Home » Deventer

Tag: Deventer

Postelein - bloeiwijze

Postelein, eten van twee walletjes

Deze bijdrage over Postelein had zomaar als subtitel ‘eetbaar’ op straat kunnen hebben’. Immers de wetenschappelijke soortaanduiding voor Postelein (Portulaca oleracea), ‘oler acea’ betekent letterlijk ‘als groente te gebruiken’. Dat is ook wat er gebeurt, en dan met name in het Middellandse Zeegebied waar Postelein een zeer gewaardeerde groente is. Hij kan op diverse manieren gegeten worden. Als salade, bijvoorbeeld een Griekse versie waarbij postelein vergezeld gaat met tomaat, ui, oregano, knoflook, feta en olijfolie, of klaargemaakt als spinazie. De smaak is lichtzurig door oxaal- en malaatzuur, hierover later meer.

Postelein staat ondermeer beschreven in de Stadsflora van de Lage Landen, waar vermeld wordt dat warme zomers zorgen voor meer Postelein. Dan tiert de plant welig zoals in de Oecologische Flora 1:177 staat. Dat zou wel eens kunnen kloppen, hij was werkelijk overal te zien de afgelopen jaren. In Deventer heb ik Postelein vanaf de zomer van 2017 in diverse straten zien verschijnen.

De bloemen van Postelein zijn maar een deel van de dag te bewonderen en wel slechts een uur of vijf op zonnige voormiddagen.
Postelein is een plant met een gaffelvormig vertakte stengel die matten vormt op de grond, het ‘grondstermodel’. Afgebroken stengelstukken kunnen opnieuw wortelen. Standplaatsen zijn hakvruchtakkers, moestuinen, ruderale plaatsen, droogvallende rivieroevers, grindpaden en het stedelijk gebied. Voorwaarden zijn goed doorlatende, warme plaatsen.

Postelein - habitus
Postelein – habitus

Postelein is eigenlijk een heel bijzondere plant. Postelein beschikt namelijk over twee mechanismen om te ‘leven van de lucht’. Deze mechanismen komen veel voor bij soorten uit tropische en subtropische gebieden. Bekend is C4 als mechanisme bij veel grassen. CO2 wordt daarbij vastgelegd in een molecuul met vier koolstofatomen, dit in vergelijking met C3 waarbij, jawel CO2 in een 3-tallig koolstofatoom wordt vastgelegd.
C4 werkt alleen goed als er veel lichtenergie beschikbaar is, wat over het algemeen ook neerkomt op hogere temperaturen. Naast C3 en C4 hebben vooral de vetplanten nog een mechanisme, te weten CAM (Crassulacean Acid Metabolism). Dit werkt vooral ‘s nachts als vetplanten hun huidmondjes openen om CO2 op te nemen zodat vochtverlies overdag zo veel mogelijk wordt beperkt. CO2 wordt bij dit proces gebonden aan een appelzuur genaamd malaat. Dat verklaard ook de zurige smaak van Postelein.
Het bijzondere van Postelein is dat het van C4 naar CAM overgaat in tijden van droogte. Dit is duidelijk een mechanisme om extreme omstandigheden te overleven en geeft een groot voordeel ten opzichte van soorten die slechts C3 of C4 als mechanisme hebben. Er zijn weinig soorten die beide mechanismen gebruiken om suikers te maken. Meestal is het namelijk één van de mechanismen: vandaar eten van twee walletjes.

Postelein op warme plekken in een straat

De informatie over Postelein op waarneming.nl en op verspreidingsatlas vermeldt dat de soort ‘algemeen gekweekt wordt als groente en nu en dan, echter zeldzaam, verwilderd kan worden gevonden’. Twee tabbladen verder (de kaart) laat een ander beeld zien, niet zeldzaam zou ik zeggen en toch best duidelijk gebonden aan stedelijke gebieden. Je zou het onbestendig kunnen noemen vanwege het feit dat de soort het vooral goed doet in warme zomers. Zeker de laatste tien jaar is Postelein verre van zeldzaam, zo kan uit het kaartmateriaal worden opgemaakt. Alleen in het noordelijk zeekleigebied is Postelein een zeldzame verschijning en daar hoofdzakelijk gebonden aan het stedelijke gebied.

Het gaat overigens niet om een duidelijk afgebakende soort maar om een groep van microsoorten. Dumortiera 106 uit 2015 geeft een mooie overzicht en verder leesmateriaal voor de op dat moment bekende microsoorten van P. oleracea agg. in België. Als je hiervoor gaat, dan is het vooral zaak om de zaden goed te besturen.

Ter info, op de site ‘vakartikels‘ staat een lijst met de betekenis, verklaring en oorsprong van Latijnse/ wetenschappelijke plantennamen.

Bronnen:

Plat beemdgras aan de Wellekade

Plat maar toch niet in de beemd

Beemd is een Nederlands begrip dat ver teruggaat in de geschiedenis en volgens het etymologisch woordenboek een samenvoegsel is van ‘ban’ en ‘made’. Niet meer gebruikte woorden voor respectievelijk rechtsgebied en weide. Dat samengevoegd wordt het een gemeenschappelijke weide, meestal gelegen naast een waterloop (bron: etymologiebank.nl).

Beemd is echter ook een deel van een geslachtsnaam, te weten Beemdgras als Nederlandse naam en Poa voor de wetenschappelijke aanduiding. Poa is een vrij groot geslacht met ca. 500 soorten die vooral in de gematigde streken van beide halfronden te vinden zijn. Veelvuldig in die beemden, denk aan Ruw beemdgras en Veldbeemdgras. Nu is beemd niet direct een landschapstype dat je in de stad vind. Toch zijn er diverse soorten die geregeld in de stad te vinden zijn. Straatgras (Poa annua) is de bekendste.  Het is een eenjarig beemdgras en werkelijk overal te vinden.

Er zijn ook meerjarige beemdgrassen; één daarvan is Plat beemdgras (Poa compressa). De soort is gebonden aan matig voedselrijke, basische en kalkhoudende, vaak stenige grond. Limburg en langs de rivieren, zijn de plaatsen waar Plat beemdgras te vinden is. En op spoorwegen en in steden. In steden is het o.a. op muren te vinden.

Plat beemdgras verdraagt maaien slecht en dat is nu net wat er op de meeste muren niet echt gebeurd. In Deventer zijn diverse plaatsen te vinden waar Plat beemdgras soorten als de Muurbloem (Erysimum cheiri) en Muurvaren (Asplenium ruta-muraria) begeleidt. O.a. aan de Wellekade, de kademuur waar ook de IJssel regelmatig, bij hoog water, zijn invloed doet gelden. Ook op en naast het ballastbed van een deel van een oude spoorlijn is veel Plat beemdgras te vinden.

Detail van bladschede van Plat beemdgras
Detail van bladschede van Plat beemdgras

Het herkennen van grassen wordt over het algemeen als moeilijk ervaren en sommige floristen wagen zich dan ook niet aan grassen. Plat beemdgras is m.i.

Plat beemdgras
Plat beemdgras (habitus) op een stoeprandje naast een oude spoorweg.

toch wel één van de gemakkelijk te herkennen soorten, zeker binnen het geslacht Poa. Plat beemdgras is te herkennen aan de blauwachtige kleur en zeker aan de bloeistengel, die sterk is afgeplat. Verder is de bloeiwijze vrij compact, met korte aren. Opvallend is ook dat bladschede van het bovenste blad even lang of langer is dan het blad.

Plat beemdgras is inheems in Eurasië en gedraagt zich buiten zijn natuurlijke verspreidingsgebied als een invasieve exoot, althans volgens USDA. Andere bronnen zijn meer lovend over de soort die in de VS en Canada ‘Canada bleugrass’ wordt genoemd. Zo wordt het uitgezaaid samen met vlinderbloemigen om voormalige mijnbouwgrond te herplanten en tevens wordt het gebruikt als plant om erosie langs wegen, dammen en recreatiegebieden tegen te gaan. Die andere, meestal niet zo goed zichtbare, eigenschap van Plat beemdgras wordt dus zeer gewaardeerd. Plat beemdgras vormt namelijk een dichte wortelmat en er zijn blijkbaar prima ervaringen opgedaan ter voorkoming van erosie. Ondanks dat het een invasieve soort is in de VS en Canada, is de Fire Effects Information System wel te spreken over Plat beemdgras.

Hertshoornweegbree, van zoutminner naar… stadsminner, naar …sterrengras

Hertshoornweegbree op een verlaten spoor
Hertshoornweegbree op een heringericht industrieterrein in de binnenstad van Deventer

In haar bijdrage van februari 2020 heeft Willemien Troelstra de term Stoeptegelspleetplant geïntroduceerd. Een groot aantal stedelijke soorten behoort tot deze categorie planten. Er is immers geen andere verbinding met de ondergrond mogelijk anders dan de voegen tussen de diverse soorten bekleding. Hertshoornweegbree (Plantago coronopus) is er ook vaak te vinden zoals hier langs een oud deel van een spoorbaan op een reeds lang verlaten industrieterrein in de binnenstad van Deventer. Het terrein, met aan de rechterkant industriële complexen, is onderdeel van het gebied waartoe ook het vermaarde Pothoofd behoorde.

Een typische Natura-2000 soort volgens verspreidingsatlas. Kensoort van de Zeevetmuur-klasse, die de pionier plantengemeenschappen omvat die voorkomen op de grens van zout/nat en zoet/droog in het kustgebied (Bron: verspreidingsatlas).

bladeren Hertshoornweegbree
Bladeren Hertshoornweegbree

Sinds het grootschalig gebruik van pekelzout, ergens vanaf de jaren 70 van de vorige eeuw, heeft deze soort van de kust kans gezien het binnenland te bereiken. Net als enkele anders soorten uit de genoemde pioniergemeenschappen. Deens lepelblad is een ander voorbeeld.

Hertshoornweegbree heeft het echter wat rustiger aan gedaan in vergelijking met die Deens lepelblad. Althans, daar lijkt het op. Ik heb niet dezelfde analyse gedaan, maar Hertshoornweegbree lijkt veel later het binnenland te hebben gekoloniseerd en langzamer. Echter wel een stuk rigoureuzer, afgaande op de verspreidingskaartjes. Waar Deens lepelblad alleen direct langs de grotere wegen voorkomt is, Hertshoornweegbree vrijwel overal in de stad te vinden. Tot in het stadscentrum van Deventer, de Brink aan toe. Hertshoornweegbree kan eigenlijk overal wel worden gevonden, is de ervaring. Ook op plekken waar naar verwachting niet met zout wordt gestrooid, zoals plekken direct langs de rivier waar geen gemotoriseerd verkeer kan komen.

Hertshoornweegbree is zoals gezegd een weegbree, Plantago dus. De bloeiwijze vertoont veel gelijkenis met die van de veel gewonere Grote weegbree (Plantago major) en Smalle weegbree (Plantago lanceolata). Ook de gelijkenis met de veel zeldzamere Zeeweegbree (Plantago maritima) is groot.

In alle gevallen is ze gemakkelijk te herkennen aan de bladeren die zeker als ze wat groter zijn, voorzien zijn van zijslippen, die soms ook weer van zijslippen zijn voorzien, waardoor ze veerspletig zijn. De zijslippen geven hem zijn wetenschappelijke naam. Coronopus is latijn voor kraaienpoot wat in combinatie met Plantago (=voetzool) een bijzondere combinatie geeft, de zool van een kraaienpoot! De bladeren zijn het hele jaar door te vinden en vormen vaak rozetten die als groene sterren te vinden zijn.  De planten kunnen op onbetreden plaatsen best groot: in de breedte zomaar met een diameter van 30 cm, en tot 30 cm hoog worden.
Verspreidingsatlas stelt dat de planten ‘met mate betreding verdragen’, toch is deze overal te vinden, zelfs op druk belopen/bereden stukken. Groot wordt Hertshoornweegbree dan niet. Soms moet je door de knieën om hem te herkennen, zo klein zijn de plantjes dan.

Hertshoornweegbree tussen de kinderkopjes
Hertshoornweegbree tussen de kinderkopjes

Hertshoornweegbree kan zeer goed worden gegeten. In de Italiaanse keuken wordt het Erba Stella, Herba Stella of Minutina genoemd.  Het wordt geroemd om zijn mild notige smaak en een knapperige structuur. Het doet denken aan peterselie, spinazie of groene kool. De volksnaam is vrij vertaald ‘sterrengras’.
Vanaf 1586 wordt het genoemd als een groente. Het is een typische onderdeel van salades bestaande uit wilde en gecultiveerde groenten die bekend is onder de naam misticanza, ofwel wilde groenten, uit de Marche regio in het midden van Italië aan de Adriatische zee.

Het is een ideaal gewas om in onverwarmde kassen of zelfs in de volle grond in de wat koelere delen van de wereld te telen. Het verdraagt matige vorst en kan gedurende de hele winter in gematigde streken worden verbouwd.

De soort is inheems in Eurazië en Noord-Afrika en sinds de kolonisatie van Amerika ook in daar een voorkomende soort. De kolonisten gebruikten Hertshoornweegbree als medicinale plant tegen ‘koortsen’ en gebruikten de bladeren in gelatines.

Bron: seedaholic, motherearthnews

 

 

Groeiplaats Aziatische veldkers

Een Veldkers in een bloembak

In deze tijd,maart, van het jaar zijn er allemaal kleine plantjes met witte bloemen te zien. Veldkersen behoren daar in ieder geval toe.

Veldkersen behoren toch wel tot de koplopers van de vroegbloeiers met als laatbloeiers de Pinksterbloem (Cardamine pratensis) en de veel zeldzamere Bolletjeskers (Cardamine bulbilifera). Maar die zijn niet zozeer aan de stad gebonden. Een soort die ik vooral van de stad ken, is de Aziatische veldkers (Cardamine occulta), en niet te vergeten de Kleine veldkers; al komt die eigenlijk wel overal voor.
Intrigerend is natuurlijk direct de wetenschappelijke naam, occulta, wat overigens niet een heel spannende verklaring heeft en verstoppen, geheim of mysterieus betekent.
Is dat misschien de oorzaak dat de soort vaak over het hoofd wordt gezien? Aziatische veldkers is waarschijnlijk sinds 2009 in Nederland te vinden.

Groeiplaats Aziatische veldkers
Groeiplaats Aziatische veldkers

detail blad
detail blad Aziatische veldkers

Kleine veldkers is een heel rank opstijgend plantje. Een rozet, een wat ijl setje bloemen met ver daarboven uitstekende hauwen. Bosveldkers heeft lang geveerd blad en heeft een ‘kroontje’ van bloemen en hauwen die meestal niet ver boven de bloeiwijze uitsteken. Voor de volledigheid zijn een paar foto’s van beide soorten opgenomen.

Kleine veldkers
Kleine veldkers

Bosveldkers
Bosveldkers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Samenvattend, kijk in bloembakken in de stad. Vind je een veldkers zonder rozet, zonder enkelvoudige haren op het blad, bloemen met 6 meeldraden, 3-lobbige bladeren en een wat warrige habitus, dan heb je met de Aziatische veldkers te maken.

Van kust naar binnenland

Van kust naar binnenland.

Wat heeft dat met de stad te maken kan worden afgevraagd? Onder binnenland valt ook binnenstad. Wat betreft Deventer ligt dat behoorlijk ver in het binnenland. Wat betreft planten zijn een aantal typisch kustsoorten tot in de binnenstad te vinden.  Denk bijvoorbeeld aan een typische kustsoort als Deens lepelblad.
Voor de nog uit te geven Stadsflora van de Lage landen had de schrijver mij gevraagd om eens wat gegevens te gaan bekijken van een aantal soorten, waaronder Deens lepelblad (Cochlearia danica). Uiteindelijk is deze soort als een van de soorten die wat extra aandacht krijgen uit de selectie gevallen. Ik was echter al aan de slag gegaan en vond het zonde om die inspanning niet om te zetten in, bijvoorbeeld, een bijdrage aan deze blog.
Deens lepelblad is in Deventer al bijna in de oude binnenstad aanwezig, zoals de volgende foto laat zien.

Deens Lepelblad
Deens Lepelblad op de rand van het stadscentrum (Handelskade) in Deventer. 500 meter in de kijkrichting is de singel rondom het centrum van Deventer.

Data over verspreiding van Deens lepelblad

De vraag van de schrijver van de Stadsflora van de Lage Landen was: is het mogelijk om verspreidingskaatjes van soorten te maken in zowel Nederland als Vlaanderen? De Stadsflora van de Lage landen behandelt naast Nederlandse stand ook een aantal steden in Vlaanderen. Aanvullende vraag was: is het mogelijk om een aantal overzichtskaartjes te maken van de verspreiding in de tijd van die soort in zowel Nederland als Vlaanderen? Dat zijn de leuke vragen voor een florist met GIS ervaring. Maar waar haal je de data vandaan? Eigenlijk is er maar een bron die open data beschikbaar maakt en dat is de GBIF, ofwel de Global Biodiversity Information Facility. Via GBIF is het mogelijk om gegevens van een bepaalde soort te downloaden voor een bepaalde periode voor een opgegeven interessegebied. Nu, Nederland en Vlaanderen dan maar. Tot mijn verbazing gaan de oudste gegevens terug tot 1850 voor Vlaanderen. Die standaardisatie heeft als voordeel dat alles geüniformeerd is, dus ook het coördinaatstelsel. Hier wordt verder niet op ingegaan omdat dat totaal niets met de soort te maken heeft, maar het maakt voor het maken van kaartjes nogal wat uit, het maak het gemakkelijker.

Die gegevens maken het mogelijk om in de tijd te gaan kijken wat er gebeurd in termen van verspreiding. Deze optie is ook in de verspreidingsatlas te vinden is. Met het schuifje aan de linkerkant van de kaart is het mogelijk door de ‘tijd te lopen’. Alleen ben je als gebruiker dan wel afhankelijk van wat er in Nederland gebeurd. Goed, als je een beetje handig bent is het mogelijk om dat van de soort over de hele wereld te doen, of zoals in dit geval, voor Vlaanderen en Nederland. Dan valt op dat Deens lepelblad rond 1900 alleen aan de kust werd gevonden. In Nederland alleen op Texel en vanaf 1850 zijn waarneming in de GBIF database voor Vlaanderen beschikbaar.

Alle kaartjes toevoegen aan deze blog is een beetje saai. Echter een aantal kaartjes achter elkaar geplakt, maakt een filmpje. Ik geloof het eerste filmpje op deze blog. Planten bewegen, zij het in de tijd en niet als individu, maar als soort.
Hieronder een video van de verspreiding van Deens lepelblad over Nederland en Vlaanderen van 1900-2020.

Eigenlijk gebeurd er de eerste 60 jaar niet veel. Een paar waarnemingen langs de kust. Dan gaat het snel. Vanaf 1970 is op grote schaal gladheidsbestrijding gestart met als gevolg dat het voor planten, met een zekere zouttolerantie, mogelijk wordt om naar het binnenland te migreren. Dat geldt ook voor Deens lepelblad.
Er is slechts een maar aan die data van GBIF. De gegevens zijn geaggregeerd naar 4 km resolutie. Ofwel, eigenlijk zie je de snelwegen er niet echt goed uitkomen, dat is wel een beetje jammer. Als wordt ingelogd op verspreidingsatlas.nl en er wordt naar 1 km hok niveau geschakeld, dan is heel duidelijk te zien dat verspreiding langs snelwegen gaat, zoals bijgaande figuur laat zien.

Verspreidingskaartje Deens Lepelblad
Verspreidingskaartje Deens Lepelblad (1975-1999)

De soort

Deze laagblijvende en witte kruisbloemige kwam tot voor 1950 vrijwel uitsluitend voor langs de kust. Deens lepelblad is door zijn standplaats, voedselrijke, iets zilte, vaak kalkhoudende grond, van de twee andere soorten lepelblad de meest voorkomende. Echt lepelblad (Cochlearia officinalis subs. officinalis) en Engels lepelblad (Cochlearia officinalis subs. anglica) hebben striktere eisen en gaan vooral achteruit door verzoeting (Bron: verspreidingsatlas).

In het kustgebied is het mogelijk de drie soorten tegelijk aan te treffen. Dan is het zaak goed te kijken naar de kenmerken, die hieronder in een tabel zijn samengevat (bron verspreidingsatlas.nl).

Zoutplant of zouttolerant?

Vaak wordt de term zoutplant gebruik. Echter, zout is ronduit giftig voor alle organismen en er zal altijd voor gezorgd worden dat zout buiten de cellen blijft. Dat er dan toch planten kunnen groeien op plaatsen met veel zout, heeft te maken met verschillende strategieën die planten hebben om dat zout kwijt te raken of te voorkomen dat het vocht onttrekt aan de cellen.  Planten die dat goed kunnen hebben een voorsprong op andere planten waardoor hun concurrentiepositie toeneemt en deze soorten op plaatsen met zout net iets beter groeien en zich voortplanten dan andere soorten. Dat geldt zeker ook voor Deens lepelblad, gezien het succes tot ver in de binnenstad.

detail Lijmkruid

Plakkend hemelroosje

Rotstuinen en straattegels, wat is het verschil? Eén van de kenmerken van de stedelijke omgeving ook, dat ‘rotsige’. Zo ook daar in een bepaalde hoek, waar ik bij het langsfietsen altijd even wat langzamer ga. Het is altijd een boeiend hoekje, bij een flat in een net afgebouwde wijk. Beetje rommelig, veel nieuw materiaal voor bestrating, tuinen en bloembakken. Zoals wel vaker gebeurt knoeit men dan wel eens wat. Deze keer een Silene, dat was vrij snel duidelijk.

Maar dan. Volgens Blumen in Schwaben zijn er zo’n 720 soorten Silenes, of, zoals ze in het Duits heten Leimkraut. Dus …. gelukkig is daar altijd weer de gemeenschap van plantenkenners, want via de genoemde site is deze niet te vinden. Lijmkruid dus, of zoals ze op de site van de tuinen van Appeltern ook wel genoemd wordt Hemelroosje. Vandaar ook de titel ‘plakkend hemelroosje’. Ah, nog veel meer alternatieve namen, zoals Caucasian champion (Kaukasische silene), Autumn catchfly (Herfstsilene) en Persian carpet in het Engels. Dat zegt het een en ander over herkomst, bloeitijd en levensvorm. Van oorsprong dus een soort uit de Kaukasische regio, van Azerbeidzjaan tot aan een aantal noordelijke Iraanse provincies.
De bloeitijd loopt van juli tot in de herfst. De soort heeft liggende tot opstijgende stelen die 25-30 cm lang kunnen worden. Persian carpet is in een optimale situatie als meerjarige planten een deken over rotsen vormen. Het is een opvallende plant met tot 1 cm felroze bloemen en een lange, met klierharen bezette kelk. De kelk heeft meestal 10 paarse tot roze nerven en is tot 2.8 cm lang.

overzicht lijmkruid
Lijmkruid in de stad

Volgens Alien Plants of Belgium een soort die zelden wordt gevonden. Voor het eerst gevonden in 2002 in Luik en door Denters in 2004. Sinds 2012 ook in diverse steden in Vlaanderen. Voor Nederland geldt sinds 2004 in 16 km hokken gevonden, met als zwaartepunt Amsterdam (verspreidingsatlas).

Helaas heb ik laatst moeten constateren dat er iets te goed is schoongemaakt rondom de verkeersborden. Dus de soort is inmiddels weer verdwenen uit Deventer.

Bronnen:

 

 

 

Mottenkruid, detail bloem

Gelijkend op een mot

Volgens een Amerikaanse site is de naam Mottenkruid afkomstig van gelijkenis van de meeldraden met de antennen van een mot! De etymologische verklaring van de wetenschappelijke naam Verbascum blattaria is misschien nog wel specialer. Verbascum is een verbastering van barbascum = gebaard. Het zijn planten bedekt met vilt en voorzien van gebaarde meeldraden. Zie ook detailfoto van de bloemen. Blattaria komt van het Latijnse blatte = kakkerlak. Een extract van Mottenkruid schijnt een goed middel tegen kakkerlakken te zijn. Zie Engelstalig wikipedia- artikel. In de Oecologische Flora (deel 3, pagina 200) staat een wat ander verhaal. Kakkerlakken zouden graag in de afgevallen bloemen kruipen, zodat met het opvegen van afgevallen bloemen gelijk alle kakkerlakken zijn verwijderd.

Mottenkruid is van de familie van de Helmkruiden (Scrophulariaceae). Zeker goed te zien aan de zaden die een mooi bolletje vormen.

Mottenkruid, rijpe zaden
Mottenkruid met rijpe zaden

Mottenkruid, vruchtbeginsel
Mottenkruid, vruchtbeginsel

Het is een tweejarige plant, startend met een wortelrozet en in het tweede jaar een lange bloeistengel met tientallen bloemen.  De plant is van onder naar boven bezaaid met klierharen, tot op vruchtbeginsel aan toe. Mottenkruid kan zowel gele als witte bloemen hebben. In het geval van gele bloemen, is het de aanbeveling om goed te kijken naar de andere kenmerken: te weten de grootte van de bloemen en de grootte van de plant in het algemeen. Waar Mottenkruid meestal minder hoog is dan 1.20 meter is er het Beklierde mottenkruid dat tot 2 meter kan worden, met 3-4 centimeter grote bloemen. Deze uit het zuiden afkomstige soort wordt met enige regelmaat waargenomen, vooral op plaatsen met aangevoerde grond. Meer informatie en diagnostische kenmerken zijn te vinden op Alienplantsbelgium.be.

Mottenkruid is een van oorsprong inheemse soort. De soort is volgens verspreidingsatlas een vrij zeldzame soort en soortenbank.nl rept zelfs over zeer zeldzaam in het Gelders district en elders onbestendig of adventief en uitgezaaid. De Oecologische flora schrijft dat “Mottenkruid nauwelijkse tot de Nederlandse inheemse flora gerekend kan worden”.

Op de vindplaats is inzaai is niet erg waarschijnlijk: geen huizen en geen groenstrook.  Het is er op de een of andere manier terechtgekomen. De standplaats in Deventer voldoet echter wel heel erg aan zijn natuurlijke voorkeurshabitat, te weten kalkrijke stenige en voedselrijke plaatsen. Diverse planten staan er in een regengoot aan de voormalige binnenhaven van Deventer.

Mottenkruid, groeiplaats
Mottenkruid, groeiplaats

Bijzonder overigens dat Waarneming.nl op de soortbeschrijving weet te vermelden dat de soort vooral op klei voorkomt, terwijl het kaartje op verspreidingsatlas een redelijk gelijkmatig verspreiding over Nederland laat zien. De bijbehorende tekst vermeldt, zonnige, warme, open plaatsen op droge, matig voedselrijke, kalkhoudende grond (zand en stenige plaatsen). Deze laatste beschrijving is gelijk aan die van de Heukels’ (23ste druk).

Deze blog begon met een citaat uit een Amerikaanse site. In de Verenigde Staten is de soort sinds begin 19de eeuw een exoot; voor het eerst in 1818 in Pennsylvania. Wij hebben het vaak over exoten vanuit Amerika, maar andersom gebeurd natuurlijk ook. Mottenkruid is daar een mooi voorbeeld van.

Bron: o.a. Nederlandse Oecologische Flora, 3, Weeda et al, 1988

Mosbloempje

‘Mossig steengewas’

‘Mossig steengewas’ is de letterlijke vertaling van de Engelse naam: Mossy stonecrop, van het Mosbloempje (Crassula tillaea). Dit vanwege het vermogen om op schijnbare kale stenen ondergrond te groeien. Een vermogen dat meer leden van de orde van Saxifragales hebben, denk aan Muurpeper.
Van de familie Crassula hebben we er in Nederland twee, de Watercrassula (Crassula helmsii) en het Mosbloempje. Watercrassalula is een ontsnapte soort uit vijvers en aquaria en oorspronkelijk uit Australië, Tasmanië en Nieuw Zeeland. Meer informatie over deze soort is te vinden in de factsheet over Watercrassula van DAISIE en via de Veldgids invasieve waterplanten in Nederland.

Mosbloempje heeft blijkbaar een voorkeur voor bepaalde steden steden in Nederland waar het als voegenvuller wordt gezien, bijvoorbeeld in Vlissingen en volgens de Verspreidingsatlas ook Harderwijk. Nou, in Deventer zou ik het leuk vinden om deze soort als voegenvuller te hebben.  Mosbloempje is in Deventer zeer zeldzaam en is volgens Waarneming.nl maar twee keer eerder gevonden in Deventer en beide keren op één van de begraafplaatsen.

De nieuwste vondst is niet in Deventer gedaan, maar in het nabij gelegen dorpje Diepenveen. Mosbloempje is gevonden op een stoepje naast een bruggetje over de Zandwetering. Samen met Liggend vetmuur, Veldereprijs en ook nog Rivierduinzegge!!

De Verspreidingsatlas laat zien dat de soort vooral in het kustgebied wordt gevonden op voedselarme bodem. Maar ook op begraafplaatsen en in een brede strook in Utrecht en de Veluwe. Dat het redelijk zeldzaam is, en in delen van Nederland helemaal niet wordt gevonden, is opmerkelijk. Want volgens de Oecologische Flora (deel 1: pagina 276) kan elk stukje dat op een geschikte plek blijf liggen uitgroeien tot een nieuwe plant. Dat kennen we maar al te goed van de Watercrassula dat zich zeer gemakkelijk verspreidt. Blijkbaar zijn er weinig geschikte plekken voor het Mosbloempje, of wordt het veel over het hoofd gezien?

Mosbloempje detail met bloeiwijzen
Mosbloempje detail met drie rondachtige kelkbladen en vruchtbeginsels

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik ga er vanuit dat er meer waarnemingen gaan volgen in Deventer. Habitat genoeg die geschikt lijkt. De grootte van het plantje echter zal ervoor zorgen dat het vaak over het hoofd wordt gezien, zeker als het groen is. Ik ga nog beter opletten.

 

Liggende ganzerik op de Welle

Deventer ligt aan de IJssel, en op de overgang tussen IJssel en de stad ligt de Welle. Dat is eigenlijk de naam van de straat die zo af en toe, bij heel extreem peil, overstroomt. Er is echter ook een wat lager deel dat het Wellepad wordt genoemd. Het ligt zo’n twee meter lager en dat overstroomt veel vaker; jaarlijks minstens een keer. Het overstroomt bij een waterhoogte van meer dan 4.50 m-NAP (zie ook https://www.deventer.nl/hoogwater) . Dat hoge water zorgt voor aanvoer van van alles en nog wat, waaronder zaden van planten. Het Wellepad heeft allerlei hoekjes die altijd weer leuke vondsten opleveren. Liggende ganzerik bijvoorbeeld. Het is niet ieder jaar present, maar in 2018 op zeker vijf plaatsen op het Wellepad.

Liggende ganzerik aan het Wellepad
Liggende ganzerik aan het Wellepad, met een van de kunstwerken. Boven de muur rechts loopt de Welle, één van de toegangswegen tot het noordelijk deel van Deventer.

Liggende ganzerik (Potentilla supina) is een vrij zeldzame soort die vrijwel geheel aan het Rijnstroomgebied is verbonden. De ‘Ruimte voor de rivier-projecten’ die de afgelopen jaren zijn uitgevoerd ten Zuiden en Noorden van Deventer hebben geresulteerd in vele plaatsen waar pioniervegetaties goed van geprofiteerd hebben. Volgens de verspreidingsatlas is Liggende ganzerik steeds vaker te vinden, soms ook wel buiten het rivierengebied of zoals in Deventer, naast de Welle ook op een terrein van de gemeente, waar opslag van bestratingsmateriaal plaatsvindt. Hier werd de Liggende ganzerik overigens naast Noorse ganzerik gevonden.

De Nederlandse Oecologische Flora (deel 2 vanaf pagina 81) meldt dat Liggende ganzerik voor 1950 aan de IJssel alleen aan de IJsselmonding bij Kampen voor kwam. Vermoed wordt dat de verzilting van het Rijnwater, door lozing van Kalimijnen in Frankrijk, heeft bijgedragen aan toename en verdere verspreiding van Liggende ganzerik in het Rijnstroomgebied.

Liggende ganzerik aan het Wellepad
Detail van Liggende ganzerik aan het Wellepad

Het geslacht Ganzerik/Potentilla behoort tot de familie van de rozen.  Heel herkenbaar: vijf kroonbladen en vijf kelkbladen. Op de Wateraardbei na hebben alle Nederlandse ganzerikken gele bloemen. Verder is de combinatie van liggende habitus, de veervormige bladen -alleen Zilverschoon heeft dat ook- en de kroonbladen die nauwelijks groter zijn dan de kelkbladen, typisch voor Liggende ganzerik.

Liggende ganzevoet

Het najaar is de tijd van de ganzenvoeten. Graag ga ik dan met de plantenwerkgroep lekker langs de uiterwaarden struinen en kom je al die leuke ganzenvoeten tegen. Maar ook in de stad zie je regelmatig diverse soorten ganzenvoeten, zoals ook deze Liggende ganzenvoet.

Al een aantal jaar staat op een bepaald deel van een straat in Deventer diverse planten van de Liggende ganzenvoet (Chenopodium pumilio). Nou ja, liggend, niet direct, op die paar planten na waaroverheen gelopen wordt. Deze soort behoort samen met Druifkruid en Welriekende ganzenvoet tot het (sub)genus Dysphania, de beklierde ganzenvoeten.

Habitus liggende ganzenvoet

Liggende ganzenvoet is van oorsprong afkomstig uit Australië en Nieuw-Zeeland en wordt ook tot de wol-/graanadventieven gerekend. Volgens de website alienplantsbelgium , waar de soort overigens Dysphania pumilio wordt genoemd, wordt de soort veel waargenomen in havens, op spoorwegemplacementen en in de buurt van graanverwerkingsbedrijven. Blijkens de genoemde site is het een soort die efemeer is, ofwel kan zichzelf maar zeer kort handhaven. Nou …. dat valt te bezien, mijn eerste waarneming op dezelfde plek is zeker al 5 jaar geleden. Bovendien is aan de titel van de blog op deze site met de naam “al tien jaar liggend aan de voet van de kerk” op te maken dat 10 jaar toch best al een tijdje is. Binnen het stedelijk gebied handhaaft de soort zich echter prima en kan het als een ingeburgerde soort worden beschouwd.

In Nederland is de soort vooral te vinden op de zandstrandjes langs de grote rivieren. Het is een uitgesproken warmteminnende pionier van stikstofrijke verstoorde bodems. Even verderop in de straat is in verband met bouwwerkzaamheden ‘gerommeld’. Daar zijn ze dan ook niet 15 cm hoog, maar zomaar een halve meter. Het effect van de standplaats is vrij duidelijk. In het verrommelde deel hebben de planten alle ruimte en liggen ze zeker niet, zijn de planten zelfs groot te noemen, met een mooie driehoekige vorm.

Dé verschillen tussen zijn directe verwant, waar de soort erg op lijkt, Druifkruid (Chenopodium botrys), zijn de compacte ronde kluwens met bloemen in de bladoksel en de gele klierharen op de onderkant van het blad. De vaak liggende habitus is bij deze populatie bepaald niet het meest opvallende kenmerk.

Een echte stadsplant