Home » bomen

Categorie: bomen

Fraxinus – Es

Als je over stadsplanten praat, zijn houtige gewassen vaak ondervertegenwoordigd. Dat is natuurlijk niet zo raar, want houtige gewassen hebben vaak zware, grote en kortlevende zaden. De kans dat deze zaden op een geschikte plek terecht komen om te ontkiemen is daarmee kleiner. Zaden die uit exotische landen hier terecht komen, zijn hun kiemkracht al vaak verloren. Daarom worden houtige gewassen minder vaak verwilderd aangetroffen. Een tweede reden dat houtige gewassen minder vaak gemeld worden in de stad, is dat het vaak niet mogelijk is om vast te stellen of er sprake is van verwildering of aanplant. De houtige gewassen zie je vaak alleen in groenstroken en parken, het is dan lastig om te zien of deze hier spontaan terecht zijn gekomen. Een derde reden is dat houtige gewassen in jong stadium erg lastig op naam te brengen zijn, bladvorm is dan vaak afwijkend. En in tegenstelling tot de eenjarige, kruidige soorten, zijn zij vaak niet in staat om een volwassen boom te worden.

Fraxinus pennsylvanica met 7, relatief lang gesteelde deelblaadjes.

Toch is het interessant om deze groep niet te negeren, er valt veel in te ontdekken. Het geslacht Fraxinus (Es) is een goed voorbeeld hiervan, er worden in Nederland momenteel 6 soorten gevonden, maar wie weet hoe veel er nog meer te ontdekken valt. In jong stadium lijken de verschillende soorten sterk op elkaar, ze hebben allemaal geveerd blad met vergelijkbare vorm van de deelblaadjes. Toch zijn er veel verschillen te ontdekken in kleur van de winterknoppen, bladkleur, het aantal deelblaadjes, beharing op de twijgen en nerven, gezaagdheid van de bladrand en de mate van gesteeldheid van de deelblaadjes.

Vegetatieve kenmerken

Zelfs met alle kenmerken op een rij, is het verhaal nog niet compleet. Zo zijn er bijvoorbeeld vormen van Es en Smalbladige es met ongeveerd blad, dit zijn Fraxinus excelsior ‘Diversifolia’ en Fraxinus angustifolia ‘monophylla’ respectievelijk. Ook zijn er diverse andere houtige gewassen met geveerd blad. Azijnboom (Rhus typhina) herken je aan de fluweeelachtige beharing van de jonge twijgen, Hemelboom (Ailanthus altissima) herken je aan de lobben aan de basis van de deelblaadjes, Kaukasische vleugelnoot (Pterocarya fraxinifolia) herken je aan de niet-tegenoverstaande deelblaadjes en dan zijn er nog een zestal soorten uit het geslacht Walnoot (Juglans), met net zo veel variatie als het geslacht Fraxinus.  Deze soorten lijken het meest op de verschillende soorten Es, mar hebben minder diep gezaagd blad. Walnoot (Juglans regia) en Zwarte walnoot (Juglans nigra) worden het meest aangetroffen.

Es (Fraxinus excelsior), herkenbaar aan de zwarte winterknoppen.

In deze tijd van het jaar vallen de exotische Fraxinus soorten op door hun gele bladkleur. Ga op zoek naar ruige, verstoorde plekken, zoals bouwterreinen, kribben, braakliggende percelen en industrieterreinen met weinig groenbeheer. Dan zul je ongetwijfeld succes hebben en zo niet, dan vind je vast heel veel andere leuke soorten.

Hemel of hel

Een aantal jaren geleden werd hier ter stede alarm  geroepen over de hemelboom (Ailanthus altissima). De reden was dat de gemeente Breda op een grote uitvalsweg nogal wat van die bomen in de middenberm plaatste. Naast het onloochenbare feit dat het hier een exoot betrof, zou deze ook nog invasief zijn.

Bomen groeien niet tot in de hemel en de hemelboom is daarop geen uitzondering. Zijn naam kreeg hij van de Engelsman Ph. Miller. Die beschreef in de achttiende eeuw de boom die hij gezien had in China. Hij noemde hem ‘hemelboom’. De geslachtsnaam ‘Ailanthus’ komt van het Maleise ‘aylanto’, dat boom van de hemel betekent. Onbekend is wat de boom hemels maakt. Wellicht vanwege het gebruik in de zijderupsteelt.

De Latijnse soortnaam ‘altissima’ betekent ‘de allerhoogste’. In feite wordt deze boom niet zo hoog, slechts 20 – 25 meter. Kortom, de naamgeving munt niet uit in adequaatheid.

Het meest opvallend aan de hemelboom zijn wel de bladeren. Die zijn 40 – 90 cm lang, oneven geveerd met 13 – 40 smalle, elliptische blaadjes, aan de voet grof getand. Van de blaadjes wordt beweerd dat ze onaangenaam ruiken. Dat hebben we bij de Bredase bomen niet kunnen vaststellen bij oudere bomen. Bij jonge bomen wel, en de geur heeft wel wat weg van aangebrande melk.

Groot, geveerd blad

De bladstengel is zacht behaard en bevat oranje merg. De schors is glad met lichte lengtestrepen.

De bloemen zijn klein, geelachtig wit in rechtopstaande pluimen en bloeien in juni-juli. Ook van de bloemen wordt beweerd dat ze stinken. Andere bronnen reppen van een vliergeur. Het vermoeden van demonisering door hemelboomhaters dringt zich op, want die zijn er.

De vruchten zijn gevleugelde nootjes, in grote, oranjekleurige trossen.

 

Vrolijk gekleurde vruchtjes in de nazomer

De hemelboom is tweehuizig. Man en vrouw wonen in aparte huizen. De bomen zijn dus eenslachtig, net als wilgen of hulst. De boom groeit ook verder uit wortelopslag en vanuit de stronk na kap.

Deelblad met zeer karakteristieke tand aan de voet.

In 1750 wordt hij voor het eerst ingevoerd in Frankrijk en van daaruit raakt hij verspreid over Europa.

In Nederland wordt hij als straat- en parkboom aangeplant. De boom heeft namelijk geen last van luchtvervuiling. Vooral Rotterdam is koploper geweest in het aanplanten van de hemelboom. Daar dragen de zaailingen zelf al weer vrucht.

De hemelboom vertoont dus alle trekken van een moderne stadsplant: mondiale verspreiding, snelle groeier, taai, thuis op verschillende grondsoorten en milieus, omstreden, maar onmiskenbaar aanwezig in onze wereld en een blijver.

Niettemin valt de woekering van de boom in Breda reuze mee: geen hemel en geen hel; meer iets er tussenin: een vagevuurboom.

 

 

 

 

 

vagevuurboom

Pruimen zoeken

De sleedoorn (Prunus spinosa) is een van de vroegst bloeiende struiken. Begin maart kon je hem dit jaar al in bloei aantreffen. Het is daarom een waardevolle plant voor de vroege wilde bijen zoals allerlei hommelkoninginnen en diverse zandbijsoorten. De bloemen verschijnen in grote aantallen en eerder dan de bladeren, waardoor je prachtig wit oplichtende bloemenwolken ziet in de berm of aan de bosrand. Het effect is zo mooi omdat de takken van de sleedoorn zelf zwartachtig zijn en de naaststaande bomen nog geen blad hebben. De sleedoorn wordt tot drie meter hoog.

De sleedoornstruik maakt een bossige indruk

Hij  behoort tot het geslacht Prunus, waartoe ook de zoete kers (Prunus avium), de kerspruim (Prunus cerasifera) en de pruim (Prunus domestica) toe behoren. De sleedoorn vormt gemakkelijk bastaarden met de gewone pruim. Men vermoedt dat er ook spontane bastaarden zijn met de kerspruim. De hybriden zijn vruchtbaar en variabel meldt Heukels’ flora. Ook in Breda daarvan zijn daarvan voorbeelden te vinden o.a. bij het viaduct bij Bavel. Daar staan op het moment van schrijven van dit stuk, 10 maart 2019, een tiental struikachtige bomen te bloeien in wit maar ook in roze en gegarandeerd zaailing. Zelf ben ik verleden jaar begonnen met het fotograferen van de bloei van een paar bomen en daarna met het fotograferen van het blad. Vervolgens vergeten naar de vruchten te kijken.. Bij het vergelijken van blad en bloem onlangs sloegen de twijfels toe. Zou er geen sprake kunnen zijn van meer soorten hybriden?

Alle oude foto’s opgeruimd en opnieuw begonnen met de registratie: nu per boom en later beslist ook de vruchten. Meer nieuws over hybriden moet even wachten.

De naam komt van de blauwe kleur

De wetenschappelijke geslachtsnaam naam ‘Prunus’ is afkomstig van het Griekse ‘prune’ en betekent ‘pruim’. De soortaanduiding ‘spinosa’ betekent doornig. In de Nederlandse naam ‘sleedoorn’ heeft ‘slee’ de oerbetekenis ‘blauw’. Het woord ‘slee’ is verwant aan het Slavische ‘sliva’ dat pruim betekent. Denk aan ‘slivowitz’ = pruimenjenever.

Proost!

 

Anna Paulownaboom; pionier van het groene stadswoud

Nu bescheiden nog zaailingen van Anna Pauwlownaboom, maar zonder ingrepen straks de kiem voor een heus stadsbos.

Onze steden worden secuur ingericht, voortdurend onderhouden, met al het groen van dien. Alles lijkt in regie, maar er is een andere werkelijk. Het groen in het stad gaat zijn eigen gang, tot op het steen toe. Als we een plek even uit handen geven nemen de elementen het over en in no time wordt de aanzet gegeven tot een weelderige, groen stadswoud.  Dat stadswoud in spe combineert spontaan opschietende inheemse met exotische houtige gewassen. Van overal komen ze aanwaaien. Veelal zijn het cultuurbomen, meest ex-straatbomen, die hier het avontuur aangaan.

Een bijzondere verschijning daarbij is de majestueuze Anna Paulownaboom. Hoewel de Anna Paulownaboom een boom is uit de binnenlanden van China, heeft deze soort een oranje tintje. Het was de favoriet van de Russische Anna Paulowna, getrouwd met de Nederlandse koning Willem II. De koningin hield van extravagante planten en de grote hartvormige bladeren en enorme paarse trompetvormige bloemen van de boom bevielen haar wel. De boom wordt daarom ook ‘prinsessenboom’ of ‘keizersboom’ genoemd.

Een prille Anna Paulownaboom in hartje maastricht

De boom viel veel breder in de smaak en is in onze contreien aangeplant in tuinen, parken en langs straatkanten. Van oorsprong is Anna Paulownaboom een echte pionier. Het wortelstel kan in korte tijd nieuwe, snelgroeiende scheuten produceren. De boom groeit het beste in voedselrijke, vochthoudende bodems, maar is relatief tolerant tegenover vervuilde of verschraalde grond. Ook kan de boom in scheuren van bestrating of muren groeien. De bladeren bevatten veel stikstof en de wortels voorkomen bodemerosie. De Anna Paulownaboom wordt in zijn groei geremd wanneer grotere bomen hem overschaduwen. Jonge planten zijn gevoelig voor vorst, maar een oudere boom is winterhard. In het Middellandse Zeegebied leidt deze boom intussen al een eigen leven met overal spontaan opkomende exemplaren. Nu ons klimaat steeds meer mediterrane trekjes krijgt voltrekt zich hier hetzelfde proces.

In no time groeit de Anna Paulownaboom, hier in Leuven, uit tot een kolos.
Anna Paulownaboom heeft het steen lief, schiet overal wortel tot ‘indoors ‘ toe.

Deze zomer liet dat in alle toonaarden zien. Veel houtige gewassen gingen gebukt en lieten het leven onder de hittestress. Zo niet de Anna Paulownaboom, die groeide op vele plaatsen in hoog tempo florissant uit. In Amsterdam, maar meer prominent nog in Maastricht en Leuven. Hoe steniger, hoe beter, geen plek bleek te gek; van kerkmuur, slooptuin, muurgevel tot ‘indoors’ toe.

Eikvarens op stadsbomen; een nieuw fenomeen!

Dat Eikvarens op bomen groeien is bekend, maar in steden werden ze zelden gezien. De laatste vijftien jaar waait er echter een nieuwe wind door de stad; Eikvarens hebben hun entree gemaakt op stadsbomen. Ze leven hier als epifyt.

Epifyten zijn planten die zich hechten aan andere plantensoorten zonder daar voedsel aan te onttrekken; ze gebruiken de ander alleen als groeiplaats. In veel gevallen is de waardplant een boom. Epifyten leven van de lucht, halen daaruit vocht en voedingsstoffen. In de tropen is deze groep goed vertegenwoordigd, maar in ons land is dit specialisme aan weinig soorten voorbehouden. Merendeels zijn dat blad- en levermossen en een enkele hogere plant, waaronder Eikvaren.

Het leven van een epifyt kent tal van kritische kanten. Dat start al bij de kieming. Veel mossen en ook eikvarens laten het bij te zure omstandigheden afweten; de ontkieming blijft dan uit. Door ‘zure regen’ met droge en natte neerslag (depositie) van zwaveldioxide ontstonden er in Nederland epifytenwoestijnen.

Epifytenwoestijnen in de jaren zestig.

Sinds de jaren tachtig tachtig is de uitstoot van zwaveldioxide flink verminderd en de terugkeer van epifyten in gang gezet, een proces wat nog altijd gaande is. Eikvarens zijn daar deel van. Deze varens profiteren daar bovenop van de toename van stikstof in de atmosfeer. Dat is een zorg van ons milieu, maar voor Eikvarens levert dit extra voedingsstoffen op. Ook de verhoogde luchtvochtigheid draagt bij aan het welzijn. Door meer neerslag en verdamping ,vooral in de warmste maanden, is de vochtigheidsgraad van de atmosfeer, met name in onze steden duidelijk hoger dan voorheen. Vocht brengt epifyten tot leven, nadat ze droge periodes hebben doorstaan. Bij Eikvarens is dat goed te zien. Na droogte staan de varens er dor bij, met opkrullend, bruin verkleurend blad. De planten lijken het einde nabij, maar dat is dan schijn; na regenval is het blad na korte tijd weer volledig gehydrateerd en frisgroen.

Valentijn te Hoopen heeft de aangroei van eikvaren op stadsbomen zien voltrekken. Al jaren maakt hij studie van dit verschijnsel. Hij traceert en analyseert: “Het moet in het voorjaar van 2004 zijn geweest dat mijn aandacht voor het eerst werd getrokken door een Eikvaren op een iep aan de Korte Prinsengracht in Amsterdam. Meestal is mijn blik omlaag gericht, speurend naar muurplanten. Nu en dan wordt mijn aandacht getrokken door een fietser, een auto, een meerkoet in het grachtenwater. Deze keer merkte ik een boomkruiper op, die langs de bast van de Iep zijn gang maakte op zoek naar iets eetbaars. Op dat moment ontwaarde ik mijn eerste Eikvaren, die daar hoog in de Iep zat. In de jaren die volgden, ontdekte ik steeds meer boombewonende Eikvarens. In 2010 startte ik een systematisch onderzoek. Ik fietste alle grachten in de binnenstad af, waarbij ik iedere boom bekeek, daarna ging ik de 20de-eeuwse wijken in.”

Eikvarens op bomen in de binnenstad van Amsterdam. De stand van zaken in 2017! Illustratie: Valentijn ten Hoopen

De rondgang langs bomen, 2500 in getal, is een terugkerende bezigheid. Ieder jaar levert dat meer bomen met eikvarens op, bij de start 124 stuks en oplopend tot 314 in 2017. De grachtengordel is hofleverancier, daarbuiten zijn ze veel minder te zien. Duidelijk is dat de leeftijd van bomen bepalend is; alleen bomen die voor 1965 zijn aangeplant zijn door hun omvang en meer gegroefde bast geschikt voor eikvarens. De oudere bomen leveren meer beschutting met een rijker mosdek waarin meer vocht- en voedingsstoffen neerslaan. Iepen blijken de perfecte boom, daarop huizen de meeste exemplaren maar ook Platanen en Schietwilg zijn geschikt.

Boombewonertjes

Wat doet een stadsflorist als er wat planten betreft even niet zoveel te beleven valt? De één gaat zich richten op groenblijvende struiken. De ander gaat op vakantie de tropische flora bekijken. En weer een ander bekijkt nou eindelijk eens z’n fotoverzameling van dit jaar waar planten op staan die nog geen naam hebben. Ikzelf kijk nu vooral naar bomen.

Bomen zijn natuurlijk meer dan een stuk hout. Het zijn hele levensgemeenschappen. Op zo’n boom groeien mossen en korstmossen, er kruipen insecten over en onder de schors en op de takken maken de Goudhaantjes hun piepgeluidjes.

Wat de meeste mensen niet zien zijn de hele kleine paddenstoeltjes die groeien tussen het mos op de boom. Meestal zijn dat Mycena’s. Zo groeien er op een boom in een straat vlak bij mij huis twee soorten schorsmycena op een zwaar bemoste boom. Het gaat hier om de Blauwgrijze schorsmycena (Mycena pseudocorticola) en de Lilabruine schorsmycena (Mycena meliigena).

De Blauwgrijze schorsmycena is vrij algemeen volgens het boekje Naam & faam, een nuttig boekje waarin alle paddenstoelen van Nederland staan. Het is een sapotroof op hout, dat betekent dat het recyclers zijn van dood organisch materiaal. Ze ruimen als het ware rommel op en zijn dus niet schadelijk voor de boom.

Blauwgrijze schorsmycena
Blauwgrijze schorsmycena

De Lilabruine schorsmycena, ook een sapotroof;  is veel midder algemeen dan de Blauwgrijze. Volgens Naam & faam is hij zeldzaam en zelfs bedreigd. Hij staat dus op de rode lijst. Toch schijnt hij regelmatig voor te komen samen met de Blauwgrijze schorsmycena. Ik mag de Lilabruine eigenlijk niet determineren op het oog want er staat in Naam & faam de beruchte letter M achter. Dat betekent dat de microscoop moet worden gebruikt en die heb ik niet. Toch werd mijn waarneming op waarneming.nl gevalideerd.

Lilabruine schorsmycena
Lilabruine schorsmycena

Mij ziet men dezer dagen dus veel naar bomen kijken en dat levert weer de nodige vreemde blikken op. “Wat doet u daar meneer”? Als ik dan zeg dat ik kijk naar mossen en paddenstoelen dan vindt men dat in het algemeen leuk. Een enkeling echter kijkt je aan met een blik van: op welke planeet leef jij?

Mycena
Een nog onbekende Mycena

Hulst – een stekelige kerstplant met vuurrode bessen

Laten we beginnen met een aardig raadseltje. Wat onderscheidt Hulst van de Larix? Het antwoord: Hulst is de enige boom die van nature voorkomt in Nederland en ’s winters groen blijft. De Larix is de enige naaldboom die van nature in Nederland voorkomt en ’s winters zijn naalden verliest.

Hulst en het kerstfeest zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden. Daarom is de decembermaand een ideaal moment om de aandacht te richten op Hulst. De Romeinen gebruikten al hulst bij de viering van Saturnalia. Het feest van de zonnewende. Het moment dat de zon in december de zuidelijke keerkring bereikt. De Romeinen vierden dat op 21 december in onze kalender.

Ook in de christelijke traditie is sprake van het gebruik van Hulst. Volgens een oude christelijke legende ontkiemde een hulst onder de voetstappen van Jezus. Zijn stekelige bladeren (de doornenkroon) en oranjerode bessen (bloed) voorspelden het lijden van de heilige man. In verschillende Europese landen noemt men hulst ‘Christusdoorn’. In oude Engelse kerkkalenders wordt de kerstavond beschreven als de avond van de ‘templa exornantur’ wat zoveel betekent als “met hulsttakken versierde kerken”. Dit gebruik bestaat nog steeds (bron:http://www.stemderbomen.nl/ pages/mainpages//Beschermende-hulst.htm

Als we struiken en bomen op deze website niet echt tot de stadsplanten rekenen zou ik niet stil mogen staan bij deze bijzondere plant/struik/boom. Maar omdat Hulst zoveel verschijningsvormen kent ben ik zelf van mening dat deze vertegenwoordiger van de flora hier goed op zijn plaats is. Zoals al opgemerkt kent de plant vele verschijningsvormen. De meeste mensen kennen Hulst als klein houtachtig gewas of als struik. Maar Hulst kan uitgroeien tot een forse boom met een hoogte van wel tien meter. Het verspreidingsgebied strekt zich uit van het noordwesten van Afrika, het zuidwesten van Azië tot en met Zuid- en West-Europa. In deze bijdrage zullen we Hulst verder als plant betitelen.

Als de plant niet bij het tuincentrum vandaan komt en zijn eigen vestigingsplekje mag uitzoeken dan voelt Hulst zich uitstekend thuis in loofbossen zoals eiken- en beukenbossen, op vochtige, matig voedselrijke zand- en leemgrond en op oude houtwallen. De plant verdraagt uitstekend zure grond. Hulst heeft een zinkerwortelstelsel. Een dergelijk wortelstelsel bestaat uit horizontaal lopende hoofdwortels (vlak wortelstelsel), die dicht onder het maaiveld liggen. Aan deze hoofdwortels ontstaan wortels die verticaal, de diepte in groeien (zinkers). Alleen als er voldoende ruimte is voor een goede ontwikkeling van een oppervlakkig hoofdwortelstel en zich daardoor zich voldoende zinkers kunnen vormen, kan Hulst uitgroeien tot een boom. De stam van de Hulst heeft een dunne en gladde bast. Het hout is hard en ivoorwit van kleur.

Aan één en hetzelfde Hulsttakje kunnen bladeren met scherpe stekels en bladeren met een gave bladrand voorkomen.

Ook het blad van de Hulst is interessant. Bij Hulst denken wij allemaal aan bladeren die scherp getand zijn met scherpe stekels. Maar aan één en dezelfde struik – zelfs binnen één en hetzelfde takje – kunnen bladeren voorkomen die scherp getand zijn en bladeren die een volledig gave bladrand hebben. Zeker als de plant ouder wordt neemt het aantal bladeren met een gave bladrand sterk toe. Daar is nog geen verklaring voor gevonden. Hulst kan zeer oud worden. Honderd tot driehonderd jaar is geen uitzondering.

De hele winter draagt Hulst veel mooie, dieprode bessen. De rode steenvruchten zijn voor de mens giftig. Voor vogels geldt dat gelukkig niet. Toch zijn de bessen niet super populair bij vogels. Zij zijn het meest geliefd bij Appelvinken. Lijsters beginnen er pas aan als tegen het eind van de winter de andere bessen zijn weggevreten. Hulst is een geliefde struik of boom om te nestelen. De stekelige bladeren, die bescherming bieden, zullen ongetwijfeld daar een bijdrage aan leveren.

Afrondend: Hulst hoort bij de kerst. Niet alleen vanwege een eeuwenlange traditie maar ook omdat veel mensen de takken met mooie diepgroene bladeren en de vuurrode bessen graag met de donkeren dagen rond Kerst in huis willen hebben. Het betekent wel dat elke tak met bessen, die gezelligheid in ons huis brengt, de kans op een potentiële Hulstboom om zeep brengt. De soort is echter totaal niet bedreigd. Dus geniet er van.

De bloemtrossen van de Hulst bevinden zich in de oksels van de bladeren. De plant is tweehuizig. Daarom vind je planten zonder en met bessen.

Op de pagina’s Stadsplanten van Amersfoort proberen wij vooral aandacht te geven aan planten die algemeen voorkomen in een bepaalde tijd van het jaar. Dat geeft de grootste kans dat de beschreven plant eenvoudig op dat moment gevonden kan worden in de eigen omgeving. Daarnaast melden wij uiteraard ook vondsten van bijzondere, zeldzame planten.

Joop de Wilde