door vlezige bladeren die ongedeeld zijn en vaak als een aar, ongesteeld (zittend) aan de stengel zitten. De bladeren hebben een blauw/groene kleur zijn aan de onderzijde bolvormig en versmallen naar boven toe. Zij eindigen in een stekelpuntje. Voor de determinatie en om snel onderscheid te kunnen maken met andere vetplanten zoals Muurpeper en Wit- en Zacht vetkruid, is het stekelpuntje een goed veldkenmerk.

De bloemen zijn heldergeel en staan op aparte bloeistengels. Deze bloeistengels zijn, voordat de bloemen tot bloei komen, omgebogen. In oudere flora wordt de wetenschappelijke naam Sedum reflexum gebruikt hetgeen duidt op de bloeistengels die voor de bloei zijn omgebogen. De wetenschappelijke naam die nu in de flora wordt gebruikt is Sedum rupestre. ‘Rupestre’ betekent ‘rots’. De bloemen vormen aan de top van de bloeistengel een schermpje. De kroonbladeren zijn 2 1/5 keer zo lang als de kelkbladeren en naar onderen toe samengevouwen. Ze zijn, zoals dat heet, gekield. De helmdraden zijn aan de voet kort behaard. Om zekerheid te krijgen of je te maken hebt met Muurpeper of Tripmadam kijk je eerst naar de aanwezigheid van het stekelpuntje aan het einde van het blad (Tripmadam) en vervolgens naar de voet van de kroonbladeren die bij Tripmadam smaller is dan bij Muurpeper.

De blaadjes van Tripmadame lopen uit in een klein stekeltje. Een goed kenmerk om Tripmadam te onderscheiden van b.v. Muurpeper.

Tripmadam is in Nederland vrij zeldzaam. De Floron Verspreidingsatlas geeft aan dat de soort sinds 1950 25-50% achteruit is gegaan op de Rode lijst als kwetsbaar staat genoteerd en tot de vrij zeldzamen soorten wordt gerekend.  De bekendste vindplaatsen zijn langs de rivierduinen en dijken van de grote rivieren, in duingrasland, van de zeeduinen, tegen de bebouwing aan. Tripmadam wordt ook vaak gevonden op een stenige ondergrond zoals op basaltglooiingen, kademuren en stadswallen. In Amersfoort en omgeving zijn mij twee vindplaatsen bekend. Eén op de kademuren van de wijk Vathorst die bekend zijn vanwege de vele varensoorten op de kademuren en één rijke vindplaats op muurtjes in het Park Schothorst.

De bloeistengels van Tripmadam onderscheiden zich duidelijk van de bladstengels. (Foto Ton Denters)

De naam Tripmadam doet misschien stiekem denken aan dames van plezier maar dat is niet juist. Tripmadam is te herleiden tot “tripe de madame” en het woord “tripe” tot trijp: een fluweelachtige kledingstof. Het berijpte blauwe patin dat over de blaadjes ligt zal de inspiratie voor de naam zijn. Natuurlijk zijn er boeken te vinden die aangeven dat de blaadjes eetbaar zijn en geneeskrachtige werkingen hebben maar daar ga ik mij – met uw goedvinden – toch maar niet aan wagen.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

 

 

Vingergrassen, meer dan je op één hand kan tellen

Voor wie denkt dat Vingergrassen bekend en saai zijn, lees vooral verder! Vingergrassen zijn rond deze tijd een van de meest algemene soorten in de stad. In het stedelijk gebied is Harig vingergras (Digitaria sanguinalis) veel algemener dan Glad vingergras (Digitaria ischaemum) en in mijn omgeving is Glad vingergras zelfs zeldzaam te noemen. Ik heb ook gemerkt dat dit in andere biotopen en andere gebieden andersom kan zijn. Ondanks dat beide soorten niet oorspronkelijk inheems zijn, zijn ze al vóór 1500 in Nederland terecht gekomen. In het verleden zijn echter veel meer soorten gevonden, maar deze worden tegenwoordig niet meer gevonden, hoe kan dat?

De belangrijkste kenmerken om Vingergrassen te determineren, zitten in de aartjes (de bloemen). Om te determineren dien je te kijken naar de lengte van het aartje en naar de nervatuur en de lengteverhouding van de kelkkafjes en het lemma. Dit is behoorlijk lastig omdat de aartjes erg klein zijn (2 tot 3,5 mm). Voor een uitgebreide determinatiesleutel verwijs ik naar deze website: Manual of the Alien Plants of Belgium. Onderstaande illustratie laat zien hoe Harig vingergras en Glad vingergras verschillen in lengte van de aartjes en lengteverhouding van kelkkafjes en lemma.

De aartjes van Harig en Glad vingergras

Wat is nu de valkuil? Om Harig vingergras en Glad vingergras te onderscheiden, hoef je niet naar de minuscule aartjes te gaan kijken, je kan ook gewoon kijken naar de beharing van de bladschijf en bladschede. Harig vingergras is namelijk veel sterker behaard dan Glad vingergras. Dit kenmerk is aardig betrouwbaar, maar ook vrij variabel. Bovendien kan de beharing afwezig lijken wanneer je met verkeerde lichtomstandigheden en de verkeerde hoek naar de plant kijkt. Maar wat nog veel belangrijker is, is dat je op deze manier nooit de andere soorten zal ontdekken. Blijf daarom altijd kijken naar de aartjes!

Digitaria sanguinalis subsp. pectiniformis (foto: Tim van de Vondervoort, Den Haag).

Recent werd een bijzondere ontdekking in Amersfoort gedaan door Margreet Heslinga. Margreet had de plant correct herkend als Harig vingergras. Met een snelle duik in een determinatiesleutel,  bleek het om een zeldzame ondersoort van Harig vingergras te gaan (Digitaria sanguinalis subsp. pectiniformis). Typerend voor deze ondersoort is de aanwezigheid van lange borstelharen op de onderste kelkkafjes. Ik liet de vondst aan een aantal vrienden zien en  een week later dook een tweede vondst op, deze maal door Tim van de Vondervoort in Den Haag. Ik denk dat er nog veel te ontdekken valt. De planten zijn nu nog volop te vinden, zoeken jullie mee? Kijk ook buiten het stedelijk gebieden in biotopen als maïsakkers en ruderale, verstoorde terreintjes en wie weet kunnen we deze bijzondere soorten herontdekken of zelfs nieuwe soorten ontdekken.

Daslook – uien in het wild

Op de één of andere manier heeft Daslook mij altijd gefascineerd. De helder witte kleur en de vorm van de bloemen zorgden er voor dat de plant bij mij zeker in het lijstje van favoriete voorjaarsbloeiers staat. Daarnaast triggert de naam “look” altijd mijn nieuwsgierigheid. Wie het woord “look” hoort denkt onmiddellijk aan uien maar verwacht niet onmiddellijk dat de plant behoort tot het geslacht Allium uit de narcissenfamilie.

Daslook tussen Zevenblad en Gele dovenetel in een groenstrookje langs een wandelpad tussen de huizen

Bij alle ui-achtige planten is het overduidelijk dat er sprake is van bollen. Uien, bieslook, daslook, knoflook, sjalot, bosui maar ook prei horen tot dezelfde familie. Ze hebben in ieder geval één ding gemeen: als je de bladeren fijn wrijft of de bollen snippert is er een sterke uienlucht. Deze wordt veroorzaakt door zwavelverbindingen die er ook voor kunnen zorgen dat de tranen over je wangen rollen. Een uitzondering is Look zonder look. Een plant die ook in het voorjaar rijkelijk aanwezig is in bermen en groenstroken. Als je het blad van Look zonder look fijn wrijft ruik je overduidelijk een uienlucht maar de plant is totaal verschillend van de planten die deel uit maken van de narcissenfamilie en behoort tot de kruisbloemige. Het is dus eigenlijk een plant die naar uien ruikt maar geen ui is – Look zonder look.

Hoewel Daslook tot het geslacht Allium (uien) hoort vormt het niet echte bollen. Duidelijk is ook te zien dat Daslook slechts één blad per stengel heeft.

Als we nog even kijken naar het rijtje “look planten” ui, bieslook, sjalot, knoflook, bosui en prei dan kunnen we onderscheid maken tussen soorten met zeer uitgesproken bollen zoals ui, knoflook en sjalot . Bij prei, bosui en bieslook is minder sprake van een overduidelijke bolvorming maar eerder van een langwerpige verdikking. Bij die planten snipperen we in de keuken niet alleen de voet van de planten maar ook het blad. Bij ui, knoflook en sjalot versnipperen we alleen de bollen en niet het blad. Daslook kan zeker in de keuken worden gebruikt maar bij Daslook gaat het dan om het blad. Daarbij moet wel enige voorzichtigheid in acht worden genomen. Als de plant geen bloemen heeft en de determinatie alleen kan gebeuren aan de hand van het blad is er een groot risico. Het blad lijkt sterk op het blad van Lelietje-van-dalen en dat blad is giftig. Hoewel de bladeren sterk op elkaar lijken is het toch niet moeilijk de twee plantensoorten uit elkaar te houden. Als je het blad van Daslook fijn wrijft ruikt het naar uien. Bij Lelietje-van-dalen is dat niet het geval. Daslook heeft één blad per stengel, Lelietje-van-dalen twee á drie bladeren per stengel.

Wie Daslook in de keuken wil gebruiken moet er voor oppassen niet per ongeluk het giftige blad van Lelietje-van-dalen te mee te nemen. Daslook heeft maar één blad per stengel; – Lelietje-van-dalen twee of meer.

Daslook is eigenlijk een bosplant die houdt van voedsel- en humusrijke, kalkhoudende grond. De plant was zeldzaam en had jarenlang een beschermde status. Die situatie is de laatste jaren veranderd doordat de plant door het storten van tuinafval op steeds meer plekken zich heeft weten te vestigen in groenstroken binnen de stadsgrenzen. Ook is de plant veel aangeplant als stinzenplant.

De meeste soorten binnen het geslacht Allium (bolgewassen) vermenigvuldigen zich door de vorming van nevenbollen. Bij Daslook is dat in veel mindere mate het geval. Er vindt overvloedige zaadvorming plaats die een belangrijke bijdrage levert aan de verspreiding van de plant.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

 

 

Geschubde mannetjesvaren rukt op – een varen met een vlekje

 

De Geschubde mannetjesvaren rukt op in Nederland en is langzamerhand ook in de steden een regelmatig geziene gast. Soms in wat verwilderde groenstrookjes, soms gewoon langs groene paden tussen de huizen en een enkele keer op oude, verweerde muren. Het gaat daarbij om twee soorten die geen Nederlandse namen hebben: Dryopteris affinis en Dryopteris borrerri. Uit meldingen in de Nationale Databank Flora en Fauna, blijkt dat de soort in 1950 uiterst zeldzaam was. Zeven vondsten. In 1990 was sprake van 30 meldingen. Daarna zet een significante stijging in. In 2000 – 80, 2010 – 140 en vandaag de dag boven de 1000 meldingen per jaar.

Een Geschubde mannetjesvaren – in dit geval Dryopteris borreri – in een groenstrook in de stad.

De toename van het aantal vondsten is niet alleen te danken aan de uitbreiding van de soort, maar zeker ook omdat een aantal floristen gerichter is gaan zoeken en doordat er meer kennis is gekomen over een aantal veldkenmerken. De familienaam Dryopteris geeft al aan dat het om vertegenwoordigers uit de niervarenfamilie gaat. De naam “niervaren” duidt op de niervormige dekvliesjes over de sporenhoopjes. Andere varensoorten uit deze familie zijn o.a. Mannetjesvaren (Dryopteris filix-mas), Kamvaren (Dryopteris cristata), Brede stekelvaren (Dryopteris dilatata) en Smalle stekelvaren (Dryopteris carthusiana).

Kenmerkend voor de varens uit de niervarenfamilie zijn de niervormige dekvliesjes over de sporenhoopjes. Rechtsboven is de zwarte vlek zichtbaar op de aanhechting van het deelblaadje aan de bladspil

Bij oudere planten is het in het veld vrij eenvoudig om de Geschubde mannetjesvarens te onderscheiden van de gewone Mannetjesvaren. Daarvoor moet je het blad omdraaien en kijken naar de aanhechting van de deelblaadjes aan de bladspil. Bij de Geschubde mannetjesvaren is daar een zwarte vlek aanwezig. Bij bladeren die nog niet volledig zijn ontrold is die zwarte vlek nog niet aanwezig. De winter is een goede tijd om Geschubde mannetjesvarens op het spoor te komen. In tegenstelling tot de gewone Mannetjesvaren is de Geschubde mannetjesvaren winterhard. Terwijl de bladeren van de Mannetjesvaren aan het begin van de winter afsterven, staan die van de Geschubde mannetjesvaren de hele winter fier overeind.

Op de aanhechting van het deelblaadje aan de bladspil is een zwarte vlek aanwezig

Tot nu toe heb ik het gehad over het herkennen van de Geschubde mannetjesvaren maar we hebben het dan eigenlijk over twee verschillende soorten en een aantal kruisingen tussen verschillende soorten. De twee soorten waar het om gaat zijn Dryopteris affinis en Dryopteris borreri. Onderzoek heeft nog niet geleid tot het vaststellen van veldkenmerken waarbij onomstotelijk kan worden vastgesteld met welke soort men te maken heeft. Er is één veldkenmerk waarvan de waarde steeds sterker wordt. Om dat veldkenmerk te kunnen onderzoeken moet je goed weten naar welk deel van de plant je moet kijken.

Het blad van de Mannetjesvaren en de Geschubde mannetjesvaren bestaat uit een bladsteel waaraan aan de linker en de rechterzijde deelblaadjes zijn aangehecht. Er moet gekeken worden naar het onderste deelblaadje. Dat bestaat uit een nerf waar aan de boven en de onderzijde bladsegmenten groeien: deelblaadjes van de 2e orde. Bij het determineren gaat het om het onderste bladsegment van het onderste deelblaadje dat zich het dichtst bij bladspil bevindt. Met een loep moet je dan kijken naar de aanhechting van het bladsegment aan de bladnerf. Indien het bladsegment is vergroeid met de bladnerf dan gaat het om Dryopteris affinis. Indien het bladsegment vrij staat gaat het om Dryoperis borreri.

Er moet worden opgemerkt dat de hier beschreven veldkenmerken een eerste resultaat zijn van onderzoek van de afgelopen twee jaar. Beduidend meer waarnemingen zullen aan moeten tonen dat het inderdaad gaat om een betrouwbaar veldkenmerk.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Geel walstro – geschikt voor de bereiding van kaas of gebruik in de wieg

Normaal is Geel walstro geen plant die je snel in de stedelijke omgeving zult vinden. Het is een plant die gevonden kan worden in de duinen, in de bermen van wegen, weilanden, dijkhellingen en droge zandgronden. De laatste jaren wordt Geel walstro echter vaak in de stad aangetroffen. Dat komt omdat in toenemende mate wegbermen in steden worden ingezaaid met zaadmengsels die voor kleurrijke, bloemrijke wegbermen moeten zorgen. In veel van die zaadmengsels is Geel walstro opgenomen. Het blijkt dat Geel walstro zich vaak goed handhaaft in bermen waarin niet langer ieder jaar gezaaid wordt maar wel aan het eind van het jaar gemaaid wordt. Daarmee wordt het op sommige plekken toch een stadsplant.

De meest bekende walstrosoorten zijn Glad walstro, Ruw walstro, Geel walstro en Moeraswalstro. Zij behoren tot de “walstro- of sterbladigenfamilie”. Deze plantensoorten hebben als belangrijkste veldkenmerk dat de smalle bladeren in een krans om de stengel zijn ingepland. Die van Glad walstro en Geel walstro eindigen in een puntje. De stengels zijn rond en voorzien van vier fijne ribben.

Bij de walstrofamilie zijn de smalle bladeren in kransen rond de stengel ingepland

Bekende andere plantensoorten die wel behoren tot de walstrofamilie maar niet de naam “walstro” dragen zijn Kleefkruid en Lievevrouwebedstro.

Vanuit de berm zoekt Geel walstro zijn weg naar de straat

Geel walstro bevat een stremsel dat gebruikt kan worden bij de bereiding van kaas. Maar niet alleen het stremsel uit de plant wordt gebruikt bij het maken van kaas. Uit de bloemen worden kleurstoffen gewonnen die ook worden gebruikt in de kaasmakerij. In het Engelse graafschap Gloucestershire wordt een middelharde kaas gemaakt met de naam “Double Gloucester”. Deze kaas wordt gekleurd met kleurstoffen uit de bloemen van Geel walstro.

De naam ‘walstro’ is te herleiden tot het gebruik van walstro in het verleden in wiegen. Wal heeft dezelfde betekenis als wieg.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde

Gele helmbloem – een stinsenplant op de muur

De Gele helmbloem (Pseudofumaria lutea) is van oorsprong inheems in het zuidelijke deel van de Alpen. De plant is in de negentiende eeuw in Nederland ingevoerd als stinsenplant. Stinsenplanten zijn planten die naar Nederland zijn gebracht om tuinen van kastelen, landgoederen en grote boerderijen kleur te geven. Vanuit die omgeving is de plant verwilderd. Aanvankelijk kwam Gele helmbloem alleen in het zuidelijk deel van Nederland voor met een voorkeur voor een kalkrijke, stenige ondergrond en voor de mergelomgeving van Limburg.

Gele helmbloem behoort tot de papaverfamilie waar ook Klaproos en Stinkende gouwe deel van uitmaken. De plant was zeldzaam en kwam in de vorige eeuw voor op de rode lijst van beschermde plantensoorten. Sinds 2017 heeft de plant zijn beschermde status verloren.

Gele helmbloem komt hoofdzakelijk voor op oude muren en wordt door de uitbundige groeiwijze vaak al van verre opgemerkt. In de stad groeit de Gele helmbloem vooral op oude stadsmuren, muren rond kerkhoven en kademuren.

De helder gele bloemen lijken met enige fantasie op een Romeinse helm en vormen rijke trossen. De bloemen zijn tweezijdig symmetrisch, wat betekent dat je de bloem maar op één manier kunt doorsnijden om te bereiken dat de twee bloemhelften elkaars spiegelbeeld zijn.

Gele helmbloem is tweezijdig symmetrisch. Je kunt de bloem maar op één manier doorsnijden om een spiegelbeeld van de linker en rechter helft te krijgen.

De plant bevat een giftige alkaloïde die bij paarden bv. ontstekingen en zweren kan veroorzaken in de bek, kan leiden tot koliek en zelfs tot de dood. De zwarte zaden zijn voorzien van een mierenbroodje. Dat maakt ze aantrekkelijk voor mieren die de zaden verslepen en zo bijdragen aan de verspreiding van de plant.

Gele helmbloem bevat een giftige alkaloïde die dodelijk kan zijn voor paarden

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Klein hoefblad – een van de weinige naaktbloeiers

Klein hoefblad is samen met Speenkruid en van de eerste gele composieten die in het vroege voorjaar in bloei staan. Speenkruid heeft daarbij de neiging zich als bodembedekker te ontwikkelen. Grote tapijten bladeren van het Speenkruid kleuren de vroege winter- en voorjaarsbodem groen en in februari/maart is er een explosie van de felgele bloempjes. Het plantje behoort tot de ranonkelfamilie en is dus verwant aan de boterbloem.

Min of meer tegelijkertijd verschijnen de helgele bloemetjes van het Klein hoefblad. Bij deze plant is er absoluut geen sprake van bodembedekkend gedrag. Klein hoefblad behoort tot de naaktbloeiers. Planten waarvan eerst de bloemen verschijnen en in een later stadium pas de bladeren. Samen met Herfststijlloos en Groot hoefblad vormt het onder de kruidachtige planten een categorie waarvan de bloemen en bladeren gescheiden verschijnen. Bij de sporenplanten zie je hetzelfde verschijnsel bij Heermoes. Eerst verschijnen daar de sporenaren en daarna pas het blad.

De bladeren van Klein hoefblad verschijnen pas na de bloeiperiode

De stelen van Klein hoefblad zijn ook het bekijken waard. Er is geen sprake van bladeren aan de bloeistengel maar van een soort schubben.

In de bloeifase ontbreken de bladeren van Klein hoefblad. Het is een naaktbloeier. De bloemstengels zijn bezet met schubben

De bloemen komen niet vanuit één centraal punt. Klein hoefblad vormt lange wortelstokken waaruit op enige afstand van elkaar de bloemstengels ontspringen. De plant is een pionierplant en een echte liefhebber van kale, braakliggende grond die zelfs zwak brak (zouthoudend) mag zijn.

Klein hoefblad is een composiet en heeft een hart van mannelijke buisbloemen en daaromheen een ring van honderden vrouwelijke lintbloemen. Normaal verwacht je bij puur mannelijke bloemen geen stijl met een stempel, maar meeldraden met helmknoppen die stuifmeel produceren. Bij puur vrouwelijke bloemen is sprake van de aanwezigheid van één of meer stijlen en stempels om het stuifmeel op te vangen. Bij Klein hoefblad is dat iets anders. De vrouwelijke lintbloemen bevatten inderdaad alleen een stijl met stempels. Bij de mannelijke buisbloemen zie je behalve de meeldraden ook iets aanwezig dat op een stempel lijkt. Deze “schijnstempel” is niet verbonden met een vruchtbeginsel waaruit zaden kunnen ontstaan. Het fungeert meer als veegmechanisme dat stuifmeel verzamelt voor insecten die de bloemen bezoeken.

Klein hoefblad is een composiet. Op deze foto de mannelijke buisbloemen in het hart van de bloem en daaromheen zijn de stempels zichtbaar van de vrouwelijke lintbloemen

Omdat Klein hoefblad al heel vroeg in het jaar bloeit zijn er nog weinig insecten. De plant moet het daarom vooral hebben van kruisbestuiving binnen de bloem door de wind. Dat kan op twee manieren: of de wind neemt het stuifmeel mee en deponeert het op de stempels van de vrouwelijke lintbloemen; of de zeer flexibele stengels staan zo in de wind heen en weer te schudden, waardoor het stuifmeel uit de mannelijke bloemen in het hart van de bloem, op de stempels van de vrouwelijke lintbloemen wordt geschud. Deze techniek is zeer succesvol.

De plant vormt bijzonder veel zaadjes. Net als bij bv. de Paardenbloem en Biggenkruid zijn de zaadjes (nootjes) omgeven door pappus (haren) en ontstaan de bekende pluizenbollen.

Net zoals bij andere composieten zoals Paardenbloem en Biggenkruid, worden de zaden, zwevend onder de pappus pluisjes, door de wind verspreid

Er is overigens in de bloeiwijze van Klein hoefblad nog een merkwaardig verschijnsel: als de plant bloeit staan de bloemstengels fier overeind. Als de plant uitgebloeid is knikken de hoofdjes en hangen triest naar beneden. Maar als de zaden rijp zijn en de pappus de bekende pluizenbol vormt, richten de hoofdjes zich weer op en staan de bloemhoofdjes fier in de wind overeind wachtend op het moment dat de wind de zaadjes meeneemt.

 

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Paarse dovenetel – gesloten bloemen en mierenbroodjes

De paarse dovenetel bloeit bij niet al te strenge winters het hele jaar door.

De Paarse dovenetel lijkt zo’n onooglijk, niet opvallend, zeer algemeen voorkomend plantje. Maar toch heeft de Paarse dovenetel een unieke eigenschap die slechts met weinig andere planten gedeeld wordt. Het gaat om cleistogamie. Een mechanisme waarbij bloemen zich niet openen en waarbij binnen de gesloten bloemknop zelfbestuiving plaatsvindt. Er vindt bestuiving en vruchtvorming plaats zonder dat de bloem zich ooit geopend heeft. Er zijn slechts weinig voorbeelden van Nederlandse planten die over dezelfde eigenschap beschikken. Een paar voorbeelden zijn Maarts viooltje, Bosviooltje, Glad vingergras en de Paarse aspergeorchis.

Paarse dovenetel – Binnen de gesloten bloemknop kan zelfbestuiving plaatsvinden (cleistogamie)

Vorige week beschreef Willemien Troelstra op Stadsplanten de bekendste plant van Nederland: de Brandnetel. Vandaag dus aandacht voor de Paarse dovenetel. Zowel qua uiterlijk als qua naam zijn er sterke overeenkomsten. Maar schijn bedriegt. Brandnetel en dovenetels hebben weinig met elkaar te maken. Anders dan dat ze beiden tot de flora behoren.

Brandnetel en dovenetels behoren tot verschillende families. Grote- en Kleine brandnetel vormen samen met Klein- en Groot Glaskruid, de brandnetelfamilie. Alle dovenetels behoren tot de lipbloemige. Bloemen van de lipbloemige zijn altijd tweezijdig symmetrisch. Dat betekent, dat je de bloem in het verticale vlak doormidden kunt snijden en dat dan de linkerhelft het spiegelbeeld is van de rechterhelft. Bij horizontaal doorsnijden gaat het verhaal niet op. De naam “lipbloemen” duidt op de typische vorm van de kroonbladen die vergroeid zijn tot een kelk met een onder- en een bovenlip. Veel planten uit deze familie hebben vierkante, holle stengels. Dat is ook bij de Paarse dovenetel het geval.

De paarse dovenetel behoort tot de lipbloemige. De vergroeide kroonbladeren vormen een kroonbuis die uitloopt in een boven- en een onderlip.

De naam “dovenetel” duidt aan dat de plant qua uiterlijk lijkt op een brandnetel, wel behaard is maar geen brandharen heeft. Dove betekent dan ook doof=niet werkend, niet stekend. Paarse dovenetel en brandnetel komen voor in de zelfde habitat. Vaak stikstof- rijke grond in bermen en verruigd terrein. De Paarse dovenetel bloeit, als er geen strenge vorst is, eigenlijk het hele jaar door. Als er wel sprake is van een echte winter dan is de plant één van de eerste die in bloei komt.

Paarse dovenetel – bovenlip met opvallend oranje stuifmeel

Met de zaden van de Paarse dovenetel is ook iets bijzonders aan de hand. Aan de onderzijde van de zaden zit een vlezig aangroeisel dat mierenbroodje wordt genoemd. Mierenbroodjes komen bij veel meer plantenvruchten voor. In België en Nederland zijn zo’n 200 plantensoorten bekend die zaden met een mierenbroodje hebben. Zij bevatten een olieachtige stof die zeer aantrekkelijk is voor mieren. De mieren slepen de zaadjes mee en leveren zo een bijdrage aan de verspreiding van de planten.

Vrucht van de Paarse dovenetel. In de vrucht bevinden zich de zaden die voorzien zijn van een mierenbroodje. 

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Kroosvaren – Hoe een Klein Duimpje de sloten verovert

Tijdens lezingen houd ik ze graag naast elkaar. Een Adelaarsvaren van twee en een halve meter groot, naast een Kroosvaren die met gemak op de nagel van mijn grote duim past. Beide een volwassen plant, maar een wereld van verschil. Dit najaar waren veel sloten massaal rood door kroosvarens in herfstkleuren

Terug kijkend op de vele jaren die zijn voorbij gegaan sinds mijn geboorte moet ik vaststellen dat de mariene biologie altijd een belangrijke plaats heeft gehad in mijn belangstelling voor de natuur. Ruim 1.200 duiken op koraalriffen, in grotten, onder het ijs, wrakonderzoek op de Noordzee en duiken in Hollandse poldersloten hebben mij geleerd dat de flora en fauna onder water en aan de oppervlakte van sloten, meren en zoute wateroppervlakten een fascinerende leefwereld vormen. Met dat in het achterhoofd is het niet zo verwonderlijk dat er dit najaar redelijk wat alarmbellen gingen rinkelen toen in steeds meer plassen en sloten het oppervlak rood begon te kleuren. Het antwoord was: Azolla – oftewel Kroosvaren.

Officieel zijn er twee soorten: Grote kroosvaren en Kleine kroosvaren. Er wordt vaak gezegd dat in het verleden Kleine kroosvaren overheerste en Grote kroosvaren zeldzaam was. In de loop der jaren is Grote kroosvaren van zeldzaam tot zeer algemeen uitgegroeid en heeft Kleine kroosvaren volledig verdrongen. Dat moet al zijn gebeurd in het begin van de 20ste eeuw. In “De Levende Natuur” van december 1915 schrijft Jac. P. Thijsse over slootjes in de bollenstreek: “In die buurten is tegenwoordig alleen de groote soort, A. flliculoides, vroeger kwam daar juist de kleine soort, A. caroliniana voor maar deze schijnt er zoowat geheel verdwenen te zijn, blijkbaar verdrongen door de groote. Die heeft zich dan ook geweldig uitgebreid in de laatste jaren. Naar het zuiden tot op de Zuid-Hollandsche eilanden, naar het noorden tot ver benoorden Alkmaar. Ook ten oosten van het Merwedekanaal zag ik ze reeds (o.a. bij Muiden). A. caroliniana heeft tegenwoordig z’n verspreiding om Utrecht, in het Gooi en het oosten van Zuid-Holland”.

Zoals het vaak in de natuur gaat waren er invloeden – soms onbekend – die er voor zorgden dat Kleine kroosvaren steeds meer terrein moest prijsgeven en Grote kroosvaren uiteindelijk een dominante positie veroverde. Zelfs zo sterk dat van Kleine kroosvaren momenteel geen vindplaats in Nederland meer bekend is.

Kroosvaren kan wateroppervlakten volledig bedekken

Dit jaar lagen de sloten ineens vol met kroosvaren. U begrijpt dat dat voor mij een uitdaging was om een Kleine kroosvaren te vinden. Uit iedere sloot of plas, waar ik kroosvaren vond, werden de nodige plantjes mee naar huis genomen om onder de microscoop te bekijken. Om het sluitend bewijs te vinden met welke soort men te maken heeft is niet eenvoudig. Er is één veldkenmerk waarmee een aanwijzing te vinden is. Met een sterke loep zou je kunnen kijken of de haartjes op de bladeren van het kleine plantje eencellig of tweecellig zijn. Je moet daar hele goede ogen voor hebben en een sterke loep. Anders is er maar één oplossing: mee naar huis nemen en onder de binoculair leggen. Toch zijn eencellige haartjes geen sluitend bewijs. Om er echt zeker van te zijn of we met de Kleine of de Grote kroosvaren te maken hebben moet de vergrotingsmaatstaf worden opgevoerd tot ongeveer 600 maal.

Op het plantje, niet groter dan een pinknagel, moeten we op zoek naar sporen. Om het ingewikkeld te maken vormt kroosvaren een uitzondering in sporenland. Normaal gesproken vormen varensporen onder gunstige omstandigheden een voorkiem (prothallium) waarbinnen zich vrouwelijke en mannelijke cellen ontwikkelen waaruit uiteindelijk na samenvloeien zich een nieuwe plant kan ontwikkelen.

Eén mannelijke en twee vrouwelijke sporenhoopjes

Kroosvaren vormt een uitzondering doordat er zich op de plant afzonderlijke mannelijke en vrouwelijke sporenkapsels vormen (sporocarpen). Die zijn onder de binoculair met een vergrotingsmaatstaf van 45x goed te onderscheiden. Normaal vormen varens sporenhoopjes (sori) die worden afgedekt door een dekvliesje (indusium). Bij kroosvaren zijn de sporenhoopjes (sporocarpen) niet afgedekt maar omgeven door een “dekvliesje”. Een klein ballonnetje waar de sporenhoopjes in zijn opgesloten. Een mannelijke sporenhoopje wordt gevormd door sporenkapsels waarbinnen zich de sporen bevinden. Waar het bij het onderzoek vooral om gaat is het isoleren van mannelijke sporocarpen en daarbinnen de sporenkapsels en uiteindelijk de sporen.

In het mannelijke sporenhoopje bevinden zich sporenkapsels

Het vraagt om hele kleine pincetjes en een vaste hand om de sporocarpen te openen en de sporenkapsels te isoleren. Daarna moeten de uiterst kleine sporenkapsels worden open gepeuterd om de sporen te isoleren. We hebben het bereik van de binoculair inmiddels verlaten en zijn aangeland op microscoop niveau in de orde van grote van plusminus 600 maal vergroten. Uiteindelijk is dat het niveau waarop we met zekerheid kunnen vaststellen of we te maken hebben met Grote of Kleine kroosvaren.

Glochidia van Grote (filiculoides) en Kleine (cristata) kroosvaren (bron internet)

Waar het om gaat is dat aan de mannelijke sporen van kroosvaren zich orgaantjes ontwikkelen waarmee de mannelijke sporen zich kunnen vasthechten aan de vrouwelijke sporen. Deze orgaantjes heten glochidia. Ze lijken een beetje op twee evenwijdige lijntjes met aan het uiteinde een uitstulping zoals je die kent van de kop van een hamerhaai. Belangrijk is de ruimte tussen de twee evenwijdige lijntjes. Is die ruimte leeg dat gaat het om Grote kroosvaren, Als er zich tussen de evenwijdige lijntjes tussenschotjes bevinden dan hebben we te maken met Kleine kroosvaren.

Glochidia op een mannelijk spoor

Kroosvaren kan zich bijzonder snel vermeerderen. In de bladholten van de plant leven bacteriën die stikstof uit de lucht kunnen binden en beschikbaar stellen aan de plant. Dankzij deze voedingsstoffen kan Kroosvaren wel binnen twee tot drie dagen in massa verdubbelen. Per hectare kan per jaar 50 kg stikstof per hectare gebonden worden. Dat is de reden dat kroosvaren in Aziatische landen wel gebruikt wordt als groenbemesting. Als het plantje afsterft wordt de stikstof opgenomen in de grond. Door de snelle toename in massa kunnen binnen een zeer korte periode vijvers en sloten volledig bedekt zijn door dit varentje. De voedingswaarde van Azolla voor vee is hoog. Daarom worden er momenteel proeven uitgevoerd waarbij Kroosvaren wordt gekweekt en jonge varkens geleerd wordt het als voedsel te accepteren.

Na 25 vijvers en 30 sloten, slechts om een orde van grote aan te geven, heb ik alleen maar Grote kroosvaren kunnen vinden. Maar ik geef de moed niet op en blijf verder zoeken.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Muurfijnstraal – het madeliefje van een rotsige ondergrond

Een blik op de bloemen van Muurfijnstraal (Erigeron karvinskianus) en het is overduidelijk dat we te maken hebben met een composiet. Een hart van heldergele buisbloemen, omringd met een krans van witte of lichtpaarse lintbloemen. De plant is oorspronkelijk afkomstig uit Mexico, kwam als tuinplant naar Europa en ontsnapte, zoals zoveel tuinplanten, naar de wereld buiten de tuin. In het bos, in wegbermen of akkers zal je hem niet vinden. In de naam Muurfijnstraal staat niet voor niets het woord “muur”. De plant houdt van een stenige ondergrond. Dat kunnen rotspartijen zijn, bestaande uit zwerfkeien, tussen straatstenen maar vooral op oude muren. Die rotsige ondergrond is overigens geen vereiste. In een border met goed doorlatende grond gedijt de plant ook uitstekend.

Muurfijnstraal houdt niet alleen van een stenige ondergrond maar ook van vocht. De plant kan daarom tot dicht op de waterlijn gevonden worden.

We kennen in Nederland verschillende plantensoorten die we fijnstraal noemen: Canadese fijnstraal, Hoge fijnstraal, Gevlamde fijnstraal, Ruige fijnstraal, Scherpe fijnstraal, Muurfijnstraal en Zomerfijnstraal. Je zou denken dat al deze soorten tot het zelfde geslacht behoren maar dat is niet waar. Het zijn allemaal composieten die zowel buisbloemen als lintbloemen hebben. De aanduiding fijnstraal heeft betrekking op de breedte van de lintbloemen. Deze vrouwelijke straalbloemen (lintbloemen) zijn hoogstens een millimeter breed en veel smaller dan lintbloemen van andere composieten. Dat Muurfijnstraal in een ander geslacht is ingedeeld (Erigeron) dan de Canadese-, de Hoge-, de Ruige- en de Gevlamde fijnstraal (Conyza) komt doordat er verschillen zijn in de lengte van de plaat van de lintbloemen en de verhouding tussen het aantal lintbloemen in vergelijking met de buisbloemen. Bij Erigeron is de plaat van de buisbloemen 2-10 mm lang en zijn er meer centrale buisbloemen dan lintbloemen. Bij Conyza is de plaat van de lintbloemen hoogstens 1 mm en zijn de lintbloemen talrijker dan de centrale buisbloemen.

Om tot de fijnstralen te kunnen moet de breedte van de lintbloemen beduidend minder breed zijn dan die van van andere composieten.

De plant heeft drie methoden om zich voort te planten. De meest voor de hand liggende methode is uiteraard de vorming en verspreiding van zaden. De tweede methode via de wortelstok is ook veel voorkomend. De derde methode heeft te maken met de stengels die vaak deels op de grond liggen om daarna op te stijgen. De op de ondergrond liggende stengels wortelen gemakkelijk en leiden op die manier tot de vorming van een nieuwe, zelfstandige plant. De eerste meldingen in Nederland van verwilderde Muurfijnstraal dateren uit eind negentiger jaren van de vorige eeuw. Nu is de plant bepaald geen zeldzaamheid meer. Vooral op oude muren en grachtenmuren wordt de plant steeds vaker gevonden.

De bloemen van Muurfijnstraal kunnen in kleur variëren van helder wit tot paars/roze.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde