Home » Breda

Tag: Breda

Olijven in stad

Iedereen kent de haagliguster (Ligustrum ovalifolium). Vroeger zag je hem meer, maar met de opkomst van de lage heggen, heeft de buxus vaak zijn plaats ingenomen. Maar er gloort hoop voor de liguster sinds het verschijnen van de buxusmot.

Ovaal blad haagliguster

Wat niet iedereen zal weten is dat liguster tot de olijffamilie behoort. Proefondervindelijk is dat tegenwoordig ook zelf vast te stellen. In veel steden staan olijfbomen in grote kuipen. In Tilburg staan er in de Stationsstraat. Dat is de straat die vanuit de binnenstad recht op de hoofdingang van het NS-station uitkomt. Sommige van die bomen dragen zwarte olijven. Steek een olijf in je mond en kauw erop. Bah, wat bitter! Zoek dan een liguster met bessen en steek een bes in je mond. Bah wat bitter! Beide vruchten hebben een harde pit, de blaadjes een vergelijkbare vorm. Die smaken trouwens ook bitter.

Dat laatste zal ook wel een van de redenen reden zijn waarom de liguster al zo lang als haag voldoet: het vee vreet niet aan de bladen.

Bitter als olijven

Wie zijn ligusterhaag vlijtig knipt zal geen bloemen zien; dat is echter wel zonde. De bloemen ruiken heerlijk en bloeien lang. Zelf hebben wij in de tuin een enkele liguster als boompje uit laten groeien en die bloeit heel rijk. Er komen dagvlinders en bijen op af, en ook nachtvlinders. Voor een aantal soorten nachtvlinder zijn zelfs de bladen voedsel voor de rups. De bekendste daarvan is de mooie ligusterpijlstaart.

In de winter komt de merel de ligusterbessen eten. Kortom, een bloeiende liguster draagt bij aan de biodiversiteit van de omgeving. Zelfs bij een haag kun je op een hoek een plant door laten groeien.

De haagliguster komt uit Japan en er wordt aangenomen dat deze niet verwildert. Daar twijfel ik aan. In onze tuin is spontaan een haagliguster verschenen. Dan moet je toch aannemen dat het een zaailing is.

Blad van de wilde liguster is veel langer

Er bestaat ook een wilde, inlandse liguster (Ligustrum vulgare). Die vind je vooral op kalkhoudende grond: in de duinen en op klei. Toch kun je hem verwilderd aantreffen in plantsoenen, ruderale stukjes, bermen.

Het verschil tussen beide ligusters is tamelijk makkelijk. Het blad van de wilde liguster is veel langer. In de wetenschappelijke naam van de haagliguster wordt dat ook al aangegeven: ‘ovalifolium’ = ovaalvormig blad; in tegenstelling dus tot het langwerpige blad van de wilde liguster. Ovaal is hier tweemaal zo lang als breed. Langwerpig: viermaal zolang als breed.

De geslachtsnaam ‘liguster’ komt van ‘ligure’ = binden, vlechten. Twijgen voor vlechtwerk.

 

 

 

 

 

 

 

Winterakoniet

In 2016 kwam ik net buiten het dorp voor het eerst winterakoniet (Eranthis hyemalis) tegen aan de rand van een bosje. Niet echt als een stadsplant van de stenen stad, maar duidelijk een tuinstortoverlever in de groene stad. Dit jaar vond ik er een aantal midden in de stenen stad. Het waren duidelijk zaailingen. Op de foto is te zien dat de moederplanten aan de rand van het tuinmuurtje staan en hun zaden over de rand hebben laten vallen, waarna kieming op een favoriete stadsplantenplek heeft plaatsgevonden: precies op de naad van muur en stoep.

Zaailingen op de naad van muur en stoep

De geslachtsnaam ‘Eranthis’ komt van het Grieks eros=lente en anthos=bloem. De soortaanduiding ‘hyemalis’ van het Latijnse hyemis=winter.

Winterakonieten zijn al lang ingeburgerde planten. De herkomst is weliswaar zuidelijk, maar ze zijn hier vanaf de zeventiende  eeuw als stinzenplant.  In Brabant is het zeker geen gewone verschijning. Je moet winterakonieten zoeken langs de kust, Noord-Friesland en Zuid-Limburg.

Winterakoniet als stadsplant

Maar gelukkig duikt hij soms op als stadsplant in Breda. Het is een van de leukste voorjaarsplanten met zijn olijke kraag waar de gele bloem zo mooi bij afsteekt.

 

Bingelkruid uit de tuin

Tot voor kort stonden er ongeveer 70 jaar oude woonblokken in de Hudsonstraat in Breda. Met de sloop in 2019 verdween een mooie populatie steenbreekvarens. Op de overgebleven kale vlakte verschijnen intussen planten die waarschijnlijk in de achtertuinen hebben gestaan. Een mooi voorbeeld is Tuinbingelkruid (Mercurialis annua). In januari stonden zij al of nog in bloei. Aanvankelijk had ik me niet zo in die plant verdiept en dacht dat sommige exemplaren in bloei stonden en anderen niet. Na enige tijd drong tot me door dat de duidelijke bloeiende exemplaren mannelijke planten waren en die anderen de vrouwelijke planten. Die vrouwen bloeien gewoon minder opvallend; de bloemen zitten wat verstopt onder en tussen de bladeren in de bladoksels.

Tuinbingelkruid, detail vrouwelijke plant

Tuinbingelkruid behoort tot de wolfsmelkfamilie. Dat is een familie waarvan de meeste soorten melksap bezitten. Dat melksap staat onder druk en bij beschadiging van de plant komt het meteen naar buiten. Het sap is meestal sterk tot dodelijk giftig en dient voor de plant als wondafdekking en bescherming tegen vraat. Tuinbingelkruid bezit echter geen melksap, maar is wel giftig. De zaden en de wortels bevatten stoffen die diarree, bloed in de urine en verlamming van blaas- en darmspieren kunnen veroorzaken. Zoals met zoveel giftige planten, werd ook deze plant medicinaal gebruikt en wel als purgeermiddel. Eén van de volksnamen in Frankrijk is dan ook ‘caquenlit’. Denk hierbij ook maar aan ‘pissenlit’, de Franse naam voor paardenbloem. In Frankrijk gebeurt de narigheid kennelijk meestal in bed.

Tuinbingelkruid, mannelijke plant

Er is nog een andere soort bingelkruid, namelijk Bosbingelkruid (Mercurialis perennis), vroeger ook wel Overblijvend bingelkruid genoemd. Bij deze soort zitten de vrouwelijke bloemen aan een lange steel. In tegenstelling tot tuinbingelkruid heeft deze soort uitlopers in de grond.
Bingelkruid komt van een woord uit de oudheid namelijk “bongo” wat “knol” betekent. Dit vanwege de vorm van de vruchten. De geslachtsnaam ‘Mercurialis’ komt van Mercurius. Mercurius is de god van de handel en reizigers en daarom zegt een Franse bron dat de vernoeming komt vanwege de zaden die door schoenen worden verspreid. Een Duitse bron zegt dat Mercurius de heilzame werking van het kruid heeft ontdekt. De soortaanduiding ‘annua’ betekent ‘eenjarig’.

Zonnetjes in de stad

Op een braakliggend terrein in het centrum van Breda stond in september een flink aantal stijve zonnebloemen te bloeien. Op hetzelfde terrein stonden op een meter afstand vergelijkbare planten nog in knop. Bij nader inzien bleek het te gaan om een forse groep aardperen. In de praktijk worden die twee soorten, beide behorend tot het geslacht Helianthum, weleens door elkaar gehaald. De wetenschappelijke naam van de aardpeer is Helianthum tuberosus en die van de stijve zonnebloem H. laetiflorus. Sommige auteurs plaatsen een vermenigvuldigingsteken tussen de geslachtsnaam en de soortaanduiding. Zo dus: Helianthum x laetiflorus. Dat betekent dat de auteur veronderstelt dat het gaat om een kruising, een hybride, tussen twee soorten. Volgens de Flora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden tussen H.laetiflorus en H.rigidus. De laatstgenoemde heeft een mooie Nederlandse naam: ‘stijve aardpeer’.

Wortelknollen aardpeer

Beide soorten zijn afkomstig uit Noord-Amerika. De aardpeer, ook wel topinamboer of Jeruzalemartisjok genoemd, werd al ruim voor de komst van Europeanen door de indianen gebruikt als voedsel. De stijve zonnebloem wordt alleen als sierplant gebruikt. Beide soorten ontsnappen van tijd tot tijd uit siertuinen en moestuinen. Ze kruipen soms gewoon onder muurtjes de straat op.

Stijve zonnebloem kruipt onder muur door

Het verschil tussen de aardpeer en de stijve zonnebloem is niet heel groot, maar toch wel duidelijk: de aardpeer heeft wortelknollen, het blad is sterk getand en de bladsteel is 1-4 cm lang. De  stijve zonnebloem heeft géén wortelknollen, de bladrand is gaaf/enigszins getand en de bladsteel is korter dan 1 cm. De aardpeer heeft sterker behaarde stengels dan de stijve zonnebloem.

Aardpeer: meer behaard, lange bladsteel
Stijve zonnebloem: weinig behaarde steel, korte bladsteel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Als je de bloeiwijzen vergelijkt dan valt op dat bij de aardpeer de omwindselblaadjes afstaand zijn en bij de stijve zonnebloem aanliggend.

Links: stijve zonnebloem. Rechts: aardpeer.

De aardpeer kan gemiddeld wat hoger worden dan de stijve zonnebloem: respectievelijk 2,40 m en 2,00 meter. Aan dat laatste verschil heb je natuurlijk niet zo veel.

Of de bloemhoofden net als bij de ‘gewone’ zonnebloem de richting van de zon aan de hemel volgen heb ik niet gecontroleerd.

Vlinderstruik

Een regelmatig verwilderende struik in het stedelijk gebied is de vlinderstruik (Buddleja davidii). Iedereen kent hem tegenwoordig. Daar hebben de tuincentra en de Vlinderstichting in eendrachtige samenwerking wel voor gezorgd. Toch is deze exoot uit China pas een jaar of 20 zo alomtegenwoordig. Eind 19de eeuw is de struik naar Europa gehaald. Door kwekers is vooral na de tweede wereldoorlog een variëteit aan kleuren ontwikkeld en door vergrote afzet daalde de prijs van de struiken. Toen ook nog de Vlinderstichting de struik aanbeval als bijdrage aan het behoud van vlinders, werd daar door het publiek zeer ontvankelijk op gereageerd. In elke straat vind je nu wel een of twee vlinderstruiken. De plant zelf liet zich ook niet onbetuigd. Vanaf 1980 heeft de plant zich langs de spoorwegen en in de stad explosief vermeerderd.

Een struik die zijn biotoop vindt.

De vlinderstruik is een pionier van droge stenige terreinen en vormt daardoor nauwelijks een bedreiging voor inlandse planten. En inderdaad, de plant heeft bloemen die bij uitstek geschikt zijn voor vlinders. De bloembuis is lang en smal, waardoor alleen insecten met een lange tong bij de nectar kunnen. Vlinders hebben zo een lange roltong. De vlinders hebben dus geen hinder van zweefvliegen en honingbijen. Maar op de vlinderstruik is meer te zien dan alleen dagvlinders, ook nachtvlinders komen er graag: gamma-uil, koperuil, goudvenstertje, huismoeder, witstipgrasuil en nog veel meer nachtvlinders zijn er op te vinden.

Vlinderstruik in de stad

De struik heeft nog een aanpassing aan insectenbestuiving: van een onbestoven bloem is het hartje geel, en daarmee goed zichtbaar voor insecten. Na bestuiving wordt het rood, een kleur die insecten slecht zien.

De geslachtsnaam ‘Buddleja’ is afgeleid van de Engelse botanicus Adam Buddle. De soortaanduiding ‘davidii’ verwijst naar pater Armand David, een Franse missionaris in China, die echter ook bioloog was en een groot aantal nieuwe planten en dieren ontdekte. Zijn bekendste ontdekking is het Pater-Davidshert.

Hemel of hel

Een aantal jaren geleden werd hier ter stede alarm  geroepen over de hemelboom (Ailanthus altissima). De reden was dat de gemeente Breda op een grote uitvalsweg nogal wat van die bomen in de middenberm plaatste. Naast het onloochenbare feit dat het hier een exoot betrof, zou deze ook nog invasief zijn.

Bomen groeien niet tot in de hemel en de hemelboom is daarop geen uitzondering. Zijn naam kreeg hij van de Engelsman Ph. Miller. Die beschreef in de achttiende eeuw de boom die hij gezien had in China. Hij noemde hem ‘hemelboom’. De geslachtsnaam ‘Ailanthus’ komt van het Maleise ‘aylanto’, dat boom van de hemel betekent. Onbekend is wat de boom hemels maakt. Wellicht vanwege het gebruik in de zijderupsteelt.

De Latijnse soortnaam ‘altissima’ betekent ‘de allerhoogste’. In feite wordt deze boom niet zo hoog, slechts 20 – 25 meter. Kortom, de naamgeving munt niet uit in adequaatheid.

Het meest opvallend aan de hemelboom zijn wel de bladeren. Die zijn 40 – 90 cm lang, oneven geveerd met 13 – 40 smalle, elliptische blaadjes, aan de voet grof getand. Van de blaadjes wordt beweerd dat ze onaangenaam ruiken. Dat hebben we bij de Bredase bomen niet kunnen vaststellen bij oudere bomen. Bij jonge bomen wel, en de geur heeft wel wat weg van aangebrande melk.

Groot, geveerd blad

De bladstengel is zacht behaard en bevat oranje merg. De schors is glad met lichte lengtestrepen.

De bloemen zijn klein, geelachtig wit in rechtopstaande pluimen en bloeien in juni-juli. Ook van de bloemen wordt beweerd dat ze stinken. Andere bronnen reppen van een vliergeur. Het vermoeden van demonisering door hemelboomhaters dringt zich op, want die zijn er.

De vruchten zijn gevleugelde nootjes, in grote, oranjekleurige trossen.

 

Vrolijk gekleurde vruchtjes in de nazomer

De hemelboom is tweehuizig. Man en vrouw wonen in aparte huizen. De bomen zijn dus eenslachtig, net als wilgen of hulst. De boom groeit ook verder uit wortelopslag en vanuit de stronk na kap.

Deelblad met zeer karakteristieke tand aan de voet.

In 1750 wordt hij voor het eerst ingevoerd in Frankrijk en van daaruit raakt hij verspreid over Europa.

In Nederland wordt hij als straat- en parkboom aangeplant. De boom heeft namelijk geen last van luchtvervuiling. Vooral Rotterdam is koploper geweest in het aanplanten van de hemelboom. Daar dragen de zaailingen zelf al weer vrucht.

De hemelboom vertoont dus alle trekken van een moderne stadsplant: mondiale verspreiding, snelle groeier, taai, thuis op verschillende grondsoorten en milieus, omstreden, maar onmiskenbaar aanwezig in onze wereld en een blijver.

Niettemin valt de woekering van de boom in Breda reuze mee: geen hemel en geen hel; meer iets er tussenin: een vagevuurboom.

 

 

 

 

 

vagevuurboom

Wauw het is wouw

Niet ver van mijn woning ligt langs de A-27 bij Bavel een zeer hoge geluidswal. Bijna 2 km lang en 15 m hoog. De zijde aan de snelweg is stijl, de andere zijde is glooiend, zodat er een behoorlijk oppervlak voor begroeiing is. Ongeveer 10 jaar geleden heeft de toenmalige stadsecoloog van de gemeente Breda een tamelijk uitzinnig mengsel van ongeveer 80 soorten van Zuid-Franse origine doen uitzaaien.

Wilde reseda, meer bossig

Het resultaat was en is ernaar. Natuurlijk zijn er een aantal soorten verdwenen, maar een groot aantal floreert en enkele trekken zelfs de omgeving in. Het omgekeerde gebeurt natuurlijk ook. Wat helpt is de zuidwestelijke projectie van de glooiende kant, de warme zomers en het feit dat aan de schanskorven bovenin, kalksteen is toegevoegd.

Blad wilde reseda gegolfd in Bavel

Al jaren meen ik daar alleen wilde reseda (Reseda lutea) te zien, totdat tijdens een inventarisatie elders, iemand bij de melding ‘reseda’ vroeg naar het blad te kijken. Het bleek wouw (Reseda luteola) te zijn. Terug naar mijn geluidswal bleek daar dat de helft van de ‘reseda’ , wouw te zijn. Ja, je ziet het pas als je het door hebt.

Goed, dan nu de verschillen. Het meest zekere kenmerk om op te letten is de vrucht. Bij wilde reseda is dit een vierkantig kokertje op een duidelijke steel. Bij wouw is dit een propje met geprononceerde, uitspringende hoeken en kort gesteeld.

Blad wouw zwak gegolfd in Bavel

De stengelbladen bij wilde reseda zijn diep ingesneden. Bij wouw is het stengelblad ongedeeld, maar heeft wel tandjes aan de voet. Bij de voet zit soms ook de aanzet van andere stengelbladen. Dat maakt het lastig om te zien of je met een of meer bladen hebt te maken. Daar komt bij dat zowel in Heukels 2005 als in de oecologische Flora staat dat alleen bij wouw het blad sterk gegolfd is. Op de geluidswal golft juist het blad van wilde reseda sterk. Vergeten dus dit kenmerk als onderscheidend.

Vrucht van wouw
Vrucht wilde reseda

Verder is er een habitusverschil. Wouw is hoger, slanker. Reseda is korter, bossiger, meer vertakt.

Wouw is vanouds een verfplant voor gele kleurstof. De verklaring voor de Nederlandse naam is niet zeker. Als meest waarschijnlijke wordt genoemd ‘hoog opschietend’. Vergelijk ‘woud’. Gelet op de habitus is die betekenis niet onlogisch.

De wetenschappelijke naam ‘reseda’ betekent ‘weer stillen” , ‘weer helen’. De plant werd gebruikt als geneesmiddel tegen gezwellen en ontstekingen. De soortaanduiding ‘lutea’ voor wilde reseda, betekent ‘geel’. De soortaanduiding ‘luteola’ voor wouw, betekent ‘geelachtig’.

Die soortaanduidingen horen dus eigenlijk gewisseld te worden. Helaas, gaat niet meer. Voor eeuwig verkeerd.

Bloem wouw
Bloem wilde reseda

Klimopbremraap

Zowel in de voortuin als de achtertuin staat bij ons klimop. Sinds een jaar of vijf verschijnt om de paar jaar, onregelmatig, dan wel in de voortuin, dan wel in de achtertuin, klimopbremraap (Orobanche hederae). Het is niet uitgesloten dat hij vaker is verschenen en niet opgemerkt. Per definitie groeit hij in de schaduw van klimop en de plant is van een afstand niet heel opvallend. Van dichtbij blijkt hij toch wel mooi en bijzonder met zijn crêpepapier-achtige bloemen met geel hart op een rode, behaarde achtergrond.

Bremrapen zijn parasitaire planten die alle een specifieke gastheer hebben. Zo zie je klavervreter bij klaver, de distelbremraap bij distel en de klimopbremraap bij klimop. Er zijn in Nederland ongeveer tien en ze zijn eigenlijk allemaal tamelijk zeldzaam. De meeste groeien op open terrein, want houden van warmte. Ik herinner me woekeringen van bremraap in het Middellandse Zeegebied.

Klimopbremraap is dus de uitzondering omdat hij in de schaduw groeit. Ook in zeldzaamheid is hij een uitzondering omdat hij wat lijkt toe te nemen.

Klimop en bremraap

Tot de bremraapfamilie behoort ook ratelaar en ogentroost. Dat zijn halfparasieten, want ze hebben nog wel bladgroen. Bremraap niet.

De Nederlandse naam ‘bremraap’ is afkomstig van de grote bremraap die op brem parasiteert met een ondergronds knol- of raapachtig orgaan. De wetenschappelijke geslachtsnaam ‘orobanche’ en betekent iets als ‘peulvruchtenwurger’. Ook hier is de geslachtsnaam afkomstig van een soort, die kennelijk nogal in gaten liep: hij dook op in de moestuinen van de Grieken en Romeinen.

De wetenschappelijke soortaanduiding ‘hederae’ betekent ‘klimop’.

 

 

Plant met sterallures

De Bleke morgenster (Tragopogon dubius) houdt zich in Breda keurig aan zijn profiel. We vonden hem op korte afstand van de spoorweg aan de westkant van het centrum. Volgens de veldgids “Stadsplanten” van Ton Denters (2004) heeft deze soort zich vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw via het spoor over het westen van Nederland verspreid. Het oorspronkelijke verspreidingsgebied van de Bleke morgenster bestaat uit Midden- en Zuid-Europa en Zuidwest-Azië.

De Bleke morgenster onderscheidt zich van wat bekendere Gele morgenster doordat de groene omwindselblaadjes duidelijk buiten de gele lintbloemen uitsteken, door de opgezwollen stengeltop onder de bloeiwijze en natuurlijk door de wat blekere bloemen. Met een loep, maar ook met goede blote ogen, kun je ook zien dat de stijlen van de Bleke morgenster paarsachtig zijn, terwijl die van de Gele morgenster geel zijn.

De naam ‘morgenster’ is volstrekt logisch:  de bloem sluit zich wanneer de zon op zijn hoogste punt is gekomen om zich de volgende ochtend weer te openen. Ook een geplukt exemplaar in mijn vensterbank hield zich eraan. De toevoeging ‘bleke’ is heel begrijpelijk. Vergeleken met de Gele morgenster (Tragopogon pratensis) is het geel van de bloemen wat bleker.

Pluizenbol

Na succesvolle bestuiving en bevruchting vormt zich een prachtige pluizenbol. Deze bestaat uit vruchten, de nootjes, met gesteeld vruchtpluis. Dat vruchtpluis is gevormd uit de pappusharen en heeft veervormige haren die in elkaar grijpen.

Vooral in wat oudere literatuur is ‘Boksbaard’ de Nederlandse naam voor het geslacht Tragopogon. Dat is de letterlijke vertaling van ‘Tragopogon.  De betekenis van ‘Tragos’  is bok en ‘pogon’ is baard. Deze naam dankt het geslacht aan het gegeven dat het omwindsel na de bloei weer dichtvouwt. De lange spitse punten van de omwindselbladen zien er wat rafelig uit. De gelijkenis met de baard van een bok heeft tot deze Nederlandse naam geleid. De botanicus die de wetenschappelijk heeft gegeven blijkt zijn/haar twijfels te hebben gehad want ‘dubius’ betekent gewoon ‘twijfelachtig’.

Pluizenbol vergroot

 

 

Straatspinazie

In de meimaand kwam ik in Breda op straat een niet-bloeiende plant tegen die ik in de verste verte niet thuis kon brengen. Na een paar weken ontdekte ik dat er iets van bloemetjes te zien waren. Na nog wat gepuzzel kwam ik erachter dat het om spinazie (Spinacia oleracea) ging. Ik ben duidelijk geen moestuinier. Ik ken spinazie uit de supermarkt en had geen idee hoe de bloemen eruitzagen. Nu wel.
De spinazieplant is meestal tweehuizig, dat wil zeggen dat de vrouwelijke en de mannelijke bloemen op verschillende planten te vinden zijn. De mannelijke bloeiwijze is aarvormig en de vrouwelijke bloeiwijzen zijn okselstandig met per bloem 4 of 5 witte stempels (zie foto 2). De bladschijf is eirond tot driehoekig spiesvormig.

Vrouwelijke bloeiwijze van spinazie

Het woord spinazie is afkomstig van het Perzische woord ‘esfenaj. De soortaanduiding ‘oleracea’ betekent ‘als groente gebruikt ‘of ‘n moestuinen groeiend’.

Spinacea oleracea behoort tot de familie van de Amaranthaceae. Tot deze familie behoren ook allerlei soorten bieten en ook quinoa. Spinazie is een snelgroeiend, eenjarige bladgroente, die naar het schijnt al heel lang geleden in Perzië werd geteeld. De plant stamt uit West-Azië, maar is niet als wild bekend. De stamvorm is waarschijnlijk Spinacia tetranda, eveneens uit West-Azië. De ‘wilde spinazie”uit de winkel is de gewone spinazie die wat langer doorgegroeid is.

Van spinazie word je sterk. Dat kregen we vroeger vaak te horen. Het verhaal erachter was dat er veel ijzer in spinazie zou zitten en van ijzer word je sterk. Het idee werd nog versterkt door de avonturen van Popeye the sailor man. Hij opende in benarde situaties een blik spinazie, gooide de inhoud naar binnen en loste met de kracht van ijzer de problemen meteen op. De achtergrond hiervan is dat de regering van de Verenigde Staten tijdens de Tweede Wereldoorlog de vleesconsumptie wilde beteugelen en daarom de consumptie van spinazie wilde bevorderen. Popeye bleek de ideale promotor.

Spinazie is iets voor kwekers met weinig geduld. Na ongeveer vier tot zes weken kun je al oogsten. In spinazie zit inderdaad ijzer, 3 tot 4 mg per 100 gram versproduct en dat is niet bijzonder veel. Daarnast zit er allerlei gezonds in: caroteen, vitaminen en anti-oxidanten. Maar er zitten ook lichtgiftige stoffen in, nl. oxaalzuur en nitraat. Je moet er dus niet zoveel van eten als Popeye.

Nog even terug naar de vindplaats. In dezelfde straat en op precies dezelfde plaats werden in 2014 Chia-planten gevonden. Je vraagt je af of er een guerilla-tuinier actief is. Zie website www.stadsplantenbreda.nl.