Home » Amersfoort

Tag: Amersfoort

Geschubde mannetjesvaren rukt op – een varen met een vlekje

 

De Geschubde mannetjesvaren rukt op in Nederland en is langzamerhand ook in de steden een regelmatig geziene gast. Soms in wat verwilderde groenstrookjes, soms gewoon langs groene paden tussen de huizen en een enkele keer op oude, verweerde muren. Het gaat daarbij om twee soorten die geen Nederlandse namen hebben: Dryopteris affinis en Dryopteris borrerri. Uit meldingen in de Nationale Databank Flora en Fauna, blijkt dat de soort in 1950 uiterst zeldzaam was. Zeven vondsten. In 1990 was sprake van 30 meldingen. Daarna zet een significante stijging in. In 2000 – 80, 2010 – 140 en vandaag de dag boven de 1000 meldingen per jaar.

Een Geschubde mannetjesvaren – in dit geval Dryopteris borreri – in een groenstrook in de stad.

De toename van het aantal vondsten is niet alleen te danken aan de uitbreiding van de soort, maar zeker ook omdat een aantal floristen gerichter is gaan zoeken en doordat er meer kennis is gekomen over een aantal veldkenmerken. De familienaam Dryopteris geeft al aan dat het om vertegenwoordigers uit de niervarenfamilie gaat. De naam “niervaren” duidt op de niervormige dekvliesjes over de sporenhoopjes. Andere varensoorten uit deze familie zijn o.a. Mannetjesvaren (Dryopteris filix-mas), Kamvaren (Dryopteris cristata), Brede stekelvaren (Dryopteris dilatata) en Smalle stekelvaren (Dryopteris carthusiana).

Kenmerkend voor de varens uit de niervarenfamilie zijn de niervormige dekvliesjes over de sporenhoopjes. Rechtsboven is de zwarte vlek zichtbaar op de aanhechting van het deelblaadje aan de bladspil

Bij oudere planten is het in het veld vrij eenvoudig om de Geschubde mannetjesvarens te onderscheiden van de gewone Mannetjesvaren. Daarvoor moet je het blad omdraaien en kijken naar de aanhechting van de deelblaadjes aan de bladspil. Bij de Geschubde mannetjesvaren is daar een zwarte vlek aanwezig. Bij bladeren die nog niet volledig zijn ontrold is die zwarte vlek nog niet aanwezig. De winter is een goede tijd om Geschubde mannetjesvarens op het spoor te komen. In tegenstelling tot de gewone Mannetjesvaren is de Geschubde mannetjesvaren winterhard. Terwijl de bladeren van de Mannetjesvaren aan het begin van de winter afsterven, staan die van de Geschubde mannetjesvaren de hele winter fier overeind.

Op de aanhechting van het deelblaadje aan de bladspil is een zwarte vlek aanwezig

Tot nu toe heb ik het gehad over het herkennen van de Geschubde mannetjesvaren maar we hebben het dan eigenlijk over twee verschillende soorten en een aantal kruisingen tussen verschillende soorten. De twee soorten waar het om gaat zijn Dryopteris affinis en Dryopteris borreri. Onderzoek heeft nog niet geleid tot het vaststellen van veldkenmerken waarbij onomstotelijk kan worden vastgesteld met welke soort men te maken heeft. Er is één veldkenmerk waarvan de waarde steeds sterker wordt. Om dat veldkenmerk te kunnen onderzoeken moet je goed weten naar welk deel van de plant je moet kijken.

Het blad van de Mannetjesvaren en de Geschubde mannetjesvaren bestaat uit een bladsteel waaraan aan de linker en de rechterzijde deelblaadjes zijn aangehecht. Er moet gekeken worden naar het onderste deelblaadje. Dat bestaat uit een nerf waar aan de boven en de onderzijde bladsegmenten groeien: deelblaadjes van de 2e orde. Bij het determineren gaat het om het onderste bladsegment van het onderste deelblaadje dat zich het dichtst bij bladspil bevindt. Met een loep moet je dan kijken naar de aanhechting van het bladsegment aan de bladnerf. Indien het bladsegment is vergroeid met de bladnerf dan gaat het om Dryopteris affinis. Indien het bladsegment vrij staat gaat het om Dryoperis borreri.

Er moet worden opgemerkt dat de hier beschreven veldkenmerken een eerste resultaat zijn van onderzoek van de afgelopen twee jaar. Beduidend meer waarnemingen zullen aan moeten tonen dat het inderdaad gaat om een betrouwbaar veldkenmerk.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Geel walstro – geschikt voor de bereiding van kaas of gebruik in de wieg

Normaal is Geel walstro geen plant die je snel in de stedelijke omgeving zult vinden. Het is een plant die gevonden kan worden in de duinen, in de bermen van wegen, weilanden, dijkhellingen en droge zandgronden. De laatste jaren wordt Geel walstro echter vaak in de stad aangetroffen. Dat komt omdat in toenemende mate wegbermen in steden worden ingezaaid met zaadmengsels die voor kleurrijke, bloemrijke wegbermen moeten zorgen. In veel van die zaadmengsels is Geel walstro opgenomen. Het blijkt dat Geel walstro zich vaak goed handhaaft in bermen waarin niet langer ieder jaar gezaaid wordt maar wel aan het eind van het jaar gemaaid wordt. Daarmee wordt het op sommige plekken toch een stadsplant.

De meest bekende walstrosoorten zijn Glad walstro, Ruw walstro, Geel walstro en Moeraswalstro. Zij behoren tot de “walstro- of sterbladigenfamilie”. Deze plantensoorten hebben als belangrijkste veldkenmerk dat de smalle bladeren in een krans om de stengel zijn ingepland. Die van Glad walstro en Geel walstro eindigen in een puntje. De stengels zijn rond en voorzien van vier fijne ribben.

Bij de walstrofamilie zijn de smalle bladeren in kransen rond de stengel ingepland

Bekende andere plantensoorten die wel behoren tot de walstrofamilie maar niet de naam “walstro” dragen zijn Kleefkruid en Lievevrouwebedstro.

Vanuit de berm zoekt Geel walstro zijn weg naar de straat

Geel walstro bevat een stremsel dat gebruikt kan worden bij de bereiding van kaas. Maar niet alleen het stremsel uit de plant wordt gebruikt bij het maken van kaas. Uit de bloemen worden kleurstoffen gewonnen die ook worden gebruikt in de kaasmakerij. In het Engelse graafschap Gloucestershire wordt een middelharde kaas gemaakt met de naam “Double Gloucester”. Deze kaas wordt gekleurd met kleurstoffen uit de bloemen van Geel walstro.

De naam ‘walstro’ is te herleiden tot het gebruik van walstro in het verleden in wiegen. Wal heeft dezelfde betekenis als wieg.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde

Gele helmbloem – een stinsenplant op de muur

De Gele helmbloem (Pseudofumaria lutea) is van oorsprong inheems in het zuidelijke deel van de Alpen. De plant is in de negentiende eeuw in Nederland ingevoerd als stinsenplant. Stinsenplanten zijn planten die naar Nederland zijn gebracht om tuinen van kastelen, landgoederen en grote boerderijen kleur te geven. Vanuit die omgeving is de plant verwilderd. Aanvankelijk kwam Gele helmbloem alleen in het zuidelijk deel van Nederland voor met een voorkeur voor een kalkrijke, stenige ondergrond en voor de mergelomgeving van Limburg.

Gele helmbloem behoort tot de papaverfamilie waar ook Klaproos en Stinkende gouwe deel van uitmaken. De plant was zeldzaam en kwam in de vorige eeuw voor op de rode lijst van beschermde plantensoorten. Sinds 2017 heeft de plant zijn beschermde status verloren.

Gele helmbloem komt hoofdzakelijk voor op oude muren en wordt door de uitbundige groeiwijze vaak al van verre opgemerkt. In de stad groeit de Gele helmbloem vooral op oude stadsmuren, muren rond kerkhoven en kademuren.

De helder gele bloemen lijken met enige fantasie op een Romeinse helm en vormen rijke trossen. De bloemen zijn tweezijdig symmetrisch, wat betekent dat je de bloem maar op één manier kunt doorsnijden om te bereiken dat de twee bloemhelften elkaars spiegelbeeld zijn.

Gele helmbloem is tweezijdig symmetrisch. Je kunt de bloem maar op één manier doorsnijden om een spiegelbeeld van de linker en rechter helft te krijgen.

De plant bevat een giftige alkaloïde die bij paarden bv. ontstekingen en zweren kan veroorzaken in de bek, kan leiden tot koliek en zelfs tot de dood. De zwarte zaden zijn voorzien van een mierenbroodje. Dat maakt ze aantrekkelijk voor mieren die de zaden verslepen en zo bijdragen aan de verspreiding van de plant.

Gele helmbloem bevat een giftige alkaloïde die dodelijk kan zijn voor paarden

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Klein hoefblad – een van de weinige naaktbloeiers

Klein hoefblad is samen met Speenkruid en van de eerste gele composieten die in het vroege voorjaar in bloei staan. Speenkruid heeft daarbij de neiging zich als bodembedekker te ontwikkelen. Grote tapijten bladeren van het Speenkruid kleuren de vroege winter- en voorjaarsbodem groen en in februari/maart is er een explosie van de felgele bloempjes. Het plantje behoort tot de ranonkelfamilie en is dus verwant aan de boterbloem.

Min of meer tegelijkertijd verschijnen de helgele bloemetjes van het Klein hoefblad. Bij deze plant is er absoluut geen sprake van bodembedekkend gedrag. Klein hoefblad behoort tot de naaktbloeiers. Planten waarvan eerst de bloemen verschijnen en in een later stadium pas de bladeren. Samen met Herfststijlloos en Groot hoefblad vormt het onder de kruidachtige planten een categorie waarvan de bloemen en bladeren gescheiden verschijnen. Bij de sporenplanten zie je hetzelfde verschijnsel bij Heermoes. Eerst verschijnen daar de sporenaren en daarna pas het blad.

De bladeren van Klein hoefblad verschijnen pas na de bloeiperiode

De stelen van Klein hoefblad zijn ook het bekijken waard. Er is geen sprake van bladeren aan de bloeistengel maar van een soort schubben.

In de bloeifase ontbreken de bladeren van Klein hoefblad. Het is een naaktbloeier. De bloemstengels zijn bezet met schubben

De bloemen komen niet vanuit één centraal punt. Klein hoefblad vormt lange wortelstokken waaruit op enige afstand van elkaar de bloemstengels ontspringen. De plant is een pionierplant en een echte liefhebber van kale, braakliggende grond die zelfs zwak brak (zouthoudend) mag zijn.

Klein hoefblad is een composiet en heeft een hart van mannelijke buisbloemen en daaromheen een ring van honderden vrouwelijke lintbloemen. Normaal verwacht je bij puur mannelijke bloemen geen stijl met een stempel, maar meeldraden met helmknoppen die stuifmeel produceren. Bij puur vrouwelijke bloemen is sprake van de aanwezigheid van één of meer stijlen en stempels om het stuifmeel op te vangen. Bij Klein hoefblad is dat iets anders. De vrouwelijke lintbloemen bevatten inderdaad alleen een stijl met stempels. Bij de mannelijke buisbloemen zie je behalve de meeldraden ook iets aanwezig dat op een stempel lijkt. Deze “schijnstempel” is niet verbonden met een vruchtbeginsel waaruit zaden kunnen ontstaan. Het fungeert meer als veegmechanisme dat stuifmeel verzamelt voor insecten die de bloemen bezoeken.

Klein hoefblad is een composiet. Op deze foto de mannelijke buisbloemen in het hart van de bloem en daaromheen zijn de stempels zichtbaar van de vrouwelijke lintbloemen

Omdat Klein hoefblad al heel vroeg in het jaar bloeit zijn er nog weinig insecten. De plant moet het daarom vooral hebben van kruisbestuiving binnen de bloem door de wind. Dat kan op twee manieren: of de wind neemt het stuifmeel mee en deponeert het op de stempels van de vrouwelijke lintbloemen; of de zeer flexibele stengels staan zo in de wind heen en weer te schudden, waardoor het stuifmeel uit de mannelijke bloemen in het hart van de bloem, op de stempels van de vrouwelijke lintbloemen wordt geschud. Deze techniek is zeer succesvol.

De plant vormt bijzonder veel zaadjes. Net als bij bv. de Paardenbloem en Biggenkruid zijn de zaadjes (nootjes) omgeven door pappus (haren) en ontstaan de bekende pluizenbollen.

Net zoals bij andere composieten zoals Paardenbloem en Biggenkruid, worden de zaden, zwevend onder de pappus pluisjes, door de wind verspreid

Er is overigens in de bloeiwijze van Klein hoefblad nog een merkwaardig verschijnsel: als de plant bloeit staan de bloemstengels fier overeind. Als de plant uitgebloeid is knikken de hoofdjes en hangen triest naar beneden. Maar als de zaden rijp zijn en de pappus de bekende pluizenbol vormt, richten de hoofdjes zich weer op en staan de bloemhoofdjes fier in de wind overeind wachtend op het moment dat de wind de zaadjes meeneemt.

 

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Paarse dovenetel – gesloten bloemen en mierenbroodjes

De paarse dovenetel bloeit bij niet al te strenge winters het hele jaar door.

De Paarse dovenetel lijkt zo’n onooglijk, niet opvallend, zeer algemeen voorkomend plantje. Maar toch heeft de Paarse dovenetel een unieke eigenschap die slechts met weinig andere planten gedeeld wordt. Het gaat om cleistogamie. Een mechanisme waarbij bloemen zich niet openen en waarbij binnen de gesloten bloemknop zelfbestuiving plaatsvindt. Er vindt bestuiving en vruchtvorming plaats zonder dat de bloem zich ooit geopend heeft. Er zijn slechts weinig voorbeelden van Nederlandse planten die over dezelfde eigenschap beschikken. Een paar voorbeelden zijn Maarts viooltje, Bosviooltje, Glad vingergras en de Paarse aspergeorchis.

Paarse dovenetel – Binnen de gesloten bloemknop kan zelfbestuiving plaatsvinden (cleistogamie)

Vorige week beschreef Willemien Troelstra op Stadsplanten de bekendste plant van Nederland: de Brandnetel. Vandaag dus aandacht voor de Paarse dovenetel. Zowel qua uiterlijk als qua naam zijn er sterke overeenkomsten. Maar schijn bedriegt. Brandnetel en dovenetels hebben weinig met elkaar te maken. Anders dan dat ze beiden tot de flora behoren.

Brandnetel en dovenetels behoren tot verschillende families. Grote- en Kleine brandnetel vormen samen met Klein- en Groot Glaskruid, de brandnetelfamilie. Alle dovenetels behoren tot de lipbloemige. Bloemen van de lipbloemige zijn altijd tweezijdig symmetrisch. Dat betekent, dat je de bloem in het verticale vlak doormidden kunt snijden en dat dan de linkerhelft het spiegelbeeld is van de rechterhelft. Bij horizontaal doorsnijden gaat het verhaal niet op. De naam “lipbloemen” duidt op de typische vorm van de kroonbladen die vergroeid zijn tot een kelk met een onder- en een bovenlip. Veel planten uit deze familie hebben vierkante, holle stengels. Dat is ook bij de Paarse dovenetel het geval.

De paarse dovenetel behoort tot de lipbloemige. De vergroeide kroonbladeren vormen een kroonbuis die uitloopt in een boven- en een onderlip.

De naam “dovenetel” duidt aan dat de plant qua uiterlijk lijkt op een brandnetel, wel behaard is maar geen brandharen heeft. Dove betekent dan ook doof=niet werkend, niet stekend. Paarse dovenetel en brandnetel komen voor in de zelfde habitat. Vaak stikstof- rijke grond in bermen en verruigd terrein. De Paarse dovenetel bloeit, als er geen strenge vorst is, eigenlijk het hele jaar door. Als er wel sprake is van een echte winter dan is de plant één van de eerste die in bloei komt.

Paarse dovenetel – bovenlip met opvallend oranje stuifmeel

Met de zaden van de Paarse dovenetel is ook iets bijzonders aan de hand. Aan de onderzijde van de zaden zit een vlezig aangroeisel dat mierenbroodje wordt genoemd. Mierenbroodjes komen bij veel meer plantenvruchten voor. In België en Nederland zijn zo’n 200 plantensoorten bekend die zaden met een mierenbroodje hebben. Zij bevatten een olieachtige stof die zeer aantrekkelijk is voor mieren. De mieren slepen de zaadjes mee en leveren zo een bijdrage aan de verspreiding van de planten.

Vrucht van de Paarse dovenetel. In de vrucht bevinden zich de zaden die voorzien zijn van een mierenbroodje. 

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Kroosvaren – Hoe een Klein Duimpje de sloten verovert

Tijdens lezingen houd ik ze graag naast elkaar. Een Adelaarsvaren van twee en een halve meter groot, naast een Kroosvaren die met gemak op de nagel van mijn grote duim past. Beide een volwassen plant, maar een wereld van verschil. Dit najaar waren veel sloten massaal rood door kroosvarens in herfstkleuren

Terug kijkend op de vele jaren die zijn voorbij gegaan sinds mijn geboorte moet ik vaststellen dat de mariene biologie altijd een belangrijke plaats heeft gehad in mijn belangstelling voor de natuur. Ruim 1.200 duiken op koraalriffen, in grotten, onder het ijs, wrakonderzoek op de Noordzee en duiken in Hollandse poldersloten hebben mij geleerd dat de flora en fauna onder water en aan de oppervlakte van sloten, meren en zoute wateroppervlakten een fascinerende leefwereld vormen. Met dat in het achterhoofd is het niet zo verwonderlijk dat er dit najaar redelijk wat alarmbellen gingen rinkelen toen in steeds meer plassen en sloten het oppervlak rood begon te kleuren. Het antwoord was: Azolla – oftewel Kroosvaren.

Officieel zijn er twee soorten: Grote kroosvaren en Kleine kroosvaren. Er wordt vaak gezegd dat in het verleden Kleine kroosvaren overheerste en Grote kroosvaren zeldzaam was. In de loop der jaren is Grote kroosvaren van zeldzaam tot zeer algemeen uitgegroeid en heeft Kleine kroosvaren volledig verdrongen. Dat moet al zijn gebeurd in het begin van de 20ste eeuw. In “De Levende Natuur” van december 1915 schrijft Jac. P. Thijsse over slootjes in de bollenstreek: “In die buurten is tegenwoordig alleen de groote soort, A. flliculoides, vroeger kwam daar juist de kleine soort, A. caroliniana voor maar deze schijnt er zoowat geheel verdwenen te zijn, blijkbaar verdrongen door de groote. Die heeft zich dan ook geweldig uitgebreid in de laatste jaren. Naar het zuiden tot op de Zuid-Hollandsche eilanden, naar het noorden tot ver benoorden Alkmaar. Ook ten oosten van het Merwedekanaal zag ik ze reeds (o.a. bij Muiden). A. caroliniana heeft tegenwoordig z’n verspreiding om Utrecht, in het Gooi en het oosten van Zuid-Holland”.

Zoals het vaak in de natuur gaat waren er invloeden – soms onbekend – die er voor zorgden dat Kleine kroosvaren steeds meer terrein moest prijsgeven en Grote kroosvaren uiteindelijk een dominante positie veroverde. Zelfs zo sterk dat van Kleine kroosvaren momenteel geen vindplaats in Nederland meer bekend is.

Kroosvaren kan wateroppervlakten volledig bedekken

Dit jaar lagen de sloten ineens vol met kroosvaren. U begrijpt dat dat voor mij een uitdaging was om een Kleine kroosvaren te vinden. Uit iedere sloot of plas, waar ik kroosvaren vond, werden de nodige plantjes mee naar huis genomen om onder de microscoop te bekijken. Om het sluitend bewijs te vinden met welke soort men te maken heeft is niet eenvoudig. Er is één veldkenmerk waarmee een aanwijzing te vinden is. Met een sterke loep zou je kunnen kijken of de haartjes op de bladeren van het kleine plantje eencellig of tweecellig zijn. Je moet daar hele goede ogen voor hebben en een sterke loep. Anders is er maar één oplossing: mee naar huis nemen en onder de binoculair leggen. Toch zijn eencellige haartjes geen sluitend bewijs. Om er echt zeker van te zijn of we met de Kleine of de Grote kroosvaren te maken hebben moet de vergrotingsmaatstaf worden opgevoerd tot ongeveer 600 maal.

Op het plantje, niet groter dan een pinknagel, moeten we op zoek naar sporen. Om het ingewikkeld te maken vormt kroosvaren een uitzondering in sporenland. Normaal gesproken vormen varensporen onder gunstige omstandigheden een voorkiem (prothallium) waarbinnen zich vrouwelijke en mannelijke cellen ontwikkelen waaruit uiteindelijk na samenvloeien zich een nieuwe plant kan ontwikkelen.

Eén mannelijke en twee vrouwelijke sporenhoopjes

Kroosvaren vormt een uitzondering doordat er zich op de plant afzonderlijke mannelijke en vrouwelijke sporenkapsels vormen (sporocarpen). Die zijn onder de binoculair met een vergrotingsmaatstaf van 45x goed te onderscheiden. Normaal vormen varens sporenhoopjes (sori) die worden afgedekt door een dekvliesje (indusium). Bij kroosvaren zijn de sporenhoopjes (sporocarpen) niet afgedekt maar omgeven door een “dekvliesje”. Een klein ballonnetje waar de sporenhoopjes in zijn opgesloten. Een mannelijke sporenhoopje wordt gevormd door sporenkapsels waarbinnen zich de sporen bevinden. Waar het bij het onderzoek vooral om gaat is het isoleren van mannelijke sporocarpen en daarbinnen de sporenkapsels en uiteindelijk de sporen.

In het mannelijke sporenhoopje bevinden zich sporenkapsels

Het vraagt om hele kleine pincetjes en een vaste hand om de sporocarpen te openen en de sporenkapsels te isoleren. Daarna moeten de uiterst kleine sporenkapsels worden open gepeuterd om de sporen te isoleren. We hebben het bereik van de binoculair inmiddels verlaten en zijn aangeland op microscoop niveau in de orde van grote van plusminus 600 maal vergroten. Uiteindelijk is dat het niveau waarop we met zekerheid kunnen vaststellen of we te maken hebben met Grote of Kleine kroosvaren.

Glochidia van Grote (filiculoides) en Kleine (cristata) kroosvaren (bron internet)

Waar het om gaat is dat aan de mannelijke sporen van kroosvaren zich orgaantjes ontwikkelen waarmee de mannelijke sporen zich kunnen vasthechten aan de vrouwelijke sporen. Deze orgaantjes heten glochidia. Ze lijken een beetje op twee evenwijdige lijntjes met aan het uiteinde een uitstulping zoals je die kent van de kop van een hamerhaai. Belangrijk is de ruimte tussen de twee evenwijdige lijntjes. Is die ruimte leeg dat gaat het om Grote kroosvaren, Als er zich tussen de evenwijdige lijntjes tussenschotjes bevinden dan hebben we te maken met Kleine kroosvaren.

Glochidia op een mannelijk spoor

Kroosvaren kan zich bijzonder snel vermeerderen. In de bladholten van de plant leven bacteriën die stikstof uit de lucht kunnen binden en beschikbaar stellen aan de plant. Dankzij deze voedingsstoffen kan Kroosvaren wel binnen twee tot drie dagen in massa verdubbelen. Per hectare kan per jaar 50 kg stikstof per hectare gebonden worden. Dat is de reden dat kroosvaren in Aziatische landen wel gebruikt wordt als groenbemesting. Als het plantje afsterft wordt de stikstof opgenomen in de grond. Door de snelle toename in massa kunnen binnen een zeer korte periode vijvers en sloten volledig bedekt zijn door dit varentje. De voedingswaarde van Azolla voor vee is hoog. Daarom worden er momenteel proeven uitgevoerd waarbij Kroosvaren wordt gekweekt en jonge varkens geleerd wordt het als voedsel te accepteren.

Na 25 vijvers en 30 sloten, slechts om een orde van grote aan te geven, heb ik alleen maar Grote kroosvaren kunnen vinden. Maar ik geef de moed niet op en blijf verder zoeken.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde

Muurfijnstraal – het madeliefje van een rotsige ondergrond

Een blik op de bloemen van Muurfijnstraal (Erigeron karvinskianus) en het is overduidelijk dat we te maken hebben met een composiet. Een hart van heldergele buisbloemen, omringd met een krans van witte of lichtpaarse lintbloemen. De plant is oorspronkelijk afkomstig uit Mexico, kwam als tuinplant naar Europa en ontsnapte, zoals zoveel tuinplanten, naar de wereld buiten de tuin. In het bos, in wegbermen of akkers zal je hem niet vinden. In de naam Muurfijnstraal staat niet voor niets het woord “muur”. De plant houdt van een stenige ondergrond. Dat kunnen rotspartijen zijn, bestaande uit zwerfkeien, tussen straatstenen maar vooral op oude muren. Die rotsige ondergrond is overigens geen vereiste. In een border met goed doorlatende grond gedijt de plant ook uitstekend.

Muurfijnstraal houdt niet alleen van een stenige ondergrond maar ook van vocht. De plant kan daarom tot dicht op de waterlijn gevonden worden.

We kennen in Nederland verschillende plantensoorten die we fijnstraal noemen: Canadese fijnstraal, Hoge fijnstraal, Gevlamde fijnstraal, Ruige fijnstraal, Scherpe fijnstraal, Muurfijnstraal en Zomerfijnstraal. Je zou denken dat al deze soorten tot het zelfde geslacht behoren maar dat is niet waar. Het zijn allemaal composieten die zowel buisbloemen als lintbloemen hebben. De aanduiding fijnstraal heeft betrekking op de breedte van de lintbloemen. Deze vrouwelijke straalbloemen (lintbloemen) zijn hoogstens een millimeter breed en veel smaller dan lintbloemen van andere composieten. Dat Muurfijnstraal in een ander geslacht is ingedeeld (Erigeron) dan de Canadese-, de Hoge-, de Ruige- en de Gevlamde fijnstraal (Conyza) komt doordat er verschillen zijn in de lengte van de plaat van de lintbloemen en de verhouding tussen het aantal lintbloemen in vergelijking met de buisbloemen. Bij Erigeron is de plaat van de buisbloemen 2-10 mm lang en zijn er meer centrale buisbloemen dan lintbloemen. Bij Conyza is de plaat van de lintbloemen hoogstens 1 mm en zijn de lintbloemen talrijker dan de centrale buisbloemen.

Om tot de fijnstralen te kunnen moet de breedte van de lintbloemen beduidend minder breed zijn dan die van van andere composieten.

De plant heeft drie methoden om zich voort te planten. De meest voor de hand liggende methode is uiteraard de vorming en verspreiding van zaden. De tweede methode via de wortelstok is ook veel voorkomend. De derde methode heeft te maken met de stengels die vaak deels op de grond liggen om daarna op te stijgen. De op de ondergrond liggende stengels wortelen gemakkelijk en leiden op die manier tot de vorming van een nieuwe, zelfstandige plant. De eerste meldingen in Nederland van verwilderde Muurfijnstraal dateren uit eind negentiger jaren van de vorige eeuw. Nu is de plant bepaald geen zeldzaamheid meer. Vooral op oude muren en grachtenmuren wordt de plant steeds vaker gevonden.

De bloemen van Muurfijnstraal kunnen in kleur variëren van helder wit tot paars/roze.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde

Adelaarsvaren – een bijzondere overlevingsstrategie

Iemand zei ooit tegen mij: “Als je mij een Adelaarsvaren kunt tonen die sporen draagt krijg je van mij een mooie fles wijn!” U begrijpt het. De afgelopen jaren heb ik eindeloos veel blaadjes van de Adelaarsvaren omgedraaid in de hoop sporen te vinden. Tot vorige week was dat zonder resultaat. Tot vorige week! Erik Eliveld, waarmee ik samen binnen de werkgroep varens van de KNNV Amersfoort e.o., varenonderzoek doe, belde mij op en zei dat hij op een heideveld in Den Treek Adelaarsvarens had gevonden met sporen. Nog die zelfde middag zijn we er samen heen gegaan. En ja! Ik kon mijn ogen niet geloven. Adelaarsvarens met sporen. Wij zijn direct doorgereden naar een paar plekken waar ook de Adelaarsvaren rijkelijk aanwezig is en ook daar vonden wij planten met sporen. Navraag bij Naturalis leerde dat er uit meer plaatsen in Nederland meldingen komen van adelaarsvarens met sporenvorming. Hoe kan dat verklaard worden: jaren, jaren lang niets en nu ineens op diverse vindplaatsen rijkelijk aanwezig en op veel verschillende planten.

De sporenhoopjes liggen onder de omgekrulde bladrand van de Adelaarsvaren

In het Duitse boek “Die farn – und blütenpflanzen Baden – Wütenbergs” uitgegeven in 1993 wordt verwezen naar een wetenschappelijke publicatie “Kirchner und Eichler, 1882: pag 336” waarin staat: “Sporen werden nur “in guten Weinjahren ausgebilded”. De kans op sporenvorming bij adelaarsvarens is dus groot in goede wijnjaren. Belangrijk hierbij is het antwoord op de vraag of het weer van invloed is op de groei van de druiven en de kwaliteit van de wijn. Het antwoord daarop moet wel “ja” zijn. Zou dus het natte voorjaar, de extreem warme zomer en daarna weer een periode met voldoende vocht de oorzaak kunnen zijn? En is dit jaar inderdaad sprake van weersomstandigheden die kunnen leiden tot een bijzonder goed Nederlands wijnjaar.

Vruchtbare bladeren met sporen zijn te herkennen aan de omgekrulde bladrand

Er is een tweede theorie die ook zou kunnen verklaren waarom er dit jaar zoveel sporenvorming bij adelaarsvarens plaatsvindt. Die gaat uit van de gedachte dat planten onder invloed van extreme weersomstandigheden, in dit geval langdurige droogte, hoge temperaturen en gebrek aan vocht, een aantal beschermende maatregelen nemen. Eén daarvan is het laten vallen van de bladeren en alle aandacht te richten op het behoud van het wortelstelsel. Planten raken onder extreme omstandigheden gestrest en richten zich op het voortbestaan. In ieder geval het in leven houden van het wortelstelsel. Als er betere tijden aanbreken, doorat er weer vocht beschikbaar komt, richt de “aandacht van de plant” zich vooral op het zeker stellen van nageslacht. Zorgen dat de soort in stand blijft en er sprake is van opvolging. Dat gebeurt in dit geval bij de adelaarsvaren door de vorming van sporen. Bij andere planten door overmatige vruchtzetting.

Een paar maanden geleden spraken jachtopzieners op de Hoge Veluwe de vrees uit dat de wilde zwijnen een moeilijke winter tegemoet zouden gaan omdat door de extreme droogte de eiken en beuken te kleine of te weinig vruchten vormden. En zie wat er gebeurde: de regens kwamen en de productie van eikels en beukennootjes is momenteel massaal!

Onvruchtbare bladeren zijn te herkennen door de vlakke deelblaadjes. De randen zijn niet omgekruld.

Een bijdrage aan deze website kan natuurlijk niet bestaan zonder meer informatie te geven over de plant waar we het over hebben. De adelaarsvarenfamilie kent in Nederland slechts één soort. Namelijk de Adelaarsvaren. Wereldwijd zijn er ongeveer honderd vertegenwoordigers van de familie. Zij groeien op één uitzondering na allemaal in de tropen. De enige uitzondering is de Adelaarsvaren die wij kennen en die in heel Europa voorkomt.

Kenmerkend voor de plant is dat alle bladeren, op enige afstand van elkaar, ontspringen uit een uitgebreid ondergronds wortelstelsel. De bladeren vormen dus geen pol of stoel waarbij alle bladeren vanuit één centraal punt groeien. Elke bladsteel staat op “enige afstand” van de andere bladstelen.

Alle bladeren van de Adelaarsvaren ontspringen op enige afstand van elkaar, uit de wortelstok.

Als een bladsteel aan de onderkant schuin wordt doorgesneden vormen de vaatbundels een patroon dat doet denken aan het dubbele vliegbeeld van een adelaar.

Om tot volle wasdom te komen heeft de plant licht nodig. Reden dat grote populaties vaak aan de bosrand en open stukken grond te vinden zijn. De grote bladeren schermen het licht volkomen af waardoor er geen of nauwelijks ondergroei kan plaatsvinden. De bladeren worden meestal tot 1,80 m hoog maar uitzonderingen tot over 3,5 m zijn bekend. De Adelaarsvaren bevat giftige stoffen waardoor de humus die ontstaat door afgestorven bladeren, voor veel planten giftig is. Ook daardoor krijgen planten en jonge boompjes geen kans te ontkiemen en de strijd aan te gaan met de Adelaarsvaren. De giftige stoffen kunnen ook bij de mens leiden tot tumoren die tot kanker kunnen leiden. Desondanks worden in verschillende landen jonge loten als groente gegeten.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde

De ene eikvaren is de andere niet

De eikvaren is al eerder voorbij gekomen op Stadsplanten – De urbane flora van Nederland. Zie de bijdrage van Ton Denters over eikvarens op bomen. De reden om opnieuw aandacht te besteden aan de eikvaren is dat het afgelopen jaren in Amersfoort gericht onderzoek is gedaan naar de verschillende soorten.

De afgelopen drie jaar heb ik onderzoek gedaan naar het voorkomen van verschillende varensoorten in Amersfoort. Dat heeft geresulteerd in een uitgebreid rapport over de muurvarens op de kademuren in de wijk Vathorst en een rapport van de Werkgroep Wilde Planten van de KNNV, Afdeling Amersfoort over de flora en fauna op de begraafplaats Rusthof. Beide rapporten zijn terug te vinden op internet. In het verslag over de begraafplaats Rusthof is een voorpublicatie van mijn hand opgenomen over een varenonderzoek dat op de begraafplaats wordt uitgevoerd. In het onderzoek, dat nog steeds loopt, is onder andere gekeken naar het voorkomen van de eikvaren. Deze varensoort is ook rijkelijk aanwezig op de kademuren van de binnenstad van Amersfoort.

De eikvaren gedijt uitermate goed op de grachtenmuren van de binnenstad van Amersfoort

Soorten

Eikvarens zijn, in vergelijking met andere varensoorten, eenvoudig te herkennen. Zij zijn, in tegenstelling tot de meeste andere varen families, enkelvoudig geveerd. Alle blaadjes zijn aangehecht aan de bladsteel en zijn niet verder ingesneden waardoor deelblaadjes ontstaan. Verder zijn de sporenhoopjes geplaatst op de achterzijde van de bladeren. Dit in tegenstelling van b.v. Dubbelloof waar de sporen op aparte vruchtbare bladeren staan. De bladstelen zijn glad en hebben geen schubben.

Wereldwijd telt de eikvaren familie meer dan duizend soorten maar in Nederland maar twee en één kruising. Zij groeien zowel op de grond ( terrestrisch ), op bomen (epifytisch) als op rotsen (lithofitisch). Dat is ook in Nederland zo. Eikvarens hebben kruipende wortelstokken waaruit ieder jaar opnieuw nieuwe loten groeien. De wortelstokken kunnen een dicht netwerk vormen waardoor je vaak vele eikvarens dicht bij elkaar ziet staan. Soms in cirkels met een doorsnede van anderhalve meter of meer.

Via wortelstokken kunnen eikvarens grote “plakkaten” vormen zoals hier op een graf van de begraafplaats Rusthof in Amersfoort

Er zijn in Nederland twee soorten eikvarens bekend en één kruising. Het gaat om de Gewone eikvaren (Polypodium vulgare), de Brede eikvaren (Polypodium interjectum) en de kruising tussen deze twee de Bastaardeikvaren (Polypodium x mantoniae). In het veld zijn er wel veldkenmerken die kunnen wijzen in een bepaalde richting als het gaat om determinatie van de planten, maar het zijn niet meer dan aanwijzingen. Met welke eikvaren je echt van doen hebt kan alleen maar worden vastgesteld met microscopisch onderzoek of door metingen van het celkerngewicht of dna-onderzoek. In dit artikel geven we eerst een aantal veldkenmerken van de verschillende soorten om daarna dieper in te gaan op het microscopisch onderzoek. Het onderzoek naar celkerngewicht of dna blijft buiten beschouwing omdat floristen dat niet zelf kunnen uitvoeren.

Gewone eikvaren of Brede eikvaren

De Gewone eikvaren is ruimschoots de meest voorkomende eikvaren in Nederland. De Brede eikvaren wordt beduidend minder vaak aangetroffen. De flora van Heukels waagt zich niet aan onderscheidende kenmerken in het uiterlijk van de twee soorten. Standaardwerken als ‘The Ferns of Britain and Ireland’ en ‘The Fern guide’ doen dat wel maar mijn ervaring zegt dat de meeste mensen daar in het veld weinig aan hebben. Alleen floristen met een grote ervaring in het determineren van varens zullen de verschillende soorten op het oog herkennen. Voor mij is duidelijk dat er één kenmerk is dat een duidelijke aanwijzing kán zijn. Dat is de vorm en de kleur van de sori (sporenhoopjes).Rond en bruin bij de Gewone eikvaren. Ovaal en oranjekleurig bij de Brede eikvaren. Maar nogmaals het is niet meer dan een mogelijke aanwijzing! Te vaak blijkt uit microscopisch onderzoek dat je vermoeden op basis van dit gegeven niet uitkomt. De bastaardvaren (Polypodium x.mantoniae) is een kruising van de Gewone en Brede eikvaren en heeft dus kenmerken van beide ouders.

Microscopisch onderzoek

Onderzoek onder de binoculair geeft veel meer zekerheid. Een sterke vergroting is wel gewenst. De aandacht moet zich richten op de sporangiën – de sporenkapsels waarin zich te sporen bevinden – en op de sporen zelf. Elk sporenkapsel wordt omgeven door een ring (annulus) van een aantal verdikte cellen. Deze cellen zorgen er voor dat aan het einde van de rijpingstijd een sporenkapsel openklapt, net als bij springzaad, waardoor de sporen naar buiten toe wegschieten. Aan de voet van deze ring, naast de steel van het sporenkapsel, bevinden zich één of meer onverdikte cellen. Vind je maar één onverdikte cel dan heb je te maken met de Gewone eikvaren. Zijn er twee of meer onverdikte cellen dan gaat het om de Brede eikvaren of de Bastaardeikvaren. Sporenonderzoek kan dan uitwijzen om welke soort het gaat.

Links Brede eikvaren met twee basale cellen en rechts de Gewone eikvaren met één basale cel (foto Wim de Winter)

De Brede eikvaren vormt normaal gesproken vruchtbare sporen. Deze zijn gelig van kleur. De Bastaardeikvaren is een hybride die onvruchtbare sporen vormt. Deze zijn veelal grijs van kleur. Vaak komen daarbij ook misvormde sporen voor. Een sporenkapsel met ten minste twee onverdikte annulicellen met vruchtbare sporen wijst dus op de Brede eikvaren. Een sporenkapsel met ten minste twee onverdikte annulicellen en onvruchtbare sporen wijst op de Bastaardeikvaren. Bij twijfel kan alleen dna onderzoek of onderzoek naar het celkerngewicht in het laboratorium uitsluitsel geven.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.
Joop de Wilde

Knopherik – zaden met een wespentaille

Herik, Knopherik en Zwaardherik zijn allemaal leden van de Kruisbloemenfamilie maar behoren niet tot één en hetzelfde geslacht. Herik behoort tot het geslacht Sinapis (Mosterd), Zwaardherik tot het geslacht Eruca en Knopherik tot het geslacht Raphanus (Radijs).

De gewone Herik heeft heldergele bloemen en lijkt qua voorkomen veel op andere gele kruisbloemige zoals Raapzaad, Mosterd en Koolzaad. De bloemen van Knopherik en Zwaardherik kunnen in kleur variëren van geel tot violet, blauwachtig tot bijna paars of wit.

In de kroonbladen van Knopherik en Zwaardherik zijn de nerven goed zichtbaar

Herik onderscheiden van Knopherik is niet zo moeilijk. De bladeren, de kelkbladen en vooral de vruchten verraden de soort. Herik heeft aan de bovenzijde smalle bladeren die niet zijn ingesneden. Bij knopherik is sprake van liervormige ingesneden bladeren. Bij Herik staan de kroonbladen, die naar onder toe sterk versmallen, vrij van de afstaande kelkbladen. Bij Knopherik omsluiten de kelkbladen de kroonbladen. Het verschil wordt helemaal duidelijk op het moment dat er vruchten gevormd worden. Bij Herik is sprake van een relatief gladde hauw. Bij Knopherik zie je dat rond elk boontje in de vrucht de hauw sterk is ingesnoerd. Zwaardherik tenslotte is herkenbaar aan de snavel, aan het eind van de vrucht, die sterk is afgeplat. Bij Herik en Knopherik is de snavel rond.

Herik en Knopherik zijn typische oude onkruidgewassen die in het verleden veel groeiden tussen granen en bieten op de akkergronden. Vandaag de dag tref je de planten ook binnen de stad aan in bermen en vooral op verstoorde, voedselrijke grond. Knopherik lijkt sterk op radijs en kan daar zelfs mee kruisen. Het is niet voor niets dat Knopherik ook wel Wilde radijs wordt genoemd.

Knopherik ontleent zijn naam aan de vorm van de vrucht. Het is een hauw – een doosvrucht die minstens drie maal zo lang is als breed. Bij Knopherik is de hauw rond elke zaadje ingesnoerd – zoals we dat kennen bij vormen van wespentailles. Als een hauw rijp is springt de vrucht open zoals kleppen die open gaan. Bij Knopherik verloopt het proces anders. Als de vrucht rijp wordt worden de insnoeringen, die zo kenmerkend zijn voor Knopherik, steeds strakker. Uiteindelijk breekt de hauw op de insnoeringen uiteen en vallen de zaden in aparte cellen op de grond.

Knopherik ontleent zijn naam aan de ingesnoerde hauwen.

De zaden zijn zeer kiemkrachtig. In de grond kunnen zaden wel vijftig jaar vruchtbaar blijven. Dat maakte Knopherik in het verleden tot een lastig te bestrijden onkruid in akkers. Elke keer opnieuw kwamen met het ploegen nieuwe zaden aan de oppervlakte die zich goed ontwikkelden. Zelfs zo erg dat graanvelden soms geel zagen van Herik en Knopherik.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde